terug  begin  verderprepost
[p. 124]

A.N. Leontiev

Alex Nikolajewitsj Leontiev werd in 1903 in Moskou geboren. In 1924 promoveerde hij aan de universiteit van Moskou, in welk jaar hij in dienst trad van het instituut voor psychologie. In 1926 gaf hij bovendien college aan de academie voor communistische opvoeding. In 1931 verscheen zijn eerste boek: De ontwikkeling van het geheugen. Van 1932 tot 1935 was professor Leontiev hoofd van de psycho-neurologische afdeling van de academie van de Oekraine, terwijl hij tevens doceerde aan het pedagogisch instituut in Charkov. In 1945 wordt hij benoemd tot voorzitter van de psychologische faculteit van de Moskouse universiteit. In 1963 wordt hij rector van dezelfde universiteit. Professor Leontiev beweegt zich eveneens op internationaal wetenschappelijk terrein en was bijvoorbeeld vice-president van de internationale vereniging voor wetenschappeltjke psychologie. In 1963 kreeg hij de Leninprijs voor zijn boek Ontwikkeling van de psyche. Hij ontving eredoctoraten van de universiteiten van Parijs en Boedapest. Hij werd onlangs bovendien onderscheiden met de Leninorde.

Mevrouw Valentina Tereshkova heeft er eens op gewezen dat de jongeren in de Sowjet-Unie reeds vanaf hun prille jeugd wordt geleerd dat de staat ze nodig heeft en dat een speciale taak hebben bij de opbouw van de toekomstige Sowjet-samenleving.

Laat ik allereerst stellen dat ik het volledig eens ben met de opvatting dat de jongeren van ons land zich er volledig van bewust zijn dat zij nodig zijn, dat zij nuttig zijn voor de samenleving als geheel en dat zij in hoog aanzien staan. Dat is volledig juist. Anderzijds geloof ik niet dat wij ons deze zaak al te simplistisch moeten voorstellen. Tenslotte moet dit besef nuttig te zijn - om het zo maar te noemen - in de opvoeding worden aangekweekt, en men zou met recht kunnen stellen dat ons hele educatieve stelsel erop is gericht om kinderen het gevoel te geven dat zij nodig en nuttig zijn. Wij leren ze volledig aan de ontwikkelingen in onze samenleving deel te nemen en daarnaast om creatief te zijn. Misschien kan ik dat het beste formuleren door te stellen dat wij er de nadruk op leggen dat zij een aandeel bij de opbouw van onze wereld hebben. Dat is niet iets wat alleen in een bepaalde ontwikkelingsfase geaccentueerd wordt. Dat zou namelijk volstrekt ontoereikend zijn. Het is in de eerste plaats het resultaat van ons onderwijsproces als geheel, van de eerste schooljaren tot het beëindigen van een universitaire studie aan toe.

Ik zou dit graag in concretere termen willen verduidelijken. De kwestie in welke vormen deze maatschappelijke deelname zich ontwikkelt, heeft u niet aangeroerd, evenmin als de vraag onder wiens leiding dit leerproces plaatsvindt en op welke wijze de jeugd bij de opbouw van de samenleving van nut kan zijn. Ik zal deze punten voor het moment daarom ook laten rusten.

 

Het is uw interview, ik luister.

Ik zou naar aanleiding daarvan graag iets willen zeggen, niet als psycholoog, maar als lid van de Sowjet-samenleving. Voor mij gaat het er allereerst om in welke verschillende vormen de jeugd betrokken is bij de

[p. 125]

opbouw van de samenleving als geheel. Volgens mij is dat een verschrikkelijk belangrijk punt, ook psychologisch gezien. Wij kennen uiteraard vele vormen van menselijke activiteit, en al deze vormen hebben betrekking op de opbouw waar wij nu over spreken.

 

Bedoelt u de opbouw van een wereldomvattende samenleving?

Nee, voor het moment heb ik het uitsluitend over de ontwikkeling van de Sowjet-samenleving, met andere woorden, de opbouw van een socialistische maatschappij. Daarvoor is een breed spectrum van allerlei verschillende activiteiten nodig, zoals bijvoorbeeld Industrie, landbouw, wetenschap, medicijnen, handel, vervoer, administratie, enzovoort.

Historisch gezien, of liever gezegd: in de loop van de maatschappelijke geschiedenis, heeft zich een soort maatschappelijke schaal gevormd, terwijl er tevens een evaluatie van de verschillende activiteiten ontstond. Anders gezegd: sommige activiteiten werden hoger gewaardeerd dan andere, en dit ten koste van de gewone man. Dat is een historisch feit. Wij hebben echter tot taak om deze schaal te veranderen en tot een nieuwe waardering te komen. En waarop moet deze gebaseerd zijn? Op de kwaliteit van onze activiteit, de produktiviteit.

Op grond hiervan is het mogelijk een grote variëteit aan vormen te evalueren, bijvoorbeeld het dagelijks werk van de arbeiders in de industrie en de landbouw. Als u onze kranten kon lezen, zou u merken hoe het verschil in waardering tot uiting komt: namelijk in de beloning. Daarnaast zou u zien dat deze waardering zich uitstrekt van de meest eenvoudige taken in de samenleving tot uiterst gecompliceerd wetenschappelijk werk. Al deze activiteiten worden in feite met dezelfde maatstaven gemeten. Uiteraard merken wij daarbij soms paradoxale gevallen op, zoals bijvoorbeeld een ingenieur met een academische titel die minder salaris ontvangt dan een bepaalde arbeider die toevallig zeer bekwaam is op zijn speciale gebied. Wij waarderen werk namelijk niet in termen van technieken of vanuit een bepaalde theorie, maar uitsluitend zoals het zich in de praktijk voordoet. Hiermee benadrukken wij dat de waarde van het werk in de kwaliteit ervan ligt. Of in de creatieve kracht ervan, als u het zo wilt formuleren. Begrijpt u? Dit heeft onze samenleving diepgaand veranderd.

In de meeste landen staat de populaire pers vol van de bekende cliche's over de zogenaamde grote persoonlijkheden, generaals, ministers, politici, enzovoort. Maar als u een Sowjet-krant zou kunnen lezen, zou u voortdurend artikelen tegenkomen over mensen met een gewoon beroep, bijvoorbeeld een spoorwegreparateur. Ieders werk is in wezen even belangrijk. Een dergelijk artikel zien wij als een loon naar werken. Publiciteit moet op de openbare mening worden afgestemd. Iedereen heeft recht op prestige. Daarom kunt u in een eersteklas rusthuis mensen uit alle lagen van de bevolking aantreffen, schrijvers, wetenschapsmensen en ook gewone handarbeiders. Wij laten in een dergelijk rusthuis allerlei soorten mensen toe, en niet alleen de categorie die tot een bepaalde hoogte van de sociale ladder is opgeklommen, zoals in een

[p. 126]

samenleving die in klassen is verdeeld. Hierin onderscheidt de Sowjet-Unie zich fundamenteel van de meeste andere landen. Dat neemt overigens niet weg dat het ook in onze maatschappij soms bijzonder moeilijk is om bepaalde vooroordelen uit de weg te ruimen. Sommige mensen houden nog steeds aan het vroegere waardensysteem vast. Zo zijn er bijvoorbeeld ouders die ook nu nog hopen dat hun kinderen een van de hogere lagen van de samenleving bereiken. Een hogere klasse als zodanig bestaat er echter niet in de Sowjet-Unie.

 

In onze samenleving geloven wij niet dat de Sowjet-maatschappij werkelijk klasseloos is.

Ik geloof dat het absoluut noodzakelijk is om zo precies mogelijk te definiëren wat het begrip klasse, waarover wij het hier hebben, in feite inhoudt. Een socialistische samenleving kent geen klassen, die tegengesteld zijn aan elkaar. Met andere woorden: in een socialistische samenleving zijn geen klassen die elkaar bestrijden of uitbuiten. Dergelijke klassen zijn in de Sowjet-Unie eenvoudigweg niet te vinden, en dat is volgens mij het allerbelangrijkste kenmerk van onze samenleving. Dat wil uiteraard niet zeggen dat er geen verschillende groeperingen in onze maatschappij zijn, zoals bijvoorbeeld de groep arbeiders, de intelligentsia, de groepen intellectuelen. Zo zijn er ook verschillen tussen de bewoners van de steden en de plattelandsbevolking, grote verschillen zelfs, ook al worden die steeds kleiner. En hoe komt dat? In de allereerste plaats door de economische situatie in een bepaald gebied en de pogingen om de landbouw te industrialiseren. Zo zijn er bijvoorbeeld al dorpen waarin dezelfde soort grote gebouwen zijn te vinden als in de steden. Met andere woorden: de oude izba (hut) die vroeger het standaardverblijf op het platteland was, maakt langzamerhand plaats voor het moderne type woning dat van dezelfde moderne snufjes voorzien is als een huis in de grote stad. Zelfs in onze meest afgelegen gebieden wordt nu elektriciteit aangelegd.

 

Ook telefoon?

Direct na afloop van de burgeroorlog hebben wij geprobeerd een telefoonnet overal over het land aan te leggen. Dit proces is sindsdien voortdurend versneld.

 

Maar zal er niet altijd ongelijkheid bestaan, een ongelijkheid gebaseerd op verschillen in intelligentie? En zo ja, wat moeten wij dan doen met mensen met een laag IQ, mensen die alleen maar in staat zijn om gangen schoon te houden?

Dat is een uiterst ingewikkeld probleem en wij moeten goed begrijpen waar het daarbij precies om gaat. Mensen zullen altijd psychologische verschillen blijven vertonen, zoals zij ook lichamelijk nooit volledig gelijk zullen zijn. Deze verschillen, gebaseerd op de individualiteit van de mens, moeten in feite steeds groter worden, omdat de vele maatschappijen in de wereld, die elk uit verschillende klassen bestaan, allemaal volgens verschillende methoden te werk gaan. Ondanks dat blijft ge-

[p. 127]

lijkheid de basis voor elke individuele ontwikkeling. Dat wil niet zeggen dat het individu door gelijkheid gevormd wordt, maar het krijgt erdoor gelegenheid zichzelf verder te ontwikkelen, en een toestand van volledige rijpheid te bereiken, zonder daarvoor in een vast patroon te worden gedrukt. Wat ik zeer betreur, is de neiging om mensen volgens een bepaalde norm te programmeren, of anders gezegd, de neiging om mensen te modelleren volgens een standaardtype, dat de gemiddelde vertegenwoordiger van een bepaalde groep of klasse moet voorstellen. Neem bijvoorbeeld de beroemde Amerikaanse ‘citizen’. In feite bestaat deze helemaal niet, maar desondanks wordt er geprobeerd een stereo-type te vormen. De Amerikaanse ‘citizen’ is een model dat uit alle macht gepropageerd wordt en dat tot een soort gelijkheid leidt die werkelijk beangstigend is. Werkelijke gelijkheid in individuele ontwikkelingsmogelijkheden geeft het individu gelegenheid om zijn creatieve vermogens volledig te ontplooien en zijn individualiteit te doen gelden.

Ik heb het zoëven over veranderende waarden gehad en ik geloof dat de gelijkheid van iemands activiteiten, van iemands professionele kwaliteiten daar niet los van moet worden gezien, omdat de gelijkheid van het eerste type, dat van de maatschappelijke-ladderschaal waarover wij gesproken hebben, juist datgene is dat de gelijkheid binnen die schaal mogelijk maakt, namelijk de gelijkheid die het individu in staat stelt zijn persoonlijke capaciteiten in de volledige zin van het woord te ontwikkelen. Waarop is deze gebaseerd? Hiermee komen wij op het beruchte probleem van het IQ van de mens. Deze schaal wordt verkregen door middel van een aantal testen en meetinstrumenten die verre van volmaakt zijn. Ik zou zelfs willen stellen dat iemand wiens IQ wordt gemeten, zeer eenzijdig bestudeerd en beoordeeld wordt. Hij wordt slechts onderzocht op een aantal geestelijke functies die naar mijn mening alleen maar oppervlakkig bezien deel uitmaken van zijn persoonlijkheid. Om het nauwkeuriger te formuleren: het zijn functies die alleen maar zijn aangenomen om in een in wezen willekeurige behoefte te voorzien. Wat in het genetisch programma van de mens aanwezig is zal nooit hetzelfde zijn als dat wat onder invloed van de buitenwereld aan de dag treedt. Simpel geformuleerd: onze erfelijke kenmerken zijn de voonwaarden, op basis waarvan onze ontwikkeling plaatsvindt. Om bijvoorbeeld te kunnen zien, heb ik een oog nodig. Het valt te vergelijken met een machine die voor een bepaald doel is ontworpen. De machine kan deze taak verrichten, maar of zij dat ook doet, hangt helemaal af van de manier waarop zij gebruikt wordt.

Het is onmogelijk om onderscheid te maken tussen erfelijk bepaalde mogelijkheden en de realisering ervan, omdat het zeker niet uitgesloten is dat de mogelijkheden die in de genetische structuur verankerd liggen, nooit tot uiting kunnen komen. Zo is het bijvoorbeeld heel goed denkbaar dat iemand aan alle erfelijk bepaalde voorwaarden voldoet om een taal te leren, en er desondanks nooit een leert spreken omdat hij niet met een taal in aanraking komt.

Met andere woorden: bestaat er een direct en onverbrekelijk verband tussen erfelijkheidsfactoren en het resultaat van een ontwikkeling? Dit

[p. 128]

is uiteraard een zeer gecompliceerde zaak. Er zijn een groot aantal gevallen bekend die erop wijzen dat er vele contradicties bestaan. Neem bijvoorbeeld het geval van een kind dat blind wordt geboren of zijn gezichtsvermogen in zijn allervroegste jeugd verliest. Dit zijn omstandigheden die normaal gesproken een intellectuele ontwikkeling zouden uitsluiten; maar via een speciale opvoeding is een dergelijke ontwikkeling allerminst onmogelijk. Dit houdt in dat er blijkbaar geen direct verband bestaat tussen erfelijkheid en het einde van een ontwikkeling, terwijl de grenzen bovendien eerder van kwalitatieve dan van kwantitatieve aard zijn. Met andere woorden: het gaat niet om de mogelijkheden tot ontwikkeling als zodanig, maar om de mogelijkheid om je in een bepaalde richting te ontwikkelen. Veel hangt daarbij af van de vraag of de richting van deze ontwikkeling door de maatschappij, de omgeving, de Umwelt, op haar juiste waarde geschat wordt. Als de maatschappij de ontwikkelingsmogelijkheden verkeerd beoordeelt, worden de mogelijkheden op verdere verbetering begrensd. ‘Begrensd’ klinkt misschien enigszins overdreven. Er zijn waarschijnlijk wel begrenzingen, maar deze oefenen in de praktijk weinig invloed uit. Binnen het raam ervan zijn in ieder geval nog ruime perspectieven aanwezig. Ik geloof bijvoorbeeld niet dat iedereen over de mogelijkheid beschikt om muziek te maken, of dat iedereen een esthetische ontwikkeling in muzikale activiteiten kan doormaken. Niet iedereen heeft het talent om viool te leren spelen en dat is ook niet noodzakelijk. Er zijn ook mensen die zichzelf realiseren via een esthetische activiteit als tekenen, architectuur of een andere activiteit die op de wereld van de schoonheid gericht is. Zo kunnen de mogelijkheden van een individu werkelijkheid worden.

 

Christopher Jencks van de Harvard-universiteit heeft de verschillen tussen blank en zwart bestudeerd, en kwam tot de conclusie dat de kloof tussen beide rassen in Amerika niet zozeer door economische als wel door culturele verschillen veroorzaakt wordt. Als dat inderdaad het geval is zouden de geïndustrialiseerde naties de ontwikkelingslanden op andere manieren moeten helpen dan door het uitzenden van technici of het verstrekken van grote sommen geld.

In de allereerste plaats moeten wij aanvaarden dat er verschillen tussen blank en zwart zijn. De mensen hebben echter neiging om te vergeten dat deze via tests of experimentele methoden vastgestelde verschillen alleen maar berusten op empirische waarnemingen, die ons niets vertellen over het ontstaan van deze verschillen, laat staan over de oorzaak ervan. Allereerst kunnen wij vaststellen dat de ontwikkelingsmogelijkheden van blank en zwart sterk uiteenlopen. Dat is een onloochenbaar feit dat wij niet nit het oog mogen verliezen. Daarnaast zijn er uiteraard ook verschillen die verklaard kunnen worden uit aangeboren eigenschappen.

 

Erfelijke eigenschappen?

Ja, aangeboren in de zin van erfelijk. Ik denk bijvoorbeeld aan verschillen in temperament, of in de wijze waarop mensen reageren. Ik

[p. 129]

twijfel er niet aan dat er nog veel meer verschillen zijn, die soms verklaard worden als verschillen in temperament, en soms, zoals Pavlov heeft gedaan, als verschillen in het zenuwstelsel. In feite komt dit op hetzelfde neer. Het getuigt alleen maar van een andere benaderingswijze. Pavlov's verklaring geeft tevens antwoord op een tweede vraag, de kwestie van verschillen in het centrale zenuwstelsel. Dat deze verschillen bestaan staat wel vast, evenals het feit dat zij biologisch bepaald en van erfelijke aard zijn. Ik geloof dan ook dat alle theorieën die ervan uitgaan dat typen veranderd kunnen worden, bijvoorbeeld via het centrale zenuwstelsel -

 

Met chemische middelen?

Niet noodzakelijkerwijs. Hetzelfde geldt namelijk ook voor methoden gebaseerd op veranderde omstandigheden, enzovoort Volgens mij is het onmogelijk om de individuele typen die zich in de loop van de evolutie gevormd hebben, te veranderen. Waarom? Omdat zij zich in voldoende mate aangepast hebben. Wanneer dat namelijk niet het geval was, zouden deze typen niet bestaan, en in de loop van het evolutieproces verdwenen zijn. Zij zijn misschien wel verschillend, maar ondanks dat kunnen zij allemaal in eigen behoeften voorzien. Dat is een zeer belangrijk aspect: zij zijn duurzaam, gezond.

Neem bijvoorbeeld agressie. Wat kan vanuit biologisch gezichtspunt bewezen worden? Ik bedoel bijvoorbeeld via de bestudering van het gedrag van dieren. Het is mogelijk om met selectieve fokmethoden een generatie katten te produceren die zich zeer agressief gedraagt. Katten die muizen doden ook wanneer zij geen honger hebben. De praktijk heeft uitgewezen dat zoiets mogelijk is. Maar wij moeten ons daarbij goed bedenken dat dit niets te maken heeft met agressiviteit als mentaliteit. Het is zeer goed voorstelbaar dat degene die tenslotte op de knop zal drukken die een atoomoorlog zal ontketenen, iemand is die qua karakter of temperament allerminst agressief genoemd kan worden, terwijl er tegelijkertijd een uiterst agressieve persoonlijkheid is, die uit alle macht tracht te voorkomen dat deze knop ooit ingedrukt zal worden.

Welke conclusie kunnen wij trekken uit het bestaan van zo'n groot aantal biologisch en erfelijk bepaalde verschillen? Zij kunnen ertoe leiden dat er meerdere gedragswijzen ontstaan. Zo zullen mensen in zuidelijke landen over het algemeen heftiger reageren dan mensen in het noorden. Al deze verschillen brengen alleen maar een gamma aan mogelijkheden voort, binnen het kader waarvan het wezen van de mens zich verder kan ontwikkelen. Het gevolg hiervan is een voortdurende verrijking. Dit brengt mij op de culturele betrekkingen tussen volkeren. Ik ben van mening dat een zekere toenadering bereikt zou kunnen worden, bijvoorbeeld via de overdracht van bepaalde verworvenheden van de nationale ontwikkeling. Ik spreek hier over de verrijking van de menselijke cultuur in abstracte zin, in de meest algemeen menselijke betekenis van het woord, dat wil zeggen, een verrijkmg die alle mensen die op deze aardbol wonen in gelijke mate aangaat. De mensheid ondervindt

[p. 130]

geen nadelige gevolgen van de verschillen waarover ik het zojuist had. Integendeel, zij wordt erdoor verrijkt. Ik sta het idee van een internationaal bewustzijn voor, maar dat neemt niet weg dat het nationaal bewustzijn een eigen plaats moet hebben. Bij het aankweken van een internationaal bewustzijn moet altijd rekening worden gehouden met het feit dat er bepaalde nationale eigenaardigheden bestaan. Tenslotte kunnen gewoonten, gedragingen en normen zich op totaal verschillende wijze uiten. Er zijn zoveel verschillende typen: het kalme en rustige type, het gevoelige type, het trage en langzame type, enzovoort. Wanneer al deze typen culturele betrekkingen onderhouden, vormen zij tezamen een uitgebreid spectrum. Zelfs wanneer slechts een tweetal typen intensief met elkaar in contact staan, kunnen wij al getuige zijn van een uitwisseling van verschillende gedragsvormen. Zoals bij elke uitwisseling, worden ook in dit geval beide partijen verrijkt. Daarom geloof ik ook niet dat het mogelijk is om een bepaald model op te stellen, gebaseerd op slechts éen enkele traditie. Zo kan men zich bijvoorbeeld afvragen of onze muziek beïnvloed is door de afrikaanse muziek. Het antwoord moet luiden: ongetwijfeld.

 

Claude Debussy werd beïnvloed door Indonesische gamelanmuziek.

Precies. Dat is volledig normaal.

 

Maar om terug te komen op de agressie van de mens. Bent u niet bang dat er een eind aan elke vorm van culturele communicatie zal komen wanneer onze natuurlijke hulpbronnen uitgeput raken? Zal agressie niet de boventoon gaan voeren wanneer steeds grotere groepen mensen gebrek aan voedsel krijgen?

U ziet dat ik glimlach, en ik u uitleggen waarom. U neemt een volledig abstract model aan, een model dat u van a tot z zelf bedenkt. Waarom? Omdat u veronderstelt dat mensen alleen voedsel van elkaar kunnen krijgen door erom te vechten, te strijden. Ik geloof echter niet dat dit altijd het geval hoeft te zijn. Waarom zouden wij geen ander model aannemen? Neem bijvoorbeeld een gezin van zo'n zes, zeven mensen dat niet of nauwelijks over middelen beschikt om zich in leven te houden. Wat zullen de leden van dit gezin doen?

 

Met elkaar overleggen.

Inderdaad. Zij gaan met elkaar na hoe zij aan hun nijpende toestand een eind kunnen maken. Misschien besluiten zij éen van hen naar de stad te sturen om te proberen geld te lenen. Zij bespreken verder hoe zij aan water kunnen komen om hun akkers te bevloeien. Misschien besluiten zij nog meer te bezuinigen. Kortom: zij zullen trachten een oplossing te vinden die voor hen allemaal aanvaardbaar is. Wij hebben nu dus twee modellen: dat van u en dat van mij. Beide modellen zijn abstract. Wij kunnen ons nu gaan afvragen welk van beide het meest realistisch is; welk van beide op de lange duur het meest effectief zal blijken. Welk model leidt tot de beste resultaten?

[p. 131]

Maar de geschiedenis wijst in andere richting. Is de concrete werkelijkheid niet sterker dan alle hoop? U heeft blijkbaar veel vertrouwen in de mens, of in de menselijke wijsheid.

Ik geloof dat dit de enige manier is waarop je kunt leven. Hoe kun je leven als je dit vertrouwen niet bezit? Dat is alles. Ik heb geen keus. Wanneer je overtuigd bent van het andere, rampzalige alternatief kan dat leiden tot krankzinnigheid, neurose, zelfmoord, noem maar op. Je moet mensen niet met pessimistische ideeën vermoorden. Een dergelijk pessimisme heeft een zelfvernietigend karakter.

 

Heeft de jeugd in de Sowjet-Unie veel belangstelling voor bijvoorbeeld psychologie, psychiatrie, de gedragswetenschappen? Meer dan vroeger?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet ik een tweetal punten noemen. Het aantal studenten met belangstelling voor de gebieden die u noemde neemt voortdurend toe. Ik zal dit aan de hand van enkele cijfers duidelijk maken. Aan de universiteit van Moskou zijn zo'n veertien, vijftien faculteiten, die elk uiterst gespecialiseerd zijn. Zo hebben wij bijvoorbeeld geen faculteit voor alle exacte wetenschappen, maar afzonderlijke faculteiten voor scheikunde, natuurkunde en wiskunde. Wij hebben evenmin een faculteit voor alle sociale wetenschappen, maar afzonderlijke faculteiten voor sociologie, psychologie, enzovoort. Dit is dan ook de reden waarom het aantal faculteiten zo groot is. Voor toelating tot een van de faculteiten wordt een vergelijkend examen gehouden, omdat er meestal meer potentiële studenten zijn dan beschikbare plaatsen. Op deze wijze stellen wij het aantal studenten vast dat een bepaald vak wil studeren. Het is ons gebleken dat het aantal studenten dat aan een bepaalde faculteit wil studeren, in een vaste verhouding staat tot het aantal beschikbare plaatsen.

 

Werkelijk?

Inderdaad.

 

Maar de Literaturnaja Gazeta schreef nog maar kort geleden dat deze vergelijkende examens zo moeilijk waren en zo fel betwist werden, dat zij de toekomstige studenten een zware last op de schouders legden en psychologisch gezien enorme frustraties veroorzaakten.

De vergelijkende examens worden inderdaad steeds moeilijker, omdat de toeloop van studenten veel te groot is. Voor bepaalde vakken is de belangstelling zo enorm dat het aantal afgestudeerden de maatschappelijke behoefte aan specialisten van academisch niveau verre zou overtreffen.

 

Net zoals in de westerse maatschappijen, waar voor sommige vakken de toeloop eveneens veel te groot is.

In de Sowjet-Unie hebben wij met hetzelfde probleem te kampen, en daarom hebben wij het systeem van vergelijkende examens ingesteld. Is dat de juiste manier om de toeloop van studenten in te dammen? Ik geloof niet dat er iemand te vinden is die zich erg gelukkig voelt met

[p. 132]

deze oplossing, maar een betere methode is vooralsnog niet gevonden. Ik ben het met de Literaturnaja Gazeta eens dat de examens veel te moeilijk zijn, en dat dit een negatieve invloed heeft op de studenten, die zich nu over de kop moeten werken om tot de universiteit toegelaten te kunnen worden. Dit leidt inderdaad tot bepaalde emoties, frustraties, als u het zo wilt noemen. Misschien is het woord frustratie echter toch te sterk. Wanneer een student bijvoorbeeld dokter wil worden, maar het toelatingsexamen voor de medische faculteit niet haalt, betekent dit namelijk niet dat alle hoop vanaf dat moment vervlogen is. In de allereerste plaats krijgt hij een nieuwe kans, omdat hij het jaar daarop nogmaals kan proberen het examen te halen. Er zijn zelfs studenten die zich driemaal voor het examen aanmelden. Ons maatschappelijk systeem biedt daar gelegenheid toe. De studenten kunnen te allen tijde voorbereidend hoger onderwijs volgen en zich tijdens die periode speciaal op de toelatingsexamens voorbereiden.

 

Om terug te keren naar de invloed die de samenleving op het individu uitoefent. B.F. Skinner gelooft dat de maatschappij het individu op zo'n manier kan programmeren dat het zich kan verbeteren. Carl Rogers legt daarentegen juist speciale nadruk op het individu.

Ik ben ervan overtuigd dat de wetenschappelijke psychologie zich op een andere wijze zal ontwikkelen als respectievelijk Skinner en Rogers menen. Er is namelijk een derde manier.

 

Mao Tse-tung?

Nee, laten we hopen van niet. Ik geloof dat er nog een andere manier is waarin de sociale wetenschappen zich kunnen ontwikkelen. Met andere woorden: ik ben van mening dat er een derde weg bestaat. Dit is echter een zeer persoonlijke opvatting.

 

Hoe zou u een wetenschappelijke psychologie willen formuleren die niet volgens de aanpak van Skinner of Rogers te werk gaat?

Heel eenvoudig. Ik zal u een van mijn uitgangspunten noemen. Als u wilt zal ik het in axiomatische vorm formuleren. Het is onmogelijk om in kort bestek een volledig overzicht te geven, omdat dat te veel tijd zou vergen.

 

Vijftien uur.

Minstens. Volgens mij kunnen er verscheidene wegen, verscheidene psychologische denkwijzen worden onderscheiden. Ten eerste: individu-maatschappij. Voor de mens is dat de sociale omgeving, voor het dier het natuurlijk milieu. Ten tweede: de processen tussen de mensen onderling, de subject-objectrelatie. Wat Skinner nu bij zijn theorie doet is eenvoudigweg het volgen van de weg die van dier naar mens leidt. Alles wat je hoeft te doen is de omgeving te veranderen. Maar de natuur, zoals die door dieren wordt vertegenwoordigd -

[p. 133]

Skinner's beroemde duiven!

Inderdaad. Skinner gelooft dat bij het bestuderen van deze interacties het dieraspect alleen maar vervangen hoeft te worden door instrumenten, door prikkels, en anders niets. In werkelijkheid bestaat deze interactie niet uit twee punten, twee stadia, maar uit drie. Het individu, de mens is punt éen. Het tweede punt is ‘de andere’, het object, de omgeving. Maar er is nog een derde punt dat van beslissend belang is. Dit valt echter moeilijk te formuleren. Om te kunnen aangeven wat het precies is kan ik de term die ik wil gebruiken misschien het beste in drie of vier talen vertalen. In onze taal zou ik het dejatjelnost willen noemen. In het Duits Tätigkeit. Met Tätigkeit bedoel ik iets anders dan Handlung. Tätigkeit drukt precies hetzelfde uit als het Sowjet-woord dejatjelnost. In het Frans zou ik het activité willen noemen, maar dat is een enigszins onduidelijke term. Ik geloof niet dat het woord Tätigkeit in het Frans vertaald kan worden. Daarom hebben de Fransen een neologisme geïntroduceerd, namelijk l'activité objectale, niet objective, maar objectale. De Engelsen zouden zeggen: activity.

 

Menselijke activileit.

Ja, menselijke activiteit met objecten. Dat is het niet helemaal precies wat ik bedoel, maar het komt wel in de buurt. U begrijpt wel waarom ik het woord dat ik wil gebruiken, activity, activité objectale, Tätigkeit, dejatjelnost eerst moet verklaren voordat ik het kan toepassen. Wat is nu dit derde punt, deze derde fase? Deze kan het best beschreven worden als het produkt van de invloed die het individu op de omgeving uitoefent. Vanuit dit gezichtspunt bezien komt alles in een ander licht te staan. De verandering van de omgeving brengt in het individu zelf ook een verandering teweeg, namelijk in die zin dat het individu een bepaalde opvatting van zijn omgeving heeft. En deze opvatting kan alleen maar ontstaan via het gedrag van de mens, via menselijke activiteit. Stel bijvoorbeeld dat ik mijn ogen dicht heb en een bepaald object betast. Ik vorm er een beeld van, ik vertaal het, ik geef het een subjectieve vorm, een vorm die een weerspiegeling van het object is. Met deze op de tast verkregen kennis ontdek je dan dat dit proces in alle modaliteiten voorkomt, zelfs in de activiteit van het visuele systeem en andere vormen van waarneming.

 

Door het individu?

Inderdaad. Maar terwijl het individu met objecten bezig is, vindt er tegelijkertijd een andere verandering plaats. In de verschijnselen, in de objecten die tot de omgeving behoren, komt een bepaald beeld tot uiting. Met andere woorden: er is sprake van een tweevoudige beweging. Tijdens dit proces mogen wij een zeer belangrijk aspect niet vergeten. Met object bedoel ik niet noodzakelijkerwijs een materieel voorwerp. Het object kan bijvoorbeeld ook een idee zijn, een opvatting, muziek, noem maar op. Ik wil mij niet tot materiële voorwerpen beperken, al vormt een concreet object altijd het eerste begin. In de loop van de ontwikkeling worden er echter ook geestelijke objecten gevormd. Door de

[p. 134]

activiteiten die met deze objecten verricht worden, ontstaan er bepaalde beelden, zowel om deze objecten als ten gevolge ervan. De objecten dienen namelijk ook als middel tot het vormen van beelden. Zij vervullen altijd een tweeledige functie. Zij vormen een cirkel, maar geen gesloten, vicieuze cirkel. De kringloop wordt namelijk doorbroken door het derde punt waarover ik het zojuist had. Het beeld is nooit nauwkeurig of natuurgetrouw omdat er een voortdurende confrontatie plaatsvindt met objecten, die zoals ik al eerder heb gezegd niet van materiële aard hoeven te zijn. Er is altijd sprake van het ondefinieerbare proces van menselijke activiteit, de Tätigkeit in geestelijke zin. Er is altijd sprake van een verzet dat zich laat leiden door de logica. En dit volledig nieuwe proces leidt tenslotle tot wat ik de derde weg heb genoemd. Wij moeten handelen. Het realiseren van handelingen leidt tot menselijke activiteit. Dát bedoel ik met het derde punt. De wereld komt bij dut proces tussenbeide.

 

Margaret Mead merkte tegen mij op: ‘Wie programmeert Skinner?

Ik zou die vraag iets anders willen formuleren, namelijk: wie programmeert de mogelijkheid om de wereld en de menselijke cultuur, of liever gezegd, de menselijke culturen te veranderen op de manier waarop Skinner dit ziet? Skinner is namelijk nogal vaag op dit punt. Wat zijn de maatschappelijke structuren die een dergelijke geprogrammeerde cultuur zullen beïnvloeden? Wat is de inhoud van deze cultuur? In welke richting zal zij zich ontwikkelen? Zo zal bijvoorbeeld verhuld moeten worden dat er een nieuwe elite ontstaat. Dat is onvermijdelijk omdat Skinner's schema anders alle zin zou verliezen: iemand moet het hele proces tenslotte programmeren. Wie zal deze nieuwe cultuur in het leven roepen En nu komen wij bij een abstractie die volgens mij volstrekt onmogelijk is.

Een cultuur moet namelijk verspreid, gepropageerd worden. De mogelijkheid om een bepaalde cultuur te verspreiden moet gezien worden in het licht van de vraag wie deze cultuur zal bezitten. In een maatschappij die in klassen verdeeld is, zal de cultuur ongetwijfeld in handen zijn van de hogere klasse. Wat voor consequenties heeft de programmering voor de pers, de radio, de televisie? Wat voor consequenties voor de belangen van de verschillende sociale groeperingen en vande grote ondernemingen? Skinner zegt dat wij ze moeten opvoeden in de geest van een cultuur die aandacht besteedt aan de toekomst van mens en samenleving. Maar wat gebeurt er in dat geval met de belangen van de betreffende groeperingen? Laten wij eens een simpel voorbeeld nemen, de automobielindustrie. De leidende kringen van de auto-industrie hebben maar éen welomschreven belang: het verkopen van zoveel mogelijk auto's. Iemand die de auto-industriëlen wil programmeren zal ze er op een of andere manier van moeten overtuigen dat zij minder auto's dienen te verkopen. Als ik een auto-industrieel was en voldeed aan het verzoek om minder auto's te produceren, zou mijn familie waarschijnlijk de autoriteiten inschakelen om mij op te sluiten of om mij psychiatrisch te laten onderzoeken, omdat mijn besluit uiterst negatieve conse-

[p. 135]

quenties voor het gezinsinkomen zou hebben. Skinner's ideeën zijn absoluut onmogelijk. In het geval van de auto-industrie zijn de betrokken gezinnen er waarschijnlijk al twee of drie generaties lang van doordrongen dat hun rijkdom en luxe nauw samenhangen met het aantal geproduceerde auto's, en zij zouden zich uit alle macht verzetten tegen elke poging om de produktie te doen dalen. Zo is het leven nu eenmaal. Skinner's laatste boek Beyond Freedom and Dignity berust op pure fantasie. Waar hij over schrijft is een abstractie van de huidige samenleving, waarin geen verschillen in klassepositie en cultuur voorkomen. Skinner's gedragstechnologie heeft geen enkele verbinding met de levende werkelijkheid. Bovendien is er in feite helemaal geen sprake van een technologie. Een werkelijke technologie is gebaseerd op mechanische en chemische wetmatigheden die strikt en onontkoombaar zijn. Het is dan ook onzinnig om deze wetten op het menselijk gedrag toe te passen, omdat elke technologische toepassing in overeenstemming moet zijn met nauwkeurig vastgestelde wetten. Dergelijke wetten kunnen bijvoorbeeld dienen voor het ontwerpen van machines of het opzetten van een industrie.

Een andere kwestie is dat wij een menselijk wezen als mens willen zien en niet als robot. Een mens is een sociaal wezen dat over een bewustzijn beschikt en ernaar streeft bepaalde doelstellingen in het leven te verwezenlijken. De mens is een actief wezen dat zich niet alleen bewust is van zichzelf, maar ook van zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van andere individuen in de samenleving. Een mens moet streven naar het geluk van de hele mensheid, zonder enig onderscheid, en moet zich bewust zijn van de barbaarsheid van oorlog en elke andere vorm van geweld.

 

Gelooft u niet dat de wetenschappelijke explosie van de tweede helft van deze eeuw het noodzakelijk maakt dat de wetenschapsmensen de ivoren torens van de universiteiten verlaten en opgeleid worden tot een volledig besef van hun verantwoordelijkheid als wetenschapper voor de mensheid als geheel?

Ik ben er inderdaad voorstander van dat er bij abstracte studies als scheikunde, natuurkunde, enzovoort ook aandacht besteed wordt aan de maatschappijwetenschappen. Ik geloof dat de huidige opleiding van wetenschapsmensen een onvolledig karakter draagt. Zijn de studenten die momenteel aan universiteiten overal ter wereld afstuderen, klaar voor de eisen van de eenentwintigste eeuw? Voor iedereen die zijn gedachten laat gaan over de toekomst en het voortbestaan van de mensheid, is het zonneklaar dat het huidige stelsel waarin mensen slechts een onvolledige opleiding ontvangen zo snel mogelijk gewijzigd zou moeten worden.

 

Half ontwikkelde mensen.

Ja, daar komt het inderdaad op neer. Het is niet in de eerste plaats een kwestie van verantwoordelijkheidsgevoel. Hoe kunnen wij enig verantwoordelijkheidsgevoel verlangen van mensen die de maatschappe-

[p. 136]

lijke werkelijkheid nooit onder ogen hebben leren zien?

 

Carl Jung heeft eens gezegd dat het bombarderen van Hiroshima door wetenschapsmensen en militaristen, in de eerste plaats een rampzalig moment in de psychologie van de mens was, en pas in de tweede plaats een technologische catastrofe. Maar toen ik deze kwestie besprak met Edward Teller, een van de wetenschapsmensen die voor het werpen van de bom verantwoordelijk was, zei hij mij - en dat was in 1972 - dat Hiroshima ‘misschien’ een vergissing was.

Eerlijk gezegd geef ik de voorkeur aan mijn eigen opvatting. Hiroshima is namelijk ook een uitvloeisel van de al te gespecialiseerde opleiding van wetenschapsmensen. Hoe kan ik een geleerde verantwoordelijk achten voor problemen die de maatschappij en de mensheid als geheel aangaan, terwijl hij daar nooit iets over heeft geleerd? Hij is eenvoudigweg blind voor de ideeën van anderen. Dergelijke specialisten staan maatschappelijk gezien voor niets en niemand open. De fout ligt dan ook bij ons onderwijsstelsel dat volledig verkeerd georiënteerd is en zo snel mogelijk veranderd moet worden.

 

Arnold Toynbee vertelde mij dat hij door vele historici eenvoudigweg niet werd geaccepteerd, omdat hij in hun ogen al te zeer generalist was. Toynbee gelooft echter datwetenschapsmensen voldoende informatie over de hoofdlijnen van andere wetenschappen moeten krijgen om zich een oordeel te kunnen vormen over de fundamentele uitgangspunten van de gehele menselijke problematiek.

Hoe het ook zij, ik ben er absoluut van overtuigd dat iemand die aan het hoofd staat van een belangrijk wetenschappelijk team, een wetenschappelijke afdeling, een faculteit of een onderzoekslaboratorium een dergelijke belangrijke taak of functie alleen naar behoren kan vervullen wanneer hij over een uitgebreide algemene kennis beschikt. Dat staat volgens mij zonder meer vast.

Onderzoek en onderwijs moeten nauw met elkaar in verband staan. Dat is uitermate belangrijk, en niet in de laatste plaats voor de onderzoekskant. Er wordt vaak beweerd dat men onderzoeker moet zijn om les te kunnen geven. Dat is echter niet juist. Het is precies andersom: om efficiënt onderzoek te kunnen verrichten moet men ook gelegenheid hebben om les te geven, omdat men op deze wijze steeds nieuwe informatie opdoet en zijn geestelijke horizon verruimt. Iemand die lesgeeft loopt niet het risico dat zijn blik zich al te zeer verenigt. Iemand die neiging heeft zich alleen bezig te houden met problemen die direct betrekking hebben om zijn onderzoek, dat vaak slechts een deelgebied van een bepaald ondenwerp bestrijkt, loopt het gevaar blind te worden voor alles wat niet op zijn eigen specifieke terrain ligt.

Zo liggen de zaken nu eenmaal.

prepostterug  begin  verder