terug  begin  verderprepost
[p. 216]

H. Santa Cruz

Ambassadeur Hernan Santa Cruz werd op 8 februari 1906 in Santiago, Chili geboren. Hij promoveerde in 1928 aan de universiteit van Chili in rechten en politieke wetenschappen. Na de Tweede Wereldoorlog vindt men hem terug als vertegenwoordiger van zijn land in de Verenigde Staten (van 1947 tot 1952). In 1952 vertegenwoordigde hij Chili in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. In 1960 beginnen zijn activiteiten als afgevaardigde van Chili bij de f.a.o. (de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties). In 1966 is hij voorzitter van de eerste World Agrarian Reform Conference in Rome. In 1969 wordt hij benoemd tot voorzitter van de 15de f.a.o.-conferenties in Rome. In 1972 leidt ambassadeur Hernan Santa Cruz voor president Salvador Allende de Chileense delegatie naar de derde u.n.c.t.a.d.-conferentie in Santiago, Chili. Na de staatsgreep in zijn land in september 1973 legde hij zijn functies als ambassadeur en permanent vertegenwoordiger van Chili bij de verschillende internationale organisaties in Genève neer. Naast tal van andere functies is Santa Cruz voorzitter van de economische commissie van de conferentie van niet-gebonden landen in Algerije gebleven.

In 1973 vertegenwoordigde u de regering van Salvador Allende op de conferentie van niet-gebonden landen in Algerije.

Inderdaad. Zoals u weet werd deze conferentie opgesplitst in een politieke en een economische commissie. Ik werd tot voorzitter van de economische commissie gekozen.

 

Werd de energiecrisis van oktober 1973 toen al voorzien?

Ik geloof van wel, maar in ieder geval nog niet in haar volle omvang. Het belangrijkste punt van deze Algerijnse conferentie was, naar mijn mening, de verbetering van de onderlinge betrekkingen tussen de ontwikkelingslanden zelf. Er werden met name krachtige pogingen ondernomen om onze onderhandelingspositie via een of andere nieuwe organisatie van producerende landen te versterken. In de tweede plaats hebben wij ons tevens uitgesproken voor het stichten van een instelling die zou kunnen functioneren als een niet-aangesloten ontwikkelingsbank, gefinancierd door de Derde-Wereldlanden zself. Een dergelijke instelling zou financiële en technische steun aan de lidstaten kunnen verlenen, en tegelijkertijd kunnen bijdragen tot de uitbreiding van de commerciële en industriële betrekkingen tussen de ontwikkelingslanden onderling.

 

Met andere woorden: de Algerijnse conferentie heeft een eigen wereldbank opgericht.

Nee, dat is niet helemaal juist. Wat de conferentie beoogde was in sommige opzichten meer, in andere opzichten minder. In de allereerste plaats verkeert het plan nog maar in een papieren stadium en zal de functie van de nieuw op te richten instelling een beperkt karakter dragen. In de tweede plaats zal deze instelling alleen financiële steun aan ontwikkelingslanden verlenen - en zeker niet op dezelfde voorwaarden als de Wereldbank in Washington D.C. doet.

[p. 217]

Die zoals bekend op een pro-Amerikaans beleid is afgestemd.

Onze bedoeling was een instelling op te zetten die geen politieke criteria hanteert en die de ontwikkelingslanden financiële en technische steun verleent op alle mogelijke gebied, zoals bij het bevorderen van de vestiging van gecombineerde industrieën, het stimuleren van de produktieorganisaties, en het vergemakkelijken van de verkoop van allerlei soorten produkten. In feite komt dit op hetzelfde neer als de internationale ontwikkelingsinstelling die wij in het kader van de Verenigde Naties wilden opzetten, maar die door de oppositie van de grote mogendheden nooit van de grond is gekomen.

De uitspraken van de conferentie van niet-gebonden landen in 1973 waren in feite een kopie van de standpunten op de eerste Algerijnse conferentie, in 1967, en de uitgangspunten die in de in 1971 in Lima opgestelde verklaring van principes en het plan van actie tot uiting kwamen. Wij stelden tijdens de Algerijnse conferentie van 1973 vast dat er geen enkele vooruitgang was geboekt wat kwesties betreft die de ontwikkelingslanden met de geïndustrialiseerde mogendheden besproken hebben, zoals de uitbreiding van de economische samenwerking en verschillende aspecten van handel, financiering, overdracht van technologie, scheepvaart, enzovoort. Wij stelden eveneens vast dat de doelstellingen van de Strategie voor het tweede ontwikkelingsdecennium, zoals die in 1970 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waren opgesteld, evenmin waren bereikt. Wij kwamen daarom overeen dat wij, vooral ook gezien de toenemende crisis in de internationale ontwikkelingssamenwerking, ons zoveel mogelijk op onszelf moesten proberen te verlaten.

Uiteraard bestaan er in sommige delen van de wereld reeds een aantal subregionale samenwerkingsprojecten tussen ontwikkelingslanden onderling. Het belangrijkste voorbeeld hiervan is volgens mij het verdrag van Cartagena. De voornaamste doelstellingen van deze overeenkomst zijn economische samenwerking en integratie, en daarnaast de vorming van een gemeenschappelijke markt. Dit verdrag, dat bekend staat als het Andes-pact, omvat de volgende landen: Venezuela, Columbia, Peru, Ecuador, Bolivië en Chili. De in het verdrag vastgelegde doelstellingen zijn echter maar een eerste stap. Wij achten het noodzakelijk om de niet te onderschatten krachten en hulpbronnen van de ontwikkelingslanden werkelijk samen te bundelen.

Een dergelijke combinatie zou zijn kracht vooral aan een tweetal factoren kunnen ontlenen: ten eerste staat het zonder meer vast dat er gezien de huidige schaarste aan grondstoffen in de wereld - waarvan de energiecrisis slechts een onderdeel vormt - grote behoefte aan onze grondstoffen bestaat en dat deze behoefte de komende twintig jaar alleen nog maar groter zal worden. Plotseling is de wereld zich bewust geworden van het feit dat de hulpbronnenvoorraad eindig is en dat de substituten ervoor in vele gevallen het milieu aantasten. In de tweede plaats lijdt het evenmin twijfel dat de ontwikkelingslanden de afgelopen twintig jaar veel hebben geleerd.

[p. 218]

Zoals hoe zij jegens de rijke landen moeten terugspelen?

Ja, en daarnaast ook hoe economische en technische ontwikkelings- problemen moeten worden aangepakt. Wij hebben nu een doel. Wij zien tevens in welke obstakels het tempo van onze ontwikkeling remmen. Bovendien beschikken wij in de ontwikkelingslanden, in tegenstelling tot tien jaar geleden, over duizenden goed opgeleide mannen en vrouwen, die ongetwijfeld tot een beter resultaat kunnen bijdragen.

 

Ja, maar jammer genoeg laat een groot deel van deze categorie zich verleiden door het ‘goede’ leven in de geïndustrialiseerde wereld.

Helaas heeft u gelijk. Maar op het ogenblik ontwikkelt zich in de Derde Wereld een nieuwe generatie die loyaler tegenover het eigen land staat en een ander waardensysteem hanteert. Dit geldt met name voor de ontwikkelingslanden die op sociaal en politiek terrein het verst zijn gevorderd.

 

Het dichtdraaien van de oliekraan en de prijsverhoging van ruwe olie heeft in de rijke landen een shockeffect teweeggebracht. Wat staat de geïndustrialiseerde wereld volgens u nu te doen?

Ik geloof dat de geïndustrialiseerde wereld zich allereerst moet gaan realiseren hoe veelomvattend en hoe belangrijk het probleem van onderontwikkeling is. De huidige constellatie van economische betrekkingen met de ontwikkelingslanden moet veranderd worden door ‘de vestiging van een nieuwe internationale orde, gebaseerd op rechtvaardigheid, gelijkheid, onderlinge afhankelijkheid en gemeenschappelijke belangen van alle staten’, zoals de op 1 mei 1974 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties opgestelde verklaring luidt. Versnelling van de economische en maatschappelijke ontwikkeling van de Derde Wereld dient de hoogste prioriteit te krijgen. Dit gegeven moet ook politiek aanvaard worden. De rijke noties moeten tot het besef komen dat de allerbelangrijkste taak waar alle landen ter wereld voor staan, ligt in het dynamiseren van de economie van de Derde Wereld, het verhogen van de levensstandaard in de ontwikkelingslanden en het integreren van miljoenen en nog eens miljoenen mensen in het culturele leven en in de economische kringloop - zowel als producenten als consumenten. Dit moet het allereerste uitgangspunt zijn. Wanneer dit niet als zodanig wordt erkend, dan is het volgens mij uitgesloten dat er ooit van een werkelijk onderling begrip of van een constructieve ontwikkelingspolitiek sprake kan zijn.

 

Dat is dus voorwaarde nummer éen. Zou voorwaarde nummer twee dan zijn, dat de westerse naties hun technologische en wetenschappelijke know-how met de ontwikkelingslanden leren delen?

Dat is uiteraard ook hoogst noodzakelijk. Maar ik geloof dat voorwaarde nummer twee toch eerder is dat de geïndustrialiseerde wereld zich moet realiseren, dat de huidige regels en gebruiken die de inter-

[p. 219]

nationale economische betrekkingen bepalen, volledig uit de tijd zijn, en op basis van een geheel nieuwe internationale arbeidsverdeling volledig opnieuw geformuleerd moeten worden. Vrije overdracht van kennis en wetenschap maakt daar uiteraard deel van uit. Ik wil daaraan toevoegen dat ik wat dat betreft niet alleen denk aan een vrije uitwisseling van technologie voor de toekomst. Het is tevens noodzakelijk dat de geïndustrialiseerde mogendheden de ontwikkelingslanden helpen hun eigen technologie te ontwikkelen, met andere woorden, een technologie aangepast aan de concrete omstandigheden en behoeften van de ontwikkelingslanden zelf.

Financiële en economische problemen moeten op dezelfde wijze worden benaderd. Wij moeten komen tot nieuwe formules die het mogelijk maken dat de sociaal-economische ontwikkeling van de Derde Wereld op gunstiger voorwaarden kan worden gefinancierd. De energiecrisis toont duidelijk aan dat de ontwikkelingslanden van hun kant de geïndustrialiseerde wereld kunnen helpen met grondstoffen, arbeidspotentieel en verbruikscapaciteit. Volgens mij is dat nog nooit zo zonneklaar gebleken als juist nu, sinds het najaar van 1973. Eindelijk komt de wereld tot het besef hoeveel belang de hoogge-industrialiseerde naties erbij hebben om het deel van de wereld te ontwikkelen waarin twee derden van de mensheid leeft, al was het alleen maar om de verbruikscapaciteit van deze landen te vergroten. Momenteel kan slechts tien à vijftien procent van de bevolking van de ontwikkelingslanden als geheel werkelijk tot de verbruikers van industriële produkten worden gerekend. De dag is niet ver dat de geïndustrialiseerde naties zullen inzien dat het in hun eigen belang is - misschien niet direct, maar wel op langere termijn - om ertoe bij te dragen dat het aantal consumenten van industriële goederen in de Derde Wereld wordt uitgebreid. Dit is namelijk een noodzakelijke voorwaarde voor de economische stabiliteit en het sociaal-economisch welzijn van de geïndustrialiseerde mogendheden zelf.

 

De onderlinge afhankelijkheid van het sociaal-economisch welzijn van de ‘rijke’ naties en dat van de ontwikkelingslanden mag zo langzamerhand wel als bekend worden verondersteld.

Ik hoop dat dit besef inderdaad tot de ontwikkelingslanden is doorgedrongen. Want wanneer de Derde Wereld dit inziet, zullen de noodzakelijke maatregelen wel niet lang meer op zich laten wachten. Tot nu toe hebben wij alleen nog maar eindeloze verklaringen en uitspraken van leidende persoonlijkheden in Europa en de Verenigde Staten moeten aanhoren, waarin deze onderlinge afhankelijkheid werd erkend. De logische consequentie van deze opvatting is de vestiging van een nieuwe economische orde, waarmee zowel ontwikkelingslanden als geïndustrialiseerde naties zouden instemmen en waarin met ieders belangen rekening zou worden gehouden.

 

Bent u niet een beetje al te optimistisch?

Nee. Ik wil niet beweren dat dit besef, deze overtuiging in de ge-

[p. 220]

industrialiseerde wereld reeds volledig heeft postgevat. De bedenkingen die de Verenigde Staten en andere westerse landen tegen de resolutie van de grondstoffenconferentie van de Algemene Vergadering van april 1974 naar voren hebben gebracht, zijn wat dat betreft niet erg bemoedigend. Maar desondanks ben ik ervan overtuigd, dat ook deze naties zullen inzien dat het absoluut noodzakelijk is om hun standpunt te wijzigen. Ik wil alleen maar zeggen dat het ernaar uitziet dat er een nieuwe mentaliteit ontstaat, en wanneer deze eenmaal door zal zetten, zullen er effectieve maatregelen worden genomen die zullen leiden tot een geheel nieuwe vorm van samenwerking tussen de geïndustrialiseerde naties en de ontwikkelingslanden. Sommige regeringen slagen er nog steeds niet in om zich van verouderde begrippen en beleidsvormen los te maken. Wij leven nog steeds voornamelijk in een geest van confrontatie, omdat ieder werkelijk begrip ontbreekt. Gedurende al de jaren van strijd, zowel binnen als buiten het kader van de Verenigde Naties, zijn de geïndustrialiseerde mogendheden er nog nooit in geslaagd om ons duidelijk te maken waarom zij onze voorstellen voortdurend verwierpen. Het enige waarmee zij voortdurend schermden waren vertragingstactieken en argumenfen als: ‘dergelijke maatregelen zijn nu niet opportuun’, ‘de pond devalueert’ of ‘de dollar staat zwak’. De naties die aan de Algerijnse conferentie deelnamen zijn er nu van overtuigd dat de maatregelen die wij in de beide u.n.c.t.a.d-conferenties hebben voorgesteld en die betrekking hadden op de ontwikkeling van de Derde Wereld juist en rechtvaardig waren. Deze overtuiging werd tijdens de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar ik het al eerder over had, nog eens nadrukkelijk naar voren gebracht.

 

De voorstellen van de Derde Wereld werden door de club van ‘rijke’ landen waarschijnlijk niet serieus genomen.

Ik denk van niet. Tijdens de laatste gewone Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in het najaar van 1973 bleek niet alleen dat de doelstellingen die in de Ontwikkelingsstrategie waren vastgelegd niet verwezenlijkt waren, maar ook dat er in feite zelfs van een teruggang sprake was. Tegen deze constatering werden geen bezwaren ingebracht.

 

Zoals u weet heeft het m.i.t.-rapport van de Club van Rome een belangrijke bijdrage geleverd aan de wereldomvattende discussie over de noodzaak van de groei. De leiders van de Derde-Wereldlanden schijnen het er unaniem over eens te zijn dat een snelle verdere groei onontbeerlijk is.

Dit is een standpunt dat ik volledig onderschrijf. De wereld moet inderdaad blijven groeien. Maar ik ben ook van mening, dat er naar nieuwe consumptiepatronen moet worden gezocht. Hulpbronnen zijn beperkt, en mogen niet zoals in het verleden het geval was, worden verspild. Tegelijkertijd moet de welvaart geleidelijker over de we-

[p. 221]

reld worden verdeeld. Ik ben zeker geen aanhanger van de theorie dat economische groei allereerst aan een beperkt aantal landen ten goede moet komen en de rest van de wereld maar proberen moet zich met het overschot te behelpen. Het is nu eenmaal zo dat de geïndustrialiseerde wereld zeer snel, en de ontwikkelingslanden uiterst langzaam zijn gegroeid. De laatste tijd zijn er echter politieke beleidslijnen ontwikkeld die in staat moeten worden geacht om dit proces te wijzigen. Ik geloof dat wij een grootscheeps programma moeten ontwerpen, gebaseerd op onderlinge samenwerking en wederzijds begrip tussen de ontwikkelingslanden en de geïndustrialiseerde naties.

Onlangs woonde ik een symposium van de o.e.c.d. bij, in gezelschap van een aantal eminente politici en geleerden uit beide werelden. Besproken werd onder meer het verslag van de voorzitter van de d.a.c. Zoals u weet is de d.a.c. de commissie voor ontwikkelingshulp van het o.e.c.d. in Parijs. Het verslag gaf een overzicht van de activiteiten van het afgelopen jaar, 1973. Uiteraard concentreerden de discussies zich op de energiekwestie en de betrekkingen tussen de rijke en de arme landen. Er bleek een grote mate van overeenstemming te heersen over de dringende noodzaak om tot een nieuwe internationale economische orde te komen. Het was voor iedereen duidelijk hoezeer problemen als hulpbronnen, milieu, financiering, ontwikkeling en monetaire systemen onderling met elkaar samenhangen. Zelf sta ik op het standpunt dat de wereld er veel beter aan toe zou zijn, wanneer de leiders van de verschillende landen voldoende nadruk legden op het gevaar van unilaterale acties en op de mate waarin de economische en maatschappelijke betrekkingen van alle volkeren onderling met elkaar verweven zijn. De rijke landen zijn zich te laat bewust geworden van de onderlinge internationale afhankelijkheid en de eindigheid van de hulpbronnen en voorraden. Pas sinds de energiecrisis van het najaar van 1973 zijn zij bereid toe te geven, dat zij in vele opzichten van de ontwikkelingslanden afhankelijk zijn. Wij in de ontwikkelingslanden hadden veel meer inzicht in deze problematiek en wij hebben er reeds vele jaren met nadruk op gewezen dat de kwestie van de ontwikkeling van de Derde Wereld als onderdeel van het geheel moet worden beschouwd. Wij hebben voortdurend gesteld dat er een nieuwe orde moest worden gevestigd waarin de ontwikkeling van de achtergebleven landen een zeer belangrijke en doorslaggevende rol zou spelen. Alle crises die de wereld de laatste tijd heeft moeten ondergaan, de monetaire crisis, de energiecrisis en de milieucrisis, hebben aangetoond dat de ontwikkelingslanden het wat dat betreft volledig bij het rechte eind hebben gehad. Wij hebben bovendien nog nooit speciale voorrechten voor onze landen geëist, maar altijd iets in ruil geboden. Wij hebben de onderlinge afhankelijkheid van alle sectoren van de wereld reeds lang geleden onderkend. Wij staan een nieuwe vorm van internationale samenwerking voor omdat wij ons terdege realiseren dat alle problemen met elkaar samenhangen.

[p. 222]

In het najaar van 1973 brak de energiecrisis uit, die een hevige schok in de geïndustrialiseerde wereld heeft veroorzaakt. Desondanks ben ik van mening dat zich een nieuwe mentaliteit ontwikkelt. Nog nooit tevoren heeft een economische conferentie tussen ontwikkelingslanden en geïndustrialiseerde staten zozeer de aandacht getrokken en zoveel invloed uitgeoefend als in april 1974. Alle televisiekanalen overal ter wereld wijdden er uitgebreide reportages aan.

 

Met andere woorden: de mensheid als geheel wordt zich steeds meer bewust van de problemen waarmee wij allemaal geconfronteerd worden. In dat opzicht heeft het Rapport van de Club van Rome een belangrijke bijdrage geleverd, omdat zij de kwestie van het voortbestaan zeer direct aan de orde heeft gesteld.

Het lijdt inderdaad geen twijfel dat het denken van de mens overal ter wereld zich steeds meer in de richting beweegt die door het m.i.t.-rapport werd aangegeven. Dat er grenzen aan de groei zijn is een feit dat niemand meer kan loochenen.

prepostterug  begin  verder