Lee Kuan Yew werd op 16 September 1923 in Singapore geboren. Hij studeerde aan het Raffles College in Singapore, en in Cambridge. In 1949 promoveerde hij cum laude in de rechtswetenschappen. Na aanvankelijk zich gevestigd te hebben als advocaat begon hij in 1952 de vakbonden te adviseren. In 1954 richtte hij de People's Action Party op welke geaffilieerd is met de internationale socialistische beweging. Hij is secretaris-generaal van deze partij en werd in 1959 bovendien premier van Singapore. Ook in 1963, 1968 en 1972 won zijn partij de verkiezingen. De auteur wijst erop, dat hij bij het hier volgende gesprek uitsluitend internationale aspecten betreffende de inzichten van premier Lee Kuan Yew ter sprake heeft gebracht, en dat zaken de binnenlandse situatie van Singapore betreffende in dit verband buiten beschouwing werden gelaten.
Ik heb de indruk dat Singapore uitgroeit tot een braincentrum, tot wat men de eerste stad van wereldniveau zou kunnen noemen.
Dat is wat al te dramatisch geformuleerd, maar we ontwikkelen ons inderdaad steeds meer tot een soort internationaal servicecentrum voor alles wat dit deel van de wereld nodig heeft, zoals het onderhoud van door ons geleverde machinerieën, het repareren van computers, het installeren van kapitaalgoederen, het fourneren van bankkapitaal, enzovoort. Dit brengt onvermijdelijk met zich mee dat wij in alle centra van de geïndustrialiseerde wereld onze voelhorens moeten hebben. Dit schept een nieuwe economische situatie waarin wij, door de snelle verbindingen van deze tijd, een gemoderniseerde versie kunnen vervullen van de rol die wij in de negentiende eeuw eveneens speelden.
Met andere woorden: u bent bezig om hier aan de voet van Azië een eenentwintigste-eeuwse stad op te bouwen, die wat haar aantrekkingskracht als financieel centrum betreft in de voetsporen van Zürich treedt. Singapore zendt zelfs hulp naar Indonesië en investeert, naar ik begrepen heb, daar grote bedragen.
Ik geloof dat het wat optimistisch is om ons als een tweede Zürich te zien; in feite kunnen wij maar een paar kenmerken van Zürich overnemen. We vinden het bijvoorbeeld minstens even belangrijk om een tweede Rotterdam te worden, en dit is voor Zürich natuurlijk uitgesloten.
We hebben altijd al in Indonesië en Maleisië geïnvesteerd, dat is onze traditionele rol, maar wij zien dit als een deel van het zich voortdurend ontwikkelende proces van onderlinge afhankelijkheid in de wereld. Wanneer de levensstandaard in een modern geïndustrialiseerd land stijgt, of dat nu in West-Europa, in Amerika of in Japan is, worden er steeds meer arbeidsintensieve artikelen naar het buitenland gezonden om daar geproduceerd te worden. Wij spelen een belangrijke rol bij dit verkeer tussen de geïndustrialiseerde Wereld en de ontwikkelingslanden, die vergeleken met Amerika, Euro-
pa of Japan over een enorm reservoir aan goedkope arbeidskrachten beschikken en die bovendien geen vervuilingsproblemen kennen, waardoor de anti-verontreinigingskosten aanzienlijk kunnen worden gedrukt.
In uw toespraak van 4 oktober heeft u een zeer interessante uitspraak gedaan; de Nederlandse ambassadeur wees me daar ook al op. U zei namelijk dat zuidoost-Aziatische landen als Indonesië en Maleisië zich niet nogmaals dertig jaar bekrompen nationalisme zouden kunnen veroorloven; u raadde ze dan ook aan om de multinationale ondernemingen eerst de vrije hand te geven en pas over een jaar of dertig misschien eens in navolging van Sukarno over ‘satu negara satu bangsa’ of over de eenheid van de natie te gaan praten.
Ja, ze kunnen zich snel ontwikkelen - en in dat geval is het het makkelijkst, om de technologie te importeren die in Amerika, Europa of in Japan reeds als te arbeidsintensief wordt beschouwd; of ze kunnen het op de Chinese manier proberen te doen, dat wil zeggen alles vanaf de eerste principes opzetten met hulp van de gedachten van voorzitter Mao - maar zelfs de Chinezen zijn nu begonnen machinerieën en know-how te importeren. Natuurlijk voeren zij hun produktiviteit niet op via de gedachten van voorzitter Mao, maar middels de machines die zij invoeren.
Maar denkt u niet dat een dertig jaar durende heerschappij van de multinationale ondernemingen in een land als Indonesië of Maleisië ten koste zal gaan van het eigen karakter, van de identiteit van het land...
De Japanners hebben de multinationale ondernemingen nu al twintig jaar in huis, zonder dat hun eigen karakter daardoor verloren is gegaan. De specifiek Japanse aard en de geheel eigen maatschappelijke structuur hebben de industrialisering en de multinationale ondernemingen overleefd.
Maar Japan is een zéer speciaal geval... Uit éen van uw toespraken krijg ik de indruk dat u de Japanners - die u de dynamo van industrie en economie noemt - als nummer éen ziet, de Amerikanen als nummer twee en dat de Europeanen volgens u achteraan komen. Het is alsof u ze in uw toespraak wilt zeggen: Wees niet zo decadent, waar is jullie zin voor avontuur gebleven? Waarom komen jullie achteraan? Als jullie werkelijk alert waren, kwamen jullie hierheen om belangrijke investeringen te doen en iets groots te verrichten. Is dat juist?
Inderdaad. Dat wil zeggen... afgezien van de ruimtevaart, enkele industrieën die speciaal op militaire doeleinden gericht zijn en misschien computertechnieken, hoeven de Europeanen op technologisch gebied niet voor de Amerikanen onder te doen, zelfs niet op het terrein van de vliegtuigproduktie. Maar het voornemen van de e.e.g. om zich uitsluitend op de landen rond de Middellandse Zee en Afrika
te richten, getuigt volgens mij van een te enge blik. Weliswaar omvat dit gebied alle klimatologische zones van de wereld - van Noord-Amerika en de Scandinavische landen tot aan tropisch Afrika - maar zelfs die horizon is te beperkt. De traditionele banden van de Europese landen met ons deel van de wereld zouden bovendien tot nieuw leven kunnen komen, omdat de mensen hier gezien de enorme invoer aan Japans en Amerikaans kapitaal niet afkerig zouden zijn van een derde bron, die misschien een zeker tegenwicht zou kunnen vormen.
Wat is volgens u het ideale economische groeicijfer? Ik heb begrepen dat het groeipercentage in Singapore op 't ogenblik op vijftien ligt, het inkomen per hoofd van de bevolking is op Japan na het hoogste in Azië, vijftienhonderd Amerikaanse dollars, of iets meer.
Gedevalueerde dollars.
Goed - maar bent u niet bang voor overontwikkeling? Dat is het probleem dat de Club van Rome onder andere via computerstudies probeert uit te zoeken; groeien we niet te veel?
Ik geloof dat het kritieke punt het beperken van de bevolkingsgroei is. Wanneer dit niet gebeurt zullen we binnen zeer korte tijd met allerlei dramatische tekorten worden geconfronteerd. Als de bevolkingsgroei stagneert kunnen zelfs de hoogst geïndustrialiseerde landen nog in bruto nationaal produkt stijgen. Het democratische kiesstelsel leidt er namelijk toe dat geen enkele regering in Europa, Amerika of Japan zich kan veroorloven om de economie niet meer te laten groeien, omdat kiezers nu eenmaal altijd verwachten dat het leven rijker wordt. Maar wanneer het bevolkingscijfer daalt is het volgens mij niet alleen mogelijk, maar zelfs absoluut zeker dat er van verdere groei sprake kan zijn. Kortom: naar mijn mening is bevolkingsgroei de beslissende factor, pas daarna kunnen we andere zaken aanpakken.
En dat is in Singapore geen probleem.
Nee, het probleem is de bevolkingsgroei. Deze zal aan banden moeten worden gelegd.
Zelfs in Singapore...
Ja. Zelfs in Singapore - omdat het anders eenvoudigweg onmogelijk is om de kwaliteit van het leven te verbeteren.
In Singapore werken al honderdduizend gastarbeiders, en ik heb ergens gelezen dat er binnenkort misschien nog een half miljoen zullen moeten worden geïmporteerd.
Dat is een tijdelijk verschijnsel. Over enige tijd zal een groot aantal arbeidsintensieve industrieën Singapore verlaten, en wanneer de landen om ons heen tegen die tijd politieke stabiliteit bereikt hebben, gaan de gastarbeiders weer naar hun land van herkomst terug.
Wij vormen alleen maar een geschikte plaats voor fabrieken en arbeiders omdat wij over politieke stabiliteit en bestuurkundige vaardigheden beschikken.
Daar zal niemand die hier komt aan twijfelen. Maar om nog eens. terug te komen op de positie die Singapore in dit deel van de wereld inneemt: in Canada maakte u een interessante opmerking. U haalde aan wat de president van Tanzania, Julius Nyerere, gezegd had over olifanten die het gras plattrappen, en u voegde daaraan toe dat het gras ook te lijden heeft wanneer olifanten flirten, dat het zelfs een ramp zou kunnen worden wanneer ze echt vrijen. Met andere woorden: hoe ziet u Singapore's toekomst in het licht van de politieke krachten die u omringen, de dominotheorie, de oorlog in Vietnam, de recente moeilijkheden in Thailand...
Dit maakt allemaal deel uit van de problemen waarmee wij moeten leven. Er is op 't ogenblik sprake van een ontspanning tussen Amerika en de Sowjet-Unie, maar deze ontspanning gaat vergezeld van concurrentie in andere landen, ook in West-Europa geloof ik. Tussen Rusland en China heerst echter geen ontspanning. Met andere woorden: de huidige ontspanning in de wereld draagt een onvolledig karakter. China is een deel van Azië en zal zich niet uit dit gebied terugtrekken. De Sowjets zijn uiterst beweeglijk geworden en zullen zich evenmin terugtrekken. Wat voor voordeel zouden zij daarvan hebben? Met de Japanners dient eveneens rekening te worden gehouden. Uit de tegenstrijdige belangen van Japan, Amerika, de Sowjet-Unie en China zou tenslotte na een zekere periode van overgang een vierzijdig evenwicht kunnen ontstaan, waarbij ik hoop dat de landen die ver van de Chinese grenzen liggen, daaraan een grotere mate van vrijheid kunnen ontlenen en zelf kunnen bepalen welke landen zij als partner bij hun ontwikkeling willen betrekken.
U voelt zich dus niet werkelijk gerust over de politieke situatie in de u omringende landen.
Geen enkel land kan zich werkelijk gerust voelen. Vanuit een zuiver politiek gezichtspunt beschik ik over meer vrijheid dan een land als Finland. Ik hoef niet over mijn schouder te kijken of uit te vinden of het tekenen van een overeenkomst met de e.e.g. wel de goedkeuring van mijn buurlanden kan wegdragen... Zoals u weet heeft het achttien maanden geduurd voordat de Finse regering het verdrag met de e.e.g. heeft kunnen ondertekenen.
Heeft u redenen te geloven dat de economische groei en de bevolkingstoename in evenwicht kunnen worden gebracht?
Ik geloof dat vele leiders en inwoners van ontwikkelingslanden over bepaalde psychische remmingen beschikken. Aan de ene kant zijn zij verbitterd dat de geïndustrialiseerde landen zo'n groot deel van de hulpbronnen in de wereld verbruiken, terwijl de bevolking van de ontwikkelingslanden aan de andere kant in zo'n enorm tempo toeneemt
dat er geen voldoende hulpbronnen zijn om al deze nieuwgeborenen te voeden. Met andere woorden, het is zaak dat eerst de leiders en via hen de bevolking van de ontwikkelingslanden tot het inzicht komen dat een hogere levensstandaard en een gunstiger leefmilieu alleen binnen bereik liggen, wanneer de bevolkingsgroei zo snel mogelijk aan banden wordt gelegd. Maar omdat het nog allerminst zo ver is, heb ik zeer pessimistische verwachtingen over de tijd die het doorbreken van een dergelijk inzicht zal vragen.
Wat is uw mening over de pogingen die de Club van Rome onderneemt om bij te dragen tot de kennis en het inzicht die de mens nodig heeft om de aarde ook in de toekomst te kunnen blijven beheren?
Ja, ik heb het eindrapport van het team van het m.i.t. doorgebladerd en bovendien de Engelse Blueprint for Survival gelezen. Maar zolang het bevolkingsaantal in een land als Engeland nog niet van de vijfenvijftig miljoen van nu is teruggebracht naar de dertig miljoen, die ideaal zou zijn, is er uiteraard nog veel te doen. Aangeven wat ideaal zou zijn is natuurlijk iets anders dan het in de praktijk verwezenlijken ervan. Het zou ideaal zijn wanneer de meeste geïndustrialiseerde mogendheden een constant of een dalend bevolkingsniveau zouden bezitten en daarnaast economisch gezien in zulk een beperkte mate zouden groeien, dat de ontwikkelingslanden de gelegenheid zouden krijgen om op krachten te komen. Maar zo zijn de mensen nu eenmaal niet, en zo zijn ook regeringen niet. Het is daarom ook onvermijdelijk dat de hulpbronnen ongelijk verdeeld blijven, omdat de geïndustrialiseerde landen nu eenmaal in staat zijn tot een veel efficiënter organisatie, terwijl bovendien de ontwikkelingslanden hun eigen bevolkingsgroei niet in toom kunnen houden. Dit zal in grote delen van de overbevolkte Derde Wereld tot een natuurlijke catastrofe leiden, en dat is een zeer pessimistisch vooruitzicht.