Onderminister - bij ons noemt men dit directeur-generaal - van Onderwijs, Yokei Kono, werd in 1937 in Tokio geboren. Hij studeerde aan de Waseda-universiteit in Tokio en aan Stanford in Californië. Hij is lid van het Japanse Huis van Afgevaardigden voor de liberale democratische partij, de partij van premier Kakuei Tanaka. Hij is vice-voorzitter van het Diet Policy Committee en heeft zich sedert geruime tijd met onderwijszaken beziggehouden. In 1971 werd hij benoemd tot onderminister van Onderwijs .De auteur werd op de belangrijke positie van minister Kono in het huidige Japan, als jonge, opkomende politicus, attent gemaakt door Yasuyuki Maruyama en enkele studenten van de Hitotsubashi-universiteit. Dit gesprek vond plaats op het ministerie van Onderwijs in Tokio.
De Club van Rome is onlangs in Tokio bijeengekomen en de leden ervan kwamen tot de conclusie, dat de problemen waarmee de wereld op het ogenblik geconfronteerd wordt, niet alleen van materiële, maar in belangrijke mate ook van sociaal-politieke en psychologische aard zijn. Wetenschapsmensen houden zich reeds ernstig met de toekomst bezig. Welke rol kunnen politici daarbij spelen?
Als staatsman ben ik van mening dat wij een beleid moeten voeren, dat erop gericht is het accent van economische groei en welvaart naar welzijn te verleggen. Dit is een principe waaraan politici al veel te lang niet meer dan lippendienst hebben bewezen. Economische vooruitgang en de daaruit voortvloeiende urbanisatie zijn voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de nieuwe maatschappelijke en milieuproblematiek. Het politieke proces dient zich aan deze nieuw opgekomen behoeften aan te passen. De politici hebben tot taak om door middel van wetten materiële omstandigheden te scheppen waarin de mensen een stabiel en gezond psychologisch bestaan kunnen leiden. De psychologische kant van de mens is door de moderne samenleving diepgaand beïnvloed, zonder dat daar voldoende aandacht aan besteed wordt. Om hun taak naar behoren te kunnen vervullen moeten de politici, wanneer zij maatregelen overwegen om tot een beter leefmilieu te komen, zich veel directer gaan richten op geluiden vanuit de bevolking en daarnaast ook op gegevens die door groepen als de Club van Rome verzameld zijn.
Hoewel de politiek zich buiten de geestelijke kant van de mensen moet houden, dienen wij er tevens rekening mee te houden dat er van veranderende waardesystemen sprake is, met name in Japan, waar op het ogenblik twee waardeoriënteringen naast elkaar bestaan. Dat wil zeggen: enerzijds de groepsoriëntering, gebaseerd op traditionele en vooroorlogse waarden, en anderzijds de meer individuele oriëntering van de naoorlogse generaties, die beïnvloed zijn door de westerse cultuur en met name door het Amerikaanse onderwijssysteem, dat wij in de afgelopen vijfentwintig jaar hebben overgenomen. De jongere generaties zijn over het algemeen onafhankelijker en individualistischer. Op zichzelf is dat alleen maar goed. Maar tegelijkertijd
krijg ik de indruk dat zij steeds meer kenmerken van een ‘eenzame massa’ gaan vertonen en op zoek zijn naar een gemeenschap waarmee zij zich zelf kunnen vereenzelvigen. Zolang zij deze nog niet gevonden hebben zijn zij volgens mij psychologisch onvoldaan en ongelukkig, hoe vrij en rijk - materieel gezien - zij ook mogen zijn.
Zoudt u dan willen stellen dat er in Japan sprake is van een accentverschuiving van een hoofdzakelijk op de groep gerichte oriëntering naar een meer individuele benadering?
Wat ik wilde zeggen, was dat de mensen onbewust op zoek zijn naar een harmonische vereniging van oud en nieuw, van individuele en groepsoriëntering, waarbij zij de beste kanten van de wijsheid van het traditionele Japan trachten te combineren met de positieve elementen van het moderne denken. Dit houdt met andere woorden in dat er noch sprake is van een terugkeer naar het oude waardensysteem, noch van een volledige overgave aan het individualisme in westerse zin.
Maar wat denkt u dan van de jonge studenten, zoals de studenten die ik aan de Hitotsubashi-universiteit ontmoette, en die mij het idee aan de hand deden om in het kader van deze reeks interviews ook een gesprek met u te houden? Je ziet overal jeans. Maar hoe diep gaat deze verwestersing?
Inderdaad, onze jongere generaties maken, zoals u al zegt, op het ogenblik een verwesterde indruk. Zij lijken gelukkig, zorgeloos, onafhankelijk. Maar dat wil niet zeggen dat de westerse invloed hun mentaliteit of manier van denken fundamenteel veranderd heeft. Hun waardeoriëntatie hoeft nog niet noodzakelijk gebaseerd te zijn op het individualisme in termen van wat men daar in Amerika en Europa onder verstaat. Zij zijn in deze snel veranderende maatschappij tot op zekere hoogte aan gevoelens van verwarring ten prooi. In materieel opzicht zijn zij rijk. Zij hebben een hoger ontwikkelingsniveau bereikt dan vorige generaties. Maar desondanks neemt hun onvrede toe, ook in vergelijking met de jongeren elders, zoals uit een onlangs verricht onderzoek op nationale schaal bleek. In zekere zin worstelen zij met wat wel de identiteitscrisis genoemd wordt. En in hun streven naar zelfverwezenlijking zijn zij volgens mij op zoek naar een gevoel van samenhorigheid. Zij stellen de band met hun vrienden of hun familie zeer op prijs. Dat wil niet zeggen dat zij naar het oude familie-stelsel willen terugkeren. Daarom stelde ik dat de tegenwoordige Japanse jeugd het westerse individualisme en de traditionele wijsheid van het groepsleven in wezen harmonisch met elkaar tracht te verenigen. Dit is volgens mij een belangrijk experiment, dat zowel voor ons als voor mensen elders van zeer grote betekenis kan zijn.
Het schijnt dat de Chinese leiders erin geslaagd zijn om de jongeren naar hun hand te zetten. Je zou het hersenspoeling op nationale schaal kunnen noemen. Hoewel zo'n voorbeeld geen klakkelaze navol-
ging verdient, zou je je kunnen afvragen of er in een maatschappij als Japan geen zekere mate van strakkere leiding voor de jongeren nodig zou kunnen zijn.
Ik geloof niet dat er bij de politieke opvoeding van de jongeren van politieke manipulaties gebruik moet worden gemaakt. President De Gaulle heeft vroeger eens geprobeerd om jongeren via deelname aan politieke processen politiek te vormen. Voor zo'n soort methode heb ik alle respect. Maar wat de toekomst betreft geloof ik dat politiek door participatie, in de zin die president De Gaulle daaraan gaf, vervangen zal worden door politiek gebaseerd op gemeenschappelijke planning en gemeenschappelijke programmering. De politici en de natie als geheel moeten mechanismen ontwerpen waarin zij wat planning en programmering betreft kunnen samenwerken.
Doelt u daarmee ook op andere werelddelen, zoals Afrika en Latijns-Amerika?
Inderdaad. Omdat er verschillende stadia van politieke ontwikkeling bestaan, zullen de betreffende processen noodzakelijkerwijs ook uiteenlopen. Een land moet niet proberen andere landen zijn eigen tempo op te dringen. Dat wil echter niet zeggen dat de internationale samenwerking op dit gebied niet aanzienlijk zou moeten worden uitgebreid.
Het is voor ons land absoluut noodzakelijk dat de communicatie en de samenwerking tussen bevolking en politici verbeterd wordt. De politici slagen er niet altijd in om inzicht te krijgen in de werkelijke behoeften van de bevolking, die als gevolg daarvan voor de oplossing van haar problemen niet meet bij de politici te radegaat. Dergelijke communicatiestoornissen zijn uiterst schadelijk en moeten overwonnen worden. De politici moeten om te beginnen het initiatief nemen om deze vicieuze cirkel te doorbreken, terwijl de bevolking van haar kant een nieuwe positieve houding moet ontwikkelen en bereid moet zijn om samen met de regering in de toekomst een betere samenleving op te bouwen. Alleen wanneer wij erin slagen om via communicatie, terugkoppeling en interactie nauwere banden tussen politici en bevolking tot stand te brengen, kunnen wij de juiste koers voor onze toekomstplanning vinden. Ik zou graag willen dat dergelijke processen zich op internationale schaal zouden kunnen voltrekken.
U behoort zelf tot de nieuwe generatie. Voelt u zich verwant met de jongeren?
Jazeker, in alle opzichten. Ik geloof dat wij het erover eens zijn dat de toekomst van Japan volledig van de jongeren afhangt. Dat maakt het des te belangrijker dat de politieke leiders hun voldoende gelegenheid bieden om een groot aantal alternatieven voor de toekomst te creëren. Wij hebben geprobeerd om Japan in politiek, economisch en ander opzicht te ontwikkelen. Maar op een dag zal de tijd van onze generatie voorbij zijn, en zullen onze plaatsen worden ingenomen door degenen die nu nog op school zijn. En hoewel zij
meer speelruimte moeten krijgen, zijn wij er verantwoordelijk voor dat zij voldoende voorbereiding krijgen om hun eigen beslissingen te nemen en zo een betere samenleving tot stand te brengen. Onderwijs speelt daarbij een zeer voorname rol, maar tot dusver is er daarin van een dergelijke oriëntatie nog geen sprake.
Gelooft u dat er meer jongeren in de regering zouden moeten worden opgenomen om ze zo aan het dragen van verantwoordelijkheid te wennen?
Dat geloof ik zeker. Met onderwijs bedoelde ik niet alleen de intellectuele opleiding aan de verschillende educatieve instellingen, maar ook een meer praktische opvoeding daarbuiten. Het huidige onderwijssysteem legt al te veel nadruk op het begripsmatige denken, en besteedt veel te weinig aandacht aan geestelijke verrijking, het kweken van gevoelens en praktische vakopleidingen. Wij moeten de jongeren opvoeden tot verantwoordelijke volwassen persoonlijkheden. Uiteraard kan dit voor een groter deel buiten het officiële onderwijsstelsel gebeuren dan op het ogenblik het geval is. Politieke opvoeding is éen van de elementen die ik in dit verband zou willen noemen. Ook in dat opzicht ligt er een taak voor de politici - zij moeten de jongeren namelijk op zo'n manier opvoeden dat zij in staat zijn om in het volle besef van hun eigen verantwoordelijkheid beslissingen te nemen.
Vergeleken met de landen die Japan omringen is uw land fabelachtig rijk. Maar het optreden van de Japanse zakenwereld staat overal aan ernstige kritiek bloot; het is zelfs zo ver gekomen dat de Japanse eerste-minister bij zijn bezoek aan Indonesië praktisch een gevangene in het presidentiële paleis werd. Het ziet ernaar uit dat Japanse jongeren zich ook zullen moeten bezighouden met de vraag hoe het image van uw land verbeterd kan worden.
Ik werd inderdaad diep geschokt door de ernst van dit probleem. We moeten leren inzien dat het optreden van Japanners in zuidoost-Azië uitermate kortzichtig is en op de lange duur alleen maar schadelijk kan zijn - voor beide partijen. Ik hoop alleen maar dat wij deze bittere pil kunnen vergulden in de zin dat wij deze onaangename praktijken zullen verbeteren om tot een volledige en oprechte samenwerking met de ontwikkelingslanden te kunnen komen.
Het onderwijs moet erop gericht zijn om jongeren begrip voor andere landen en andere volkeren bij te brengen. Wanneer zij daarin opgevoed zijn, zullen zij meer verantwoordelijkheid op zich willen nemen en dit land op lucide manier kunnen leiden. Respect en begrip voor andere culturen kan ook worden gestimuleerd door uitbreiding van internationale communicatie en culturele uitwisseling. Tot nu toe zijn de bijdragen van ons land op het gebied van dergelijke internationale contacten al te bescheiden geweest. Zowel de publieke als de particuliere sector van Japan zou zich meer moeten bezighouden met de vraag hoe culturele uitwisselingsprogramma's van de meest
uiteenlopende aard uitgebreid en kwalitatief verbeterd kunnen worden.
Gelooft u dat het voor de verbetering van het onderwijs op allerlei gebied nodig is om de economische groei voort te zetten?
Ik moet toegeven, dat een economische groei die zo hoog en zo snel is als die van ons, de ontwikkeling van educatieve programma's in de weg staat. Ik overdrijf niet wanneer ik zeg dat onze enorme economische vooruitgang onze opvoedingspatronen in vele opzichten verstoord heeft. Zo komt een groot aantal educatieve problemen van op het ogenblik voort uit de urbanisatie die een direct gevolg van onze economische groei was.
Bovendien betekent onze economische vooruitgang niet noodzakelijk dat wij meer geld in het onderwijs investeren. Onze onderwijsbe-groting was een van de hoogste ter wereld, maar neemt op het ogenblik in termen van bruto nationaal produkt onder de hooggeïndustrialiseerde landen een van de allerlaatste plaatsen in. Tot nu toe zijn wij bij het onderwijs al te veel van economische overwegingen uitgegaan. Als gevolg van de economische groei hebben de industrieën geprobeerd om zoveel mogelijk personeel aan te nemen, dat wil zeggen mensen met een hoog ontwikkelingsniveau en bij voorkeur met een academische opleiding. Maar het is nu tijd om onderwijs in de eerste plaats te zien als een essentieel middel tot maatschappelijke ontwikkeling, en niet voornamelijk als een instrument tot economische vooruitgang.
Persoonlijk ben ik een voorstander van permanente educatie die volgens mij in de ‘post-industriële maatschappij’ een steeds belangrijker plaats zal gaan innemen. Permanente educatie zal ongetwijfeld tot het welzijn van de mensen bijdragen en bovendien het nationale niveau van deskundigheid en bekwaamheid opvoeren, wat indirect ook weer ten goede zal komen aan de economische ontwikkeling.
Bent u optimistisch over de toekomst?
Wat de toekomst van de wereld als geheel betreft, ben ik optimistisch, omdat ik in de intrinsieke wijsheid van de mens geloof. Anders zou ik ook geen politicus zijn geworden. De mens heeft gefaald en dit heeft tot de huidige wereldomvattende milieucrisis geleid. Maar wij zijn nu tot het besef gekomen dat wij deze crisis door middel van internationale samenwerking zullen moeten oplossen, en er zijn reeds een aantal gemeenschappelijke onderzoeks- en actieprojecten ontworpen die moeten zoeken naar oplossingen voor problemen waarmee de mensheid als geheel geconfronteerd wordt.
Ik ben echter niet zo optimistisch als Dennis Gabor, dat wil zeggen ik geloof niet dat de mens een stadium van volmaaktheid kan bereiken. Daarom moeten wij steeds weer opnieuw nadruk leggen op het onderwijs, omdat dat het middel is waardoor de menselijke wijsheid wegen kan vinden om een leefbaarder wereld te scheppen. En daarvoor is het onderwijs op scholen en universiteiten niet toereikend. Wij
moeten goed gecoördineerde educatieve programma's ontwikkelen die zowel binnen als buiten de officiële onderwijsinstellingen toegepast kunnen worden, om de jongeren zo gelegenheid te geven om zich deze wijsheid te verwerven. Alleen via educatie kunnen de optimistische verwachtingen die ik voor de toekomst heb, ook worden verwezenlijkt.