terug  begin  verderprepost
[p. 345]

Romesh Thapar

Romesh Thapar werd in 1921 in India geboren. Hij is reeds 25 jaar in de journalistiek werkzaam. Naast het directeurschap van het India International Centre in New Delhi is hij uitgever en hoofdredacteur van het Indiase blad Seminar, een maandelijks verschijnend symposium over internationale zaken. Hij leidde de Indiase delegatie naar de u.n.e.s.c.o-vergaderingen van 1966 en 1972. Collega Thapar is een actief lid van de Club van Rome en woont reeds geruime tijd de vergaderingen van dit gezelschap bij, waarbij hij steeds opvalt vanwege zijn levendige en provocatieve bijdragen tot de discussies.

Vooral in de ontwikkelingslanden zijn er critici die de Club van Rome ervan beschuldigen al te zeer een club van rijke mensen te zijn. Uit sommige van de opmerkingen die u gemaakt hebt, krijg ik de indruk dat u daar éen van bent.

Ik wil het werk van de Club van Rome allerminst kleineren. Ik vind dat iedereen die een serieuze poging onderneemt om de wereld bewuster te maken van de problemen die zich in de toekomst waarschijnlijk zullen voordoen, alleen maar aanmoediging verdient. Wij zijn allemaal kinderen van tweeduizend jaar conditionering, en hebben over't algemeen neiging om volgens vaste patronen te denken.

Het is tegen deze achtergrond dat de elite het Rapport van de Club van Rome leest. In het deel van de wereld waar ik vandaan kom, en waar twee derden van de mensheid leeft, krijgt men bij het boren over deze studie het gevoel dat een troep intellectuelen de ontwikkelingslanden in dezelfde toestand wil houden als waarin zij op 't ogenblik verkeren. Een dergelijke houding wordt als neokolonialistisch gezien. Er is groei en groei. Wat zou er gebeuren wanneer wij, de achtergebleven twee derden van de wereld, zouden proberen een tweede Amerika te worden?

Wat is Amerika? Wat is Europa? Wat is de welvaartsstaat? Volgens ons alleen maar een wereld die aan de oppervlakte over veel luxe, comfort en dergelijke beschikt, maar die diep daaronder crisis-lagen bevat. Het welvarende deel van de wereld leeft onder voortdurende spanning. Als dit soort welvaart, dit soort ontwikkeling ons ook dergelijke problemen brengt - zoals die bijvoorbeeld in het druggebruik en de bloemenkinderen tot uiting komen - staan ons nog grote moeilijkheden te wachten.

Wanneer wij terugkijken op de grote beschavingen die de wereld heeft voortgebracht, komen we tot de ontdekking dat de grootste bloei vergezeld ging van eenvoud, soberheid, discipline en creativiteit. Zij beleefden perioden van neergang toen zij al te verfijnd en gecompliceerd werden.

 

Een doodlopende weg.

Ja, vulgariteit, overmatig verbruik van enorme hoeveelheden hulpbronnen zonder doel of zonder uitgesproken doel. Dit is de alarme-

[p. 346]

rende situatie die een bezoeker uit Azië in het welvarende deel van de wereld aantreft.

De kern van het probleem is dat we werkelijk éen wereld zijn geworden. Het is niet meer mogelijk om lang in afzondering te leven. China moest zichzelf isoleren. Mao kon het zich niet veroorloven om in de voetsporen van de Sowjet-Unie te treden. Hij kon niet toelaten dat China eveneens ‘verburgerlijkte’, omdat dat het einde van zijn socialistische experiment zou zijn geweest. Voor de Sowjet-Unie lagen de zaken anders. Dit land beschikt over een betrekkelijk kleine bevolking in een vrijwel onmetelijk gebied. Daarom was de Sowjet-Unie in staat om te zeggen dat zij de Verenigde Staten eens zou overtreffen.

Maar dit was niet in overeenstemming met de socialistische droom. De socialistische droom was het scheppen van een nieuwe mens. Een mens die geen slaaf van de machine zou zijn, een mens die de machine zou beheersen en haar voor het algemeen welzijn zou laten werken.

Volgens ons doet het welvarende deel van de wereld geen werkelijke poging om dit soort problemen te begrijpen. ‘Laten we niet meer groeien,’ zeggen de rijke landen plotseling. En de Derde Wereld dan? De heersende elite van de onderontwikkelde landen slaat een blik op de geïndustrialiseerde mogendheden en zegt: ‘Zo willen wij ook worden. Wij willen ook auto's. Wij willen luxe. Wij willen leven zoals ons in de geïllustreerde weekbladen wordt voorgeschoteld. Dat is de weg die wij ook zullen inslaan.’ Elementen van dit denken kunnen overal in de Derde Wereld worden aangetroffen... zelfs in China. Ik hoorde laatst dat een buitenlander die China bezocht tegen een functionaris opmerkte: ‘Wat prettig dat er in Sjang-hai zo weinig auto's rijden.’ Zijn Chinese gastheer hulde zich in een grimmig zwijgen. Waarschijnlijk droomt ook hij van de dag dat de straten van Sjanghai vol auto's zullen zijn.

Volgens mij moeten wij onze maatschappij, de wereldmaatschappij, allereerst disciplineren op de gebieden waar wij het rijkst zijn. Ook in een land, een clan, een familie, disciplineer je eerst de rijkste, de overdadigste elementen om zodoende tot een gezonde vorm van gelijkheid te komen. De reorganisatie van de wereld moet op dezelfde wijze aangepakt worden. Als de Club van Rome zichzelf werkelijk uit volle overtuiging ten taak stelt om een bijdrage tot de planning van onze toekomst te leveren, moet zij de rijke landen allereerst proberen duidelijk te maken dat welvaart een grens heeft, en dat alles daarbuiten verkwisting is. Ik geloof dat de Club van Rome dit inderdaad ook stelt. Maar zodra een dergelijke grens wordt vastgesteld, krijgen de mensen onmiddellijk het gevoel dat zij aan banden worden gelegd, dat zij in een keurslijf worden gedrongen en verhinderd worden om nog verder te groeien. Dit is onzin, omdat ook, in een gestabiliseerde maatschappij het welzijn verhoogd kan worden. Hulpbronnen en inspanningen dienen in dat geval echter niet voor kwantitatieve, maar voor kwalitatieve verbetering.

Ik geloof dat de Club van Rome in feite een nieuwe benadering

[p. 347]

nodig heeft, namelijk: grenzen aan de verspilling! In plaats van onrust te zaaien zou de Club iedereen, zowel in de geïndustrialiseerde als in de onderontwikkelde wereld, bewust moeten maken van de enorme verspilling die aan ons doen en laten inherent is. Er is verspilling op elk gebied: ruimte, voedsel, water, kleding... noem maar op. Zelfs bij het produceren van baby's kun je van verspilling spreken. Een aanpak als grenzen aan de verspilling zou wat het werk van de Club van Rome betreft, zeer goed een nieuwe fase kunnen inluiden, omdat een dergelijk project niet aan rijke of arme landen gebonden zou zijn. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor de Club van Rome, omdat zij anders eindigt waarmee zij is begonnen: met een rapport en met computers.

 

Het voornaamste probleem waarmee de Club geconfronteerd wordt, is hoe laboratoriumresultaten in praktische acties kunnen worden omgezet.

‘Grenzen aan de verspilling’ zou actie betekenen. Het aardige is dat de Japanners er tijdens het symposium in Tokio in 1973 speciaal op hebben aangedrongen. Ook de Poolse, Zuidamerikaanse en Afrikaanse afgevaardigden hebben dit punt meerdere malen naar voren gebracht. Van ‘grenzen aan de groei’ zouden we kunnen komen tot ‘grenzen aan de verspilling’, en tenslotte tot ‘grenzen aan de begerigheid’. Als we dat punt bereiken, zouden we werkelijk beschaafd kunnen worden, omdat we ons dan niet meer zouden belasten met de enorme overtollige opsmuk die de welvarende superstructuur van op 't ogenblik met zich mee brengt. Dan zouden we een leven kunnen leiden dat inderdaad ook voldoening schept, zodat het individu werkelijk vrij kan zijn en zijn tijd niet meer hoeft te verspillen met het najagen van dingen die hij eigenlijk niet nodig heeft. We zullen hier in vrijheid toe moeten besluiten. Doen we dat niet -

 

-dan zal de wereld haar problemen op autoritaire wijze oplossen.

In een wereld vol verspilling - en vol van overbodig gepraat, laten we dat niet vergeten - zou India bijvoorbeeld geen open maatschappij kunnen blijven. India kan er alleen in slagen een democratische bevolking te motiveren, wanneer de rijkere landen deze perspectieven inzien en ernaar handelen. Anders zullen wij in India vroeg of laat de grenzen moeten sluiten om ons land van dergelijke normen van verkwisting te vrijwaren. Hoe zou ons volk anders in leven kunnen blijven? In het Jaar tweeduizend zal het bevolkingsaantal van China en India samen de twee-miljardgrens gepasseerd zijn. Dat is een gegeven dat we nooit uit het oog mogen verliezen.

 

Ja, en terwijl de ene maatschappij op basis van strikte regels gereglementeerd werd, ontwikkelde de andere zich bijna in volledige vrijheid.

Weet u, elke maatschappij heeft haar eigen kenmerken. China bezit bijvoorbeeld een collectief bewustzijn.

[p. 348]

Werkelijk?

Zeker. De Chinezen hebben dat altijd al gehad. De Chinese samenleving is volgens mij een collectieve samenleving. Chinezen kunnen uitstekend samenwerken. Wij Indiërs hebben altijd eerder neiging tot individualisme gehad. Altijd. Het hindoeïsme predikt individuele verlossing, geen collectieve verlossing. En honderdvijftig jaar koloniale heerschappij heeft dit individualisme zelfs nog sterker benadrukt, omdat de Britten uitermate klassenbewust waren. Met andere woorden: boven op het kastensysteem en het individuele streven naar verlossing, kwamen de Britten met hun klassenbewustzijn. De Japanners noemen de Indiërs de Engelsen van Azië, en in vele opzichten hebben zij daarin gelijk!

China is een min of meer mononationale maatschappij, en beschikt in feite slechts over éen cultuur. India is een multiculturele maatschappij. De communisten gebruiken daarvoor de term multinationaal, en volgens mij met recht. Het is heel goed mogelijk dat de Indiase federatie de komende tien jaar in meerdere staten uiteen zal vallen. De Indiase federatie is rijk, maar moet in een aantal eenheden gesplitst worden om nog gezonder te kunnen worden. Er zijn misschien maar weinig Indiërs die dit zouden willen onderschrijven, maar dit is een punt waar ik absoluut van overtuigd ben. Onlangs werd in ons tijdschrift Seminar voorgesteld om India in een federatie van achtenvijftig staten om te vormen. Wij moeten decentraliseren; dat is in overeenstemming met de waardigheid van de mens. Naar mijn mening experimenteert India met een vorm van politieke federatie, waarmee zij alle andere gebieden ver vooruit is. Wij worden nu al geconfronteerd met de politieke uitdaging die in de toekomst ook aan andere gebieden gesteld zal worden. India is in feite een gebied als Europa. Het bezit éen leider, een minister-president, en éen regering die het hele gebied bestuurt.

In dit opzicht zijn er grote verschillen tussen China en India. Ondanks dat ben ik van mening dat wij meer nadruk op discipline en collectieve actie moeten leggen, terwijl China daarentegen meer aandacht aan individualisme zal moeten besteden, omdat zijn rijke traditie anders onder het gewicht van al die rode boekjes verpletterd dreigt te worden.

 

U heeft eens gezegd - op een u.n.e.s.c.o.-conferentie in 1966 - dat de meeste modellen die het leven en gedrag van de mens in de toekomst bestuderen, mank gingen aan de wens om de normen waarmee wij vertrouwd zijn grotendeels te handhaven. Geldt dit niet in het bijzonder voor de ontwikkelingslanden?

De levensstijl van de rijke landen is op zo'n grote schaal door de massamedia gepropageerd, dat hij bijna synoniem wordt geacht met een beschaafd bestaan. Met andere woorden: een leven van verkwisting, de voortdurende hang naar dingen die wij in feite niet nodig hebben. Dat is de grote god van deze tijd geworden. De elite in de ontwikkelingslanden neemt deze levensstijl over, en raakt hierdoor van

[p. 349]

het eigen volk vervreemd. Het logische resultaat hiervan is dat de bevolking van de ontwikkelingslanden er eveneens toe gebracht wordt om aanspraak te maken op deze levensstijl, waarvoor de benodigde middelen ontbreken. Deze verkwistende manier van leven moet op wereldomvattend niveau bestreden en uitgebannen worden. Naar mijn mening is de eerste taak waarvoor wij staan, de vraag hoe de rijke landen beteugeld kunnen worden. Gebeurt dat niet, dan kan de valse god van de welvaart niet van zijn troon worden gestoten. Dit is onze voornaamste opdracht, die overigens allerlei ingewikkelde psychologische aspecten heeft. Het negeren van deze kwestie kan hoogst gevaarlijk zijn.

 

Enkele jaren voor de Club van Rome dit deed heeft u reeds vastgesteld ‘dat de wereld juist door het proces van groei in verschillende sectoren verdeeld werd’. U wees er toen ook op dat de kloof tussen arm en rijk op onaanvaardbare wijze verbreed zou worden, en voegde daaraan toe: ‘Ik huiver bij de gedachte welke invloed dit besef op het Aziatische en Afrikaanse bewustzijn kan hebben als er geen alternatieven ontwikkeld worden.’ Zijn de oliecrisis en de gebeurtenissen in het Midden-Oosten reeds een voorbode hiervan?

Afgezien van de vraag welke manipulaties bij de oliecrisis een rol hebben gespeeld, staat het zonder meer vast dat wij ons bewust zijn geworden van het discriminerende prijssysteem waarop de welvaart van de rijke landen gebaseerd is. Onze wereld is verdeeld in twee scherp gescheiden categorieën: die van de arme en die van de rijke landen. Zoals altijd is het arme deel van de wereld verreweg het grootst. De onrust in deze gebieden neemt steeds meer toe. Tenzij wij tot een voor beide partijen bevredigende regeling van de prijzen van grondstoffen en afgewerkte produkten komen, zal de exploitatie van twee derden van de wereldbevolking op velerlei wijze blijven voortduren. De oliesituatie zal het deel van de arme landen dat over belangrijke grondstoffenreserves beschikt doen inzien, dat de rijke en machtige mogendheden vernederd kunnen worden. Maar wanneer de kloof tussen arm en rijk onaanvaardbaar breed wordt en wanneer de huidige economische wanverhoudingen tussen de verschillende landen blijven bestaan, zullen de arme naties logischerwijze naar andere wapens zoeken. Zodra deze fase van massale frustratie bereikt wordt, is vanaf dat moment alles mogelijk. Belangrijk is echter dat de wetenschappelijke en technologische revolutie een ingebouwd springeffect heeft. Dat wil zeggen dat de landen die in weten-schappelijk en technologisch opzicht hoog ontwikkeld zijn, zich steeds sneller zullen ontwikkelen. De uitdaging waarmee onze wereld op 't ogenblik geconfronteerd wordt, is dat zij zich rekenschap moet geven van dit speciale aspect van de kloof tussen arm en rijk - en er met alle kracht toe moet bijdragen dat deze kloof gedicht wordt, wat alleen mogelijk is als de ‘welvaart’ van zijn overbodige elementen ontdaan kan worden.

prepostterug  begin  verder