terug  begin  verderprepost
[p. 23]

Reis

De dag vóór mijn vertrek naar Benin vraag ik me vertwijfeld af, wat ik in dat verre land moet zoeken. Mijn onzekerheid groeit wanneer de juffrouw van het reisbureau mij belt met de korte mededeling dat mijn vertrekdatum gewijzigd is. Het vliegtuig waarmee ik zou reizen schijnt uit de lucht te zijn genomen. Dezelfde dame had me aanvankelijk verbaasd en met een voorzichtig gelijk in haar stem te woord gestaan, toen ik vertelde naar Benin te willen reizen. ‘Bedoelt u niet Belize of misschien Belem,’ stelde ze voor, haar kennis van verafgelegen plaatsnamen die met een b beginnen etalerend. ‘De democratisering van het toerisme in Benin is kennelijk nog niet op gang gekomen,’ verontschuldigde ze zich even later, want op de wereldkaart die ze te voorschijn haalde om mij te doen afzien van een reis naar nergens, was te zien dat Benin, ingeklemd tussen Togo en Nigeria werkelijk bestond.

Eerst ben ik lichtelijk opgelucht dat mijn vertrek verdaagd is, maar het besef dat mijn reisangst daarmee nog langer wordt uitgesmeerd is onverdraaglijk.

Thuis maak ik ruzie met de mensen die mij het dierbaarst zijn in de geheime hoop dat iemand zo verstandig zal zijn om mij het vertrek te verbieden. Maar dan denk ik weer dat het wellicht een opluchting is tijdelijk vrij te zijn van de veroordeling tot man, kind en het gezinsleven, weg op borgtocht. Maar het is grootspraak. De reisplannen worden werkelijkheid, mijn reiskoorts heeft plaats gemaakt voor zwaarmoedigheid en vliegangst.

Uit een ver verleden verschijnt een gelijkenis die mijn vader mij als kind ten voorbeeld hield. Ik zat op een klein

[p. 24]

bankje aan zijn voeten. Hij hield een sigaret tussen twee vingers geklemd en zoog daar met korte tussenpozen aan. Het groene pakje Four Aces lag binnen handbereik op het bijzettafeltje en in de rookwolkjes van zijn sigaret gehuld vertelde hij de geschiedenis van de ramp bij Meerzorg en van de jongen die overleefde omdat een goede geest hem leidde.

Een ploeg jonge voetballers uit Paramaribo moest spelen bij Mariënburg, een plantage gelegen aan de andere kant van de Surinamerivier. Toen Balthus Korenaar aan de Waterkant kwam, zaten de meeste jongens al in een walvissloep, die aan de kade lag afgemeerd. ‘Instappen mannen, we roeien eigenhandig naar de overkant,’ riep er eentje en de rest van de jongens sprong de boot in, met uitzondering van de jongen Korenaar. Iets hield hem tegen, een goede geest, een levensgids, die hem belette in de sloep te stappen. Hij bleef aan de Waterkant staan en keek zijn langzaam wegroeiende makkers na, die hem uitjouwden en nariepen dat hij een Frederik Fluweel was. Hij had spijt en schaamde zich voor zijn gebrek aan durf, maar het was te laat, hij had de boot gemist. Hij staarde over het water en zag de sloep kleiner worden. Maar toen... hij kon zijn ogen niet geloven! De boot geleek plotseling een tredmolen, de stemmen van de jongens echoden over het water in één grote kreet om hulp en daar verdwenen ze als één man in een maalstroom, vlak voor Meerzorg.

‘Wees nooit teleurgesteld als iets niet doorgaat. Je weet nooit waarvoor het goed is en welke ellende je bespaard blijft. Laat je nooit leiden door overmoed,’ zo eindigde mijn vader zijn verhaal.

Ik besluit om met een andere maatschappij te reizen om zo voortekens te omzeilen. Ik ben bezwaard op reis gegaan, de herinnering aan mijn kinderjaren met mij meedragend naar andere tropen dan waar ik vandaan kom.

Usman, een medepassagier op weg naar zijn geboortestad Kano is handelaar in antieke Afrikaanse kunst. ‘De

[p. 25]

mooiste stukken vind je niet in Afrika zelf, maar in de vooraanstaande musea in de Verenigde Staten en in Europa. Kunst is handel, wie het meeste biedt, heeft het, simpel,’ legt hij uit. Hij wil weten waar ik vandaan kom. Tot zijn spijt weet hij niet waar Suriname ligt, maar hij verontschuldigt zich en beweert, dat het er niet toe doet waar je vandaan komt, als je er, zoals ik, zo internationaal uitziet. ‘De verstrooiing van de Afrikanen over de wereld, een interessant gegeven, vindt u niet?’ Zonder mijn antwoord af te wachten vervolgt hij. ‘Het waren natuurlijk de veroordeelden en voor een deel krijgsgevangenen die als slaven werden verhandeld.’ Usman meent zijn zaken te kennen. Hij stelt vast dat het cabinepersoneel niet vooringenomen is tegen de overwegend zwarte passagiers, die in kleurige panjes en boeboes in hun stoel gevouwen zitten. Hij klikt met zijn vingers en de stewardess komt naar ons toe lopen. Hij bestelt een whisky-soda on the rocks, trekt zijn das recht, maakt een beweging met het hoofd als een vogel die zich in de zon koestert en plukt een onzichtbaar pluisje van zijn donkerblauw kostuum.

‘Pas op jezelf,’ zegt hij als hij in Kano het vliegtuig verlaat, ‘en als je ooit in Nigeria komt, moet je zeker mijn familie opzoeken.’ Hij drukt me bij het afscheid een visitekaartje in de handen.

Het schemert als we veilig landen in Lomé, de hoofdstad van Benins buurland Togo. De geuren zijn me vertrouwd, ik kan de warmte ruiken.

De fransjipani is in bloei, de hibiscus heeft zijn bloemen al gesloten. Het is voor het eerst sinds Suriname dat ik weer in een omgeving ben met overwegend zwarte mensen en ik betrap mezelf erop de douanebeambte in het Nederlands aan te spreken, misleid door de tropische entourage die ik uit mijn geboorteland ken, waar gezagsdragers Nederlands spreken.

De weg van Lomé naar Cotonou doet me nu en dan den-

[p. 26]

ken aan de weg naar Zanderij, zoals ik die vijfentwintig jaar geleden kende. Bosnegers boden daar aan de kant van de weg fruit en houtsnijwerk te koop aan. In het begin van de jaren zeventig hebben vier Grootopperhoofden van bosnegerstammen uit de binnenlanden van Suriname de oversteek gemaakt naar West-Afrika, op bezoek in hun landen van herkomst. Silvia de Groot heeft hen vergezeld en er later over geschreven. Ik heb haar boek nu mee op reis genomen.

We rijden de donkerte tegemoet en al gauw is er buiten bijna niets meer te zien, behalve af en toe een olielampje langs de weg met in het schijnsel schimmen die wij voorbijschieten. De bus passeert bij Gran Popo de grens tussen Togo en Benin zonder obstakels. ‘We naderen de hoofdstad,’ traag en vermoeid klinkt de stem van de chauffeur. In een keten van duizenden olielampjes licht Cotonou, als een reusachtige kerststal in de nacht.

Wie uit de haven- en hoofdstad Cotonou het binnenland in wil, is aangewezen op de ene nationale autoweg die vanaf Abomey met zijn kuilen en zijn ribbels als een reusachtig wasbord de reiziger op iedere meter een klein obstakel biedt. De weg voert tegen de tijd in: naarmate de reis vordert worden de nieuwe betonnen ééngezinshuisjes met hun golfijzeren daken schaarser en verschijnen hier en daar hutten met daken van stro. Dat past beter bij het landschap dat de reiziger zich voorstelt. Mijn bestemmingsplaats is Papane, een dorp in de brousse. Daar in de binnenlanden van Benin ontmoet ik Maurice de Saint Nazaire, een aannemer uit Parahou.

‘De intellectueel van dit gebied,’ zo werd hij aan mij voorgesteld, maar hij zei: ‘Het heeft niets te betekenen.’ Ik gaf hem een hand, hij stak mij aarzelend de zijne toe. Bij de tweede ontmoeting maakte ik een lichte buiging en hij ook, zo had ik het anderen zien doen en die neiging heb ik me toen eigen gemaakt. Op een middag aan het einde van zijn

[p. 27]

dagtaak geraakten we in gesprek. Hij, een Nagot, bleek een godvruchtig man, belijdend katholiek, maar de hostie had hij nooit genomen. Maurice was de echtgenoot van een eerste, een tweede en een derde vrouw. Hij zat tegenover mij, van het Alras uit Suriname, een vreemde, maar toch óók verwant, moeder en echtgenote en toch alleen op reis. Mijn Frans was pover en nog houterig van de snelcursus, het zijne zwaarwichtig van koloniale belegenheid.

Wat hulpeloos door mijn taaltekort wist ik aan de conversatie niet veel bij te dragen.

De zon ging onder, de vliegende honden zochten hun plek tussen de grote ronde bladeren van de tekbomen. De avond zette in met de geluiden van de nacht. Het gesjirp van krekels, het tweetonige geluid van veldsprinkhanen en het kwaken van padden en kikkers vormden een achtergrondkoor. Maurice sprak, ik luisterde naar zijn verhaal.

‘Kinderen sterven ook. Daar kun je heel treurig over zijn, maar zo gaat dat soms. Hoe jonger ze zijn, des te meer kans lopen ze om je te ontvallen want het is slechts een oneffenheid die de geboorte van de dood scheidt. Als een kind vier, vijf jaar geworden is kun je opgelucht zijn. Het doodsgevaar is geweken en uitgesteld tot later. Je moet echter altijd waakzaam zijn en proberen een oogje op je kinderen te houden. Als je ze uit het zicht verliest kan dat noodlottig zijn. Veel families zijn door een kind met de dood geconfronteerd, ook mijn gezin is het overkomen.

Mijn moeder wilde een van mijn zonen bij zich hebben. Ze koos het kind dat als derde werd geboren, zoon van mijn tweede vrouw.

Later heb ik me afgevraagd, waarom het juist dat kind moest wezen, maar dat is gepraat achteraf. Zolang alles goed gaat zijn de gebeurtenissen uit het leven vanzelfsprekend, pas wanneer het ongeluk om de hoek komt kijken vraagt men zich af.

Het komt veel voor dat kinderen worden afgestaan. Niet

[p. 28]

iedereen kan zich een groot gezin veroorloven. Het hebben van veel kinderen is een rijk bezit, het geeft een man aanzien. Al die kinderen moet je kunnen onderhouden. Wat heeft een rijk man aan een groot stuk land, wanneer hij niet in staat is om het in cultuur te brengen, doordat het nooit regent en het zaad in de kiem gesmoord wordt? Wat moet een man beginnen als hij in een dorpje woont, waar in de verre omtrek geen school is en hij graag zou zien dat, al was het maar een van zijn zonen, deze leert lezen en schrijven? Dan sta je je kind af in zijn eigen belang. Je zoekt een gezin waar het kan worden ondergebracht.

Als je geluk hebt, komt het bij een familielid terecht, of bij een bekende. Anders komt het in het huis van een vreemde op basis van wederkerigheid; het kind verdient zijn onderdak door allerlei werkzaamheden te verrichten, water halen, op het land helpen en duizend-en-één andere karweitjes.

Ik dank God dat ik heb kunnen leren. De paters hebben mij opgevoed, ik heb hun boeken gelezen en hun voedsel gegeten. Lourdes, de Seine, het Louvre, Lodewijk de Veertiende zijn namen die in mijn geheugen staan gegrift. Racine, ik wou dat het mogelijk was nog een boek van deze grote schrijver in handen te krijgen. Heimwee naar mijn dorp heb ik niet gekend, maar ik heb me nooit met een dergelijk verschijnsel beziggehouden, want er was geen tijd voor ledigheid. Ik was een uitverkorene in mijn dorp en als zoon van de paters rustte er een grote verantwoordelijkheid op mijn schouders. Mijn familie steeg in aanzien... Maar ik dwaal af van wat ik wilde vertellen.

Ik was mijn moeder veel verschuldigd voor alles wat zij mij had geschonken en ik kan met recht zeggen dat het een offer was om haar mijn zoon af te staan. Zijn moeder en ik hebben het tot het laatste uitgesteld, maar het moest er ten slotte van komen. Vier, vijf jaar is een betere leeftijd, dan wennen ze elders eerder, mijn zoon was ruim zes jaar oud.

[p. 29]

We hebben hem niets verteld. Zijn moeder en een van de andere kinderen vergezelden ons, om hem niet achterdochtig te maken.

Dagen voor de reis was het kind stil en teruggetrokken, alsof het het voorvoelde. Van tevoren had ik met de chauffeur van de taxi-brousse afgesproken en hij stopte zowaar die zaterdagochtend aan de kant van de weg bij ons dorp. Mijn moeders dorp is een uur of twee gaans, dicht bij Save. In de voormiddag bereikten we Save.

De middag gleed traag voort, er leek geen einde aan te komen. De jongen was niet van ons weg te slaan. 's Nachts heb ik naast hem geslapen en ik heb hem tegen me aan gedrukt.

De maan was nog aan de hemel zichtbaar, toen zijn moeder, zijn broer en ik heimelijk vertrokken, de kleine jongen achterlatend in de diepe slaap van de onwetenden.

Achteraf heb ik gehoord dat hij gepoogd heeft weg te lopen. Steeds weer is hij terug naar zijn grootmoeder gebracht. Hij weigerde te eten of te drinken. Zes weken nadat we hem hebben achtergelaten bereikte ons zijn doodsbericht.’

Maurice houdt zijn hoed stevig tussen beide handen geklemd en kauwt op zijn kaken. Hij staart vermoeid voor zich uit en glimlacht stijf. Aan zijn verhaal is niet veel toe te voegen. Opeens staat hij op, haalt een zaklantaarn te voorschijn en zegt: ‘Een goede nacht’, en verdwijnt in het donker.

prepostterug  begin  verder