De liftdeuren schuiven open. Een walm waarin verschraalde urine boven alles uit stinkt slaat naar buiten. In de enge liftruimte, één fiets lang, zitten drie smoezelig geklede mannen op de grond. Ze zijn zo'n twintig, hoogstens dertig jaar oud. In de halfschemer, boven de vlam van een wegwerpaansteker brengt een van hen in een eetlepel spul aan de kook. De twee anderen kijken begerig naar de kleine kokerij van hun liftgenoot. Ze zijn gevangen in hun seance en hebben slechts aandacht voor de lepel boven het vuurtje. Mij zien zij niet staan. De liftdeuren met de kleur van overheidsoranje schuiven weer dicht.
Ik bevind me voor de liftingang van het metrostation Waterlooplein, tegenover het Amsterdamse stadhuis, vlak bij het politiebureau IJtunnel, op een steenworp afstand van de zorgvuldig gerestaureerde, ook al nauw bij de tijdsproblemen betrokken Mozes en Aäronkerk en ben op weg naar Kraaiennest in de Bijlmer.
Een geluk dat de lift met de drie gebruikers zo vol was dat ik er met mijn fiets niet bij kon. Het tafereel dat ik zag was angstaanjagend. Vrijwillige betreding van de lift zou tarten van het noodlot hebben betekend.
Een jonge moeder met haar baby in een buggy komt naast me bij de liftdeur staan. ‘Doet ie het niet?’ Ze wacht mijn antwoord niet af en drukt op de knop. De oranje deuren openen zich dadelijk. De drie mannen zitten nog steeds in dezelfde houding. De man die het dichtst bij de ingang zit heeft lang vettig haar dat plakt tegen de uitgemergelde, door venerische karbonkels getergde hals.
Hij kijkt op met een donkere, lege blik, boert ‘Scheisse’,
heft zijn arm dreigend op en slaat op de sluitknop.
In een hoek van de lift zie ik een aangebroken ontbijtkoek, een pak vlaflip, een zware fietsketting en een betonschaar. De deuren schuiven alweer dicht.
De jonge moeder maakt een tjoeri en loopt gelaten in de richting van de trap die naar beneden leidt en hobbelt haar buggy, achterstevoren lopend naar beneden. Ik volg haar voorbeeld en til mijn fiets de trap af.
Ondergronds zit, in zijn wachtersruimte achter gewapend glas, een ambtenaar van het Gemeentevervoerbedrijf, in uniform met de ellebogen op tafel, het hoofd in de handen, in diepe concentratie over de advertentiepagina van een krant gebogen. Hij kijkt verstoord op als ik tegen het centimeter-dikke glas klop.
‘Nee, we verkopen geen strippenkaarten. In de muur zit een automaat. Nee, ik kan u niet aan kleingeld helpen. Wat mijn functie hier dan wel is? Dame, ik ben u geen verantwoording verschuldigd.’
Hij is terstond weer verdiept in zijn krant, waant zich onaantastbaar achter zijn glazen burcht en heeft oog noch achting voor de metrogebruiker die blootstaat aan molest en het verder zelf maar moet uitzoeken.
Een verdieping hoger, in het imposante stadhuis, wordt de gemeente bestuurd.