terug  begin  verderprepost
[p. 32]

Kleine genieting

De man is klein van stuk. Hij draagt een wijde broek van spijkerstof, die om de enkel aansluit. In zijn korte slobbertrui met een dubbel kabelmotief is veel vlijt gestoken. De mouwen zijn omgeslagen maar nog te lang, zodat van de handen slechts de bleke vingertoppen naar buiten kruipen. De trui glijdt van de smalle schouders en de dunne nek met een beweeglijke adamsappel steekt koud uit. Hij praat luid hoewel zijn gehoor zich op armlengte afstand bevindt: ‘Hier, snel,’ zegt hij. ‘We hebben een prima plaats, voor ons alleen’, en ontdoet zijn reisgenoten, een vrouwspersoon die gebukt gaat onder haar rugzak en een meisje met een klein rugzakje, van hun bagage. Het kind, een jaar of zes oud, springt uitgelaten op de bank. Ze draagt een roze jurk en lakschoenen. De vrouw heeft eenzelfde wijde broek en slobbertrui aan waardoor het paar een tweeling lijkt. Alleen is zij wel een hoofd groter.

‘Ik naast papa,’ roept het meisje, en ze nestelt zich op haar hurken bij het raam. Vergenoegd wipt ze heen en weer. De vader vult de lege zitplaatsen op de lange bank met de familiebagage en ploft uitgelaten naast zijn dochter neer.

Het bovendek van de veerboot uit Lauwersoog naar Schiermonnikoog stroomt vol met passagiers. Het gure winterse weekend heeft de reizigers niet ontmoedigd; veel volledige gezinnetjes en anderen die, getuige de verrekijkers, geitewollen sokken en sandalen, liefhebbers zijn van de natuur.

‘Zalig!’ zucht de man luid. ‘We moeten dit veel vaker doen.’ Hij strekt de armen breeduit, aait over het haar van het meisje en begint haar speels te kietelen. ‘Niet doen,

[p. 33]

papa,’ kirt ze. ‘Hè jongens, toe nou,’ zegt de moeder. Ze blikt tevreden naar haar gezinsleden, pakt een breiwerk uit een zijvak van haar rugtas en zet zich ijverig aan haar taak.

De boot vertrekt op weg naar Schiermonnikoog.

Het meisje zegt: ‘Ik heb zo een dorst.’ De man staat op en vraagt: ‘Mams wat wil jij?’ Ze antwoordt: ‘Voor mij niets, ik heb nog geen behoefte.’

Hij gaat benedendeks en komt even later terug met een flesje chocolademelk met een rietje. Plagerig houdt hij het kind het flesje voor: ‘Nou, wat zeg je tegen papa?’ ‘Dank u wel papa,’ speelt het kind mee.

Het meisje haalt het rietje uit de fles en begint te drinken. Het topje van de flessehals verdwijnt gedeeltelijk in de kindermond. De man kijkt vergenoegd naar zijn kleine meisje en slaat een arm om haar schouders. Het kind verslikt zich. ‘Wat doe je nou?’ zegt hij en pakt haar de chocomel af. ‘Je bent een kleine schrokkebrok.’ Met een hand klopt hij het kind op de rug. In de andere hand houdt hij het flesje vast, likt langzaam de druipende chocolademelk van de hals rondom schoon en zet het flesje op tafel.

‘Het lijkt zo dichtbij, Schiermonnikoog, maar het is toch verder weg dan je denkt,’ zegt de vrouw. Hij knikt, aait zijn dochter over het haar, buigt zich opzij en kust het kind teder op het voorhoofd. Dan pakt hij het gezichtje vast in beide handen en bestudeert het grondig. Behoedzaam haalt hij met zijn pinknagel een peutertje uit het neusje van het meisje, bestudeert het dingetje aandachtig en steekt de pink in zijn mond. Hij staart dromerig door het raam. De vrouw breit onverstoorbaar door. Het meisje pakt haar chocomel van tafel en zuigt aan de fles. Een tevreden hoekje op de boot van Lauwersoog naar Schiermonnikoog.

prepostterug  begin  verder