Ik heb meester Van Santen vijf lesuren meegemaakt. Toen ging hij dood. Hij gaf aardrijkskunde op de mulo in Amsterdam-Oost.
‘Wie van jullie heeft van de week het programma van doktor L. van Eegeraath gezien?’ Zo toetste hij wekelijks de belangstelling van de klas. Het was een tijd, het begin van de jaren zestig, waarin niet iedereen zich vakanties kon veroorloven en reisbureaus of chartervluchten niet of nauwelijks bestonden. Men logeerde eens bij een familielid in een andere stad, ging een dagje naar het strand, baadde pootje en zag een schip achter de horizon verdwijnen. Een enkeling bezat een volkstuintje op fietsafstand van huis of zelfs een zomerhuisje. Daar werden weekends en vakanties doorgebracht. Van Eegeraath nam de televisiekijkers pastoraal mee op vakantiereizen naar vreemde culturen in verre landen; naar de Costa Brava in Spanje, Mallorca, de Dordogne, streken waar slechts een enkele gefortuneerde of avontuurlijke Hollander een voet had gezet.
De leerlingen van wie de meesten nog geen televisietoestel in huis hadden moesten op de kaart van Europa in de sporen van de geleerde wereldreiziger Van Eegeraath treden. Ze hadden hooguit de zee gezien, maar verder dan het Noordzeestrand waren ze niet gereisd.
Meester Van Santen was zelf al in Les Landes geweest. Zodra hij gepensioneerd was zou hij op zoek gaan naar een hoeve in dat gebied of, je weet maar nooit, misschien wel een kasteeltje kunnen bemachtigen. Hij had het kasteel bezocht dat Josephine Baker met haar geadopteerde kinderen bewoonde, de regenboogkinderen, afkomstig van alle vol-
keren ter wereld. Het kasteel en de bewoners waren een toeristische attractie. Het geheel had diepe indruk op hem gemaakt. Of er iemand in de klas wel eens gehoord had van de legendarische Josephine Baker? Niemand? Meneer Van Santen keek mij hoopvol aan. De naam Josephine Baker zei me niets.
Ik was al maanden met mijn ouders op reis in Holland, een onderneming waar zij een jaar voor hadden uitgetrokken. We hadden daarvóór een wereldzee overgestoken en waren weken onderweg geweest. In het voorjaar arriveerden we in Amsterdam. Kort na onze aankomst gingen wij eropuit. Naar Ermelo op de Veluwe. We brachten twee weken door in een klein vochtig tweekamerhuisje, waarvan er tientallen dicht bijeenstonden in een kampement dat ‘bungalowpark’ heette. Het regende gedurende de eerste tien dagen voortdurend. De huiskamer was tevens het vertrek waar mijn ouders sliepen. Het was ingericht met zes rotan-kuipstoeltjes, een uitklapbaar tafelblad en twee eenpersoonsbedden, waarvan één onder het ander kon worden geschoven zodat het geheel als divan dienst kon doen. Mijn moeder beklaagde zich. Ze had nog nooit in haar leven in zoveel primitiviteit een huishouding gevoerd. Ze had van kindsbeen af een hekel gehad aan het plantageleven. Als dit nou vakantie heette. Geen luxe, niks, dan een tweepits butagasfornuis. En nog wel in Holland!
Mijn vader stak de ene sigaret aan met de ander. Hij werd steeds behendiger in het staveren van het pakje speelkaarten dat hij op reis had meegenomen en verdiepte zich in opeenvolgende spelletjes patience.
In de huiskamer van ons bungalowtje bevond zich behalve het pakje kaarten één onvolledig spel Mens-erger-je-niet. In het andere kamertje, de kinderkamer, pasten ternauwernood twee stapelbedden. In de dorpswinkel, met de bovenzinnelijke naam 4 = 6, was behalve koffie, thee, zwarte peper en nootmuskaat, als enig ander tropisch artikel
gebroken witte rijst te koop. We kochten een spel dat Pim-Pam-Pet heette en de hele vooraad ansichtkaarten. In Ermelo werden we aangestaard alsof we van een andere planeet kwamen. En we waren niet anders dan verlofgangers met vakantie.
Het bungalowpark lag in een bos waarvan de bomen allemaal dezelfde grootte hadden en op gelijke afstand stonden. Het onderhout werd zorgvuldig bijgehouden. De dagen in Ermelo bracht ik voornamelijk in bed door. Bij het opstaan kon ik me niet aan het gevoel onttrekken opgesloten te zijn in een reusachtige, lege, ongewassen melkfles, de ruiten waren altijd beslagen.
De tijd op deze vakantie leek ontregeld; je keek op de klok, het was vijf over tien. Je tekende met een vinger op de beslagen ruit, speelde een partijtje Pim-Pam-Pet of Boter-melk-en-kaas, keek nog maar eens op de klok en dan bleken er nog maar twintig minuten verstreken te zijn. Eén keer hoorden we tegen de schemering het stampende ritme van voetstappen. We deden de deur op een kier, gluurden naar buiten. Het waren soldaten in camouflagepakken die langs onze bungalow marcheerden. We hebben daar nog lang over nagepraat.
Op de elfde dag verscheen de zon. Het rook buiten fris en schoon, de lucht binnen was zwaar van elkaars adem. De beslagen ramen werden opengezet en de matrassen te luchten gelegd op de rotanstoelen in de zon. Ik wilde wat wandelen in het bos, alleen. Dat mocht niet. Het was te gevaarlijk. Een alleen wandelend jong meisje zou als loslopend wild zijn en aanstootgevend op z'n minst. Of ik niet gezien had hoe de mensen mij aanstaarden.
Van deze reis naar de Veluwe heb ik een afkeer van vakantie vieren overgehouden en ik was opgelucht toen het besluit genomen werd het verdere verblijf in Holland op één plaats, in Amsterdam, door te brengen en er voorlopig niet meer opuit te trekken.
Na de zomer mocht ik naar school. Ik hoopte daar afleiding te vinden. Wat had ik me verheugd op de grote oversteek naar het moederland. En wat bewonderde ik mijn vader toen hij me voorhield dat degenen die God liefheeft door Hem de wereld worden ingestuurd. De verstrooiing van de mens over de aarde meende hij, maakte betere mensen, kosmopolieten, die overal konden aarden. Onze reis was tot nu toe niet meer dan het verplaatsen van het huishouden, vanuit de tropische achtergrond van Paramaribo, overzee, naar een aanpassing op driehoog in Holland en het vakantieverblijf in Ermelo. We bleven tot elkaar veroordeeld.
De school was om een binnenplaats gebouwd en telde twee verdiepingen. Ik staarde naar buiten en zag de eerste dag een jongen die van achter het raam boven zwaaide. Stel dat ik terug zou zwaaien, terwijl dit gebaar van vriendelijk- heid niet voor mij bedoeld was. Wat zou die jongen niet van me denken. Misschien wel dat ik aanleiding gaf. Zolang ik mijn terughoudendheid bewaarde kon ik mezelf niet beschamen. Ik keek de klas rond om te zien voor wie de groet bedoeld was en waagde het niet meer om nog een keer naar buiten te kijken. Ik droomde weg en dacht aan vroeger, dat nog geen half jaar oud was, maar zo ver verwijderd.
De kinderen hier jijden en jouwden met de onderwijzers en toonden weinig respect. Hoe anders was het op de Graaf von Zinzendorfschool in Paramaribo. Daar stonden de leerlingen op wanneer de onderwijzer het lokaal binnenkwam. Jongens droegen een korte broek en de meisjes was het dragen van decente kleding voorgeschreven: hooggesloten jurken met mouwen, rokken tien centimeter onder de knie, het dragen van een hele onderjurk was verplicht. Juffrouw Tevreden schepte er behagen in een meisje dat verdacht werd, omdat de contouren van haar borsten te prompt toonden, mee te nemen naar de wc om haar daar aan een ondergoedcontrole te onderwerpen. O wee wanneer dat
meisje in plaats van een hele, een halve onderjurk droeg! Dan kon ze linea recta naar huis terugkeren.
Het was me bevolen dadelijk thuis te komen na school en vooral niet rond te hangen op straat. Amsterdam was vergeleken met Paramaribo een vrijgevochten stad, een Sodom en Gomorra, waar jongens en meisjes vrijelijk met elkaar omgingen, hand in hand liepen op straat en zelfs zoenden in het openbaar; een slechte omgeving voor de vorming van een opgroeiend meisje. De meisjes droegen hier korte rokken die ver boven de knie reikten. Wanneer ze zich bukten gaf dat zoveel inkijk, dat je volgens mijn moeder kon zien of hun amandelen wel of niet gepeld waren.
Ik haastte me zoals bevolen, zodra de bel ging, naar huis, waar ik dadelijk aan een verhoor werd onderworpen, wanneer ik enkele minuten later aankwam dan was afgesproken.
De dood van meester Van Santen was het eerste overlijden op reis. Een hartinfarct had hem op zijn zesenveertigste getroffen. Ik had geen idee dat een hartinfarct een doodsoorzaak kon zijn. De dood was vroeger ver van ons weg gebleven. Oude mensen, arme kinderen en langdurig zieken stierven in Suriname. En mensen die door schaamte waren getroffen. Zoals Louis Polak, de goudsmid, verre familie die ik nooit had ontmoet. Hij was gestorven in de bloei van zijn leven omdat hij cyaankali had gedronken. Zijn vrouw Dora was zijn dood geweest. Ze werd door hem op heterdaad betrapt met een knecht, die nota bene analfabeet was. En dan was er ene sergeant Doopsel die met een legerjeep de Surinamerivier inreed bij de Marinebrug. Hij had nog wel in Indië gevochten tegen de Japanners. Een daad die ontzag en jaloezie had opgewekt bij de achterblijvers die ongeschikt waren voor de schutterij. Zij waren de oorlogsvloot uit het moederland misgelopen. Nu moesten ze hun leven slijten in ambtenarij. Dat zo een vent als Doopsel, beroeps-
militair, een eervol man, zich had verdronken. Een kerel met een staat van dienst, iemand die zoveel van de wereld had gezien en die eigenhandig zijn bajonet dwars door het lijf van een Jap had gestoken! Onbegrijpelijk.
De morgen van zijn overlijden had meester Van Santen ons verteld over ruig Les Landes, waar hij in de toekomst van een welverdiende rust zou gaan genieten, zodra hij was gepensioneerd. Zijn hoofd liep rood aan van levenslust. Hij telde de jaren en had er nog zo'n vijftien voor de boeg, dacht hij. Dan was hij een vrij man en kon gaan leven naar zijn verlangen.
De school zou hem de laatste eer bewijzen. We kregen vrijaf voor de begrafenis. De plechtigheid zou plaats hebben in Driehuis Westerveld, bij Haarlem. De leerlingen werden geacht daar aanwezig te zijn.
Ik krijg nooit toestemming van thuis, peinsde ik op weg naar het huis aan de Archimedesweg waar wij bivakkeerden. Zeker niet wanneer ik alleen de reis naar Haarlem onderneem. Dat is wel twintig minuten sporen. Als ik nou eens zei dat we met de hele school eropuit zouden trekken naar Driehuis Westerveld? Onder leiding van leraren! Misschien lukte dat wel. Het zou de eerste keer zijn dat ik vrij was in Holland. Ik wilde niet anders dan de wereld in en mensen ontmoeten. De begrafenis was een gouden kans om eens zonder toezicht te zijn, alleen in het openbaar. Een verlangen kwam over me van reislust en avontuur.
Ik schrok van de snelle voetstappen die me inhaalden, maar keek niet om. Ik werd op de schouders getikt. Het gezicht van de jongen had ik eerder gezien. Hij had gezwaaid van achter het raam boven. ‘Hallo,’ zei hij. ‘Wacht even.’ Ik bleef staan. ‘Ga je mee naar de demonstratie volgende week?’ Ik wist van niks en zweeg. Ik had maar één Tupperware-demonstratie meegemaakt op een bijeenkomst bij een buurvrouw thuis in Paramaribo. Plastic schalen in pastelkleuren met deksels die luchtdicht sloten werden er ge-
toond, tot kooplustigheid van de vrouwen.
‘Preston Cobb. Een zwarte jongen. Een neger net als jij. Hij is ter dood veroordeeld.’ De jongen wachtte mijn antwoord niet af en sprak opgewonden door, struikelend over woorden. We moesten protesteren. De hele wereld moest protesteren. Onrecht. Links, rechts. Discriminatie. Hij was joods. Zijn moeder was een jodin. Zijn vader niet. Die heette Verkuyl. Israël. Jeugdbeweging. Martin Luther King. Negers worden onderdrukt. Net als de joden. Oorlog, Hitler, Duitsers. Wij, hij en ik hadden met elkaar te maken. Mahalia Jackson, daar had hij alle platen van. Kees Verkuyl heette hij. Of wij morgen samen met de trein naar de begrafenis van meester Van Santen zouden gaan.
‘Ja,’ zei ik en vergat mijn terughoudendheid. ‘Graag,’
Ik kwam te laat thuis. Waar ik was geweest?
‘Nergens.’
‘Nergens duurt geen vijfentwintig minuten.’
‘Meester Van Santen, hij geeft aardrijkskunde. Hij is gisteren overleden. We moeten allen naar de begrafenis.’ De doodstijding maakte indruk. Er viel een korte stilte.
‘Of je wilt of niet, je moet gaan als leerling. Dat zal een goede indruk achterlaten. Desnoods gaat je vader met je mee. Hoe gaan jullie?’
‘De hele school gaat,’ antwoordde ik naar waarheid. Ik kreeg de vrijheid om naar Driehuis Westerveld te reizen.
De avond voor de begrafenis vulde Kees mijn hoofd. Wat had hij veel gezegd in zo een korte tijd. Wat wist hij veel. Hij leek een beetje op de reclamefoto van de jongen met zijn Puch-bromfiets in de Ryam-schoolagenda. Zijn blonde haar was Kort Amerikaans geknipt. Hij droeg een spijkerbroek met wijd uitlopende pijpen en een borstrok als hemd. Een knappe jongen.
Ik zou Kees Verkuyl van huis afhalen. Dat had hij gevraagd. Dan kon ik zijn grammofoonplatenverzameling zien en zijn grootmoeder ontmoeten. Ze was in een concen-
tratiekamp geweest. Daar moest ze bieten rooien van die rotmoffen, vuile fascisten. Thuis vertelde ik dat de klas bij school moest verzamelen.
Ik belde bij hem aan. Te vroeg. Ik had voor de spiegel thuis geoefend hoe ik zijn grootmoeder zou begroeten. Ik zou een buiging maken en met mijn knieën tegen elkaar plaats nemen wanneer ze me een stoel aanbood. Als ze mij een koekje zou presenteren zou ik beleefd ‘neen dank u’ zeggen en laten zien dat ik niet gulzig was. Het zou de eerste keer zijn dat ik bij een Hollander thuiskwam en ik nam me het beste voor.
Kees deed open. Hij liep me op de trap tegemoet en zei dat ik een beetje luid moest praten omdat zijn oma doof was. Hij ging mij voor, de huiskamer in. Er stond een grote televisie onder een doorschijnende plastic hoes op een kleine ronde tafel. De kamer was dicht bemeubeld in biedermeier stijl. Ik herkende de meubelen. We hadden thuis diverse folders verzameld van meubelwinkels. Mijn moeders meest geliefde bezigheid was het bestuderen van de verschillende woonstijlen.
Op de vensterbank stond een rij vrouwentongen in het gelid. Voor het raam zat een gezette dame op leeftijd, deftig aangekleed en zorgvuldig opgemaakt. Haar lippen waren rood gestift, haar nagels in dezelfde kleur gelakt. Ze keek me aan en zweeg. Ik liep in haar richting en stak een hand uit om haar te begroeten.
‘Omie...’ zei Kees. De vrouw wendde haar gezicht bruusk af en maakte met haar arm een afwerend gebaar alsof ze het onheil wilde bezweren. ‘Nein, nicht schwarz, bitte...’ verzuchtte ze.
‘Omie,’ riep Kees uit, ‘wat krijgen we nou!’
‘Niet in mein Haus,’ antwoordde de grootmoeder kort. ‘Raus bitte. Bitte!’
Ik schuifelde achteruit de deur door, de gang op, het trapportaal in. Ik hoorde Kees hardop roepen: ‘Ik ben pisnijdig.’
Hij kwam naar buiten en pakte mijn hand vast. ‘Loop niet weg. De begrafenis is pas over twee uur. Laten we naar mijn kamer gaan.’
Mijn mond raakte vol woorden en speeksel. Er kon geen lucht meer bij. De woordbrij bleef in mijn keel steken. Ik trok mijn hand los en liep de trap af. ‘Wacht!’ riep Kees, terwijl hij me achternaliep. ‘Ze bedoelt het niet zo. Ze weet niet beter. We zouden toch samen met de trein gaan?’
‘Ben je nu alweer terug?’ vroeg mijn moeder verbaasd. Ik kon niet uit mijn woorden komen. ‘Kind,’ zei ze. ‘Wat is er met je aan de hand? Als jij je de dood van een vreemde zo aantrekt, hoe zal het dan niet zijn als een van ons komt te overlijden. Tenslotte kende je die man nauwelijks. Het is een vreemde, die, hoe heet hij ook weer? Die meneer Van Santen.’