Mij werd met de paplepel ingegoten, het was lang vóór de onafhankelijkheid, dat het slecht ging met Suriname. Als het wel eens goed ging, dan werden de zaken in stilte gedaan en kwam het geld geruisloos in Nederland terecht; de armen bleven arm. Ook toen al maakten de politici - net als in de eeuwen daarvoor de planters en de bestuursambtenaren - rumoer om met hun alarm geld uit Holland te krijgen.
Mijn kinderoren vingen luide zinnen op: ‘Holland heeft geen wezenlijke interesse. Ze hadden nog geen honderd jaar geleden in Holland het idee om een brug te bouwen van Paramaribo naar Curaçao. Nadat de beurs in plantage-aandelen in 1772 instortte is de Surinaamse droom verstoord. Wat we hier nodig hebben is een dictator die korte metten maakt. Suriname heeft ograi.’
Als kind besefte ik, luistervink, dat Suriname gedoemd was een ongelukkig land te blijven en dat te weten maakte zwaarmoedig.
En dan was er de opwinding in Paramaribo als een hoogwaardigheidsbekleder uit het moederland ons land met een bezoek vereerde; de prinsessen die we van gezicht kenden van de kalender en één keer koningin Juliana zelf. De straten werden geplaveid, de bermen gewied en de sloten schoongemaakt, althans langs de route die de hoge gasten uit Holland zouden afleggen. Op de Julianaschool studeerden we het Wilhelmus uit den treure in, het Oranje boven, ‘God zij met ons Suriname’, ‘Twee reebruine ogen’ en ‘Sari Marijs’. Het ‘Olé, Olé, Olé Olé’ was nog niet gecomponeerd. Nadat de hoge gast was vertrokken barstte weer langzaam het asfalt, er kwamen gaten in het wegdek, de bermen werden
bosschages en de trenzen raakten overwoekerd, soms met schitterende waterlelies die je in Amsterdam per stuk in de bloemboetiek kunt kopen.
Meer dan veertig jaar geleden gaf Nederland aan Suriname ook al ontwikkelingshulp in het kader van het Welvaartsplan. Ik herinner me politieke gesprekken bij ons thuis. Want ook toen wist bijna iedereen wat het beste voor Suriname zou zijn. Gesprekken over grote plannen met Suriname: het Tienjarenplan, het Eerste Vijfjarenplan, het Tweede Vijfjarenplan. Over vriendjespolitiek, over corruptie. Wie voor het Eenheidsfront was, was tegen de nps, Soemita was een analfabeet, Lachmon een schurk. Dan had je nog een pater Wijtman van de Katholieke Volkspartij. ‘Hoe vromer geest hoe groter beest.’ Namen werden genoemd van ‘opposanten’, van nationalisten die in Holland bleven, van anderen die daar opgeleid terug in Suriname kritiek hadden op de gang van zaken. Hun werd een Hollandse mentaliteit verweten.
Al ver voor de onafhankelijkheid waren er sociale voorzieningen zoals aov en kinderbijslag. Maar de gelden werden vaak niet uitbetaald en het was gebruikelijk dat een oude vader, moeder, tante, schoolgaand broertje of zusje van verwanten uit Holland steun kreeg. Als iemand ernstig ziek werd lapte familie een passage bij elkaar om de zieke in Holland te laten behandelen. En eenmaal aangekomen werd de patiënt zonder al te veel problemen lid van een ziekenfonds en deed een beroep op de Bijstandswet. We waren tenslotte allemaal Nederlanders.
We maakten in Suriname zondags tochtjes over de nieuwe rode weg naar Afobakka, waar het grote stuwmeer werd gegraven. ‘De hoeksteen van Surinames opbouw, sprak de Nederlandse premier op werkbezoek,’ spelde ik uit De Ware Tijd. Het ontstaan van het stuwmeer werd de neergang voor de vijfduizend in het overstromingsgebied wonende bosnegers. Of ze wilden of niet, ze werden ge-
transmigreerd. Ik bracht die gedwongen verhuizing in verband met de Zeeuwse watersnoodramp in het moederland in 1953. Toen was heel Paramaribo in rep en roer en werd er op school geld ingezameld voor de arme schapen in Holland. Het was de eerste natuurramp waarover ik hoorde.
Er werd geboomd over het Kabalebo-project in West-Suriname, waarvan nu in de kranten nog voornamelijk gesproken wordt als de miljoenenspoorlijn van nergens naar nergens.
Een poos geleden vertelde een oom mij dat hij hier in Holland nooit aardappelen at, omdat ze niet te vergelijken waren met de exemplaren die hij als kind in Suriname had gegeten. De aardappelen uit zijn jeugd in de tropen waren stijf van substantie en glazig, niet bloemig, een delicatesse. Bevroren aardappelen moeten het zijn geweest. Maar het kwam uit Holland en dat bepaalde de smaak. Net als de sponzige ijsappels en de melige peren die bij de betere Chinees op de hoek voor een klein vermogen konden worden gekocht. Menige opgemaakte fruitschaal, versierd met uit Holland ingevoerd plastic kunstfruit, gaf de tafel in Bruynzeel-modelwoningen een bepaald cachet. Zo werden we neergevoed.
Bijna dertig jaar geleden reisde ik met mijn ouders per vrachtschip van de Koninklijke Nederlandse Scheepvaart Maatschappij over de grote Atlantische Oceaan naar Nederland. We zouden met buitenlands verlof gaan, voor een jaar. Een paar dagen voor ons vertrek werd het huis door opkopers leeggehaald en mijn hond Nona waarmee ik was opgegroeid verdween, ik had even niet opgelet. Mijn moeder zei: ‘We gaan schoon schip maken.’
Mijn vader is voor zijn werk nog een jaar terug geweest, alleen. We bleven voorgoed in Holland, met verlof. En Suriname bleef verbonden.
Het is zondagmorgen vroeg. Mijn tafel is bezaaid met krantestukken. Alle artikelen over de Suriname-reis van
minister Pronk had ik opzij gelegd om later te lezen. Ik stel het lezen maar weer uit. Een morgenster scharrelt in een puinbak aan de overkant. Op de halte van lijn vier stopt de tram. Surinaamse vrouwen in kleurige zondagse kleren stappen uit, sommige met een traditionele hoofddoek op. Ze zijn op weg naar hun kerk van de Evangelische Broeder-gemeente tussen de Keizersgracht en de Prinsengracht.