|
|
|
| |
| | | |
Maerlant tussen Noord en Zuid
Contouren van een biografie*
Weinig kwesties in de medioneerlandistiek zullen zoveel geesten en pennen in beroering hebben gebracht als de biografie van Jacob van Maerlant. Was hij Vlaming, Zeeuw of Hollander? Schepenklerk of niet? Lag het Maerlant waaraan hij zijn toenaam ontleent op Voorne of in het Brugs Ambacht? Was hij koster van professie, of was Koster zijn familienaam? Ligt hij werkelijk begraven te Damme? Aan deze en vele hiermee samenhangende vragen zijn in de negentiende en twintigste eeuw meer dan vijfhonderd publikaties gewijd. Dat de zee zo hoog ging, vindt stellig niet alleen zijn verklaring in het biografisme dat ons vak soms in zijn greep heeft, noch in het feit dat het hier (als we Jan van Boendale mogen geloven) niemand minder dan de vader der Dietse dichtren algader betreft. Hoofdoorzaak van de vurigheid van het debat is zonder twijfel dat het werd gevoed door lokaal, regionaal en vooral nationaal chauvinisme, als gevolg waarvan ook de meest zakelijke beschouwingen werden geschreven en gelezen tegen de geladen achtergrond van rivaliteit tussen Noord en Zuid over het aandeel dat zij in Maerlant mochten claimen.
Soms werd de polemiek zo hevig, dat tijdschriften eronder dreigden te bezwijken. Aan het begin van jaargang 1957 liet Wetenschappelijke tijdingen een zoveelste Maerlantartikel vergezeld gaan van een voor wetenschappelijke begrippen wonderlijk redactioneel ten geleide: ‘Ingelast zonder de bijbedoeling een of ander debat uit te lokken’. Voor goed begrip van dit ontmoedigingsbeleid moet men bedenken, dat juist in deze jaren vijftig het Maerlantdebat met grote heftigheid gevoerd werd, vooral sinds vanuit Vlaanderen J. Noterdaeme een oude these van Versnaeyen en Serrure nieuw leven had ingeblazen met zijn opvatting dat het Maerlant waarmee de dichter in verband moest worden gebracht niet het plaatsje Maerlant op Voorne (later opgegaan in Brielle) was, maar gelegen was in Houtave, een dorp bij Brugge.1 Gegrondvest op breed bronnenonderzoek naar dertiende-eeuwse geschiedenis, steunde het stelsel-Noterdaeme in hoofdzaak op een tweetal pijlers: de ene de vermelding - in een oorkonde van 1262 - van de wijk Marlant in de parochie Zuienkerke in Houtave; de andere de verspreiding van de naam de Costere in diezelfde streek terzelfdertijd, met als meest markante drager een Weitkinus de Houtawe dictus Custos.
Beide gegevens waren al vaker met de dichter Maerlant in verband gebracht, en benut ten gunste van de hypothese dat hij telg zou zijn geweest van een geslacht De Coster in Marlant/Houtave. Een van de
| | | |
kapitale nieuwe vondsten van J. Noterdaeme was nu dat hij hieraan een dertiende-eeuwse vermelding in het Obituarium van Snellegem kon toevoegen, die spreekt over een jaargeld dat heer Gerard II van Roden (overl. 1246) naliet, te bekostigen uit de pacht op het huis van Jacobi custodis, die woonde infra atrium, dus naast de kerk en op de ridderhof van deze heer te Snellegem. Hiermee maakte Noterdaeme de redenering rond dat onze dichter deze Jacob de Coster was, zoon van Weitkinus waarschijnlijk, en als klerk een gewaardeerde dienstman van de heren van Roden en Snellegem. Deze opvatting diende vervolgens als uitgangspunt voor een reeks nieuwe interpretaties en verklaringen in Maerlants werken, die vooral ten doel hadden de opdrachtgevers daarvan ofwel direct binnen het geslacht van Roden te situeren (zo Gheile van Alexanders geesten) dan wel hun nauwe betrekkingen met genoemd geslacht - en dus ‘bereikbaarheid’ voor deszelfs klerk - in het licht te stellen (zo Albrecht van Voorne van Graal-Merlijn en Nicolaes van Cats van Der naturen bloeme).
Aldus gebruikmakend van deels oude, in vergetelheid geraakte gegevens, maar aangevuld met nieuwe dankzij diepgaand primair bronnenonderzoek, en met ondersteuning van een verbluffende belezenheid in Maerlantliteratuur en groot combinatievermogen, deed Noterdaeme weinig minder dan de biografie van Maerlant herschrijven. Het leverde hem, eenvoudige pastoor uit Snellegem, de achting op van heel de wetenschappelijke wereld (tot in het Noorden bij W.Gs Hellinga toe), maar in diezelfde wereld ook bestrijders, met als meest ontzagwekkende opponent de Vlaming J. van Mierlo. Ofschoon laatstgenoemde moest bekennen dat de theorie van Noterdaeme ook hem aanvankelijk zowel geïmponeerd had als verheugd (‘onze dichter behoorde ons voortaan geheel toe’), meende hij bij nadere overweging dat deze toch geen steek hield - hetgeen tot gevolg had dat de dorpspastoor in de hooggeleerde jezuïet een tegenstander kreeg die qua engagement en produktiviteit niet voor hem onder deed.2
Een van de kernpunten in Van Mierlo's kritiek was dat hij Noterdaemes uitleg van het Obituarium niet deelde; naar zijn mening was hier wel degelijk sprake van een kosterswoning op het kerkplein, die bij het overlijden van Gerard van Roden werd bewoond door een ambtsdrager van wie het Obiit slechts (en in deze context ook meer dan voldoende) vermeldde dat hij Jacob heette. Terug naar Jacob-als-koster dus, voor de begunstigde zowel als voor de dichter - waarmee de grond voor identificatie van de laatste met de eerste, en bijgevolg die van Jacob van Maerlant als klerk van de heren van Roden geheel weg zou vallen. Het is slechts een van de vele bezwaren die Van Mierlo tegen Noterdaemes stelsel inbracht. Noch was hij de enige die met
| | | |
tegenbetogen kwam; in dit verband moeten in het bijzonder ook behartigenswaardige beschouwingen worden vermeld van de Vlaamse regionaalhistoricus H.C. Peeters.3
Tegen dit zware geschut van specialisten uit literatuur- en geschiedwetenschap had Noterdaeme zware strijd te leveren; en ofschoon velen van hun sympathie voor diens opvattingen getuigden, moest hij de verdediging ervan in wetenschappelijke publikaties toch in zijn eentje voeren. Maar hoe eenzaam Noterdaemes onderneming in dit opzicht moge zijn geweest, nooit heeft hij zich gewonnen hoeven (en nog minder: willen) geven.4 Wat dat betreft is het misschien te hopen dat hem op het einde van zijn leven is ontgaan (hij overleed in 1981, 89 jaar oud) wat Gysseling in 1977 droogweg, en nogal terloops heeft vastgesteld: ‘De stelling van J. Noterdaeme, dat de dichter afkomstig was van “Marlant” te Zuienkerke [...] kan niet juist zijn omdat ze berust op een leesfout.’5 Daarmee wordt ook de tweede pijler van het stelsel-Noterdaeme ondergraven: leek eerder zijn hypothese over de familienaam De Coster al enigermate suspect, nu blijkt - want Gysseling heeft juist gezien - het Brugse Ma(e)rlant in Houtave een fictie: de oorkonde leest matlant.
Ten aanzien van het stelsel-Noterdaeme lijken we daarmee dus weer terug bij af. Maar hierom te willen beweren dat de kruitdamp wel is opgetrokken, zou teveel zijn; de nu volgende beschouwing is juist in de allereerste plaats bedoeld om enige tekening in het strijdtoneel te brengen. Leidraad zal daarbij de vermoedelijke lijn van Maerlants leven zijn, waarbij als vanzelf de meest omstreden kwesties, de voornaamste combattanten en hun hoofdargumenten de revue zullen passeren. Men verwachte daarbij niet zozeer nieuwe gegevens (en al helemaal geen spectaculaire archivalia die de persoon van onze dichter zouden betreffen), als wel een doorlopende expositie van argumenten pro en contra - waaruit gemeenlijk weliswaar één opvatting als de meest waarschijnlijke tevoorschijn zal komen, maar niet zonder dat ook deze weer met vraagtekens omgeven zal blijken. Want welke visie men op Maerlants biografie ook wil verdedigen, er blijven altijd netelige vragen over - alleen steeds andere, afhankelijk van aan welke visie men de voorkeur geeft.
Voor een niet onbelangrijk deel zal het in deze verhandeling te doen zijn om het in kaart brengen van dergelijke openstaande vragen, die samenhangen met een visie die op hoofdpunten uiteindelijk vrij traditioneel is. Door zijn vele vraagtekens, massieve notenapparaat en de dikwijls tastende betoogtrant zal het stuk de problemen rond Maerlants biografie voor menigeen vermoedelijk eerder vergroten dan verkleinen. Behalve op één punt misschien, dat aan het begin werd aan- | | | | geduid
als hoofdoorzaak van veel van de commotie, maar waarvan mijn stelling is dat het zijn relevantie moet verliezen zodra wij ons rekenschap geven van een bredere historische context - een context die overigens zelf (zoals vrijwel alles uit de dertiende-eeuwse geschiedenis der Lage Landen) nog allesbehalve helder is. Niet dat nu een soort van ‘min maal min is plus’ zou gelden, en dat men een schimmige biografie tot klaarheid zou kunnen brengen door er een nevelige context bij te halen. Wel geloof ik (in dit opzicht niet anders dan Noterdaeme) dat ‘het Maerlantprobleem’ wel degelijk iets van zijn beklemming - maar gelukkig niets van zijn bekoring - kwijtraakt wanneer men het uit zijn neerlandistisch isolement verlost.
| |
Vlaanderen
Voor velen staat het Vlamingschap van Maerlant vast. Als kroongetuige kan de proloog van Sinte Franciscus leven gelden, waarin de auteur zich bij de Utrechtse minderbroeders verontschuldigt voor het mogelijk wat vreemde taaleigen van dit dichtwerk, en daarvoor als reden opgeeft omdat ic Vlaminc bem.6 Deze op het oog vrij ondubbelzinnige verklaring vindt steun in Maerlants dikwijls geciteerde lof der vaderlandsliefde in zijn Alexanders geesten.7 Hij mijmert daar over het zijns inziens opmerkelijke feit Dat elken minsce int herte sijn, / So soete dunct sijns selves lant. De Brabander prijst Brabant, de Fransman Frankrijk, enzovoort:
Dus prijset elkerlijc sijn lant.
Maer seide dat hi noit en vant
Also goet lant alse Bruxambacht.
Ic waens hem daerbi heeft gedacht
Omdat hiere in was gheboren,
Bedi prijst hijt te voren.
Maar zoals wel vaker, is ook deze sleutelpassage van Maerlants biografie allesbehalve onproblematisch; vaak zijn juist zulke specifica, snel onbegrepen als ze later worden, stofnesten van tekstbederf. Het Bruxambacht in het derde vers is als citaat zo overbekend dat men gemakkelijk vergeet dat de lezing nuchter bezien niet meer is dan een uiterst invloedrijke emendatie van Snellaert, die in 1860 voorstelde om (na eerdere suggesties als Broer-ambacht, Broeder-ambacht en Broecambacht) op deze wijze te verstaan wat ons in het (enige) handschrift als Brurambacht is overgeleverd. Bijna in één moeite door pleegt men in hetzelfde
| | | |
vers voor de feitelijke lezing groet het meer toepasselijke goet te prefereren. Voor nog grotere problemen stelt ons het tweede vers. Er is voorgesteld om Maer door Maerlant te vervangen, wat echter het nadeel heeft dat de dichter zich nergens in zijn werk ooit kortweg als Maerlant aanduidt.8 Wat dat betreft zou het meer in de rede liggen - om aan de conjecturen nog een toe te voegen - om in de lijn van andere plaatsen in Alexanders geesten (Franck 1882, VII, vs. 694 en X, vs. 1526) ook hier Jacob te willen lezen, en aan te nemen dat deze lezing nadien associatief/corrigerend in de richting van de inmiddels meer bekende toenaam zou zijn verbasterd. Doch sinds L. Willems (1934) heeft vooral de suggestie brede steun gevonden om hier maer te handhaven, en het seide in dit vers te lezen als seidi.9 Wat hiervan zij, het lijkt hoe dan ook aannemelijk dat de dichter in deze verzen heeft gezinspeeld op zijn eigen geboortestreek, die het Brugs Ambacht zou zijn.
Het zou dus in West-Vlaanderen zijn geweest dat Jacob werd geboren. Volgens menigeen spreekt ook Maerlants idiolect wat dat betreft zeer duidelijke taal. Reeds C.A. Serrure noemde Maerlants ‘westvlaemsche, ja zelfs brugsche tongval, welke voor eenieder, die niet vooringenomen is, dadelyk in byna al zyne schriften in het oog loopt.’10 Maar zo onomstotelijk lijken de feiten hier toch niet te zijn. De passages in Der naturen bloeme bijvoorbeeld die in dit verband vaak worden aangehaald omdat ze Maerlants vlaamstaligheid zouden documenteren, bewijzen strikt genomen slechts dat de dichter kennis droeg van bepaalde Vlaamse taalkenmerken (bijv. II, vs. 1769-1770: Een eghel heetet in dietsche tale; / In Vlaendren een herts, dat wetic wale).11 Een ander probleem is dat (onze kennis van) het middeleeuwse (West)Vlaams (nog) niet zo specifiek is dat zich dit taaleigen haarscherp laat afgrenzen van het Zeeuws - uitgerekend het dialect dat in het geval van Maerlant de voornaamste andere kandidaat is als zijn moedertaal. Bovendien is reeds het dertiende-eeuwse Middelnederlandse materiaal vaak tezeer doortrokken van een supraregionale literatuurtaal om eenduidige conclusies toe te laten. Een laatste complicatie is tenslotte dat de overlevering van Maerlants werken voor een groot deel op beduidend latere handschriften steunt; slechts de Rijmbijbel en Der naturen bloeme zijn compleet bewaard in dertiende-eeuwse bronnen.12
Al met al blijkt daarmee ook deze hoeksteen van ons Maerlantbeeld bij nadere inspectie minder solide dan men wel zou wensen. Puur Westvlaams lijkt Maerlants taal toch niet.13 Recentelijk is scepsis dienaangaande het verst doorgevoerd door de taalgeleerde Maurits Gysseling, volgens wie bepaalde elementen in de dertiende-eeuwse Maerlantbronnen, zoals Dutsch en nuwe en in het bijzonder spellingen
| | | |
als hi-wi-si, zelfs zo slecht te rijmen zijn met een ‘noordelijk westvlaams’ auteurschap dat hij het ervoor houdt dat de dichter van de Zuidhollands-Zeeuwse eilanden stamde, en dus Noordnederlander geweest zou zijn!14 Daarmee wordt de oude strijdvraag over Jacobs al dan niet vermeende noordelijke of zuidelijke herkomst, die volgens Van Mierlo in 1946 ‘slechts nog retrospectieve beteekenis’ had, opnieuw hoogst actueel.15 Zeg nooit nooit in de medioneerlandistiek.
Toch is het de vraag of Gysseling niet teveel gewicht wil hechten aan on-Vlaamse eigenaardigheden in de vroegste Maerlantbronnen, het taalkleed van de handschriften niet te gemakkelijk voor dat van de dichter zelf verslijt, en daarmee de schaal te ver door laat slaan. In de eerste plaats zijn er, zoals hierboven bleek, ook andere argumenten om Maerlant voor een geboren Vlaming te verslijten, en het valt te betreuren dat Gysseling aan deze contra-indicaties geen woorden vuil maakt. Bovendien wemelt het in Maerlants werk van Vlaamse vormen, zoals - in de sfeer der klankverschijnselen - het geregelde ontbreken van de anlaut-h (evet, ore), ee voor ei (clene, spreedene) en u voor o (vul, up).16 In het bijzonder lijkt het lopend onderzoek naar Maerlants rijmwoorden op een overduidelijk Westvlaams substraat te wijzen; wat daarvan afwijkt, valt op rekening te boeken van ofwel Maerlants eigen en roemruchte misselike tonghe (de techniek om terwille van het rijm bij andere dialecten leentjebuur te spelen), ofwel latere kopiisten.17
Zo lijkt het dus, bij alle noodzakelijke reserves, toch wel degelijk het meest waarschijnlijk dat Jacob van Maerlant inderdaad in Vlaanderen, en meer speciaal het Brugse, werd geboren. Ook in de tijd laat die geboorte zich wel enigermate plaatsen. Gegeven het feit dat Maerlants arbeid aan zijn laatste hoofdwerk, de Spiegel historiael, omstreeks 1285 plaatsvond (met mogelijk het strofische gedicht Van den lande van oversee, als klacht over de val van Akko stellig kort na 1291 geschreven, als zwanezang) en anderzijds het feit dat zijn wellicht vroegste werk, Alexanders geesten, zich redelijk nauwkeurig in de jaren 1257-1260 laat dateren, lijkt het verantwoord om de gedachten te bepalen op circa 1225 als Jacobs geboortejaar. Misschien zelfs nog wat later, in de jaren dertig van de dertiende eeuw: mij althans komt een jeugdig auteur voor Alexanders geesten meer waarschijnlijk voor dan een bejaarde voor de Spiegel historiael.
In wat voor milieu zou Jacob ter wereld zijn gekomen? Volgens Noterdaeme moeten we ons hem voorstellen als geboortig uit ‘een welstellende boerenfamilie’; maar nu zijn hypothese over de hereboer Weitkinus Custos als 's dichters vader vervalt, resteren voor Jacobs semi-boerse afkomst geen directe argumenten - wat uiteraard niet
| | | |
uitsluit dat Noterdaeme het hier toch bij het rechte eind gehad kan hebben.18 Een zekere vorm van welstand binnen Maerlants directe omgeving lijkt vrij aannemelijk, aangezien het onderwijs dat hij zo zichtbaar heeft genoten (en waarover aanstonds nader) in het vroegdertiende-eeuwse Vlaanderen in eerste instantie open lag voor jongelui met geld achter de hand - ook al had het derde Lateraans Concilie in 1179 expressis verbis anders bepaald, en zou ook Maerlant later, in de Heimelijkheid der heimelijkheden, voor armeluiskinderen een soort van studiebeurs bepleiten.19 Anderzijds is het natuurlijk allesbehalve uitgesloten dat men ook buiten Jacobs ouderlijk milieu diens bijzondere aanleg heeft herkend en hem voor zijn onderwijs met geld en/of relaties heeft gesteund. En als men een volgende gissing toestaat: zou het ook denkbaar zijn dat Jacob als verboden vrucht van edelman of hoge geestelijke ter wereld is gekomen? Het zou misschien zowel zijn ‘sociale anonimiteit’ als zijn toegang tot de elitaire scholen helpen verklaren, en wie weet ook zijn affiniteit met (en wie weet erfelijke dispositie tot) de wereld van de boeken en de wapens.20 Maar misschien gaat deze gissing zelfs voor een speculatie veel te ver.21
Wat voor de verandering niet voor twijfel vatbaar is, is dat de jonge Maerlant intensief naar school moet zijn gegaan. Dat dit zo zeker is, is overigens niet omdat hij het zelf met zoveel woorden zegt, maar omdat zijn werk per implicatie in dit opzicht duidelijke taal, en letterlijk boekdelen spreekt. Een zo grondige kennis van Latijn en de geleerde geschriften in die taal kan uitsluitend zijn verworven via meer dan degelijke scholing. Nu viel die toentertijd vanuit het Brugse zeker te verwerven: het Vlaamse onderwijs was in de eerste helft van de dertiende eeuw volop ontwikkeld.22 Wat vergelijkenderwijs vooral bijzonder was, waren de stadsscholen, zoals ze onder andere voor Gent en Ieper vanaf de twaalfde eeuw gedocumenteerd zijn, en die - vaak officieel onder het toezicht van de kerk, maar in de praktijk al sterk verzelfstandigd - opleidden voor de handel.23 En misschien is het verleidelijk om ons de jonge Jacob, nadien als dichter toch tenminste sympathisant der burgerij,24 hierop voor te stellen. Toch is dat vrijwel zeker niet het geval geweest, getuige het type ontwikkeling waarvan de dichter Maerlant blijk geeft. Betrekken wij die in de beschouwing, dan zien we niet zozeer de praktijkgerichte vorming van de hogere burgerschool, maar de klassieke humaniora van het kerkelijke onderwijs. Maerlants ‘Bildung’, met zijn allesoverheersende accent op de latinitas van canonieke schoolauteurs, van kerkvaders en andere elementaire theologie en wetenschap is veeleer van klassiek-geestelijke dan van praktijk-burgerlijke snit. Het is daarom veel meer waarschijn- | | | | lijk
dat hij niet een vrijgemaakte stadsschool, maar enige traditioneel-kerkelijke onderwijsinstelling heeft gefrequenteerd.
Nu maken ook die kerkelijke scholen in de vroege dertiende eeuw een grote bloei door; zowel die van de kloosters als van de kapittels. Vooral de laatste zijn in opkomst: sinds Lateranen III (1179) en IV (1215) had elk groot kapittel verplicht een school binnen zijn muren. Deze scholen voorzien de kerk van intelligente clerus, maar leveren met hun alumni tevens een wezenlijke bijdrage aan het wereldlijk bestuur. In het algemeen is dit trouwens een van de belangrijkste achtergronden, zoniet de hoofdoorzaak, van de schitterende bloei van het middeleeuwse onderwijs in de twaalfde en dertiende eeuw (bekroond in de oprichting van universiteiten): de behoefte aan geschoolde staf voor de toenemende bureaucratie van zowel de kerkelijke als de wereldlijke centra van bestuur.25 Naast ‘autonome’ weetgierigheid wakkerde dit carrièreperspectief de studiezin van leerlingen en hun magisters in niet geringe mate aan: eenmaal behoorlijk geschoold, kwamen aantrekkelijke functies binnen hun bereik, zeker voor hen die er niet van konden uitgaan dat zij alleen al door aanzienlijke geboorte wel terecht zouden komen. Ook in Vlaanderen speelden zich dergelijke ontwikkelingen af, en bovendien betrekkelijk vroeg en intensief; niet toevallig zou de kanselarij der Vlaamse graven tot de vroegst-ontwikkelde professionele bestuurscentra van West-Europa gaan behoren.26 Voor Dewitte vormt een en ander zelfs reden om in Brugge al in de dertiende eeuw een afzonderlijke ‘klerkenschool’ te veronderstellen, maar zoiets zal toch wel fata morgana zijn: de geletterden in de entourage van het Vlaamse landsbestuur moeten hun scholing hebben ontvangen in de klassieke kerkelijke onderwijsinstellingen, de kapittelschool voorop.27
Gezien nu Maerlants latere connecties met het wereldlijk bestuur (zie verderop), ligt het in de lijn om aan te nemen dat ook hij - al dan niet doelbewust - een dergelijk ‘carrièrepad’ betreden heeft. Maar via welke Vlaamse school? Als meest aantrekkelijke gegadigde hiervoor kandideert stellig de Brugse kapittelschool van Sint-Donaas, die in de dertiende eeuw een grote bloei bereikte, en tevens ‘hofleverancier’ was voor de Vlaamse grafelijke kanselarij.28 De proost van Sint-Donaas was zelfs qualitate qua de kanselier van Vlaanderen, en ook al zal het hier in hoge mate om een erefunctie zijn gegaan, het duidt toch op een nauwe band tussen Sint-Donaas en het Vlaams-grafelijke hof. Die band wordt ook van andere zijde bevestigd; zo is de bewaarde dertiende-eeuwse boekenlijst van Sint-Donaas, met tal van juridische naast de gebruikelijke kerkelijke teksten, een welsprekende getuige dat deze kapittelschool niet alleen een ambiance was om zuiver te
| | | |
leren zingen, maar ook om ‘zakelijk Latijn’ te leren, in casu de ars dictaminis en de fijnere kneepjes van het bestuursbedrijf. Wat dat betreft is voor een Bruggeling van omstreeks 1240 de school van Sint-Donaas de ideale instelling om te leren wat Maerlant heeft geleerd, en zich te kwalificeren als geletterde, inzetbaar op het brede terrein van kerkelijk en wereldlijk bestuur. En als we dan in de Spiegel historiael te lezen krijgen dat in de twaalfde eeuw relieken van de heilige Donatiaan werden begraven in de Brugse burchtkapel die was ghemaect na der Aecsschen ghewerke, dan is het wel bijzonder verleidelijk - maar eerlijk gezegd ook niet veel meer dan dat29 - om deze toevoeging van Maerlant ten opzichte van het Speculum historiale te verklaren vanuit de gedachte dat de auteur zijn kennis omtrent de in de late twaalfde eeuw gesloopte kerk en haar voormalige architectuur heeft opgedaan tijdens zijn schooljaren in het Sint-Donaaskapittel.
De kapittelschool van Sint-Donaas komt dus wel het meest in aanmerking als Jacobs alma mater; maar toch valt niet volkomen uit te sluiten dat hij zijn opleiding (mede?) in een klooster heeft gekregen. Dat moet dan wel een klooster zijn geweest waar men - op zijn minst in één geval - als leerlingen ook jongens toeliet die niet tot de orde gingen behoren, hetgeen in deze tijd en regio voorstelbaar is van benedictijnen, en misschien van cisterciënzers.30 Van Mierlo heeft in dit verband, maar zonder nadere argumentatie, de benedictijnen van Elmare als kandidaat genoemd, die echter door het feit dat hun klooster met bronnen en al in 1377 gedeeltelijk, en in 1414 compleet door de zee verzwolgen werd een vrijwel onbeschreven blad blijven; ook acht hij de cisterciënzers van Zuid-Beveland mogelijk, wier kandidatuur voor Maerlants scholing reeds door Jonckbloet en ook door Maximilianus nog fermer is gesteld.31 Toch valt zeer te betwijfelen of dit laatste klooster, zo al toegankelijk voor ongeordende scholieren, in de jaren dertig van de dertiende eeuw als opleidingscentrum het niveau had dat men voor Maerlant moet veronderstellen. In dit geval is noch omtrent onderwijs, noch over enig boekenbezit ook maar iets bekend, en wie de geschiedenis van cisterciënzers in Zeeland nagaat (zie noot 97), vindt hen gedurende de dertiende eeuw vooral verwikkeld in scheepvaart, schapenteelt en een taaie strijd tegen het water.
Wat dat betreft zijn er, als het om cisterciënzerkloosters gaat, in de omgeving van Brugge wel instellingen te noemen die veeleer in aanmerking komen, vanwege het simpele feit dat zij in Maerlants jeugd bij uitstek nabijgelegen centra van geleerdheid waren: de abdijen van De Duinen en Ter Doest. Hun bibliotheken, en vooral die van de moederabdij De Duinen, behoren tot de rijkste die de middeleeuwse Lage Landen hebben voortgebracht, zoals bewaarde bibliotheeklijsten
| | | |
en handschriften nog steeds kunnen getuigen.32 Over hun onderwijs-activiteiten is concreet minder bekend dan in het geval van Sint-Donaas, maar dat er onderwezen werd behoeft men niet te betwijfelen, al was het maar omdat een monnik nu eenmaal litteratus moest zijn. Het lijkt alsof de cisterciënzers hun onderwijs doorgaans vooral op het niveau van deze elementaire priesterscholing hebben afgestemd33 - wat in het geval van Maerlant toch stellig iets te weinig van het goede geweest zal zijn - maar juist voor De Duinen zijn er aanwijzingen dat de abdij ook dienst deed als opleidingsinstituut voor latere notarii, klerken geschoold in de bestuurlijke briefkunst van de ars dictaminis.34 In dit opzicht lijkt er dus niet zo'n verschil te zijn tussen wat een jongen omstreeks 1230 kon leren in Sint-Donaas en bij de naburige cisterciënzers, al is en blijft de vraag of een extraneus bij de laatstgenoemden als leerling welkom was.
Maar in feite vormt de keus tussen de kapittel- of de kloosterschool voor ons in dit verband een nogal overkomelijk probleem. Ofschoon men natuurlijk graag precies zou weten waar Maerlant nu daadwerkelijk is schoolgegaan, kunnen we veilig aannemen dat zowel het Brugse Sint-Donaas als de nabijgelegen abdijen tot zijn vorming hebben bijgedragen. Tussen deze instellingen bestaan immers zoveel betrekkingen dat we ze in de praktijk kunnen beschouwen als een netwerk - tevens bolwerk - van studiezin en boekencultuur, waarvan de leden tot op grote hoogte één circuit vormden. Als sprekende voorbeelden valt in dit verband te wijzen op de nog altijd boeiende hypothese van Lieftinck, die meende dat veel van de handschriften uit de bibliotheken van De Duinen en Ter Doest in Sint-Donaas geschreven zijn, en op de ettelijke personele unies, bijvoorbeeld via de vele cisterciënzers van De Duinen die tevens kanunnik waren van Sint-Donaas.35
Dit is waarschijnlijk dus de achtergrond waartegen wij ons Maerlants scholing moeten denken. Ze valt niet te bewijzen in die zin, dat hij zichzelf met zoveel woorden over deze schooltijd uitspreekt, of dat wij zijn naam zouden tegenkomen in enige bewaarde - quod non - alumnilijst (trouwens: als zo'n lijst wel was bewaard, zouden we de grootste moeite hebben om de latere dichter aan te wijzen, aangezien de jonge Jacob toen nog niet Van Maerlant kan zijn genoemd!). Maar men kan de redenering bijna uit het ongerijmde voeren: waar anders dan in de schoot van Sint-Donaas en de abdijen kan in het Brugs Ambacht van omstreeks 1240 een geest op het niveau van Maerlant zijn gevormd? In feite is het haast ondenkbaar dat een Bruggeling met Maerlants studiezin, gevormd door de vroeg-dertiende-eeuwse schoolboekencultuur, géén contacten met genoemde instellingen zou hebben gehad. Dit waren in Jacobs omgeving nu eenmaal de aange- | | | | wezen
centra op dit terrein; de rest mocht nauwelijks naam hebben. Vandaar ook de nauwe banden onderling: het was een wereldje dat kwantitatief even beperkt was als kwalitatief hoogwaardig.
Gegeven het niveau van deze Brugse onderwijsinstellingen in Maerlants jeugd, is het feitelijk onnodig om in zijn geval ook universitaire vorming aan te nemen. De goede en veelzijdige ontwikkeling waarvan hij in zijn werk getuigt, moet zonder meer op Sint-Donaas bereikbaar zijn geweest, alwaar de laatste jaren van het curriculum gelijkwaardig waren aan de eerste van de universitaire artes-faculteit. En ook al is Maerlant voor Middelnederlandse maatstaven, en stellig ook voor die van zijn publiek, een geleerd auteur geweest, dat impliceert natuurlijk niet dat hij beslist de universiteit moet hebben bezocht. Voorzover bekend, is er ook niets in zijn werk - ook in de meest filosofische gedeelten niet - dat hierop onmiskenbaar wijst, en waar hij zelf met geen woord van universitaire vorming rept, noch de magistertitel voert, lijkt het verreweg het meest plausibel om aan te nemen dat het bij scholing in het Brugse (en natuurlijk éducation permanente sindsdien) is gebleven.36
Dit wat de ‘eindtermen’ van Maerlants onderwijs betreft; een andere kwestie is waar het formele eindpunt lag. Dit spitst zich toe op de vraag of Jacob wellicht zuiver leek zou zijn gebleven, dan wel de lagere geestelijke wijdingen zou hebben ontvangen of zelfs priester is geworden. Binnen de vakliteratuur lopen de meningen hierover sterk uiteen; helaas meestal zonder dat men een poging doet die mening te beargumenteren.37 Een duidelijke uitzondering is in dit opzicht Maximilianus, die heeft betoogd dat Maerlant, vooral in Sinte Franciscus leven en mogelijk ook in zijn Rijmbijbel, getuigt van zoveel kennis van de theologie dat hij wel priester geweest moet zijn. Maar ofschoon zijn redenering de waarde heeft te stoelen op concreet tekstmateriaal van Maerlants hand, valt toch te betwijfelen of ze dwingend is. Was dergelijke kennis, zo al niet vaste bagage, dan toch gemakkelijk bereikbaar voor eenieder die de school van Sint-Donaas bezocht? Daar komt nog bij dat Maerlant op ettelijke plaatsen in zijn overige werk - vooral de proloog van Spiegel historiael - juist zo omzichtig afstand houdt ten opzichte van dat paepscap, een collectief waartoe hij zichzelf uitdrukkelijk niet lijkt te rekenen, en waarvoor hij zelfs enigszins beducht lijkt.
Daartegenover staat dat Maerlant toch weer teveel geestelijk profiel toont om hem zonder meer voor leek te kunnen verslijten; behalve argumenten als die van Maximilianus pleit daartegen trouwens ook dat het überhaupt de vraag is of scholen als die van Sint-Donaas rond 1230 geacht kunnen worden voor leken open te staan. Het lijkt dus al
| | | |
met al het meest plausibel om Maerlant voor een geestelijke te houden die lagere wijdingen ontvangen heeft, een type waarvoor het Middelnederlands vaak de aanduiding clerc gebruikt. Bijkomend voordeel hiervan is dat het zich goed laat rijmen met zijn latere kostersambt (waarover aanstonds nader), en dat Maerlants werk veelvuldig aansluiting zoekt bij auteurs die hij, met positieve nadruk, als clerken aanduidt. Bij Te Winkel lezen we dat Maerlant ook zichzelf ‘meermalen’ clerc zou noemen, maar dit is toch de vraag: Te Winkel geeft - zijn volledigheidsdrang kennende al een veeg teken? - geen enkele bewijsplaats, en schrijver dezes is niet meer bekend dan één passage in de Rijmbijbel, die bovendien nogal suspect is.38 Maar dit neemt niet weg dat Maerlant, alles afwegende, zeer goed geestelijke met lagere wijdingen kan zijn geweest, en qua profiel een clerc. In elk geval was hij geletterd en geschoold, waarmee in de steeds sterker verschriftelijkende wereld van zijn dagen vele wegen voor hem open kwamen te liggen. De Vlaamse litterati zwermden dan ook uit.39 De een ging naar Parijs (Hendrik van Gent voorop), de ander voor vervolgstudie naar Orléans of Montpellier of zelfs Bologna; weer anderen traden direct in dienst van kerkelijk of wereldlijk bestuur, bijvoorbeeld bij de Vlaamse kanselarij. Jacob belandde vanuit Brugge in het Noorden; in mijlen eigenlijk niet eens zo ver verwijderd, maar in milieu zoveel te meer.
| |
Voorne
Jacob moet nog vrij jong geweest zijn toen hij naar het Noorden toog. Dit blijkt het duidelijkst uit het feit dat hij nog minstens dertig werkzame jaren als creatief auteur voor de boeg zou hebben, en misschien ook wel uit het gegeven dat hij pas hier zijn eigenlijke naam zou krijgen. Zou het niet voor de hand hebben gelegen dat als hij eerst op rijpere leeftijd in het Noorden was beland, hij van meet af aan getooid was geweest, en ook gebleven, met hetzij een Vlaamse familienaam, hetzij een toenaam als ‘van Brugge’, ‘de Vlaming’ of iets dergelijks? Maar niets van dit alles blijkt, hetgeen het eens te meer aantrekkelijk maakt om aan te nemen dat het een jong auteur was die zich in Alexanders geesten als Jacob presenteerde, om daarna als Jacob van Maerlant gekend en bekend te worden.
Dit Maerlant moet dus toch wel op Voorne worden gelokaliseerd, wat Noterdaeme en - met minder weerklank - E. Cramer-Peeters ook aan alternatieven in het geding hebben gebracht.40 Een natte streek, in deze jaren, zijn etymologie uit marilant getrouw.41 Het eiland Oost-
| | | |
Voorne,
waar Maerlant lag, bestond in het midden van de dertiende eeuw voor het grootste deel uit gorzen: bedijkte stukken land, hoofdzakelijk benut voor schapenteelt. De bevolking was voornamelijk geconcentreerd in een aantal polders langs de Maas, en had als hoofdmiddelen van bestaan de schapenteelt en visvangst, en daarmee samenhangend scheepstransport. Maar zo vlak en nat en leeg als deze polders mochten zijn, hun heren vielen niet te onderschatten.42 Ze stamden uit een zeer illuster geslacht, dat wellicht vermaagschapt was aan het Hollandse gravenhuis. In elk geval beschikten zij over rechten die voor het overige aan die graven waren voorbehouden, zoals het recht om zelf de doodstraf uit te spreken en zelf tot krijgsdienst op te roepen. Vanaf de dertiende eeuw oefenen zij namens de graaf het burggraafschap over heel Zeeland uit, waarmee zij in die streken de machtigste heren zijn na deze graaf, en tevens diens meest aanzienlijke leenman. In de huidige gemeente Oostvoorne bewoonden zij een machtige burcht, waarvan donjon en wenteltoren zich ver verhieven boven alles in de wijde omtrek.43
Luttele mijlen ten oosten van de Voornse burcht lag in de polder Groot-Oosterland de landbouwgrond die als Maerlant werd aangeduid, en die tot in de eerste helft van de dertiende eeuw van de Voornes in leen gehouden werd door heren van Maerlant. Toen laatstgenoemd geslacht, nog vóór 1250, kwam uit te sterven, verviel het leen, en daarmee ook het hofcomplex dat de heren van Maerlant bewoonden, terug aan de Voornes, die van toen af aan - totdat zij zelf een eeuw later zouden uitsterven, en alles terugviel aan de toenmalige graaf van Holland, Albrecht van Beieren - bezitter waren van twee herenverblijven op een steenworp afstand van elkaar: de burcht Oostvoorne en het hof te Maerlant. En net zoals de burcht zijn eigen kapel had (aan Sint-Pancras toegewijd, en in 1349 tot kapittelkerk verheven), had ook het hof te Maerlant die: een kerkje dat, toepasselijk genoeg in deze vissersgemeenschap, aan Sint-Petrus was gewijd.44 Deze agrarische hof te Maerlant zou, samengesmolten met het naastgelegen dorp Den Briel, de oudste woonkern vormen van de stad-in-wording Brielle, die vorm kreeg in de tweede helft van de dertiende eeuw. Als kort na 1300 de plaats stadsrecht krijgt, wordt vlakbij de Sint-Pieter een tweede kerk gebouwd, die van Sint-Catharina, op stedelijke grond. Het ging de stad flink voor de wind; de haven lag aan de Maasmond bij uitstek gunstig voor handelsverkeer tussen het Rijnland en Engeland. De heren van Voorne deden zoveel mogelijk om deze handel te bevorderen: ze plaatsten vuurbakens voor de schepen, gaven vrijgeleide en bemiddelden bij geschillen. Wat goed was voor de haven, was goed voor Voorne.
| | | |
De leefgemeenschap rond de dorpen Briel en Maerlant bevond zich juist op de drempel van deze ontwikkeling toen, niet lang voor 1260, een jonge Vlaming Jacob zich daar moet hebben gevestigd als koster van de Sint-Pieterskerk - tenzij natuurlijk Noterdaeme toch gelijk had, dan wel niet met zijn lokalisering van (het) Maerlant, noch met zijn identificatie van de persoon in kwestie, maar wel met het door hem gerevitaliseerde idee dat de coster niet een functie, maar een familie zou aanduiden. Ook nu de kern van Noterdaemes Maerlantvisie als onjuist kan worden aangemerkt - het toponiem ‘Maerlant’ houdt wel degelijk verband met Voorne - is het methodisch nog niet uitgesloten dat de dichter met de coster toch wel degelijk zijn (Vlaamse) familienaam verwoordde op die éne plaats (hieronder geciteerd) waarop de hele kwestie rust.
Nog onlangs heeft Gysseling beide alternatieven (van functie- én familienaam) voor mogelijk gehouden,45 maar het is toch zeer de vraag of ze als zodanig gelijkwaardig zijn. Historisch zijn ze geen van beide uit te sluiten, maar mag de mogelijkheid van de familienaam toch zeker de minst waarschijnlijke worden genoemd. De ontwikkeling van appellativa (dat wil zeggen persoonsgebonden roep- en bijnamen) naar erfelijke familienamen zet juist in de dertiende eeuw in. Weliswaar zouden wij in Jacob de Coster een vroeg geval ontmoeten, doch onmogelijk is dit niet, zeker niet waar het een landsman betreft uit het relatief dichtbevolkte Brugs Ambacht.46 In het Voorne van die tijd liggen de kaarten echter zonder twijfel anders, en het is de vraag of alleen al dit niet zo zwaar zou moeten wegen dat de schaal toch naar de andere kant - die van de functieaanduiding - zou behoren door te slaan.47 Per slot is het op Voorne dat Jacob zich op deze wijze presenteert, als hij in vs. 37 van de proloog van zijn Historie van den Grale, omstreeks 1261 opgedragen aan heer Albrecht van Voorne, zichzelf jacob de coster van merlant noemt. Zou het middelste deel van deze woordgroep zijn Vlaamse familienaam behelzen, dan gold het hier zo goed als zeker een familie die op Oostvoorne verder onbekend was; en als de jonge dichter toch zo sterk aan deze familienaam gehecht was, valt slecht in te zien waarom hij haar slechts hier gebruikt, en niet tevoren in zijn Alexanders geesten, noch nadien in enig werk, ook later (terug) in Damme niet.
Zulke problemen rijzen niet wanneer wij het erop houden dat coster Jacobs Voornse functie was ten tijde van de Graal-Merlijn. In de eerste plaats past een dergelijke naamstijl veel beter bij de toenmalige gebruiken in de regio. Verder staat sinds het meest recente onderzoek naar dertiende-eeuwse Voornse geschiedenis (zie noot 44) wel vast dat er toentertijd in Maerlant een parochiekerkje stond, en dus ook een
| | | |
kostersfunctie te vervullen was. Bovendien is het in deze interpretatie allesbehalve zinloos dat Jacob zich als de koster van Maerlant specificeert, zeker tegenover Albrecht van Voorne: de dichter beklemtoont hiermee dat hij natuurlijk niet de koster is van de Sint-Pancraskapel op 's heren burcht, maar van het kerkje te Maerlant, dat evenzeer onder diens patronaat stond sinds het leen aan Voorne was teruggevallen. En misschien identificeerde hij zich, anderzijds, in deze tekst juist nog als de koster van Maerlant om, zeker tegenover hun voormalige leenheer, zelfs niet een schijn van indruk te wekken dat hij zich als nazaat van het (eerst vrij onlangs uitgestorven) geslacht der heren van Maerlant zou menen te mogen presenteren. Naarmate deze heren meer in vergetelheid raakten en omgekeerd Jacob als dichter bekender werd, kon makkelijker met Jacob van Maerlant worden volstaan - volgens het beproefde gebruik om een persoon te identificeren naar zijn plaats van herkomst of verblijf, en dit temeer daar het kostersambt (zo hij dit al is blijven uitoefenen) er ook weer niet de functie naar was om als Jacob de koster, tot in het zuiden toe, door het leven te blijven gaan.
De grote dichter was dus hoogstwaarschijnlijk tevens koster. Van de inhoud van dit ambt moeten we ons enerzijds niet te weinig voorstellen, maar anderzijds ook zeker niet te veel.48 Het kosterschap was in de middeleeuwen vaak meeromvattend dan tegenwoordig. Het behelsde in de eerste plaats de zorg in de ruimste zin des woords voor kerkgebouw en inventaris. En soms ook zorg voor de gelovigen, waarmee de functie priesterlijke kanten krijgt, en mede daarom vaak op het lijf geschreven lijkt van geestelijken met lagere wijdingen. Dat wij Maerlant voor een dergelijke klerk kunnen aanzien, werd hierboven reeds geconcludeerd, en wat dat betreft was hij als koster van Maerlant zeker op zijn plaats. Maar niet de geringste aantrekkelijkheid van Maerlant voor deze functie (en omgekeerd) moet toch geweest zijn dat zij hem de tijd en ruimte bood voor overige bezigheden, dichten voorop. Sommigen hebben het kostersambt te hoog geacht voor de jonge Maerlant, anderen juist weer te min; maar welbeschouwd was het vermoedelijk juist aan de maat, en vormde het kostersambt, waar dichter als zodanig nog lang geen beroep was, een ideale ‘uitgangspositie’ voor een leven in de letteren.49
En misschien wel niet alleen de schóne letteren. Maerlants kracht was immers dat hij litteratus was; van daaruit lag het meer dan voor de hand om hem bij gelegenheid ook in te schakelen voor ambtelijk schrijfwerk. De heren van Voorne beschikten in het midden van de dertiende eeuw stellig nog niet over een vaste kanselarij, alleen al niet omdat de verschriftelijking van hun bestuur nog niet zover was voort- | | | | geschreden
dat er voor een dergelijke instelling voldoende werk aan de winkel was. De bewaarde ambtelijke stukken uit het Voornse (in Latijn en, veel minder en later, Middelnederlands) zijn vóór 1300 op de vingers van enkele handen te tellen, en voor de periode 1250-1280 slechts zeventien in getal; en ook al zal er stellig het nodige verloren zijn gegaan - voor de genoemde periode beredeneert Kort het verlies van een negental stukken - het kan worden uitgesloten dat de verlies-factor voor de jaren 1250-1280 zo hoog zou zijn dat we achter deze zeventien bewaarde (waarvan één in het Middelnederlands) vele honderden verloren stukken zouden moeten aannemen.50 Het was kortom slechts tamelijk incidenteel dat de Voornse heren in de dertiende eeuw behoefte hebben gehad aan secretariële ondersteuning; in voorkomende gevallen zal hiervoor een beroep gedaan zijn op geletterde geestelijken in hun omgeving. En waar die in deze jaren zeker niet dik gezaaid zullen zijn geweest - al zal Jacob niet de enige geweest zijn in de drie parochies die het toenmalige decanaat Voorne telde - ligt het meer dan in de rede om aan te nemen dat zij bij gelegenheid hiervoor de koster zullen hebben ingeschakeld van de kerk die te Maerlant onder hun patronaat stond, wiens benoeming zij de facto zullen hebben geregeld en die ook letterkundig werk voor hen schreef. Zeker als deze koster te Sint-Donaas geschoold was - opleidingscentrum voor de Vlaamse kanselarij - zal hij voor ambtelijk schrijfwerk in Latijn (en misschien ook wel eens Diets of Frans) zijn hand niet hebben omgedraaid: misschien nog wel meer dan het formele boekschrift zal hij het cursieve kanselarijschrift in zijn vingers hebben gehad. In deze lijn doorredenerend, wordt het een opwindende gedachte dat zich onder de bewaarde Voornse bescheiden stukken zouden kunnen bevinden die door Maerlants hand tot stand gekomen zijn. Dit zal echter wel altijd een geheim moeten blijven, aangezien, in dit geval en elders, de stukken niets prijsgeven omtrent de identiteit van hun scribenten, en bovendien de qua datering meest in aanmerking komende stukken steeds slechts in latere afschriften bewaard zijn. Toch blijft het een boeiend idee dat, bijvoorbeeld, een of meer van de vier bekende (Latijnse) stukken die Albrecht van Voorne tussen 1261 en 1265 uitvaardigde, oorspronkelijk door Jacob de koster van Maerlant kunnen zijn geboekstaafd.
Maar behalve die van ambtelijk scribent, is er nog een tweede belangrijke sfeer waarin de koster van Maerlant (neven)werk kan hebben verricht: als onderwijzer. De combinatie van de functies koster en schoolmeester is vooral voor de dorpsscholen in de laatmiddeleeuwse Noordelijke Nederlanden overbekend; heel dikwijls waren beide functies in één persoon verenigd.51 Vermoedelijk hebben we hier
| | | |
te doen met een traditie die ver terugreikt; het verband tussen school en kosterij is getuige de bewijsplaatsen in het Middelnederlandsch woordenboek vanaf het midden van de veertiende eeuw tamelijk vanzelfsprekend. Bovendien wordt vanuit ambtelijke bronnen dit verband al voor de dertiende eeuw gedocumenteerd, met als meest sprekende stuk het charter waarmee graaf Floris V in april 1290 of 1291 de stad Dordrecht het benoemingsrecht verleent voor het onderwijs binnen haar muren, in welk verband het charter spreekt van die gift van der scolen te Dordrecht ende van der costerien aldaer.52 Dat het recht tot eigen schoolmeesterskeuze, waar het hier duidelijk vooral om gaat, in één adem wordt genoemd met de aanstelling van de koster, moet wel zijn verklaring vinden in het feit dat benoeming van de een die van de ander impliceerde.
Met Floris V, Dordrecht en 1290 komen we al heel dicht in de buurt van het Voorne van diens machtigste leenman omstreeks 1260, al moet gezegd dat daar natuurlijk geen stad van het formaat van Dordrecht lag. Een gegeven uit archiefstukken van de burcht op Oostvoorne spreekt in dit verband wel bijzonder tot de verbeelding: herhaaldelijk spreekt men daar over het onderhoud van tscoelhuys van der capelle.53 Klaarblijkelijk was aan de hofkapel een school verbonden! Jammer genoeg gaan deze vermeldingen niet verder terug dan 1516, en hebben we voor eerdere eeuwen te kampen met een totaal gebrek aan relevante bronnen, waardoor elke gedachte omtrent de voorgeschiedenis van deze school speculatief moet blijven.54 We mogen aannemen dat het hier een dorpsschool gold sedert in 1436 heer Frank van Borselen zijn residentie van Oostvoorne naar Brielle had verplaatst; indien het schoolgebouw al eerder dienst deed, dan lijkt het aannemelijk dat het ook kinderen uit Voornse hofkringen herbergde. Werd de school officieel gesticht toen vrouwe Machteld van Voorne - de laatste stamhouder - in 1349 de hofkapel van Sint-Pancras tot kapittelkerk verhief? En mogen we voor onderwijsactiviteiten op de burcht nog verder teruggaan? Per slot moest de kinderen ook daarvóór het een en ander worden bijgebracht... Zeker is in elk geval dat naarmate we verder teruggaan in de tijd, het onderricht temeer een aangelegenheid geweest zal zijn van geestelijken: wellicht de kapelaan van Voorne en/of andere priesters uit de streek - maar men zou de jeugd toch wel een slechte dienst bewezen hebben indien men voor het onderwijs niet ook de koster van het nevenhof te Maerlant zou hebben ingeschakeld: niet alleen omdat lesgeven nu eenmaal op de weg van kosters lag, maar ook en vooral omdat die koster in dit geval Jacob van Maerlant was. Te bewijzen is het volstrekt niet, maar daarom nog niet uitgesloten; en men kan zich zelfs afvragen of Maerlants didactische dichtwerk
| | | |
mogelijk niet in indirect verband met een daadwerkelijk schoolmeesterschap zou kunnen staan.55
Doch dit is slechts een voorzet voor verder onderzoek in Maerlants werken; voorlopig houden wij ons beter bij zijn biografie. Hij was op Voorne dus de jure koster, en de facto vooral: schrijver. Want voor de dichter Jacob waren het zeer produktieve jaren daar te Maerlant, waar misschien al Alexanders geesten, en zeker Graal-Merlijn, Torec, en de Historie van Troyen tot stand kwamen; vermoedelijk ook Wapene Martijn, de Lapidarijs en Somniarijs, mogelijk de Heimelijkheid der heimelijkheden en wellicht zelfs nog de Rijmbijbel - en dat alles in een tijdsbestek van om en nabij tien jaar. Wat dat betreft lijkt de culturele ‘verbanning’ uit het grootse Zuiden naar het boerse Noorden Jacobs creativiteit allesbehalve te hebben gehinderd, en wordt het bijna weer verbazingwekkend dat hij na verloop van tijd dit Voorne toch weer heeft verruild voor Vlaanderen.
| |
Damme
Verschillende details in Maerlants latere werk duiden erop dat het tot stand gekomen is in de geboortestreek die Jacob omstreeks 1260 had verlaten, en waarheen hij circa tien jaar later teruggekeerd zou moeten zijn. Een scharnierfunctie komt in dit opzicht Der naturen bloeme toe, wellicht het eerste werk dat Maerlant na zijn terugkeer in het Zuiden schreef. Zelf zegt hij in de eerste verzen van dit biologieboek dat hij het dichtte omme te sendene tere gifte; de geadresseerde van deze cadeauzending was de edelman Nicolaes van Cats, heer op Noord-Beveland. Het sendene duidt erop dat in dit geval auteur en eerste lezer op ruime afstand woonden, en zou dus als aanwijzing kunnen gelden voor Maerlants toenmalige repatriëring; doch strikt genomen is de zeggingskracht hiervan gering, omdat men het ook op de afstand tussen Voorne en Noord-Beveland zou kunnen betrekken. Ook andere gegevens in Der naturen bloeme die ter illustratie van Maerlants terugkeer naar het Zuiden vaak worden gereleveerd, blijken bij nader toezien minder bewijskrachtig. Dat Maerlants kennelijke vertrouwdheid met het Vlaamse dialect - waarvoor de plaatsen spreken waar hij van bepaalde dieren behalve de algemeen-Dietse ook de Vlaams-regionale naam vermeldt - geen werkelijk argument is voor een feitelijk verblijf van deze Vlaamse dichter in zijn land van herkomst, heeft Leendertz reeds uiteengezet.56 Van meer betekenis lijken wat dat betreft de enkele plaatsen waar Maerlant zulke dialectspecificaties introduceert met hier in Vlaenderlant; maar ook hier is het niet alles goud wat blinkt. De in dit verband
| | | |
veelvuldig geciteerde lewe/liebaert-plaats verliest bijvoorbeeld duidelijk aan aantrekkelijkheid wanneer we zien dat het oudste handschrift ter bestemder plaatse niet (zoals de standaardeditie-Verwijs) leest: (liebaert) heetmene hier int lant, doch veel minder sprekend: es hi in Dietsch becant.57
Uiteindelijk moet de Vlaamse ontstaansbodem van Der naturen bloeme vooral worden afgelezen aan één tekstdetail. In boek V zet Maerlant uiteen dat wat in het Latijn lepus marinus heet, niet dezelfde (giftige) vis kan zijn die wi hier zeehase noemen, hetgeen even verderop wordt geëxpliciteerd als hier in Vlanderlant.58 Dit lijkt toch wel een tamelijk ondubbelzinnige aanwijzing dat Maerlant Der naturen bloeme in het Zuiden schreef, ten behoeve van een opdrachtgever op Noord-Beveland. Iets vergelijkbaars kan men veronderstellen voor zijn laatste grote werk, de Spiegel historiael, geschreven voor de Hollandse graaf Floris V; alleen al de wijze waarop Maerlant hier naar zijn eigen Historie van Troyen terugverwijst als dat wi maecten te Maerlant wettigt het vermoeden dat hij toen hij dit schreef niet meer op Voorne verbleef.59 En ook Sinte Franciscus leven, door Maximilianus gedateerd tussen 1276-1282 en geschreven op bestelling van de Utrechtse minderbroeders, heeft de toon van de auteur-op-afstand, met als meest sprekende passage de hierboven geciteerde apologie van Maerlants Vlamingschap.60
Al is dus het bewijsmateriaal bepaald niet imposant te noemen, er pleit toch juist genoeg voor het idee dat Maerlants latere werken in het Zuiden zijn berijmd. De traditie concretiseert deze Vlaamse werk-omgeving tot de stad Damme; iets waarop welgeteld, alweer, één plaats in Maerlants werken wijst: waar in de (voor het overige niet exact dateerbare) Tweede Martijn de ene gesprekspartner tot de ander zegt: Jacob, du woens in den dam, ende ic tutrecht; dies ben ic gram dat wi dus sijn versceden.61 Ook al mag men niet vergeten dat (a) we hier te doen hebben met een fictieve, of tenminste literaire dialoog, en dat wat dat betreft de gesprekspartners minstens zoveel in een rol optreden als dat ze historische personen zouden zijn, en (b) er meer plaatsen in de middeleeuwse Lage Landen zijn die als den dam konden worden aangeduid,62 het heeft toch zijn bekoring om aan te nemen dat deze woorden refereren aan een inmiddels uit het Noorden naar Damme verhuisde Jacob van Maerlant. Een dergelijke interpretatie kan immers met ‘circumstantial evidence’ worden geschraagd: de latere legendevorming die Maerlant sterk met Damme verbindt en die aanstonds zal worden besproken, en bovendien het feit dat Maerlants onvoltooid gebleven Spiegel historiael vrijwel onmiddellijk werd aangevuld door Filip Utenbroeke, woonachtig in het Broek van Damme, en telg uit
| | | |
een voornaam geslacht dat in die jaren onder meer een schepen van die stad leverde.63
Hiermee komen wij op de functie die Maerlant volgens vrijwel alle hand- en schoolboeken te Damme zou hebben uitgeoefend: die van schepenklerk. Hoe vreemd het ook moge klinken: het op zich tamelijk obscure gegeven van Utenbroekes afkomst zou hiervoor wel eens het ‘sterkste’ argument kunnen zijn. In elk geval is nog nergens in Maerlants latere werken ook maar de kleinste zinspeling op een dienstverband als stadsklerk aangewezen; aan de wortel van heel dit wijdvertakte idee ligt (behalve de algemene overweging dat menigeen zich Maerlant zo goed in stadsdienst zou kunnen voorstellen) de vermelding van Sanderus, die in 1624 Jacob van Maerlant scriba Dammensis noemde.64 Het gegeven is alleen al om zijn datering enigszins apocrief, en het feit dat Sanderus zich voor zijn kennis vermoedelijk baseerde op andermans interpretatie van een balksleutel in het Damse stadhuis - met de vermeende afbeelding van Maerlant - die pas in 1466 werd gehouwen en waarvan het bovendien de vraag is of deze niet veeleer een oudtestamentische figuur moet voorstellen, maakt het er allemaal niet beter op.65
Als Maerlant inderdaad stadsklerk van Damme is geweest, dan kan het haast niet anders of er zijn stukken bewaard waarin hij - en wie weet hoe letterlijk - de hand gehad heeft. Het betreft in dat geval stukken in het Middelnederlands; want voorzover bekend, maakte heel de lokaal-stedelijke bureaucratie in deze jaren van het Diets gebruik. De oorkonden in het Corpus-Gysseling uit Damme zijn voor de in aanmerking komende periode (ruim genomen: 1260-1300) tien in getal; een zevental hiervan is van dezelfde hand, gedagtekend in de jaren 1289-1299, en daarmee toch wel erg laat om nog bij Maerlant thuis te kunnen horen. Resteren de drie vroegste; maar ook die dateren pas van 1280 (nr. 316: een klacht van het gemeen over machtsmisbruik der schepenen; wel echt een onderwerp voor Maerlant, maar minder voor de schepenklerk...) en 1286 (het tweeluik nr. 681-682). Hiernaar te oordelen, lijkt het ambt van schepenklerk te Damme in deze jaren weinig om het lijf te hebben gehad, en mag het zelfs de vraag heten of de stad eigenlijk wel een eigen klerk had.
Nu kon een Vlaamse stadsklerk in de middeleeuwen heus wel meer dan enkel dit soort stukken schrijven. Uit onderzoek is juist gebleken dat het hier gaat om een zeer veelzijdig type ambtenaar, inzetbaar voor de meest verscheiden taken die maar scholing konden vereisen, en variërend van onderwijsgeven - waaromtrent te Damme in de genoemde periode niets bekend is - tot diplomatieke diensten, en met een zwaartepunt in de juridische sfeer van, in moderne termen, de beleids- | | | | voorbereiding
en -uitvoering.66 Dat dergelijke taken zich aan de oudere Maerlant lieten toevertrouwen, mag men gevoeglijk aannemen; want ofschoon geen universitair gevormd jurist, lijkt hij in zijn dichtwerk voldoende vertrouwd en begaan met zulke zaken om ons hem in dergelijk verband te kunnen voorstellen.67 Het verschil ten opzichte van zijn mogelijke Voornse nevenwerkzaamheden zou daarmee trouwens hoogstens gradueel zijn; want als hij in het Noorden inderdaad administratief (schrijf)werk heeft verricht, zal ook dit stellig vaak juridisch van karakter zijn geweest. Wat dat betreft pleit er weinig tegen om in Maerlant een griffier-achtige scriba te zien.
Maar in feite is ook niet zozeer voor twijfel vatbaar of Maerlant wel scriba zal zijn geweest, als wel hoe we Sanderus' Dammensis willen verstaan: ‘van Damme’ in de zin van ‘in dienst bij de stad Damme’ of gewoon ‘uit Damme’? Het laatste lijkt minstens zo waarschijnlijk als het eerste: want de repatriëring van Maerlant naar Vlaanderen is één ding, de overgang van koster op een herenhof naar stadsdienst een heel ander. Welbeschouwd is er minstens zoveel reden om te veronderstellen dat Maerlant te Damme niet in de eerste plaats in dienst stond van de stad, maar werkzaam was in het bedrijf dat in deze jaren heel die stad beheerste: de haven, en misschien wel meer speciaal de tol.68 Deze laatste viel onder bezit van de Vlaamse graaf, die haar pas in de vijftiende eeuw aan de stad zelf zou verpachten, en voordien bepaalde inkomsten uit deze goudmijn - de haven van Damme maakte rond 1250 een absolute glorietijd door - aan edelen in leen had doorgegeven, waaronder ook aan de heren van Cats en de echtgenote van Albrecht van Voorne!69
Ligt het niet erg in de rede om Maerlants werk te Damme hiermee in verband te willen zien? Het zou zoal niet helpen ‘verklaren’ (vergelijk de volgende paragraaf), dan toch beter begrijpelijk maken wat hem vanuit Zeeland weer naar Damme dreef, en tevens verantwoorden hoe hij vandaar uit toch contact bleef onderhouden met de Hollands-Zeeuwse aristocratie. In dat geval zou Maerlant te Damme dus niet primair een rol hebben vervuld als stadssecretaris, maar ingeschakeld zijn geweest in het corps van tollenaars, ontvangers en andere ambtenaren dat het reilen en zeilen van de toenmalige wereldhaven Damme hielp bestieren. Een dergelijke hypothese construeert in elk geval een veel rechtlijniger band tussen zijn noordelijke en zuidelijke leven (maar toegegeven: wie zegt dat Maerlants leven rechtlijnig moet zijn geweest?).70 Wat wel aanleiding geeft om Maerlants biografie geen al te radicale wending te laten nemen, is het gegeven dat zijn connecties met noordelijke opdrachtgevers bleven bestaan.
| | | |
Alles bijeengenomen is het latere verblijf van Jacob van Maerlant te Damme met niet minder vraagtekens omgeven dan het eerdere te Voorne, maar is er juist voldoende houvast om hem toch met enig vertrouwen de twee laatste decennia van zijn werkzame leven in deze Vlaamse stad te laten doorbrengen. Wij worden daarin gesterkt doordat men op zijn minst vanaf de vijftiende eeuw niet anders doet. Van dan af weet een reeks getuigen, deels onder invloed van elkaar maar deels ook onafhankelijk, te melden dat de grote dichter Maerlant te Damme ligt begraven; sommigen kennen zelfs de precieze plaats (onder de klokketoren van de Onze Lieve Vrouwe) en/of citeren het Latijnse (!) grafschrift.71 Omdat van dit graf geen feitelijk spoor meer over is, moeten wij het zien te doen met berichten uit de eeuwen tussen ons en Maerlant, en met de vaak indirecte getuigenissen van niet altijd even geloofwaardige personen die elkaar dan ook nog eens op onderdelen tegenspreken. We stuiten hier op een van de feiten losgezongen plaatselijke overlevering, die ook al met zich mee kon brengen dat hetzelfde graf door anderen voor dat van Tijl Ulenspiegel kon worden versleten. Al met al zijn graf en grafschrift (die in hun beschreven uitvoering ook bepaald meer een laat-vijftiende-eeuwse dan dertiende-eeuwse indruk maken, en dus in het gunstigste geval gerenoveerd lijken) meer dan apocrief genoeg om te begrijpen dat Van Mierlo de hele toestand naar het rijk der fabelen verwees.
Toch kan men zich afvragen of hier niet ook iets geldt van het bekende spreekwoord over rook en vuur. Per slot is het ook geen echt bevredigend idee dat in de vijftiende eeuw opeens zou zijn verzonnen dat Maerlant te Damme zou zijn begraven. Weliswaar moet er, misschien al vrij kort na zijn dood, allerlei mythevorming rond zijn persoon ontstaan zijn; maar nergens anders dan te Damme lokaliseert men zijn laatste rustplaats, en dit tot in de - vergelijkenderwijs opmerkelijk vroege - noordelijke bronnen toe. En omgekeerd moet Maerlant, toen hij - getuige zijn bewaarde werk, het grafschrift en daarmee verbonden beeldvorming - tussen 1291 en 1300 stierf, een ‘bekende Groot-Nederlander’ zijn geweest, van wie het slecht voorstelbaar is dat hij geheel in stilte ten grave zou zijn gedragen - waarna zijn graf pas anderhalve eeuw nadien, en dan toevallig wel te Damme, gemystificeerd zou zijn. Stellig heeft er rond dit graf en grafschrift veel mythevorming plaatsgehad, waarin zo te zien vanaf de vijftiende eeuw de rederijkers, de herauten en bevlogen regionaalhistorici een werkzaam aandeel hebben gehad; maar waar anderzijds Damme als laatste woonplaats van de dichter betere papieren heeft dan welke gemeente ook, is het toch denkbaar dat zij zich hiervoor konden baseren op lokale overlevering die een kern van waarheid bevatte en
| | | |
die, via inmiddels onnaspeurlijke weg, wel degelijk terugging tot de late dertiende eeuw. Zodat heel deze barokke legendevorming misschien toch ook een laatste aanwijzing bevat dat Jacob van Maerlant wel degelijk iets met de stad Damme uitstaande had, en dat niet slechts het omgekeerde waar is.
| |
Factoren
Met het voorafgaande is de lijn van Maerlants leven van de wieg tot aan het graf geschetst. En ook al valt die lijn globaal dan wel te (re)construeren, op sommige punten moet toch met een stippellijn worden volstaan, of zelfs met minder. Heel raadselachtig blijft bijvoorbeeld - nomen est omen - de Heimelijkheid der heimelijkheden: van dit werk zijn de zo vaak als vanzelfsprekend vermelde autorisatie (Maerlant), datering (circa 1266) en bestemmeling (Floris V) in opklimmende lijn onzeker.72 Zeer problematisch is ook de ontstaansvolgorde van Rijmbijbel en Der naturen bloeme, en cruciale kwesties die daarmee onmiddellijk samenhangen: de lokalisering (Noord of Zuid?) van het eerstgenoemde werk en de datering van het tweede, en in verband met dit laatste ook de jaren van Maerlants terugkeer naar het Zuiden.73 Wellicht kan gericht onderzoek op deze punten nog eens klaarheid brengen. Minder hoopvol hoeven we wat dat betreft gestemd te zijn ten aanzien van het duistere begin en dito einde van Maerlants leven. Diens geboortejaar zal wel nooit preciezer te bepalen zijn dan tussen 1220 en 1240, en de omgeving waar zijn wieg stond zal wel even schimmig blijven als die waar in het laatste decennium der dertiende eeuw zijn graf zou komen te liggen. Vooral dit laatste is opmerkelijk, omdat, stellig geheel anders dan bij Jacobs geboorte, bij zijn overlijden algemeen bekend moet zijn geweest dat het hier een zeer bijzondere man betrof, en men wat dat betreft misschien wat meer directe getuigenissen omtrent zijn laatste levensjaren zou verwachten.
Op het eerste gezicht verbaast het trouwens in het algemeen dat we van de grote dichter Jacob van Maerlant niet de geringste vermelding tegenkomen in externe bronnen uit zijn eigen tijd. Is het niet vreemd dat de reconstructie - of wat daarvoor moet doorgaan - van zijn biografie zozeer afhankelijk is van Maerlants eigen werk, en dus van zijn, volop retorische en gestileerde, zelfpresentatie? Misschien toch niet. De tijden van, bijvoorbeeld, de Hollands-Beierse administratie, waarin we letterkundigen in de ambtelijke boekhouding kunnen traceren, zijn nog een eeuw weg; en voorzover de heren in wier dienst Maerlant zich begaf al rekeningen bijhielden, is daarvan niets bewaard
| | | |
gebleven. Grosso modo zijn het slechts hun oorkonden die ons zijn overgeleverd, waarin zij afspraken bezegelen over de gewichtigste zaken van hun rechtspraak en bestuur. Niet het soort bronnen waarin men snel een dichter zal ontmoeten, en evenmin de koster, onderwijzer, klerk of anderszins uitvoerende ambtenaar die Maerlant mogelijk ook was. De verschriftelijking in deze kringen was eenvoudig nog niet zover voortgeschreden dat elke markante figuur wel ergens sporen naliet; laat staan dat ze voor ons tegenwicht zou kunnen bieden voor het bronnenverlies dat latere eeuwen onvermijdelijk ook nog eens zouden aanrichten. Intussen is beginnende verschriftelijking wel een van de vermoedelijke factoren die het fenomeen dat Maerlant was ‘bevorderd’ hebben - waarover aanstonds. Maar in elk geval zullen we vrede moeten hebben met het feit dat wij voor eigentijdse informatie over Jacob van Maerlant aangewezen zijn op 's dichters eigen werk.
Een onzekerheid van andere orde, maar minstens zo moeilijk te aanvaarden, is dat het vrijwel ondoenlijk is achter de uiterlijke gang van Maerlants levensloop de drijfveren te zien. In het gunstigste geval kan men het ietwat grillige verloop van Maerlants leven beschrijven; dit verloop verklaard heeft men daarmee nog niet. Niet dat zich geen verklarende factoren laten vermoeden; maar het ontbreekt ons aan de mogelijkheden om zulke vermoedens te toetsen, en tegen elkaar af te wegen. Zo kunnen voor Maerlants terugkeer vanuit Voorne naar het Zuiden heel diverse motieven worden verondersteld, zowel van binnen- als buiten-literaire aard. Hierboven werd de mogelijkheid genoemd dat Maerlant ‘voor zaken’ naar het Zuiden ging, in het kader van een dienstverband bij een of andere Zeeuwse heer (Voorne, Cats) met belangen in het tol- of havenbedrijf aldaar. Maar stellen we Maerlants werk als letterkundige centraal, dan is er geen overdreven verbeelding voor nodig om te vermoeden dat ook uit dien hoofde zijn repatriëring opportuun kan zijn geweest. De infrastructuur voor Maerlants intensieve bronnenstudie was immers in het Zuiden zoveel beter dan op het eiland Voorne: terwijl hij op het Zeeuwse eiland in dit opzicht met zijn wensen zal hebben moeten woekeren, werkte hij in het Brugs Ambacht in het boekencentrum-bij-uitstek van de toenmalige Lage Landen.74
Maar het is vooral de eerdere overgang van Zuid naar Noord die ons verlegen maakt om een verklaring. Hoe kwam de jonge Jacob ertoe zijn rijke Vlaamse moederland te verlaten voor het lege Hollands-Zeeuwse land? Vooropgesteld zij dat elke verklaring hier tekort zal schieten, ook als men ze in combinatie te hulp roept. Bij gebrek aan specifieke aanwijzingen kan men immers niet meer doen dan wijzen
| | | |
op een aantal uiterst algemene factoren en omstandigheden die, en dan ook nog bij een zeer generaliserende beschouwingswijze, wellicht van invloed kunnen zijn geweest. De brug tussen deze algemene, ‘structurele’ voorstelling-van-zaken en Maerlants individuele geval kan echter hoogstens hypothetisch worden geconstrueerd; ook missen we elk zicht op de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen, Maerlant voorop, die wellicht van doorslaggevend en misschien zelfs primair belang geweest zijn bij zijn komst naar Voorne. Wat dat betreft mag een nog nimmer serieus genomen hypothese van Delfos een teken aan de wand zijn: want ofschoon wel te begrijpen valt dat diens idee als zou de jonge dichter na de slag bij Westcapelle (1256) als Vlaams krijgsgevangene in Hollands-Zeeuwse dienst beland zijn, niet onmiddellijk een doorbraak in de Maerlantstudie heeft teweeg gebracht, is zo'n buitennissige veronderstelling als verklaring misschien wel gratuiter, maar daarom nog niet per se onmogelijker dan ettelijke andere, de hier volgende incluis.75 Zelfs de meest doorwrochte verklaringen blijven als hypothese voor dit ene, en mogelijk ook zeer bijzondere geval, goeddeels slagen in de lucht.
Maar dit wil niet zeggen dat het fenomeen van Maerlant-op-Voorne op geen enkele wijze te begrijpen valt; integendeel, een aantal omstandigheden heeft zijn komst vermoedelijk in de kaart gespeeld. Nog het meeste houvast hebben wij langs de lijn die hem verbindt met de heren van Voorne en hun entourage, en dan niet zozeer de jonge Albrecht van Voorne die pas twaalf jaar oud was toen Maerlant hem (vermoedelijk in 1261) zijn Graal-Merlijn opdroeg, als wel diens vader Hendrik. Door diens toedoen moet de Vlaming Jacob begiftigd zijn geraakt met het kostersambt te Maerlant, waarvan de benoeming formeel viel onder het Utrechtse bisschoppelijke gezag, maar in de praktijk prerogatief zal zijn geweest van de lokale heren, die patroon waren van de Sint-Pieterskapel op hun hof te Maerlant.76
Maar de heren van Voorne zullen Jacob niet uit Brugge hebben laten komen omdat hij zo'n ideale koster was; anders gezegd: dat zij voor het kosterschap te Maerlant deze ‘immigrant’ aanzochten moet een bredere achtergrond hebben dan het specifieke kosterswerk. Doorslaggevend moet wel zijn geweest dat men in Jacob een man vond die grondig geschoold was; een man vooral die schrijven kon, literair en ambtelijk, en aanvankelijk wellicht meer nog het laatste dan het eerste. Dat er in de omgeving van de heren van Voorne een hofdichterschap te vergeven zou zijn geweest, zoals wel door Heeroma is verondersteld, is te modern gedacht.77 Hofdichter was vrijwel nooit een functie in de middeleeuwen; en voor Voorne is wat dat betreft ook tekenend dat nog een halve eeuw later, toen het letterkundig pad door Maerlant
| | | |
toch ruimschoots was geëffend, diens navolger Velthem aan Gerard van Voorne vraagt zijn pape te mogen worden.78 Natuurlijk is het zeker denkbaar dat Jacobs talenten als dichter voor de heren hebben meegespeeld; maar hij zal vooral aantrekkelijk zijn geweest omdat hij litteratus was in de ruimste zin des woords.
De ontluikende verschriftelijking in het Noorden is vermoedelijk een bepalende factor geweest waardoor een man als Jacob zich te Maerlant kon ontplooien. Hierboven werd zijn mogelijke directe betrokkenheid bij de Voornse ambtenarij belicht; en hoe dan ook is het opmerkenswaard dat juist in de jaren dat hij in Voorne gaat verkeren, de oorkondenproduktie van de heren (vergelijk noot 50) - ofschoon absoluut nog altijd klein - relatief een zeer sterke stijging vertoont. In dit opzicht is Voorne representatief voor de algehele situatie in het noordelijk bestuur: het is onder graaf Willem II - Roomskoning bovendien! - dat deze streken sterk verschriftelijken. Aan de getallen die in dit verband afleidbaar zijn uit de twee eerste delen van het nieuwe Oorkondenboek van Holland en Zeeland moet wegens complicerende factoren geen overdreven betekenis worden gehecht, maar ze zijn toch zonder meer indicatief. Tot 1200 tellen wij 239 oorkonden uit het Hollands-Zeeuwse, die verspreid zijn over een periode van vijf eeuwen. In de loop van de dertiende eeuw zal de produktie sterk gaan stijgen. In de jaren tussen 1200 en 1240 zien we reeds een gemiddelde van circa honderd oorkonden per decennium, met een extra stijging in de latere jaren. Maar de duidelijkste toename valt in de jaren rond 1250 waar te nemen: van 1240 tot 1250 tellen we 238 oorkonden (dus meer dan twee keer zoveel als in het decennium daarvoor), en voor de periode 1250-1256 247 stuks, een voortgezette stijging met 50%! Hoe leeg en landelijk het Noorden ook mag zijn geweest toen Maerlant er belandde, hij kreeg in elk geval te maken met een bestuur dat een sterk toenemende behoefte aan schriftelijke optekening vertoonde - en het ligt wel uiterst voor de hand om tussen Jacobs komst en deze beginnende bureaucratie enig verband te zien.
De oorkonden uit het Noorden zijn in deze jaren nog vrijwel alle in het Latijn gesteld, maar ook het Middelnederlands staat op het punt van doorbreken als ambtelijke taal.79 Hiervoor zijn uiteraard de cijfers van het Corpus-Gysseling illustratief, zoals ze - voor Noord én Zuid - door Goossens zijn berekend.80 Ook hier blijkt dat de grootste stijging wordt geboekt kort na het midden van de dertiende eeuw: ditmaal in het decennium 1260-1270 om precies te zijn, en dus alweer contemporain met Maerlants werkzaamheid. Natuurlijk ligt het zwaartepunt van dit proces niet in het noordelijke Voorne, waar rond die tijd zover bekend nog steeds het Latijn als oorkondentaal fungeert; maar
| | | |
het is toch significant dat volgens Gysseling de enige dertiende-eeuwse vorsten die het gebruik van de Dietse volkstaal aantoonbaar hebben bevorderd, de graven van Holland zijn geweest.81 En daarmee komen wij op een tweede facet van noordelijke verschriftelijking in Maerlants tijd: het feit dat in die jaren juist de Noordnederlandse adel het Middelnederlands als medium moet hebben gehanteerd, in tegenstelling tot de Vlaamse (en Brabantse?) aristocratie terzelfdertijd, wier cultuurtaal sterk verfranst lijkt. Op dit gebied ligt nog een belangrijk en breed onderzoeksterrein braak;82 maar voorlopig lijkt het heel wel denkbaar dat Maerlants verhuizing naar het noorden mede is bevorderd door de omstandigheid dat in die jaren juist daar de adel oren had naar Diets.
Er is dus rond het midden van de dertiende eeuw in het Noorden, misschien zelfs in het bijzonder in het Zeeuwse,83 sprake van een stijgende belangstelling voor het geschreven woord, op ambtelijk en meer literair gebied, en in Latijn en Middelnederlands. En ofschoon de ambtelijke sfeer vooral gericht is op Latijn, en de letterkundige sterk op de Middelnederlandse volkstaal, zijn deze circuits in de praktijk ten nauwste vervlochten, zeker op het niveau van de ‘producenten’: de klerken die, met Middelnederlands als moedertaal (en soms het Frans daarnaast?) geschoold waren in Latijn, en dankzij die tweetaligheid de aristocratische bestuurselite op beiderlei gebied van dienst konden zijn.84 Van deze groep lijkt (naast Melis Stoke) Maerlant een uitgesproken protagonist, vooral omdat hij zich meer dan wie ook (tevens?) literair, en dus met naam en toenaam, heeft gemanifesteerd; maar er zijn aanwijzingen dat hij zeker niet de enige zuiderling was die op deze wijze de noordelijke adel met zijn vakmanschap van dienst was. In dit opzicht is vooral de zuidelijke invloed interessant die zich in de dertiende eeuw doet gelden in de taal van Hollands grafelijke kanselarij; of die nu door ‘Überschicht’ moet worden verklaard dan wel door een daadwerkelijk dienstverband van Vlaamse scribenten aldaar, het is hoe dan ook tekenend dat het Noorden zijn verschriftelijking op de expertise van het Zuiden ent.85
Het lijkt wellicht wat vreemd en vergezocht om de ‘verklaring’ van het fenomeen Jacob van Maerlant, dichter en koster, zozeer te willen zoeken bij de ambtenarij. Maar te bedenken valt dat in de dertiende eeuw de professionalisering en specialisering van klerkenfuncties nog nauwelijks waren voortgeschreden. Zeker in een nog weinig ontwikkelde bestuurscultuur als die van het toenmalige Voorne, maar vermoedelijk ook nog wel te Damme, moeten we rekening houden met de - voor onze begrippen - wonderlijkste beroepscombinaties, afhankelijk van de lokale omstandigheden, de behoefte der bestuurderen
| | | |
en, vooral, het beschikbare arbeidspotentieel. Geformaliseerd was hier nog vrijwel niets; de toedeling van taken aan personen verliep in vrije wisselwerking tussen vraag en aanbod. Wie een degelijke scholing had genoten, was in vergelijking met de anderen van zeer veel markten thuis, en kon dus worden ingezet (en andersom gezien: zich opwerpen) voor de meest diverse taken.
Bij de beoordeling van een man als Maerlant moet men ermee rekening houden dat hij niet alleen geen voltijds dichter was, maar vermoedelijk ook niet voor de resterende tijd steeds aan één andere functie was verkleefd, laat staan steeds aan dezelfde. Het feit dat Maerlants oeuvre met duidelijk ongelijkmatige tussenpozen tot stand kwam; dat wij hem kunnen traceren in Noord en Zuid; en letterkundig werkzaam zien voor diverse opdrachtgevers, vormt een klein aantal symptomen van een levensstijl die waarschijnlijk even wendbaar als werkzaam is geweest. Het was verre van ongebruikelijk dat in zijn tijd geletterden zo'n beetje duvelstoejager waren op elk gebied van kerk en wereld dat om scholing en alfabetisme vroeg; en misschien is de discussie over Maerlants biografie wel vooral hierdoor gehinderd, dat men er onbewust van uitging dat zijn taken in moderne zin welomschreven, homogeen en afgebakend moeten zijn geweest. Dit leidde haast vanzelf tot vrij gepolariseerde meningen, waarbinnen Maerlant ofwel koster was (Te Winkel) ofwel priester (Maximilianus) ofwel klerk van ridders (Noterdaeme) dan wel stad- (de traditie) ofwel tol-administrateur (Knuttel), vagant (Ramondt),86 jurist (Delfos) of zelfs hofdichter (Heeroma) - dat hij van dit alles iets zou zijn geweest, kunnen wij ons nauwelijks indenken, laat staan dat hij ook nog eens zou hebben gefungeerd als onderwijzer en, wie weet, zelfs arts. Maar Maerlants werken kunnen documenteren dat de dichter van al deze zaken enigszins verstand had; en zijn tijd en milieu waren ernaar om die kennis aan te spreken als dat eens zo uitkwam.
Zo bezien pleit ook a priori niets tegen de al vaak herhaalde, maar nog nooit sluitend gemaakte hypothese dat Maerlant (mede) naar het Noorden zou zijn gekomen om te fungeren als gouverneur voor de piepjonge, in 1256 op anderhalfjarige leeftijd vaderloos geworden Floris V.87 Dat Jacob als koster op Voorne les zou hebben gegeven, werd hierboven al waarschijnlijk geacht; de cruciale vraag is echter of zich onder zijn leerlingen ook de toekomstige graaf van Holland (en latere opdrachtgever van de Spiegel historiael) heeft bevonden. De jaren kloppen wel: toen Maerlant circa 1261 bij Albrecht van Voorne werkte, was Floris juist ‘schoolrijp’. Ook de personen passen: Albrecht van Voorne immers, iets ouder dan graaf Floris, is juist in diens eerste regeringsjaren zijn voornaamste vertrouweling geweest,
| | | |
een rol die geleidelijk aan zou overgaan op Nicolaes van Cats - uitgerekend Maerlants andere Zeeuwse opdrachtgever!88 Het hoofd-probleem blijft echter de factor plaats: want ofschoon al vaak verondersteld is dat Floris zijn jeugd op Voorne doorbracht, kan dit allerminst als zeker gelden. In het algemeen zijn overigens de jeugdjaren van graaf Floris in nevelen gehuld; zo is nog steeds onduidelijk welke de (mogelijk grote) rol geweest is die zijn voogdes en tante Aleid van Henegouwen hierbij heeft gespeeld - dezelfde die, met haar moeder Machteld van Brabant (de grootmoeder van Floris), wel gehouden is voor de opdrachtgeefster(s) van Alexanders geesten...89
Maar hoe aanlokkelijk het ook mag zijn om hier naar combinatieredeneringen te grijpen, het is voorlopig toch nog rijkelijk speculatief - al blijft de gedachte fascineren dat tot steun en vorming van het jonge graafje dus niet alleen een beroep zou zijn gedaan op voogden uit het Zuiden, maar ook op een dichterlijke leermeester uit die gewesten. Ook dit is als globaal idee zo gek nog niet, want het zou allerminst de enige of eerste keer zijn dat het Hollands-grafelijke milieu zich heeft versterkt met Vlaamse intelligentsia. Hierboven werd reeds melding gemaakt van Vlaanderens ‘peetvaderschap’ over Hollands kanselarijstijl; maar het vroegste en in sommige opzichten meest indrukwekkende voorbeeld is in dit verband het klooster Egmond, dat nog in de tiende eeuw door de Hollandse graven werd gesticht, en bevolkt werd met monniken uit het Gentse, en steeds nauw cultureel contact met het zuidelijke moederland zou blijven onderhouden.90
Uit latere en andere sfeer stamt een mijns inziens niet minder sprekend voorbeeld: de uitstraling van de zogenaamde Scheldegotiek over de noordelijke Nederlanden.91 Deze bouwstijl, een generatie vóór Maerlant binnen het bisdom Doornik tot ontwikkeling gebracht en met als vroegste voldragen representanten onder andere de Onze Lieve Vrouwe kerken te Damme en Lissewege, verspreidde zich al in de eerste helft der dertiende eeuw over de Zeeuwse eilanden, om doelbewust te worden nagevolgd tot diep in Holland toe. Het vroegste voorbeeld daar was de kloosterkerk te Loosduinen, onder protectie van Floris IV en Machteld van Brabant gebouwd; het beroemdste zou een generatie later aan het Binnenhof worden gegrondvest, op initiatief van de Roomskoning Willem II, en vervolmaakt door diens zoon Floris V.92 Volgens Beke zou eerstgenoemde terstond na zijn kroning hebben laten onbieden verstandele wercluden om een coninclijc palays aldaer te maken; het kan haast niet anders of de Roomskoning heeft hiertoe een beroep gedaan op Vlaamse expertise. Niemand van deze Vlaamse vaklui wordt als persoon in onze bronnen vermeld; slechts hun werk
| | | |
resteert als het getuigenis dat ook hier het ambitieuze Noorden leentjebuur speelde bij het prestigieuze Zuiden.
Het is in dit verband stellig ook significant dat de Hollandse adel in deze periode huwelijksbanden met het Zuiden smeedt. In 1231 werd het huwelijk gearrangeerd tussen Hendrik van Voorne (vader van Albrecht, en zoals hierboven vermeld vermoedelijk Maerlants meest onmiddellijke lastgever) en een dochter van Arnold van Petegem-Cysoing, een van de pairs van Vlaanderen.93 Albrecht van Voorne zelf zou in het huwelijk treden met achtereenvolgens een dochter van de graaf van Loon, en met Catharina van Durbuy, uit het huis Luxemburg.94 In 1268 huwde Floris V Beatrix van Dampierre, dochter van de aanstaande Vlaamse graaf Gui, een echtverbintenis die reeds was beklonken in 1256, toen Floris nog een peuter was.95 Alleen al dergelijke arrangementen zijn symbool dat Holland toentertijd ambities koesterde om internationaal in tel te zijn; het lijkt of vooral het roomskoningschap van Willem II - hoe jammerlijk geëindigd ook - hiertoe belangrijke impulsen heeft gegeven.
Dit zijn allemaal symptomen van de nauwe betrekkingen die de heren van Voorne, de graven van Holland en hun entourage onderhielden met personen en instellingen in Vlaanderen. In het bijzonder treft daarbij ook hun innige relatie met de abdijen van De Duinen en Ter Doest. In heel de dertiende eeuw hebben deze instellingen bij de Hollandse elite een streepje voor. Ten minste vanaf Floris IV verlenen de graven, en ook hun naaste getrouwen (mogelijk zelfs familieleden) de Voornes, deze abdijen gunsten, nemen ze in hun bescherming en geven ze tolvrijdom door hun gebied.96 Wie goed doet, goed ontmoet: als wederdienst zullen de monniken niet alleen voor hun noordelijke beschermers hebben gebeden, maar waren ze bijvoorbeeld ook beschikbaar toen in 1220 Dirk van Voorne hun hulp inriep om zijn geheel ondergelopen heerlijkheid droog te maken. De Vlaamse cisterciënzers hebben hier een waar huzarenstuk verricht, zoals ze vaker een hoofdrol zouden spelen in de Zeeuwse strijd tegen het water in de dertiende eeuw; en ook ditmaal kregen zij grond als dank, in casu de Voornse polder Middellant, gelegen tussen de burcht en Maerlant, alwaar zij schapen gingen telen voor de wolexport.97
Er ligt meer land op Voorne waar in deze jaren de abdijen van De Duinen en Ter Doest om zo te zeggen vaste voet aan de grond hebben; en de Vlaamse monniken, ter zake kundig en belanghebbend tegelijkertijd, schrijven de oorkonden waarin de heren apud Hostworne kond doen van besluiten dienaangaande.98 Er liepen korte lijnen tussen de abdijen uit het Brugse en de Hollands-Zeeuwse adel in de dertiende eeuw. In vergelijking hiermee lijken de noordelijke betrekkingen met
| | | |
het kapittel van Sint-Donaas in deze periode minder nauw te zijn; maar in voorkomende gevallen weet men ook Sint-Donaas te vinden: zo wordt bij een geschil in 1249 tussen de abdijen van Middelburg en Rijnsburg de bindende arbitrage toevertrouwd aan twee kanunniken van dit kapittel, een meester Willem en een meester Jacob (!).99 Door al deze relaties moet het in de omgeving van de Hollands-Zeeuwse adel een komen en gaan geweest zijn van Vlaamse ‘experts’: Vlaamse klerken in de schrijfkamers, Vlaamse bouwers bij de kerken en kastelen, Vlaamse monniken op uithoven in de Zeeuwse polders en op schepen in de Zeeuwse wateren, Vlaamse magisters voor de arbitrage, om nog maar te zwijgen van de dienaren en dienaressen van de uit Vlaanderen aangetrouwde edelvrouwen - en dat alles juist in de decennia rondom het midden van de dertiende eeuw. Dat bij al deze contacten ook ene Jacob vanuit Vlaanderen op Voorne belandde, is daarmee op individueel niveau nog niet in strikte zin verklaard, maar wel veel meer begrijpelijk geworden, en kan in elk geval door de betrokkenen nooit als een spectaculaire buitenissigheid beleefd zijn. Natuurlijk had het zijn aparte kanten, getuige alleen al het besef van andere herkomst en dito idioom waarvan Maerlant blijk geeft (zie hierboven) in zijn Alexanders geesten en Sinte Franciscus leven - maar dit waren slechts de randverschijnselen, en voorzover ze al problemen opriepen, waren die er om de baas te worden.
Een echt probleem zou het pas eeuwen later worden - toen de moderne Europese naties vorm kregen, en deze hun identiteit trachtten te definiëren in relatie tot wat als eigen cultureel verleden werd gezien.100 In dat proces koesterde het Noorden zijn Gouden Eeuw, en Vlaanderen zijn middeleeuwen, en in het bijzonder ook zijn Maerlant, met terugwerkende kracht geproclameerd tot vaandeldrager van het Vlaamse zelfbewustzijn en kampioen in de strijd tegen de elitaire Franse geest. Zijn rijm van walsch en valsch leek voor die strijd gemaakt, zijn apologie omdat ic Vlaminc ben werd tot een strijdkreet; en tegen die achtergrond is het maar al te begrijpelijk dat men aartsvader Maerlant liefst zoveel mogelijk in eigen bodem vastgeklonken zag. En waar omgekeerd ook in het Noorden, en zeker bij lokaalhistorici van Hollands-Zeeuwse herkomst, het engagement een hoge vlucht kon nemen, kwam een klimaat tot stand waarbinnen ook verzoenende of zelfs contra-chauvinistische standpunten vrij zwakke stemmen bleven in een koor waarvan de grondtoon antithetisch was. Noord was Noord en Zuid was Zuid, en Vlaanderen en Voorne waren gescheiden werelden. Nog eens te laten zien dat dit voor Brugge en Brielle in de dertiende eeuw veel minder gold, is dan wel niet de drijfveer, maar hopelijk toch een bij-effect van dit betoog geweest; en
| | | |
in het supranationale jubeljaar 1992 mogen wij ook wat dat betreft in Jacob van Maerlant onze erflater zien, een lichtend voorbeeld voor een ieder in en om de Taalunie.
| |
[Relevante titels uit de bibliografie van de gehele bundel, pagina 311-329]
| BMGN |
Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden |
| TNTL |
Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde |
| VMVA |
Verslagen en mededelingen Vlaamse Akademie |
| Arkenbout, A.A., ‘Het hof van de heren van Voorne te Brielle in de jaren 1373-1564’, in: Holland 2 (1970), 34-45 en 53-68. |
| Arkenbout, A.A. & H. van der Graaf, ‘De kapel en het kapittel van St. Pancras op het Hof te Oostvoorne’, in: Holland 4 (1972), 240-263. |
| Arkenbout, A.A. & H. van der Graaf, ‘De burcht van Oostvoorne’, in: Holland 6 (1974), 97-126. |
| Arkenbout, A.A. & H. van der Graaf, De burcht van Oostvoorne. [Z.pl.], 1983. |
| Ballegeer, J.J., ‘[Levensbericht] J. Noterdaeme’, in: Jaarboek Maatschappij der Nederlandse letterkunde 1982-1983, 99-102. |
| Bank, J., Het roemrijk vaderland. Cultureel nationalisme in Nederland in de negentiende eeuw. 's-Gravenhage, 1990. |
| Bergh, L.Ph.C. van den (ed.), Oorkondenboek van Holland en Zeeland, Amsterdam [enz.], 1866-1873. 2 dln. |
| Berteloot, A., 1984a, Bijdrage tot een klankatlas van het dertiende-eeuwse Middelnederlands. Gent, 1984. |
| Berteloot, A., 1984b, ‘Overwegingen bij de “lieden/luden”-kaart’, in: TNTL 100 (1984), 29-45. |
| Berteloot, A., ‘De mogelijkheden voor toekomstig onderzoek op basis van het Corpus-Gysseling’, in: Jaarboek Stichting Instituut voor Nederlandse lexicologie 1988, 47-52. |
| Berteloot, A., 1990a, ‘Von der Kodexgeographie zum Literaturatlas’, in: Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik 57 (1990), 137-166. |
| Berteloot, A., 1990b, ‘Een vormleerhoofdstukje uit de Maerlant-grammatica’, in: R. Damme e.a. (red.), Franco-Saxonica. Münstersche Studien zur niederländischen und niederdeutschen Philologie. Neumünster, 1990, 15-28. |
| Berteloot, A. & E. van den Berg, ‘Taalgeografische variabelen in Middelnederlandse rijmen’ (ter perse). |
| Bethune, J., ‘Le tombeau de Jacob van Maerlant à Damme’, in: Bulletin des commissions royales d'art et d'archéologie 27 (1888), 435. |
| Biemans, J., ‘Middelnederlandse fragmenten in de stadsbibliotheek van Trier I’, in: TNTL 100 (1984), 134-147. |
| Blockmans, F., Het Gentsche stadspatriciaat tot omstreeks 1302. Antwerpen, 1938. |
| Bouwman, A.Th., ‘Na den Walschen boucken. Neerlandistiek en romanistiek’, in: Van Oostrom e.a. 1991, 45-56. |
| Bruch, H., ‘Grafschrift en sterfjaar van Jacob van Maerlant’, in: BMGN 5 (1950), 231-237. |
| Bruin, C.C. de, ‘Jacob van Maerlant: een gelovige revolutionair of een revolutionair gelovige?’, in: Idem (red.), Geloof en revolutie. Amsterdam, 1977, 51-64. |
| Classen, P., ‘Die Hohen Schulen und die Gesellschaft im 12. Jahrhundert’, in: Archiv für Kulturgeschichte 48 (1966), 155-180. |
| Coenen, J.M.A., Graaf en grafelijkheid. Een onderzoek naar de graven van Holland en hun omgeving in de dertiende eeuw. [Z.pl.], 1986. |
| Cramer, F., Geschichte der Erziehung und des Unterrichts in den Niederlanden während des Mittelalters. Aalen, 1966. |
| Cramer-Peeters, E., ‘Jacob van Maerlant’, in: Wetenschappelijke tijdingen 36 (1977), kol. 41-46. |
| Dekker, C., Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de middeleeuwen. Dl. 2. Assen, 1971. |
| Delfos, L., ‘Maerlant's “scone die mi peisen doet”‘, in: Wetenschappelijke tijdingen 15 (1955), kol. 201-210. |
| Delfos, L., 1957a, ‘Maerlant en Italië’, in: Wetenschappelijke tijdingen 17 (1957), kol. 105-116. |
| Delfos, L., 1957b, ‘De veertien laatste jaren van Maerlant's leven’, in: Wetenschappelijke tijdingen 17 (1957), kol. 1-11. |
| Derolez, A., Corpus catalogorum Belgii. Dl. 1. Brussel, 1966. |
| Devliegher, L., ‘Enkele aantekeningen over de scheldegothiek’, in: Bulletin Koninklijke Nederlandse dienst voor oudheidkundig bodemonderzoek, 6e serie, 17 (1964), kol. 171-186. |
| Dewitte, A., ‘De grafelijke Sint-Donaaskerk te Brugge als middeleeuws cultuurcentrum’, in: Studiën en berichten 68 (1971), 207-224. |
| Dewitte, A., ‘Scholen en onderwijs te Brugge gedurende de middeleeuwen’, in: Handelingen Société d' émulation 109 (1972), 145-217. |
| Dictionnaire de droit canonique. Dl. 4, Paris, 1949. |
| Duvivier, C.A., La querelle des d'Avesnes et des Dampierres. Bruxelles, 1894. |
| Franck, J. (ed.), ‘Alexanders geesten’ van Jacob van Maerlant. Leiden, [1882]. |
| Gerritsen, W.P., ‘Wat voor boeken zou Floris V gelezen hebben?’, in: Floris V. Leven, wonen en werken in Holland aan het einde van de dertiende eeuw. Den Haag, 1979, 71-86. |
| Gestel, F. van & J. Nijen Twilhaar, Over oude zinnen gesproken. Utrecht, 1990. Ongepubliceerde syllabus. |
| Gilissen, J., ‘Les légistes en Flandre aux XIIIe et XIVe siècles’, in: Handelingen Koninklijke Commissie voor de uitgave der oude wetten en verordeningen van België 15 (1947), 117-231. |
| Goossens, J., ‘De ambtelijke teksten van het Corpus-Gysseling’, in: TNTL 95 (1979), 247-261. |
| Goossens, J., 1984a, ‘“Der naturen bloeme” in het Corpus-Gysseling’, in: TNTL 100 (1984), 201-209. |
| Gumbert, J.P., The Dutch and their books in the manuscript age. London, 1990. |
| Gysseling, M., ‘De aanvang van de Middelnederlandse geschreven literatuur’, in: VMVA 1968, 132-144. |
| Gysseling, M., ‘De invoering van het Nederlands in ambtelijke bescheiden in de 13de eeuw’, in: VMVA 1971, 27-35. |
| Gysseling, M. (ed.), Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300). Reeks I (ambtelijke bescheiden) en II (literaire handschriften). 's-Gravenhage, 1977-1987. 15 dln. |
| Heeroma, K., 1973b, Maerlants ‘Torec’ als ‘sleutelroman’. Amsterdam [enz.], 1973. |
| Heeroma, K., ‘Die Dichtsituation des “Wapene Martijn”’, in: Neerlandica manuscripta. Essays presented to G.I. Lieftinck. Dl. 3. Amsterdam, 1976, 60-70. |
| Hemptinne, Th. de, W. Prevenier & M. Vandermaesen, ‘La chancellerie des comtes de Flandre (12e-14e siècle)’, in: Landesherrliche Kanzleien im Spätmittelalter. München, 1984, 433-454. |
| Hemptinne, Th. de & M. Vandermaesen, ‘De ambtenaren van de centrale administratie van het graafschap Vlaanderen van de 12e tot de 14e eeuw’, in: Tijdschrift voor geschiedenis 93 (1980), 177-209. |
| Herwaarden, J. van, ‘Graaf Floris V en het reizen in zijn dagen’, in: E.H.P. Cordfunke e.a., Handel en wandel in de dertiende eeuw. [Z.pl.], 1986, 7-28. |
| Hoek, C., ‘Den Briel en Maerlant’, in: Holland 1 (1969), 182-198. |
| Hoek, C., ‘Maerlant en Teylingen’, in: Holland 3 (1971), 24-25. |
| Hoek, C., ‘De heren van Voorne en hun heerlijkheid’, in: Van Westvoorne tot St. Adolfsland. Historische verkenningen op Goeree-Overflakkee. Ouddorp, 1979, 115-145. |
| Hof, J., De abdij Egmond van de aanvang tot 1573. 's-Gravenhage, 1973. |
| Horst, K. van der & J.-C. Klamt (red.), Masters and miniatures. Doornspijk, [1991]. |
| Hoste, F. (red.), Damme. Antwerpen, 1956. |
| Huygens, R.B.C. (ed.), Reynardus vulpes. Zwolle, 1968. |
| Huyghebaert, J., ‘Ulenspiegels graf in Damme’, in: Brugs Ommeland 28 (1988), 17-64. |
| Jacobs, J., Het Westvlaamsch van de oudste tijden tot heden. Groningen [enz.], 1927. |
| Janse, H., ‘De abdijschuur van Ter Doest’, in: Bulletin KNOB, 6e serie, 17 (1964), kol. 189-202. |
| Janssens, J.D. (red.), 1982a, Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij. Brussel, 1982. |
| Janssens, J.D., ‘1300’, in: Literatuur 2 (1985), 356-358. |
| Jonckbloet, W.J.A., Geschiedenis der Middennederlandschen dichtkunst. Dl. 3. Amsterdam, 1855. |
| Jonckbloet, W.J.A., Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. 4e dr. Dl. 2. Groningen, 1889. |
| Jong, D.L. de, ‘Voorne’, in: Tijdschrift aardrijkskundig genootschap, 2e serie, 60 (1943), 301-333 en 457-481. |
| Katholieke encyclopedie. Dl. 15. Amsterdam, 1936. |
| Kienhorst, H., De handschiften van de Middelnederlandse ridderepiek. Dl. 1. Deventer, 1988. |
| Knoop, L.C. van der, ‘De resultaten van een onderzoek naar de historische ontwikkeling van het Brielse stadsbestuur gedurende de middeleeuwen’, in: Zuid-Hollandse studiën 9 (1965), 172-199. |
| Knuttel, J.A.N., 1938a, ‘Enkele vragen betreffende Jacob van Maerlant’, in: TNTL 57 (1938), 223-228. |
| Koch, A.C.F. (ed.), Oorkondenboek van Holland en Zeeland. 's-Gravenhage, 1970. |
| Kort, J.C., Het archief van de heren van Voorne, burggraven van Zeeland, 1272-1371. 's-Gravenhage, 1972. |
| Kruisheer, J.G. (ed.), De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299. 's-Gravenhage [enz.], 1971. 2 dln. |
| Kruisheer, J.G., ‘[Recensie Gysseling, “Corpus”, reeks I]’, in: Naamkunde 11 (1979), 33-43. |
| Kruisheer, J.G. (ed.), Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Assen [enz.], 1986. |
| Kuile, E.M. ter, ‘De bouwgeschiedenis van het grafelijk paleis op het Binnenhof’, in: Holland 10 (1978), 313-328. |
| Leendertz, P., ‘Jacob van Maerlant’, in: De navorscher 19 (1869), 510-532. |
| Lekai, L.J., ‘Studien, Studiensystem und Lehrtätigkeit der Zisterzienser’, in: K. Elm e.a. (red.), Die Zisterzienser. Ordensleben zwischen Ideal und Wirklichkeit. Bonn, 1980, 165-170. |
| Lenselink, W.H. & A.D.A. Monna, Studies over het Zeeuwse en het Leidse burggraafschap. Groningen, 1976. |
| Lexikon des Mittelalters. Dl. 3. München, 1984-1986. |
| Lexikon für Theologie und Kirche. Dl. 6. Freiburg, 1961. |
| Lieftinck, G.I., De librijen en scriptoria der West-Vlaamse Cisterciënzerabdijen Ter Duinen en Ter Doest in de 12e en 13e eeuw en de betrekkingen tot het atelier van de kapittelschool van Sint Donatiaan te Brugge. Gent, 1953. |
| Lieftinck, G.I., ‘Twee dertiende-eeuwse minnedichten in een handschrift van Ter Doest’, in: TNTL 72 (1954), 135-139. |
| Lievens, R.G., ‘De vader van Ruusbroec’, in: Handelingen Zuidnederlandse 35 (1981), 192-200. |
| Loon, J. van, Bijdrage tot de morfeemgeschiedenis en -geografie der Nederlandse toenamen. Handzame, 1981. |
| Man, L. de, ‘De bijstelling met “dictus” en het probleem van de vaste familienaam’, in: Naamkunde 24 (1948), 25-32. |
| Mann, J. (ed.), Ysengrimus. Leiden, 1987. |
| Maximilianus, P., ‘Jacob die coster van Merlant’, in: TNTL 66 (1949), 1-10. |
| Maximilianus, P. (ed.), ‘Sinte Franciscus leven’ van Jacob van Maerlant. Zwolle, 1954. |
| Mekking, A.J.J., ‘De “grote zaal” van Floris V te Den Haag’, in: W. van Anrooij e.a., Holland in wording. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland tot het begin van de vijftiende eeuw. Hilversum, 1991, 65-90. |
| Mertens, Th. (ed.), Den anderen merten. Nijmegen, 1978. |
| Mierlo, J. van, ‘De echtheid van de “Heimelichede der heimelicheit” als werk van J. van Maerlant’, in: H. Draye (red.), Feestbundel H.J. van de Wijer. Dl. 2. Leuven, 1944, 235-246. |
| Mierlo, J. van, Jacob van Maerlant. Zijn leven - zijn werken - zijn beteekenis. Antwerpen [enz.], 1946. |
| Mierlo, J. van, De letterkunde van de middeleeuwen. 2e dr. 's-Hertogenbosch [enz.], 1949. 2 dln. |
| Mierlo, J. van, ‘Jacob, die coster van merlant’, in: VMVA 1952, 49-70. |
| Mierlo, J. van, ‘Jacob van Maerlant’, in: Hoste 1956. |
| Mierlo, J. van, ‘De ontwikkelingsgang van Jacob van Maerlant’, in: VMVA 1957, 119-137. |
| MNW: E. Verwijs & J. Verdam, Middelnederlandsch woordenboek. 's-Gravenhage, 1885-1941. 11 dln. |
| Moolenbroek, J. van & M. Mulder (red.), Scolastica willic ontbinden. Over de ‘Rijmbijbel’ van Jacob van Maerlant. Hilversum, 1991. |
| Mooijaart, M.A., ‘Spelling- en taalvariatie bij zeven 13e-eeuwse klerken’, in: Voortgang 11 (1990), 155-179. |
| Nolet, W. & P.C. Boeren, Kerkelijke instellingen in de middeleeuwen. Amsterdam, 1951. |
| Noterdaeme, J., ‘Jacob van Maerlant, klerk van de heren van Roden te Snellegem’, in: Handelingen Société d'émulation te Brugge 88 (1951), 5-25. |
| Noterdaeme, J., ‘De ridders van Roden en de wolhandel’, in: Handelingen Maatschappij geschiedenis en oudheidkunde Gent 12 (1958), 52-59. |
| Noterdaeme, J., ‘Jacob de Costere van Maerlant - het geslacht de Costere te Houtave’, in: Ons heem 13 (1959), 147-152. |
| Noterdaeme, J., 1960a, ‘Jacob van Maerlant’, in: Wetenschappelijke tijdingen 20 (1960), kol. 291-300. |
| Noterdaeme, J., 1960b, ‘Het Maerlandt probleem’, in: Ons heem 14 (1960), 203-219. |
| Noterdaeme, J., 1960c, ‘De “Spiegel historiaal”’, in: Wetenschappelijke tijdingen 20 (1960), kol. 193-200. |
| Noterdaeme, J., 1961a, ‘Jacob de coster van Maerlant’, in: Handelingen Zuidnederlandse 15 (1961), 233-272. |
| Noterdaeme, J., 1961b, ‘Jakob van Maerlant’, in: West-Vlaanderen 10 (1961), 197-199. |
| Noterdaeme, J., ‘De ridders van Roden en Jakob de Coster van Maerlant’, in: Appeltjes van het Meetjesland 15 (1964), 45-115. |
| Noterdaeme, J. & H.P. Schaap, ‘Nieuwe Maerlantproblemen’, in: TNTL 82 (1966), 81-119. |
| Obreen, H., ‘Oorkonden ter toelichting van de politieke betrekkingen van Holland met Vlaanderen, 1259-1299’, in: Bijdragen en mededelingen Historisch genootschap 43 (1922), 26-44. |
| Obreen, H., ‘Onuitgegeven oorkonden uit de 13e eeuw, betreffende Zeeland’, in: Bijdragen en mededelingen Historisch genootschap 47 (1926), 170-225; 49 (1928), 237-269; 50 (1929), 193-237. |
| Obreen, H., ‘L'introduction de la langue vulgaire dans les documents diplomatiques en Belgique et aux Pays-Bas’, in: Revue belge de philologie et d'histoire 14 (1935), 90-98. |
| Oostrom, F.P. van, 1982a, ‘De Middelnederlandse “Proza-Lancelot”’, in: Spiegel historiael 17 (1982), 626-633. |
| Oostrom, F.P. van, 1982b, ‘Maecenaat en Middelnederlandse letterkunde’, in: Janssens 1982a, 21-40. [3] |
| Oostrom, F.P. van, 1984a, ‘Hoe snel dichtten middeleeuwse dichters? Over de dynamiek van het literaire leven in de middeleeuwen’, in: Literatuur 1 (1984), 327-335. [4] |
| Oostrom, F.P. van, ‘Jacob van Maerlant: een herwaardering’, in: Literatuur 2 (1985), 190-197. [10] |
| Oostrom, F.P. van, 1989a, ‘Lezen, leren en luisteren in klooster, stad en hof’, in: N. Heimeriks & W. van Toorn (red.), De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland en Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden. Amsterdam, 1989, 15-40. |
| Oostrom, F.P. van, 1991a, ‘Postmoderne medioneerlandistiek’, in: Idem e.a. 1991, 7-24. |
| Oostrom, F.P. van, 1991b, ‘Slotbeschouwing: de “Rijmbijbel”, balans en perspectief’, in: J. van Moolenbroek e.a. 1991, 127-143. |
| Oostrom, F.P. van, 1991c, ‘De strijd van goed en kwaad’, in: Kunstschrift 35 (1991), afl. 5, 52-55. |
| Oostrom, F.P. van, 1991d, ‘Maerlant voor stad en burgerij’, in: Pleij e.a. 1991, 52-68. [12] |
| Oostrom, F.P. van, 1991f, ‘An outsider's view’, in: Van der Horst e.a. 1991, 39-49. |
| Oostrom, F.P. van e.a., Misselike tonghe. De Middelnederlandse letterkunde in interdisciplinair verband. Amsterdam, 1991. |
| Paardekooper, P.C., 1991a, ‘Leeft “ik bem” nog?’, in: Leuvense bijdragen 80 (1991), 1-14. |
| Paardekooper, P.C., 1991b, ‘Het Vlaamse /zu/ enz. “zij” enz.: stervend en springlevend’, in: Leuvense bijdragen 80 (1991), 15-42. |
| Paepe, N. de, ‘[Samenvatting lezing en discussie over Maerlants “Rijmbijbel”]’, in: VMVA 1988, 476-477. |
| Pauw, N. de, ‘La vie intime en Flandre au moyen age d'après des documents inédits’, in: Bulletin de la commission royale d'histoire 82 (1913), 1-96. |
| Peeters, H.C., ‘Nieuwe inzichten in de Maerlantproblematiek’, in: Handelingen Zuidnederlandse 18 (1964), 249-285. |
| Pirenne, H., ‘L'instruction des marchands au moyen age’, in: Annales 1 (1929), 13-28. |
| Pleij, H. e.a., Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de middeleeuwen. Amsterdam, 1991. |
| Post, R.R., Scholen en onderwijs in Nederland gedurende de middeleeuwen. Utrecht [enz.], 1954. |
| Ramaer, J.C., Geographische geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de middeleeuwen. Amsterdam, 1900. Koninklijke Nederlandse akademie van wetenschappen, afd. Ltk, n.r., 2/3. |
| Ramondt, M., ‘Maerlant en het vagantisme’, in: Neophilologus 18 (1933), 215-226. |
| Rappard, F.A.L. ridder van & S. Muller, Verslagen van kerkvisitatiën in het bisdom Utrecht. Amsterdam, 1911. |
| Ridder-Symoens, H. de, ‘Possibilités de carrière et de mobilité sociale des intellectuels-universitaires au moyen age’, in: N. Bulst & J.-P. Genet (red.), Medieval lives and the historian. Studies in medieval prosopography. Kalamazoo, 1986, 343-357. |
| Rijcker, L. de, ‘Het openbaar onderwijs in Vlaanderen tijdens de middeleeuwen’, in: Nederlandsch museum (1881), afl. 1, 270-320. |
| Roelandts, K., ‘[Recensie Gysseling, “Corpus”, reeks I]’, in: Naamkunde 11 (1979), 20-32. |
| Rogghé, P., ‘De Gentse klerken in de XIVe en XVe eeuw’, in: Appeltjes van het Meetjesland 2 (1960), 5-142. |
| Roislin, S., ‘Réflexions sur la culture intellectuelle en nos abbayes cisterciennes médiévales’, in: Miscellanea historica in honorem Leonis van der Essen. Dl. 1. Brussel [enz.], 1947, 245-256. |
| Sanderus, A., De scriptoribus Flandriae. Antverpiae, 1624. |
| Schaap, H.P., ‘Een kostersambt te Maerlant in de 13de eeuw?’, in: TNTL 82 (1966), 81-128. |
| Schönfeld, M., Waternamen in het Nederlands. Amsterdam, 1955. |
| Schoengen, M., Monasticon Batavum. Dl. 3. Amsterdam, 1942. |
| Schrevel, A.C. de, Histoire du séminaire de Bruges. Bruges, 1895. |
| Serrure, C.P., Jacob van Maerlant. Gent, 1861. |
| Smet, J. de, ‘Maître Nicolas de Biervliet’, in: Etudes d'histoire dédiées à la mémoire de H. Pirenne. Bruxelles, 1937, 143-159. |
| Smeyers, M. & B. Cardon, ‘Vier eeuwen Vlaamse miniatuurkunst in handschriften uit het Grootseminarie te Brugge’, in: A. Denaux & E. Vanden Berghe (red.), De Duinenabdij en het Grootseminarie te Brugge. Tielt [enz.], 1984, 140-149. |
| Snellaert, F.A. (ed.), ‘Alexanders geesten’ van Jacob van Maerlant. Brussel, 1860-1861. 2 dln. |
| Stroop, J.P.A., Molenaarstermen en molengeschiedenis. 2e verb. dr. Arnhem, 1979. |
| Strubbe, Eg., Egidius van Bredene (11..-1270), grafelijk ambtenaar en stichter van de abdij Spermalie. Brugge, 1942. |
| Toll, H., ‘La race ainée des van Voorn’, in: De navorscher 62 (1913), 303-343. |
| Turner, R.V., ‘The “miles literatus” in 12th and 13th century England’, in: American historical review 83 (1978), 928-945. |
| Verdenius, A.A. (ed.), Jacob van Maerlant, Heimelijkheid der heimelijkheden. Amsterdam, 1917. |
| Verwijs, E. (ed.), Jacob van Maerlant, Naturen bloeme. Groningen, 1878 (herdr.: Arnhem, 1980). |
| Viaene, A., ‘Maerlant in grafschrift en kroniek’, in: Biekorf 63 (1962), 342-352. |
| Vlaamse kunst op perkament. Handschriften en miniaturen te Brugge van de 12de tot de 16de eeuw. Brugge, 1981. |
| Voordeckers-Declercq, M.H., ‘De S. Veerlescholen en de schoolstrijd te Gent tot het einde der XIIIe eeuw’, in: Collationes Brugenses et Gandavenses 9 (1963), 382-393. |
| Vreese, W. de, ‘Maerlant, Jacques van’, in: Biographie nationale de Belgique. Dl. 13. Bruxelles, 1894-1895, kol. 64-119. |
| Vries, M. de & E. Verwijs (ed.), Jacob van Maerlant, Spiegel historiael. Leiden, 1863. 3 dln. |
| Warlop, E., ‘“Pariteit” in het bisdom Doornik in de dertiende eeuw’, in: Horae Tornacenses. Tournai, 1971, 60-67. |
| Warlop, E., The Flemish nobility before 1300. Dl. 4. Kortrijk, 1976. |
| Willems, L., ‘Maerlant-studieën’, in: VMVA 1934, 281-292. |
| Winkel, J. te, Maerlant's werken, beschouwd als spiegel van de dertiende eeuw. 2e dr. Gent [enz.], 1892 (herdr.: Utrecht, 1979). |
| Winter, J.M., ‘Dirk I bis, een nieuwe Hollandse graaf’, in: Holland 15 (1983), 185-198. |
| Yernaux, J., ‘Les notaires publics du XIIIe au XVIe siècle’, in: Bulletin de la commission d'histoire 82 (1913), 111-182. |
|
*Deze publikatie is voortgekomen uit een opdracht van de Taalunie. Voor medewerking dank ik drs. Petra Berendrecht, lic. Mieke Leroy en Anke Witteveen; dr. J. van Herwaarden was een gul en kritisch klankbord. Op tal van onderdelen heb ik kunnen profiteren van specialistisch advies; zie de noten te bestemder plaatse.
1De voornaamste publikaties van J. Noterdaeme zijn Noterdaeme 1951, 1959, 1960a en b, 1961a, 1964. Zie ook zijn replieken, vermeld in n. 4.
2Zie vooral Van Mierlo 1952.
4Zie Noterdaemes ferme repliek op de in vorige noten vermelde kritiek, resp. Noterdaeme 1961a en b en (samen met H.P. Schaap) 1966. Volgens Ballegeer 1982-1983, m.n. 100, kon Noterdaeme al de polemiek goed velen, ‘Doch met een zeker genoegen deelde hij ons mee dat Van Mierlo op 't einde van zijn leven (mondeling, nooit schriftelijk!) toegegeven had dat Noterdaeme gelijk had’. Dit lijkt weinig geloofwaardig, aangezien Van Mierlo (overl. 1958) nog in 1957 een artikel publiceerde (Van Mierlo 1957, 121-122) waarin hij over Noterdaemes stelsel zegt: ‘Deze in zeker opzicht zo verlokkelijke theorie is nu wel voor goed gebleken te berusten op een misverstand’, en uit Noterdaemes - naar zou blijken: slechts tijdelijke - stilzwijgen meende hij te mogen opmaken ‘dat ook hij zijn vergissing heeft ingezien’.
5Zie Gysseling 1977-1987, dl. 1, nr. 22, 77-78; zie ook zijn inleiding bij Der naturen bloeme (Gysseling 1977-1987, dl. 2), X, en Gysseling 1971, 31.
6Maximilianus 1954, vs. 125. Is het overigens toeval dat Maerlant de ‘taalbarrière’ juist ter sprake brengt in zijn, wat opdrachtgevers betreft en voorzover bekend, meest ‘noordelijke’ werk?
7Snellaert 1860-1861, I, vs. 1092-1097; Franck 1882, I, vs. 1093-1098. Zie voor bespreking van de passage o.a. Van Mierlo 1946, 9-10; Te Winkel 1892, 29; Leendertz 1869, 529-532.
8Als zelfaanduidingen figureren Jacob, Jacob van Maerlant en (eenmaal) Jacob de coster van Maerlant; zie het overzichtje aan het begin van Maximilianus 1949, 1-10.
9Zie Willems 1934, 281-286.
10Serrure 1861, 3. Zie ook Jacobs 1927, 70-74.
11Zie bijv. Van Mierlo 1946, 8, en de terechte kritiek op dergelijke argumentatie door De Vreese 1894-1895, 78-79.
12En als zodanig uitgegeven onder de literaire bescheiden van Gysseling 1977-1987, resp. dl. 3 en 2. Daarbij moet nog worden aangetekend dat de vroege datering van het Detmoldse handschrift van Der naturen bloeme omstreden is (vgl. Goossens 1984a); misschien rest ons als dertiende-eeuws bronnenmateriaal van deze tekst niet meer dan de schamele negenhonderd verzen van de Münchense en Trierse fragmenten (de laatste bekend gemaakt in Biemans 1984). Daar staat tegenover dat Gentse fragmenten van Alexanders geesten, en het zgn. fragment-Ackersdijk van de Historie van Troyen door sommigen nog in de dertiende eeuw worden gedateerd; vgl. Kienhorst 1988, 8-9 en 197.
13Zie reeds de lichte aarzeling in de slotzin van Leendertz 1869, en vooral Te Winkel 1892, 443. Men kan alleen maar instemmen met de visie van A. Berteloot, die onlangs de analyse van Maerlants taal een desideratum van de eerste orde heeft genoemd (Berteloot 1988, 51; zie ook Berteloot 1990a, 161).
14Zie de inleidingen van Gysseling 1977-1987, resp. dl. 3 en 2, resp. XIV en XII. Overigens lijkt het noordelijke Westvlaams wel degelijk ook i-spellingen naast ie te kennen; vgl. Berteloot 1984a, kaart 120 en p. 88 (met dank aan prof.dr. J. Goossens).
15Van Mierlo 1946, 7, n. 3.
16De voorbeelden zijn ontleend aan Van Gestel e.a. 1990, 12-14 (met dank voor inzage van deze ongepubliceerde syllabus).
17Zie (kort) over misselike tonghe Van Oostrom 1991a, 7. Voor informatie over het lopend dialectonderzoek ben ik veel dank verschuldigd aan dr. A. Berteloot; zie van diens hand (behalve het in n. 13-14 genoemde) ook Berteloot 1990b; en (samen met E. van den Berg) ter perse. Ook dank ik mevr. drs. M. Mooijaart en prof. dr. P.C. Paardekooper voor hun expertise; zie ook Paardekooper 1991a.
18Zie van de talrijke publikaties van J. Noterdaeme o.a. Noterdaeme 1961b.
19Verdenius 1917, vs. 731-736. Over studiebeurzen in dertiende-eeuws Vlaanderen zie Warlop 1971. Volgens Rogghé 1960, 21 is er ‘geen twijfel over dat het merendeel der klerken tot de gegoede stand, tot de oude en nieuwe patriciërsklasse behoorde’. Anderzijds moet worden aangetekend dat volgens Strubbe 1942, 25-26 ook deze in veel opzichten met Maerlant vergelijkbare tijd- en streekgenoot van nederige komaf was - waren hij en Maerlant spreekwoordelijke uitzonderingen op de regel? Prof.dr. H. de Ridder-Symoens, die zo vriendelijk was mij te laten delen in haar expertise omtrent de sociale status van middeleeuwse intellectuelen, wilde ‘een meer bescheiden afkomst van Maerlant niet uitsluiten’.
20Laatstgenoemde kant, die van de militante Maerlant, is in het onderzoek m.i. nog te weinig belicht; vgl. Van Oostrom 1991b en c.
22Wat niet wil zeggen dat er een goed standaardwerk over bestaat. Voor algemene oriëntatie moet men zich behelpen met een verouderde studie als De Rijcker 1881.
23De basisstudie is Pirenne 1929; zie ook Blockmans 1938, 350-353, en Voordeckers-Declercq 1963.
24Vgl. Van Oostrom 1991d [12].
25Het klassieke artikel op dit gebied is Classen 1966. Methodisch lastig is dat de concrete gegevens pas voor later eeuwen rijkelijk beschikbaar zijn; vgl. De Ridder-Symoens 1986.
26Vgl. De Hemptinne e.a. 1984.
27Vgl. Dewitte 1972, 148-149, tegengesproken door De Hemptinne e.a. 1984, 442; vgl. ook De Hemptinne e.a. 1980, 178 en 194-197.
28De literatuur over het dertiende-eeuwse St.-Donaas is, gemeten aan het belang van de instelling in het Vlaanderen van die tijd, in feite nog steeds klein; wat vooral ontbreekt is een grote monografie als complement van De Schrevel 1895, die vooral de latere eeuwen behandelt. Wel zijn allerlei facetten besproken in verschillende deelstudies, zoals ze recentelijk vooral door Dewitte zijn gepubliceerd: zie naast zijn in n. 27 genoemde artikel o.a. ook Dewitte 1971. Zie verder de tentoonstellingscatalogus Vlaamse kunst op perkament 1981, en de aldaar opgegeven literatuur.
29De Vries e.a. 1863, IV, I, 44/15-17. De plaats is aan het licht gebracht door Noterdaeme 1951, 18. Zolang Maerlants bron(nen) voor de Vlaamse geschiedenis nog niet zijn thuisgebracht, blijft de zaak vrij ongewis; ook moet men rekening houden met kennis van-horen-zeggen. Sterk voor St.-Donaas als Maerlants alma mater is geporteerd Noterdaeme 1964, 47-48; voorzichtiger, maar toch ook positief, is Dewitte 1971, 209 en 1972, 16.
30Prof.dr. L. Milis berichtte mij desgevraagd het laatste voor ‘hoogst onwaarschijnlijk’ te houden; Lekai 1980, 168 houdt de deur op een kier, in het bijzonder voor de Lage Landen. Natuurlijk kan men in dit verband ook denken aan de bedelorden, door wier gedachtengoed Maerlant stellig is beïnvloed; het valt echter te betwijfelen of hun onderwijs gedurende diens jeugd in het Brugs Ambacht al het vereiste peil had.
31Zie Van Mierlo 1946, 11. Over klooster Elmare zie Schoengen 1942, 41; de aldaar genoemde annalen helpen voor ons doel niet verder. L. Milis betwijfelt dat het ‘piepkleine priorijtje’ ook maar enig onderwijs verzorgd heeft, en waarschuwde voor Van Mierlo's ‘scholen bouwen in functie van de nabijheid van Jacob van Maerlant’. M.b.t. de cisterciënzers zie ook Jonckbloet 1855, 156 (daar toen nog verbonden met een visie op Maerlant als Zuid-Bevelander: zie 28); Maximilianus 1949, 2. In een latere bijdrage (Van Mierlo 1956, 183) houdt Van Mierlo het eenduidig op St.-Donaas - het enige punt waarop Noterdaeme hem heeft kunnen overtuigen?
32Zie voor inleiding en verdere verwijzing de catalogus Vlaamse kunst op perkament 1981, 61-71.
33Zie voor een grondig en genuanceerd beeld Lekai 1980; vgl. ook Roislin 1947.
34Vgl. Yernaux 1913, 116.
35Vgl. Vlaamse kunst op perkament 1981, 63-68 en Lieftinck 1953. Voor kritiek op Lieftincks visie zie Smeyers e.a. 1984. De intense betrekkingen binnen de dertiende-eeuwse Vlaamse intelligentsia beperken zich uiteraard niet tot het Brugse; ook heeft men van hieruit nauw contact met bijv. kloosters en scholen te Gent. Zie bijv. brief 13 bij De Pauw 1913.
36In het algemeen werd trouwens in de dertiende eeuw voor geletterden-in-publieke-dienst ten vervolge op hun (kathedraal)school dikwijls een praktijkopleiding verkozen boven universitaire studie; vgl. Turner 1978.
37Zie bijv. Te Winkel 1892, 43; Maximilianus 1949, en het oordeel van De Paepe 1988, 477. Veel explicieter in zijn argumentatie is De Bruin 1977, 53-54; het navolgende stemt goeddeels met De Bruins visie overeen.
38Zie Te Winkel 1892, 43 en ook Maximilianus 1949, 1-2, en vgl. Gysseling 1977-1987, dl. 3, vs. 15.252 (is het tweede wi een ingeslopen kopiistenglos?).
39Zie bijv. Strubbe 1942; De Smet 1937; Rogghé 1960, 26; Dewitte 1971, 216; Cramer 1966, 223-224.
40Zie hierboven, en Cramer-Peeters 1977.
41Zie voor de etymologie Gysseling 1977-1987, dl. 1/1, 77; Gysseling verklaart mari-lant als ‘waterplas’. Minstens zo plausibel lijkt ‘land aan het brede water’; vgl. Schönfeld 1955, 195-197 (met dank aan drs. J.Ph. van Oostrom). Zie over de geografie van Voorne in de middeleeuwen De Jong 1943; Ramaer 1900, hoofdstuk XXXII.
42Zie over de heren van Voorne als meer recente literatuur Hoek 1979; Kort 1972; Coenen 1986; Lenselink e.a. 1976.
43Vgl. Arkenbout e.a. 1983, en van dezelfde auteurs een artikel onder dezelfde titel uit 1974.
44Zie voor de situatie Oostvoorne/ Den Briel/ Maerlant, de kerken en kapellen aldaar en de verhouding van de heren tot dit alles vooral Hoek 1969; verder Van der Knoop 1965; Arkenbout 1970; Arkenbout e.a. 1972. In het licht van deze publikaties vervallen de bezwaren tegen de ‘Voorne-these’ van Noterdaeme e.a. 1966 en Schaap 1966.
45Al lijkt zijn oordeel wisselend. Zie Gysseling 1977-1978, dl. 1/1, 77 (1977: ‘“De Coster” is misschien zijn oorspronkelijke familienaam’); 2/2, IX (1981: ‘...uit een kostersgeslacht stamde of zelf deze functie uitoefende of uitgeoefend had’); 2/3, XI (1983: ‘...zal dus koster geweest zijn’).
46Vgl. De Man 1948, die de overgang naar familienaam voor Leuven juist vaststelt in de tweede helft van de dertiende eeuw. Een brede studie is Van Loon 1981.
47Een sprekend getuigenis vormt in dit opzicht (het namenregister van) Kort 1972, waarin bijv. de Jacobs voor het overgrote deel door patro-, toponymica en andere bijnamen blijken te worden aangeduid.
48Zie over aard en inhoud van het middeleeuwse kostersambt Nolet e.a. 1951, 344-346; Dictionnaire de droit canonique 1949; Lexikon des Mittelalters 1984-1986, kol. 395-396; Lexikon für Theologie und Kirche 1961, kol. 698-699; Katholieke encyclopedie 1936, kol. 819-820; een monografie is mij niet bekend.
49Vgl. in breder verband Van Oostrom 1984a [4]. Zie eerder over de geschiktheid van Maerlant voor het kostersambt en andersom Van Mierlo 1946, 13; Knuttel 1938; Noterdaeme 1960a, kol. 293. Zie ook de slotparagraaf van deze verhandeling.
50Over de verliesfactor op ambtelijk gebied zie Gysseling 1968, 138-139 en 1971, 28. Zie ook Kruisheer 1971, dl. 1, 18-19. De dertiende-eeuwse Voornse oorkonden zijn niet geheel volledig vermeld door Noterdaeme e.a. 1966, 117-118; zie voor het complete overzicht (en tekstuitgaven) via de registers van de verschillende uitgaven van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland, resp. Van den Bergh 1866-1873, Koch 1970 en Kruisheer 1986. De drie Middelnederlandse stukken zijn ook uitgegeven in Gysseling 1977-1987, nrs. 196, 323, 1261. Uit dertiende-eeuws Voorne zijn geen Franse stukken bewaard, maar mogelijk zijn die er wel geweest, bijv. over huwelijksonderhandelingen (zie de slotparagraaf). In elk geval bevatte de archiefkist van de Vrouwe van Voorne in 1372 een coffer mit veel walsche brieve, van houte mit ijser beslagen, ende twee duutsche brieve (zie Kort 1972, X).
51Vgl. Post 1954, 85-89, met als vroegst gedocumenteerde voorbeelden 1409 en 1410. Het MNW (3, kol. 1981) voert verder terug: Elburg 1358. De bewijsplaatsen aldaar steunen de opinie van De Rijcker 1881, 287, volgens wie het verband vooral de noordelijke Nederlanden zou betreffen. Toch lijkt het verband ook voor het zuiden geattesteerd: Dewitte 1972, 35 vermeldt dat de met St.-Donaas verbonden custodie te Blankenberge annex een scholastrie had; zie verder ook de ambtelijke bescheiden in Gysseling 1977-1987, nr. 374 (1281), waar de schepenen van Brugge voor de Wijngaard een gift oorkonden aan de priester, de twee kapelaans en ter scoliere boef ende tes costers. De band tussen koster en onderwijs geldt overigens niet alleen de wereldgeestelijkheid: ook in Egmond is de koster een intellectueel, belast met de school en het contact met leken; Hof 1973, 206-208 en 277.
52Zie als meest recente uitgave de ambtelijke bescheiden in Gysseling 1977-1987, nr. 1021; ik dank mevr. drs. Jeanne Verbij-Schillings, die het document onder mijn aandacht bracht.
53Zie Arkenbout e.a. 1972, 245 (eveneens blijkt tegen de kapel een kosterswoning aangebouwd). Nog (?) in 1571 maken de Verslagen van kerkvisitatiën in het bisdom Utrecht (Rappard e.a. 1911, 310) melding van kosterlijk onderwijs te Oostvoorne: non habet scholam; custos tamen, si aliqui veniant, docet pueros a,b,c et talia. Dezelfde visitatie vermeldt (282) voor de St.-Pieterskerk van het naburige Maarland een custos sic satis bene fungitur officio suo et est hypodidasculus; was de geest van diens grote voorganger nog over hem vaardig?
54Ik dank A.A. Arkenbout voor zijn nadere oordeel terzake.
55Zie voor nadere, maar ook voorlopige suggesties Van Oostrom 1989a, 22-23.
56Zie Leendertz 1869, 516.
57Zie Verwijs 1878, II, vs. 2109-2111; Gysseling 1977-1987, dl. 2, vs. 2765-2768. Uiteraard hoeft hier de oudstbekende lezing niet noodzakelijkerwijs de meest oorspronkelijke te zijn; de context doet zelfs enigszins suspect aan.
58Verwijs 1878, V, vs. 337-339 en vs. 625-638; Gysseling 1977-1987, dl. 2, vs. 9810 en 10.106; significante varianten zijn mij niet bekend. Leendertz 1869, 516-517 bespreekt wel de tweede plaats, maar vergeet de eerste, die terecht door Verwijs (inleiding, XXXVI) in de beschouwing is betrokken. (Overigens zijn deze en andere Vlaamse dialectspecificaties onafhankelijk van Maerlants Latijnse bron).
59De Vries e.a. 1863, I, II, 16, vs. 26. Ook de prompte medewerking van Filips Utenbroeke uit Damme (zie hierna) pleit voor genese in het Zuiden.
60Zie over de datering de inleiding van Maximilianus 1954, 380-385, met verwerking van eerdere, afwijkende opvattingen. Overigens spreekt Maerlant ook in dit geval (vs. 10.539) over het senden van zijn werk naar de bestemmelingen.
61Strofe 2, beginverzen. Blijkens Den anderen merten (Mertens 1978, 111-112) volgen alle bronnen deze lezing, m.u.v. het Comburgse handschrift (wel de oudste tekstgetuige!), dat i.p.v. Utrecht Dordrecht leest.
62Vgl. MNW, dl. 2, kol. 47: ‘veelvuldig in namen van plaatsen, vooral in Noord-Nederland’...
63Utenbroeke verdient meer aandacht. Interessante achtergronden zijn aan het licht gebracht door Noterdaeme 1960c, kol. 193-200; zie ook Noterdaeme 1961b. Onder mijn leiding bewerkte drs. Els Sneep een doctoraalscriptie over de Spiegel historiael, die o.a. aanwijzingen opleverde dat de connectie tussen Maerlant en Utenbroeke nauwer was dan gewoonlijk wordt aangenomen; een publikatie is voorgenomen.
64Sanderus 1624, 80; vaak geciteerd, zelden echt bestudeerd. Vgl. Maximilianus 1949, 10; Viaene 1962, 346 maakt aannemelijk dat Sanderus zich baseerde op de zestiende-eeuwse heraut Cornelis Gailliard.
65Zie over de balksleutel en zijn interpretatie het in de vorige noot genoemde artikel van Viaene, alsmede Van Mierlo 1956, 172-173; ook reeds Te Winkel 1892, 57.
66Rogghé 1960 en De Smet 1937; zie ook Gilissen 1947.
67Vgl. ook Delfos 1957a, die Maerlant overigens wel erg van de juridische kant wil zien; vgl. de kritiek door Van Mierlo 1957.
68Zie over haven en tol van Damme rond het midden van de dertiende eeuw o.a. Hoste 1956, 52-56, met oudere literatuur.
69Zie de stukken bij Obreen 1922, m.n. nr. I en II. De twee stukken roepen overigens ieder weer hun eigen complicaties op: de een t.a.v. de familierelaties van Blanchard (Witte) van Cats in 1259 met de latere bestemmeling van Der naturen bloeme, de ander t.a.v. de chronologie: in 1282 zou Maerlant al lang en breed in Damme moeten zijn gevestigd. Of viel zijn vertrek zuidwaarts inderdaad beduidend later dan doorgaans wordt verondersteld? Vgl. n. 73. Dat Maerlants verblijf te Damme verband zou kunnen houden met Cats' betrokkenheid bij de tol aldaar, is al vaker geopperd: zie Knuttel 1938, 227, met adhesie van Bruch 1950, 237, n. 3; zie ook reeds Verwijs 1878, inleiding, XLIV. Ook Noterdaeme 1958 zag, zij het in andere context, verband tussen Maerlant en haven en tol te Damme. Terzijde zij vermeld dat zowel Alexanders geesten (Franck 1882, V, vs. 1233) als de Heimelijkheid der heimelijkheden (Verdenius 1917, vs. 467-478) van Maerlants betrokkenheid bij tolkwesties getuigen.
70Gezien de veelheid aan courante hypotheses mag het overigens verbazend heten dat - zover ik zie - nog nooit de mogelijkheid geopperd is dat Maerlant te Damme, net als op Voorne, koster zou zijn geweest, bijv. van de Onze Lieve Vrouwe kerk - en mede daarom onder de klokken van die kerk (zie hierna) begraven zou zijn.
71De relevante literatuur is zeer omvangrijk. Zie als meest recente serieuze publikaties Viaene 1962; Bruch 1950; Delfos 1957a en b, alsmede de repliek Van Mierlo 1957 op beide, m.n. 131-133; en vooral Huyghebaert 1988. Een spil bij dit alles is de Latijnse vertaling van de Tweede Martijn door Johannes Bukelare, die mogelijk de vroegste vermelding van het Damse graf bevat, maar waarvan de datering zeldzaam problematisch is: niet lang voor 1453 volgens Van Mierlo 1949, dl. 2, 358, omstreeks 1400 volgens Viaene 1962, nog in de veertiende eeuw volgens Bethune 1888, 435, of zelfs kort na Maerlants dood volgens De Vreese 1894-1895 en Serrure 1861. Volgens de mediolatinist dr. C.H. Kneepkens (die ik voor zijn adviezen dank) valt de stijl van Bukelares werk ten hoogste te dateren als ‘niet vroeger dan midden veertiende eeuw’.
72Zie m.n. Van Mierlo 1944.
73In de vakliteratuur wordt doorgaans de volgorde NB-RB verkozen, en in samenhang hiermee een datering ca. 1270 voor het eerste werk; zie bijv. de inleiding van Verwijs 1878, XLVII-L. Voor een latere datering hebben o.a. Knuttel 1938a, 226 en Delfos 1957b (met Van Mierlo 1957 als repliek) gepleit. (Situeert men RB nog in het Noorden en NB later, dan wordt het tevens mogelijk om, zoals Knuttel doet, in Maerlants controverse met niders en kerk waarop RB wijst een/de aanleiding te zien tot zijn vertrek.) T.a.v. de Rijmbijbel-problematiek zie nog Van Oostrom 1991b. E.e.a. illustreert ook het ‘domino-effect’ van heel wat Maerlantonderzoek: een veranderde visie op het ene onderdeel heeft consequenties voor het andere, en antwoorden hier roepen elders vragen op.
74Houdt men de traditionele dateringen aan, dan moet wel worden vastgesteld dat Maerlants repatriëring niet heeft geleid tot aantoonbaar grotere produktiviteit. Maar uiteraard is kwantiteit hier niet hetzelfde als kwaliteit; onmiskenbaar is bijv. dat Maerlants latere werk een nog nadrukkelijker ‘geleerd’ stempel draagt, waarvoor in het Zuiden betere bibliotheekcondities waren. Overigens moet niet worden uitgesloten dat Maerlant ook al eerder terugviel op Vlaamse contacten voor bronnengebruik en boekproduktie. Zie ook Van Oostrom 1991f.
75Zie Delfos 1955, kol. 201-210. Van vergelijkbare orde is Knuttels gissing dat Maerlant staakte met het werk aan Spiegel historiael omdat zijn gezichtsvermogen terugliep en hij niet over een bril beschikte (Knuttel 1938a, 228), of die van Willems 1934, 288-289, dat Maerlant naar Damme zou zijn teruggekeerd omdat hij een erfenisje had gekregen.
76Vgl. hoe in 1279 Niclays, zoon van Claes Scriver (sprekende functienaam!) door toedoen van Albrecht van Voornes weduwe Catharina de Durbuy pastoor te Maerlant werd: zie Hoek 1971, 24-25.
77Vgl. Heeroma 1973b en 1976, 60-70. Zie ook Van Oostrom 1984a [4].
78Anderzijds is het natuurlijk tekenend voor de ‘letterkundige’ dimensie van deze functie dat Velthem als pape solliciteert d.m.v. een berijmde kroniek. Vgl. Van Oostrom 1982a en 1982b [3].
79Vgl. Obreen 1935, die deze ontwikkeling juist omstreeks 1263 situeert; zie ook Gysseling 1971 en 1968. Zie ook Kruisheer 1971, dl. 1, 197.
80Goossens 1979. De cijfers: tot 1250 7 stukken; 1251-1260: 12; 1261-1270: 81; 1271-1280: 233; 1281-1290: 684; 1291-1300: 1037.
81Gysseling 1971, 32; vgl. ook Mooijaart 1990, 171. Overigens wijzen referenties in Maerlants werk erop dat hij bij zijn publiek ook kennis impliceert van (letterkunde in) het Frans.
82Waar al te schematische voorstellingen wel uit den boze zullen zijn; het is althans opvallend hoe het recente onderzoek toch weer naar meertaligheid van de dertiende-eeuwse Vlaamse aristocratie neigt: zie bijv. Bouwman 1991.
83Aldus een terzijde van dr. J.G. Kruisheer bij een voordracht voor de Leidse werkgroep Holland 1300-1500 in februari 1990. Zie over het verschriftelijkings-proces bij de Hollandse grafelijkheid verder Kruisheer 1971, dl. 1, o.a. 18.
84In dit verband zij ook gewezen op het fenomeen van de in gemengd Latijn/Middelnederlands gestelde stukken, die volgens Kruisheer veel talrijker zijn dan het Corpus-Gysseling doet uitkomen (Kruisheer 1979); ook Roelandts 1979 wijst op de symbiose van Latijn en Nederlands, ‘in verschillende graden, die rechtstreeks getuigt van een administratieve tweetaligheid der klerken in de periode van overschakeling naar de volkstaal’. Vgl. in ander verband ook Lieftinck 1954 (is de scribent tevens auteur?), en de connecties van de Latijnse Reinaert-vertaling met St.-Donaas (Huygens 1968, 21-27). Vgl. ook, weer anders, hoe in Maerlants eigen terminologie dichten ook voor ambtelijk schrijfwerk gelden kan: zie Verdenius 1917, vs. 2091-2099.
85Zie Berteloot 1984, 100 en ook 51, 56, 62. Vgl. ook Goossens 1979, 260, en de kritiek van Berteloot 1984b; Paardekooper 1991b, 17. Wel wees mevr.drs. M. Mooijaart mij erop dat kwantiteit en kwaliteit van deze verschijnselen niet moeten worden overschat.
87O.a. vermeld bij Knuttel 1938a, 227; Verdenius 1917, 99; Peeters 1964, 280; Gerritsen 1979; Van Oostrom 1985 [10].
88Vgl. Coenen 1986, 98-111, die ook nauw verband ziet met de hierna te noemen voogdes Aleid.
89Vgl. Peeters 1964, 266-269 en Janssens 1985. Over Aleid zie o.a. Duvivier 1894. Maerlants betrokkenheid bij de partij der Avesnes is al vaker verondersteld, en zelfs als mogelijk motief voor zijn vertrek uit Vlaanderen genoemd: zie o.a. Jonckbloet 1889, 32 en Verwijs 1878, XXXIX, n. 1.
90Zie Hof 1973; Van Winter 1983; speciaal over culturele betrekkingen zie Ysengrimus (Mann 1987, 174-181) en Gumbert 1990, 4-8.
91Vgl. Devliegher 1964, kol. 171-186; Ter Kuile 1978.
92Zie sinds kort de rijk gedocumenteerde studie van Mekking 1991. (Ik dank de auteur voor zijn adviezen rondom de Scheldegotiek.)
93Vgl. Warlop 1976, 1058.
94Aldus Toll 1913, 318. Vgl. Hoek 1979, 141; ook Kort 1972, VI.
95Vgl. Van Herwaarden 1986, 7.
96Zie talrijke stukken bij Obreen 1922 met vervolgen in 1926, 1928 en 1929; zie ook Hoek 1979, 117, 127, 139. Ere wie ere toekomt: ook Noterdaeme heeft op zulke relaties gewezen, zij het vanuit ander perspectief; zie vooral Noterdaeme 1959.
97Zie Dekker 1971, m.n. dl. 2, hoofdstuk 3. Ter Doest verwierf ook door aankoop grond van de heren van Voorne: zie Kruisheer 1986, nr. 493 en 1043 (tevens relatie met St.-Donaas). Het zal aan deze contacten te danken zijn dat de architectuur van de beroemde abdijschuur van Ter Doest nog in de dertiende eeuw invloed heeft nagelaten op de Voornse kerk te Abbenbroek; vgl. Janse 1964, kol. 194-195. (Ook ziet dit artikel een parallel in de kapconstructie van de Grote Zaal te 's-Gravenhage.) Verbonden en verwant lijkt de ontwikkeling op het gebied der molenbouw en -terminologie: door cisterciënzers in West-Vlaanderen geperfectioneerd, en naar het Noorden uitgestraald; zie Stroop 1979.
98Zie de relevante stukken bij Koch 1970, nr. 404 (1220), en Kruisheer 1986, nr. 465 (1226) en 583 (1237).
99Zie de nrs. 810-812 in Kruisheer 1986. Ook bezit het kapittel goederen te Zeeland: zie Dekker 1971, 79. Interessant is ook het geval van Kruisheer 1986, nrs. 699-701, oorkonden van december 1246, waarin gravin Margareta van Vlaanderen het convent van De Duinen bevestigt in de rechtmatigheid van zijn bezit in Zeeland, nadat zij hiertoe archiefonderzoek heeft laten verrichten door duos viros discretos et litteratos, kanunniken van St.-Donaas, onder wie magistrum Iacobum dictum Futchelare. Laatstgenoemde is alleen al om zijn bijnaam (‘de beuzelaar’?) een interessante figuur; vgl. ook Lieftinck 1953, 34, n. 4, en Derolez 1966, nr. 63. Is het overigens uitgesloten dat hij dezelfde is als eerdergenoemde?
100Zie over dit ‘cultureel nationalisme’ in negentiende-eeuws Nederland recentelijk Bank 1990.
|
|