'Julia (-) drukken vóór 1800 II'


auteur: W.R.D. van Oostrum


bron: W.R.D. van Oostrum, ‘Julia (-) drukken vóór 1800 II.’ In: Spektator 9 (1979-1980), p. 433-450.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 433]

Julia (-) drukken vóór 1800 II

Wa.R.D. van Oostrum

‘Verschoon my myn vriend, dat ik Ued. dus lang, over dit meesterstuk van het menselyk vernuft onderhouden heb, het is onmogelyk, te zwygen, wanneer ik gelegenheid heb om van JULIA te spreeken: ik betuig u van harten dat ik op die wonderbaare schoonheid smoorelyk verliefd ben.’
L.V.N..... aan de heer G., d.d. 12-12-1783.63

Bij wijze van inleiding

Het is lang geleden dat het eerste deel van dit artikel verscheen in ditzelfde tijdschrift, Spektator, In de derde jaargang seizoen '73-'74, p. [513]-536.

De kamer waren minder yuca toen, en de tijden minder époque ondanks het gevitaliseerd Der Tod in Venedig waer bestu bleven. Het was hier minder zuinigjes en pomerans dan nu in gelimiteerd versneden kruis en kruinen. De engelsen hadden nog twaalf onder en twintig boven en duitsland was nog om door heen te rijden. Een andere ambiance, meer kruim en ademruim maar hetzelfde door Nieuw-Rechts en Oud-Links getolereerde zwart met bruin.

Om het tweede deel van dit artikel te kunnen plaatsen is het nodig iets van de achtergrond ervan te weten. Vele generaties terug, het was in het cursusjaar 1970-'71, hield een kandidatenwerkgroep 18e Eeuw van het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam zich bezig met de bestudering van een aantal aspecten van Julia (1783) van Rhynvis Feith. Leden van de onder leiding van drs. A.N. Paasman staande groep waren A.F.M. Auping, A. Bossers, drs. A.J. Hanou (eerst participant, later belangstellende), M. Hochscheid - Mabesoone, J. Kunst, Wa.R.D. van Oostrum en H. van der Vlist. Eén aspect van het onderzoek - en hier aan de orde - betrof nederlandstalige drukken van genoemd werk. Daarbij ging het - binnen het perspectief tóen van een ooit te verzorgen Julia-uitgave - om tot de beantwoording te komen van twee in elkaars verlengde liggende vragen:

- hoeveel nederlandstalige drukken van Julia zijn er geweest, en

- is het mogelijk per druk een ‘ideal copy’ aan te wijzen, teneinde variant-vergelijkenderwijs een basistekst te verkrijgen.

Alvorens met dit onderzoek van start te gaan, is de praktische werkafspraak gemaakt dat het uitsluitend om zelfstandige Julia-drukken (d.i. de ‘Julia’-tekst met bijbehorend ‘Mengelwerk’) zou gaan die tijdens het leven van de auteur (1753-1824) waren verschenen. Al snel kwam toen de gemakkelijke liggende (eerst werk-) titel tevoorschijn: ‘vóór 1800’. De laatst bekende zelfstandige druk van Julia was er een van 1792, het verzameld werk onder de titel Dicht- en prozaïsche werken met in het vijfde deel onder meer Julia en in 1824 uitgegeven door J. Immerzeel Junior te Rotterdam, viel er vanzelfsprekend buiten.64

Het eerste deel van dit artikel liet zien dat de meest recente wetenschappelijke publicaties die informatie zouden kunnen geven over het aantal nederlandstalige drukken van Julia ‘vóór 1800’, zoals Ten Bruggencate (1911), Ghysen (1933), Buisman (1952) en Buijnsters (1963) op dit punt zeker niet eenduidig zijn, laat staan eensluidend.

Een nauwkeurige analyse van externe gegevens leidt tot de conclusie dat Buisman het bij het rechte eind heeft gehad. Vóór 1800 (= ‘tijdens het leven van de auteur’) zou er sprake zijn geweest van vier drukken: twee in 1783 bij C. van Hoogeveen Junior te Leiden, één in 1786 bij J.B. Elwe en D.M. Langeveld te Amsterdam, en één in 1792 bij Johannes Allart te Amsterdam.

Nogmaals: hoeveel nederlandstalige drukken van Julia vóór 1800

Echter (en gelukkig maar voor mijn moreel): een beschrijving en vergelijking van de onderscheiden

[p. 434]

drukken geeft aanleiding te veronderstellen niet met vier maar met vijf drukken te maken te hebben. Een analyse van exemplaren van druk-1786 namelijk bracht zodanige onderlinge verschillen aan het licht op het gebied van signatuuraanduiding, paginering, custoden, ornamenten, bladspiegel en zetfouten, dat het gerechtvaardigd lijkt te zeggen dat er in 1786 twee drukken zijn geweest, een derde en een vierde.65

1783: eerste druk

Een vergelijking van (niet: voor) de eerste druk66 levert geen aanwijzingen op te moeten concluderen dat zij tot een verschillende druk behoren. De afwijking tussen het a- en b-exemplaar in de collatieformule67 komt voort uit het feit dat in b een zestal gravures d.d. 1785 zijn opgenomen die tot de druk-1786 behoren en in dit onderhavige geval dus naderhand moeten zijn bijgebonden. (Op de slordige en onverantwoordelijke Julia-tekstuitgave van Van den Toorn is reeds in het eerste deel van dit artikel gewezen.) Als totaal-exemplaar zou je a met andere woorden wat dit betreft ‘gaver’ kunnen noemen dan b.

In de volledige exemplaarbeschrijving heb ik het volgende als frappant voor deze exemplaren genoteerd. In zowel a als b is sprake van een cancelleaf. In het b-exemplaar is het blad dat vervangen diende te worden (cancellandum) afgesneden tot dicht bij de binnenmarge, het vervangende blad (cancellans) is versozijde op de onglais geplakt. Het a-exemplaar laat - minder gebruikelijk - twee onglais zien: het vervangende blad is niet op de onglais van [D8] geplakt maar ingevoegd op de wijze van een gravure: de onglais van [D+1] bevindt zich tussen [D7]v en [D8]r; de onglais van [D8] bevindt zich tussen [C8]v en [D+1] r. Het vervangen van bladen vindt plaats omdat een blad of bladzijde op de een of andere wijze óf typografisch óf inhoudelijk incorrect wordt geacht. Wat er in dit geval aan de hand is geweest, blijft vooralsnog een raadsel. Of het voorkomen van een cancelleaf op deze plaats kenmerkend mag heten voor de gehele oplage, eveneens.68

De ornamenten aan het begin en aan het slot van ‘Aan Mevrouwe***’ (op A2r respectievelijk A3v) kunnen als specifiek worden beschouwd voor de drukkerij van Cornelis van Hoogeveen Junior. Bewijskracht hiervoor ontleen ik aan: Proeve van vignetten, meest alle getekend door wijlen den beroemden kunstschilder J. Palthe, en andere ornamenten, welke gevonden worden in de boekdrukkerij van C. van Hoogeveen, Junior. 1777. Ze zijn er in opgenomen als nummer 42 respectievelijk nummer 4.

 

Ook het ornament van steeds drie fleurons, gebruikt om aan te geven dat een tekstgedeelte is beëindigd (tenminste daar waar het pagina wit het toelaat), is in dezelfde Proeve afgebeeld.

Vermeldenswaard is nog hier dat beide exemplaren een kleine gravure van J.L. Zentner hebben die de ‘Julia’-tekst op [I4]v afsluit. Deze komt in geen der onderzochte exemplaren van andere drukken voor.69

 

Om een idee van ook detailovereenkomsten te geven:

Beide exemplaren geven op A5v (p. 10) in het woord ‘onsterfelijkheid’ (r. 7) extra wit te zien tussen ‘onsterf’ en ‘lijkheid’.
In zowel a als b moet op [D7]r (p. 61) het uitroepteken na ‘Och’ (r. 2) het zonder punt doen. Op G1r (p. 97) en op G3r (p. 101) is in beiden na ‘onmeetbaa’ (r. 11) respectievelijk ‘roo’ (r. 25) het afbreekstreepje weggevallen, of er mogelijk nooit geweest.
[p. 435]



illustratie

Afb. 1. Titelpagina [* + 1]R.
Ex. UBA 1162 C 22. De eerste druk heeft een identieke titelpagina als de tweede.




illustratie

Afb. 2 ‘Franse titelpagina’ [*1]R.
Ex. UBA 1162 C 22.


[p. 436]

Veel overeenkomsten die het vaststellen van een ‘ideal copy’ eigenlijk behoorlijk in de weg staan [sic!]. Toch waren daar afwijkingen wat betreft gravures en cancelleaf. Ten faveure van wederom a moet worden opgemerkt dat dit exemplaar minder manco's tengevolge van de gang van het drukproces laat zien dan b. Ter illustratie:

In a is op [D7]v (p. 62) de ‘k’ van ‘zulk’ (r. 9) minder omhooggeschoven dan in Ib.
Het woord ‘alle’ op [D8]v (p. 64, r. 14) ziet er in a niet zo verfomfaaid uit als in b, waar de ‘a’ lichtjes omhooggekanteld tegen de eerste ‘l’ aanhangt, en de eerste drie letters samen achter elkaar dreigen af te glijden, terwijl de ‘e’ van een horizontaal een diagonaal is geworden en bovendien minder dan een mm. is omhooggeschoven.

Dat de voorkeur uit zal móeten gaan naar a lijkt evident.

1783: tweede druk

Een vergelijking van de vier onderzochte exemplaren van de druk-1783 elk op de zogenoemde franse titelpagina coqueterend met ‘TWEEDE DRUK.’ (afb. 2), geeft alle aanleiding te veronderstellen met éénzelfde druk te maken te hebben. Identiciteit wat betreft met name titelpagina, (plaats der) signaturen, custoden, voetnoten, opbouw van de inhoud, vignetten, ornamenten, (opbouw van de) tekst (per pagina).

Opgemerkt kan worden dat b in het voor de drie anderen geldende formaat afwijkt, namelijk groot-octavo in plaats van octavo.

Ook hier speelt het in de collatieformule optredende verschil dat zijn oorzaak vindt in het al dan niet voorkomen van gravures (i.c. die d.d. 1785): a en d geen, c wel en b zelfs een dubbel stel platen waarvan één ingekleurd.70

Wat betreft de staat waarin de exemplaren zich bevinden, is het goed te noteren dat a en d her en der zijn gerestaureerd met papier, (papieren) plakband, plak- linnen. b is in dit opzicht van de vier het meest ‘gave’ exemplaar.

Ook in deze druk is een onderlinge versterking in specifiekheid aanwezig. Zoals gevallen van extra wit tussen letters van één woord; bijvoorbeeld: tussen ‘w’ en ‘ie’ in ‘wie’ op C5r (p. 41, r. 25), tussen ‘Graf’ en ‘kelder’ in ‘Grafkelder’ op [B7]r (p. 29, r. 17).

En een reeks ontbrekende punten bij uitroeptekens, bijvoorbeeld: na ‘Engel!’ op [C8]v (p. 48, r. 10), na ‘Helaas!’ op H1v (p. 114, r. 5), en ‘dan!’ op H3r (p. 117, r. 15). Aardig in dit verband is een ook in alle exemplaren voorkomend geval van letteromkering: ‘verstrekte’ op H5r (p. 121, r. 18) in plaats van het - wel in de eerste druk - correcte ‘versterkte’.

 

Tekstuele variantvergelijking tussen de vier exemplaren levert slechts wat kleingoed op, geen ingrijpend onderscheid.

Om een idee te geven:

In het woord ‘zijn’ op A3r (p. 5, r. 25) is in a, c en d de ‘i’ weggevallen; het woord is correct in b.
In ‘harmo-’ op C5v (p. 42, r. 9) is het afbreekstreepje vaag zichtbaar in a, c en d; duidelijk zichtbaar in b.
In ‘op’ op [C7]v (p. 46, r. 10) is de ‘o’ iets omhooggeschoven in a, c en d; correct in b.
In ‘hem’ op [G7]v (p. 110, r. 3) ontbreekt in a, c en d de ‘m’ in tegenstelling tot b.
Enzovoorts. Is er sprake van een graduele verslechtering in zichtbaarheid dan is er een aflopende lijn: b, a, c en tenslotte d. Dit zou er op kunnen wijzen dat b eerder van de pers rolde dan de andere exemplaren.
[p. 437]

Wat betreft tekstvergelijking verdient b verre de voorkeur.

 

Deze druk is inderdaad een ‘tweede druk’. Er is geen sprake van een page for page reprint van de eerste. Wel van een nieuwe druk op basis van een gecorrigeerd exemplaar van de eerste druk. Bewijs dat het hier de nadruk van een gecorrigeerd exemplaar betreft en geen manuscript is het feit dat de lopende tekst met A2 begint71, en dat het toegevoegde voorwerk voorkomt als katern*.

De - voor het merendeel terechte - correcties in de tweede op de eerste druk betreffen meer dan 120 interpunctiekwesties en zo'n 25 spellingaangelegenheden.72 Soms zijn de regels meer uitgedreven dan in de eerste druk, hetgeen in geval van het volgen van een gedrukt exemplaar niet uitzonderlijk is, evenals het feit dat de afstand tussen de laatste regel van de lopende tekst en de katernaanduiding op nogal wat plaatsen, zo'n 40, voor de eerste en tweede druk verschillend is (niet in alle gevallen betreft het pagina's waar in de tweede druk correcties op de eerste zijn aangebracht)73. Op een enkele plaats is de tweede druk ‘slordiger’: tweemaal komt in het tekstafsluitingsornament een niet passende fleuron voor, op H5R staat - zoals gemeld - ‘versterkte’ in plaats van het correcte ‘verstrekte’.74

1786: een derde én een vierde druk

De gehele Julia-tekst is opnieuw gezet. Een blik op de titelpagina (afb. 3) zorgt voor een onverwachte ontmoeting: eenzelfde illustratie als bekend van de titelpagina van eerste en tweede druk, zij het dat hier het onderschrift ontbreekt en het plaatje bij nadere beschouwing opnieuw (en afwijkend) is getekend/gegraveerd.75

Het ‘Voorbericht’ van de druk-1783-2 is ook in de 1786-exemplaren opgenomen maar wel met een kenmerkend verschil: de plaatsen met ‘tweeden’ druk zijn vervangen door ‘nieuwen’.76 Toegevoegd is een inhoudsopgave en een bericht voor de boekbinder (**-katern). De lopende tekst begint op A1.

Het feit dat het merendeel van de in de tweede druk opgenomen correcties op de eerste druk is terug te vinden, geeft - met het voorkomen van het ‘Voorbericht’ - aanleiding te veronderstellen dat een exemplaar van 17832 de druk-1786 als voorbeeld heeft gediend, nauwkeuriger: de derde druk van 1786 als voorbeeld heeft gediend.

 

De zeven exemplaren van druk-1786 stemmen overeen in titelpagina, formaat, voetnoten, opbouw van de inhoud77, en vignetten.

Een vergelijking van de zeven exemplaren leidt tot de conclusie een onderscheid te moeten maken tussen exemplaar a en b als behorend tot de derde druk, en exemplaar c tot en met g als behorend tot de vierde druk.

In a - b ontbreekt de signatuur M3; in c - g ontbreekt de signatuur M5 terwijl de signatuur M3 tweemaal voorkomt: eenmaal op de correcte plaats, eenmaal in plaats - op de plaats - van M5.

In c - g komt op *2v als paginanummer ‘V’ voor, a - b geven hier het - correcte - ‘IV’; op A4r ontbreekt het - in het a en b exemplaar wél voorkomende - pagina-nummer ‘7’ in c - g.

De bladspiegel in a - b is in een aantal gevallen kleiner dan die in c - g.78 In c - g zijn zo'n kleine veertig regels meer uitgedreven dan in a - b.79 Hiernaast zijn ook bewijsplaatsen te vinden dat van de vierde druk de tekst dank zij het voorbeeld van de derde voordeliger gezet kon worden, in een geval zelfs zo dat een pagina met het ongebrui-

[p. 438]



illustratie

Afb. 3 Titelpagina [*+1]R. GBR 1155 A 5.




illustratie
Afb. 4 Titelpagina [*+2]R. KB 1350 B27. Sterk verkleind.


[p. 439]

kelijke aantal regels van 27 in a - b, in c - g tot het ‘normale’ aantal van 26 kon worden teruggebracht.79a De lengte van de koptitelwoorden is in a - b meer dan in c - g. Er kan op een aantal pagina's verschil in afstand tussen de laatste regel van de lopende tekst en de katernaanduiding worden geconstateerd. Dit laatste geldt ook voor de afstand tussen de laatste regel van de lopende tekst en die van het ornament dat als tekstafsluiting wordt gebruikt, terwijl bovendien ook de onderlinge afstand tussen de drie fleurons die als tekstafsluitingsornament dienen in exemplaar a - b afwijkt van die in exemplaar c - g.80.

 

De in a en b voorkomende custoden81 ontbreken volledig in exemplaar c tot en met g. Achteráf laat zich dit feit gemakkelijk verklaren: de custoden hoeven geen dienst meer te doen, de binder heeft het materiaal dat als voorbeeld dient voor zich en kan daar de volgorde aan ontlenen.

Wat betreft ornamenten is er tussen de zeven exemplaren grote overeenstemming, op twee uitzonderingen na. Op [**2]r geven a en b het als tekstafsluiting gebruikelijke arrangement van drie fleurons, in c - g bestaat het daarentegen uit één fleuron; op H2v ontbreekt in c - g het tekstafsluitingsornament geheel.

In zowel a - b als c - g komen in de tekst zetfouten voor. In a - b zou men ze als ‘schoonheidsfoutjes van gebruikelijke aard’ kunnen betitelen (bijvoorbeeld ‘uatuur’ en ‘n schreef’).82 In c - g is geen van de in a - b aangetroffen zetfouten te vinden, wel andere, voorbeelden van slordig en onnauwkeurig zetwerk in - vergelijkenderwijs - de driedubbele hoeveelheid.83

In alle exemplaren zijn voorbeelden te vinden waar zij zich slachtoffer van het proces van drukgang kunnen noemen, los van het feit of zij tot de derde dan wel de vierde druk behoren. Aanwezig zijn de bekende kwesties van de langzaam verdwijnende of verdwenen komma, de steeds minder zichtbaar wordende of on- zichtbare punt, het steeds hoger geschoven of schuiner komende te staan uit- roepteken, het steeds meer afgezakte of omhooggeschoven of vervagende (en zelfs verdwenen) woordafbreekstreepje, de steeds meer afzakkende of hoger schuivende of vager wordende of schuiner staande of beschadigd voorkomende letter(s), het steeds meer afglijdende woord (het lijkt wel bijkans een reeks spannende jongensverhalen), alhoewel somtijds loupe en lineaal wel érg onmisbare attributen zijn.

Soms betreft het een geval dat in alle exemplaren voorkomt, soms geeft een exemplaar een bijvoorbeeld beschadigde letter te zien op een plaats waar deze in de andere exemplaren ‘heel’ wordt aangetroffen, soms onderscheiden het a en b exemplaar zich in deze negatief van de andere vijf, maar toch moet worden gesteld dat het merendeel van deze kwesties te vinden is in de exemplaren van de vierde druk, c - g. (Het is niet zo dat zich een volgorde in de zin van ‘dit exemplaar is (steeds) vóór dit gedrukt’ aftekent.) Opgemerkt moet echter worden dat de papiersoort van c - g van duidelijk mindere kwaliteit is dan die van a - b. Het is een bijna onmogelijke opgave gezien de omvang voor ‘de vijf’ alle plaatsen te citeren waar een letter ten gevolge van de pruppeligheid van het papier blijk geeft onvast ‘op de voetjes’ te staan, steun lijkt te zoeken bij een voorgang(st)er, het lager- of hogerop is gaan zoeken, de indruk wekt op wit-avontuur te willen gaan.

Ook wat betreft de lengte van woordafbreekstreepjes zijn er tussen a - b enerzijds en c - g anderzijds duidelijke verschillen te constateren (soms ook is op een pagina geen aandachtstreepje gelijk84), terwijl in het aantal voorkomende aandachtstippels op minder regels een gelijk bedrag te tellen is dan het registrerende oog - en wat daar aan vast zit - vaak zou wensen.

[p. 440]

We moeten constateren dat de c - g exemplaren een page for page reprint zijn van de derde druk, kenmerkende ‘fouten’ zijn klakkeloos overgenomen.85 Een vergelijking van het a en b exemplaar met de exemplaren c - g geeft mij, op grond van in b - g overeenkomstige regelafbrekingen86, aanleiding te stellen dat een ‘b-exemplaar’ de vierde druk als voorbeeld heeft gediend.87

Opgemerkt moet worden dat vergelijking tussen exemplaar a en b leert dat b verre de voorkeur verdient als ‘beter’ exemplaar, minder beschadigingen.

Wat betreft c tot en met g zijn er wisselingen per katern te noteren, vooral aangaande weggevallen interpunctietekens die somtijds tot een afwijkende- niet bedoelde - interpretatie zouden kunnen leiden. Het geheel overziende moet het c-exemplaar als het naar verhouding dichtst bij het correcte worden aangemerkt.

1792: de vijfde druk

De gehele ‘Julia’-tekst is opnieuw gezet. De onderzochte exemplaren geven alle aanleiding te veronderstellen dat zij tot éénzelfde druk behoren.88 De exemplaren zijn uiterst identiek. Alleen hen beziende als mogelijke slachtoffers van ‘het proces van een drukgang’ vermag duidelijk maken dat het d-exemplaar het minst geschonden - meest correct is. De titelpagina laat een eigen gezicht zien (zie afb. 4). Het ‘Voorbericht’ ontbreekt, evenals een inhoudsopgave en een bericht voor de boekbinder, zodat vergelijkingsgedachten uitkomen bij de eerste druk.

Het variantenonderzoek wijst uit dat deze vijfde druk nogal wat spellingvarianten ten opzicht van vorige drukken heeft89, en bovendien een aantal substantiële in aanmerking te nemen tekstuele varianten in het kader van een te bepalen ‘basistekst’.90 Het merendeel van de correcties van de tweede op de eerste druk zijn echter níet opgenomen, hetgeen het vermoeden sterkt dat een exemplaar van de eerste druk deze vijfde als voorbeeld heeft gediend.

 

Resumerend kan worden gesteld dat op basis van de achttien onderzochte exemplaren mag worden geconcludeerd dat tijdens het leven van de auteur Rhijnvis Feith vijf zelfstandige drukken van diens Julia zijn verschenen, te weten:

1783 [eerste druk] bij C. van Hoogeveen Jun. te Leiden,

1783 tweede druk bij C. van Hoogeveen Jun. te Leiden,

1786 [derde druk] bij J.B. Elwe en D.M. Langeveld te Amsterdam,

1786 [vierde druk] bij J.B. Elwe en D.M. Langeveld te Amsterdam,

1792 [vijfde druk] bij Johannes Allart te Amsterdam.

Op weg naar een basistekst

De meest recente tekstuitgave van Julia is die van Van den Toorn (1967). In het eerste gedeelte van dit artikel is reeds naar voren gekomen dat hierop nogal het een en ander valt aan te merken. Een nieuwe uitgave van de ‘Julia’-tekst zou zeker niet overbodig zijn.

Verondersteld mag worden dat de eerste druk van 1783 het dichtst bij het manuscript staat.91 Hierboven heb ik geconstateerd dat de tweede druk ten opzichte van de eerste inderdaad een ‘nieuwe’ druk is. Hier is het nu van wezenlijk belang te wijzen op het in 17832 nieuw voorkomende ‘Voorbericht’, en de varianten ten opzichte van de eerste. Gebakkelei over interpunctie en spelling tussen auteur en drukker is een bekend, om niet te zeggen vertrouwd verschijnsel. In Julia zet ook Feith deze tradi-

[p. 441]

tie voort: de rond de honderdvijftig op de druk aangebrachte correcties zijn uiterst zinnig en terecht. In het ‘Voorbericht’ meldt de auteur: ‘Ondertusschen spijt het mij, dat ik verhinderd ben geworden in deezen tweeden druk gebruik te kunnen maken van de gegronde en keurige critiques, daar sommige mijner kundigste Vrienden, die in dit alles onder het getal der bevoegde Kunstrechters van soortgelijke voortbrengsels behoren, mij wel mede hebben willen vereeren. [...] de algemeene klagte van de Bezitters des eersten druks, op het horen dat ik, binnen een' zo korten tijd, een tweeden verbeterden uit zou geven, heeft mij dit belet’ (p. VI).

De correcties van de tweede op de eerste druk betreffen voor het merendeel gevallen waar het lezende oog al onbewust een punt, een komma, een juiste werkwoordvervoeging invulde.92 Slechts in een uitzonderlijk geval is het geen verbetering ten opzichte van de eerste druk93, of zijn beide de gegeven interpretaties te verdedigen. De auteur van het voorwoord heeft in zoverre geen leugens verteld.

Al met al wil ik hiermee concluderen dat de tweede druk de voorkeur verdient boven de eerste - zij het dat de enkele betere variant in de eerste druk wel vermelding behoeft. Staat de eerste druk het dichtst bij het manuscript, de tweede staat het dichst bij de bedoeling van de auteur.

 

De verbeteringen van de tweede druk zijn in de derde en vierde druk goeddeels gevolgd.94 Op enkele plaatsen zijn deze drukken correcter dan de tweede: merendeels verbeteringen door toegevoegde leestekens.95

Opgemerkt moet worden dat er weliswaar enkele betere varianten in vergelijking tot de tweede druk genoemd kunnen worden, maar dat beide drukken niet voldoende van de tweede afwijken. Bovendien komt een afgeleide druk per definitie niet als basistekst voor een editie in aanmerking.

De vijfde druk heeft in een kleine 35 gevallen de verbetering van de tweede ten opzichte van de eerste gevolgd. Waar de derde en vierde een verschil ten opzichte van de tweede druk laten zien in de zin van het geven van een meer correcte tekst, geldt dit voor die plaatsen in kwestie niet voor de vijfde.

Er zijn in deze laatste druk nogal wat toegevoegde leestekens - voornamelijk komma's - die een correctere lezing toestaan dan in de andere drukken het geval is. Het gedicht, hier op F2v, is echter niet cursief gedrukt; in de andere drukken is dit wel zo. De vijfde druk tenslotte heeft wel degelijk substantiële woord- en zinvarianten in vergelijking tot de voorgaande drukken: op vier plaatsen is in de tekst een woord toegevoegd, op veertien plaatsen zijn een of meerdere woorden vervangen96.

Het voorkomen in de vijfde van te veel evidente ‘fouten’ uit de eerste druk - verbeterd in de tweede - blijft mij echter aan de tweede druk als uitgangspunt voor een basistekst de voorkeur doen geven.

Resumerend: als uitgangspunt voor een basistekst voor een editie van de ‘Julia’-tekst heeft de tweede druk van de vijf tijdens het leven van de auteur zelfstandig verschenen Julia-drukken de voorkeur. De substantiële tekstvarianten van de vijfde druk verdienen mét de niet te verwaarlozen betere varianten van de eerste en die van de derde en vierde druk een plaats in commentaar97.

[p. 449]

Bibliografie

Bruggencate, H.G. ten. Mr. Rhynvis Feith, een bijdrage tot de kennis van zijn werken en persoonlijkheid. Wageningen 1911. (Diss. Leiden)
Buisman J.Fzn., M. ‘De drukken der “Julia” van Rhynvis Feith’. In: Folium librorum vitae deditum 2 (1952), p. 109-110.
Buijnsters, P.J.A.M. Tussen twee werelden. Rhijnvis Feith als dichter van ‘Het Graf’. Assen 1963. (Diss. Nijmegen)
Catalogus der bibliotheek van de ‘Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels’ te Amsterdam. 's Gravenhage 1920-'65.
Catalogus eener uitmuntende verzameling van meest nederduitsche ongebondene boeken, bestaande in voorname copyen, koperen plaaten, printen, benevens eene aanzienlijke partij drukpapieren; nagelaten door wylen den heer Johannes Allart. Welke onder de Boekverkoopers verkocht zullen worden op Maandag den 9den Maart 1818, en volgende dagen, in den Nieuwen of Schutters Doele, in 's Gravenhage. Te Amsterdam, by H. Gartman en J. ten Brink, Gz. en te Deventer, by G. Brouwer, 1818. Deze catalogus berust in de verzameling van de ‘Vereeniging ter bevordering enz.’ te Amsterdam, sign. J. Allart ‘prospectussen’ f v 29. Het Kasboek draagt dezelfde signatuur.
Centrale Catalogus in de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage.
Feith, Rhynvis. Brief aan N.N. d.d. 9 december 1782. Sign. Hskamer UBL 78 C 70.
Feith, Rhynvis. Julia. te Leijden, bij C. van Hoogeveen Jun., 1783. (Exx. in bezit van dr. P.J.A.M. Buijnsters te Nijmegen, en drs. A.N. Paasman te Putten/Gld.)
Feith, Rhynvis. Julia. [Tweede druk]. Te Leijden, bij C. van Hoogeveen Jun., 1783. (Exx. in bezit van UBA (1162 C 22), UBL (1212 E 28). PBF (A 389), Inst. v. Neerl. UvA 51).
Feith, Rhynvis. Julia. Te Amsterdam, bij J.B. Elwe en D.M. Langeveld, 1786. (Exx. in bezit van GB Rotterdam (1155 A 5), PBF (2968 TL), PBZ (55 A 6), Meermanno-Westreenianum (113 H 15), UBL (1172 D 1), UBU (Z oct. 792), KB (3123 B 1).
[p. 450]
Feith, Rhynvis. Julia. Met Plaaten. Te Amsterdam, bij Johannes Allart, 1792. (Exx. in PBF (2969 TL, TH Delft (8413 J 291), UBA (1047 B12) UBL (1210 B 14), KB (1350 B 27.)
Feith, Rhynvis. Julia. Met inl. en aant. van H.C.M. Ghysen. Purmerend 1933.
Feith, Rhynvis. Julia. Met inl. van M.C. van den Toorn. Den Haag [1967]. Kramers Pockets van Formaat nr. 36.
Feith, Rhynvis. Poëtisch Mengelwerk. Te Amsterdam, bij J.B. Elwe, 1788. (UBA 633 A 15)
Gaskell, Philip. A New Introduction to Bibliography. Repr. Oxford [1974].
Groenendaal Jr., M.H. Drukletters, hun ontstaan en hun gebruik. [2e dr.] Amsterdam [1943].
McKerrow, Ronald B. An introduction to bibliography for literary students. [Repr. of 2nd impr.] Oxford [1967].
N..., L.V. Vermaakelyke Reizen, door het grootste gedeelte van het Duitsche Ryk; gedaan in den jaare 1782 en 1783 [...]; Aan het einde des Werks, wydt de Schryver ten breedsten uit in den lof van den Heere, Mr. RHYNVIS FEITH, BETREFFENDE DESZELFS JULIA [...]. Te Leyden by Hogeveen en F. de Does [...] Amsteldam Elwe en Langeveld [...], z.j. (UBA 1128 F 23)
Oostrum, Wa.R.D. van en M. Hochscheid-Mabesoone. ‘Julia (-) drukken’ I. In: Spektator jrg. 3 (1973-'74), p. [513]-536.
Pearce, M.J. A workbook of analytical and descriptive bibliography. London [1970].
Proeve van vignetten, meest alle getekend door wijlen den beroemden kunstschilder J. Palthe, en andere ornamenten, welke gevonden worden in de boekdrukkerij van C. van Hoogeveen, Junior. Z.p. 1777. (G.A. Leiden 71290 P)