begin  verderprepost
[p. V]

Voorrede.

De beschouwing onzer kennis dringt ons terug tot de ervaring, die wij overal, waar het om staatkunde of godsdienst te doen was, zoo roekeloos verlieten, om onze hand uit te strekken naar de schaduwen der redenering. Maar zullen wij dien weg der ervaring voortaan bewandelen, dan moet hij met juistheid worden afgebakend, met naauwkeurigheid worden aangewezen. En zietdaar juist de taak, die de logica in onzen tijd met vernieuwde kracht op zich heeft genomen. Zij is de dorre en onvruchtbare wetenschap niet meer, die de welverdiende spotternij des dichters uitlokte; zij is tot een gewigtig, tot een onmisbaar deel der vorming geworden, die den man van wetenschap onderscheidt van het volk; en de vraag, wier beantwoording zij zich voorstelt, is van dezen inhoud: welke is de methode der ervaring, die in de natuurwetenschappen tot waarheid heeft gevoerd, en in hoe ver is zij ook op de wetenschappen des geestes en der maatschappij van toepassing?’

Met die woorden wees ik in het vorige jaar het karakter en de bedoeling eener wetenschap aan, wier uitvoeriger ontwikkeling dit handboek mededeelt. Onze tijd, waarin

[p. VI]

alle bespiegeling, die zich van de ervaring heeft losgerukt, zoo onvruchtbaar gebleken is, roept met waarschuwende stem ons toe, hare wegen te verlaten, en het voorbeeld dier onderzoekingen te volgen, die het menschdom hebben vooruitgebragt, die het wijzer, beter en gelukkiger hebben gemaakt. Beschamend staan de natuurwetenschappen daar voor ons, en als zij ons, die met den geest, met de maatschappij, met den staat ons bezig hielden, ernstig afvragen: wat hebben uwe navorschingen in zoo veel eeuwen tot stand gebragt? Welke waarheid hebt gij vastgesteld? Welke verbetering van het lot uwer medemenschen is van u uitgegaan? vernederend zal onze bekentenis zijn. De wijsbegeerte heeft de groote leenspreuk van baco: nut en vooruitgang! in den wind geslagen, en het vergeten, dat onderzoek tot kennis, kennis tot voorspellen, voorspellen tot handelen ons leiden moet. Maar de harde les der ondervinding, die het gebouw harer stelsels heeft omvergeworpen, is niet vruchteloos geweest. Waar ijdele bespiegeling het meest woekerde, daar zelfs hooren wij overal het woord: laten wij terugkeeren tot de ervaring, tot den weg, ons door baco gewezen.

Maar laten wij het doen met bedachtzaamheid. Onberaden ijver, die de natuurstudie niet kon eerbiedigen zonder met haar te dweepen, heeft menigeen er toe gebragt, om het geestelijke te ontkennen, in plaats van het naar hare methode te begrijpen en te verklaren. De zekerheid van het zinnelijke doe ons het oog der rede niet sluiten voor hetgeen boven het gebied der vijf zinnen gelegen is. En vergeten wij het evenmin, dat iedere eenzijdigheid, die ons bij ééne der natuurwetenschappen deed te raad gaan, om de anderen te verwaarloozen, ten verderve voert. Niet ééne slechts moet ons voorbeeld zijn; onze blik moet

[p. VII]

ieder veld overzien, waar de mensch onderzoek gezaaid en ontwijfelbare kennis heeft ingeoogst.

‘Wanneer men eens,’ - het is een uitspraak van den eenigen newton, - ‘wanneer men eens door de methode der ervaring de natuurwetenschappen in al hare deelen tot volmaaktheid gebragt heeft, zal men ook de geestelijke wetenschappen op dezelfde wijze tot volmaaktheid brengen.’ Zal onze eeuw niet opgewekt zijn, om er de proef van te nemen? Het is waar, in alle deelen is ook de natuurkennis niet volmaakt, maar toch zoo omvattend is het gebied, dat zij veroverd heeft, zoo verschillend van aard zijn de verschijnselen, wier wetten zij ons onthult, zoo na reikt zij reeds door hare physiologie aan de verschijnselen van het geestelijke leven, dat onze tijd rijp mag heten, om het werk, dat tot zoo ver volbragt is, verder te voltooijen.

En zoo durf ik mij vleijen, dat mijne logica, ook bij het onvolkomene, dat al wat van menschen uitgaat ontsiert, voldoen zal aan de eischen onzer eeuw en hare behoeften zal helpen bevredigen. Moge zij er toe bijdragen, om aan die wijsbegeerte ingang te verschaffen, die, niet besloten binnen de enge grenzen eener school, vruchten draagt voor het leven, en wier leus het is: door kennis tot daden!

 

Dat mijn handboek in de eerste plaats bestemd is, om de grondslag mijner akademische lessen te zijn, behoef ik hem, die het doorloopt, naauwelijks te zeggen. Wat hier slechts aangestipt is wordt daar ontwikkeld, bewezen, tegen bedenkingen verdedigd. En toch wensch ik, dat het ook buiten de hoogeschool werken zal, en vertrouw, dat het

[p. VIII]

daartoe in staat is. Zeker kan het voor menig punt der meest verschillende wetenschappen de stof leveren van een verder onderzoek, van naauwgezette nasporing, die aan de goede zaak der menschheid voordeelig zij.

Met dankbare vermelding van hen, die in het grootste gedeelte van hetgeen deze logica bevat mijn onmiddellijke voorgangers zijn, van herschel, whewell, mill en comte, eindig ik deze voorrede. Wat er in mijn werk oorspronkelijk is, en waar ik van de leer dier uitstekende denkers ben afgeweken, mogen zij onderscheiden, die naauwkeurig met hunne schriften bekend zijn; en zij, die daarenboven door eigen denken tot nog dieper inzigt gekomen zijn, mogen de juistheid of onjuistheid dier afwijkingen beoordeelen.

 

utrecht, 28 Julij 1851.

prepost  begin  verder