
Enkele maanden voor zijn drie en twintigste verjaardag begon Paul van Ostaijen, die al twee dichtbundels en vele artikelen gepubliceerd had, voor het eerst verhalend proza te schrijven en wel een autobiografische roman. Het mag enerzijds wat vreemd lijken dat hij zo jong en voor een eerste proeve al het eigen leven tot onderwerp koos, aan de andere kant maken zijn omstandigheden het verklaarbaar dat hij juist toen behoefte voelde een afsluitende balans over zijn eerste levensperiode op te maken. Geboren1 en getogen in Antwerpen, was hij kort voor de eerste wereldoorlog als stadhuisklerk in dienst van deze stad getreden en had zich daarnaast tijdens de bezettingsjaren als dichter, kunstcriticus en strijdbaar flamingant tot een van de opmerkelijkste figuren onder de jonge Antwerpenaren ontwikkeld. Het einde van de oorlog bracht in deze ontwikkeling een ingrijpende koersverandering: de toch al sceptisch ingestelde idealist zag de mogelijkheden om zich in Antwerpen verder te ontplooien voorlopig afgesneden en vreesde - volkomen terecht, blijkens het feit dat hij later bij verstek tot elf maanden gevangenisstraf veroordeeld werd - als activist vervolgd te zullen worden. Dit vooruitzicht bracht hem ertoe kort voor de wapenstilstand, in oktober 1918, uit te wijken naar Berlijn, waardoor het hem tevens mogelijk werd met zijn toen nog ongescheiden vriendin samen te gaan leven en waarbij ook de aantrekking van Berlijn als een der internationale kunstcentra een rol zal hebben gespeeld. Deze vlucht betekende echter een radicale breuk met de hem vertrouwde omgeving, het opgeven van zijn maatschappelijke zekerheden binnen de vaste betrekking en de familiekring en ten slotte een stroomversnelling, zowel in zijn aansluiting bij de nieuwe Europese kunstontwikkelingen als in het ontnuchteringsproces ten opzichte van zijn jeugdidealen en het humanitaire karakter van zijn eerste dichtwerk. Dit ontnuchteringsproces is duidelijk merkbaar indien men de ietwat rauwe gedichten als De moordenaars en Maskers, die in november en december 1918 geschreven werden en waarmee hij zijn latere handschriftbundel De feesten van angst en pijn zou openen, vergelijkt met de grotendeels hooggestemde gedichten die hij in zijn voorafgaande bundel Het sienjaal uit 1918 bijeenbracht en waardoor hij nog jaren lang in de eerste plaats als de pionier van het humanitair expressionisme in Vlaanderen bleef gelden.
Naast, of onmiddellijk na zijn eerste Berlijnse gedichten, waarmee hij nieuwe wegen was ingeslagen, begon hij aan een terugblik in romanvorm op zijn middelbare-schooljaren als de tijd van zijn eerste bewustwording. Of hij hierin de gehele beginperiode tot zijn vlucht naar Berlijn had willen verwerken is niet bekend, doordat het werk na twee hoofdstukken onvoltooid is blijven liggen.
Het bewaard gebleven kladhandschrift bestaat uit twee in zwart zeildoek gebonden cahiers, waarvan het eerste geheel, het tweede voor nog geen drie kwart
gedeelte is volgeschreven. Toen Van Ostaijen omstreeks Pinksteren 1921 naar Antwerpen terugkeerde, liet hij het handschrift in Berlijn achter bij zijn vriendin Emmeke Clement, die het sindsdien onder haar hoede heeft gehouden en het enkele jaren voor haar overlijden in 1965 ter beschikking heeft gesteld.
Het eerste cahier bevat op de binnenzijde van het vooromslag de handtekening P. van Ostaijen. Op de binnenzijde van het achteromslag wordt onderaan de handtekening herhaald en aan de bovenzijde - ter afsluiting van het eerste deel van het handschrift dus - staat de datering 11 januarie 1919. Op de voorzijden van de eerste 26 bladen - de achterzijden of linker bladzijden liet hij onbeschreven - staat de tekst van het eerste hoofdstuk Het landhuis in het dorp . Dan volgen nog 14 bladen, waarvan alleen het laatste blad aan beide zijden beschreven is, met het begin van het tweede hoofdstuk De jongen, zodat het gehele schrift 41 beschreven bladzijden bevat. Het tweede cahier geeft geen enkele datering, maar het vervolg van de tekst wordt voorafgegaan, op de binnenzijde van het vooromslag en op de eerste twee bladzijden, door een lectuurlijst in potlood, waarvan de inhoud beschreven is in Paul van Ostaijen, een documentatie .2 Hierop volgen 34 weer met inkt beschreven rechterbladzijden met tekst en ten slotte 13 onbeschreven bladen, zodat het gehele tekstgedeelte 75 bladzijden omvat. Het tweede cahier wijkt wat papiersoort en kleur van de liniëring betreft - doch niet qua formaat - van het eerste af en is 8 bladen dikker.
Behalve de éne datering in het handschrift zelf zijn uit de brieven van Van Ostaijen nog enige tijdsaanduidingen op te maken. Zo schrijft hij op 17 januari 1919 - dus 6 dagen nadat hij zijn eerste cahier had volgeschreven - aan René Victor, Floris Jespers en zijn andere Antwerpse vrienden3:
‘Ik schrijf een roman. D.w.z. van een roman aan dewelke ik begonnen ben zijn tans 47 bladzijden af.’ Het blijft bij deze éne summiere mededeling, zonder dat hij zijn vrienden verder inlicht over de opzet of de inhoud van zijn werk. Ruim een maand later, op 25 februari 1919, is hij op dit punt iets uitvoeriger in een brief aan Floris en Olympe Jespers en ‘ook aan de anderen’.4 Het blijkt dat hij in die tijd maar twintig bladzijden met zijn roman gevorderd was, maar over de opzet voegt hij - in overeenstemming met zijn toen verworven literair-kubistische visie - eraan toe dat hij vooral op ‘konstruktie’ uit is en over de stof merkt hij op dat deze ‘zo uitgebreid’ is, hetgeen doet vermoeden dat hij inderdaad een beeld wilde geven van zijn eerste levensperiode tot aan zijn vertrek naar Berlijn. De regels uit genoemde brief luiden:
‘Roman: 67 bladzijden af. 't Gaat langzaam, maar toch betrekkelik regelmatig. Ik zoek vooral konstruktie. 'K zou graag zien dat mijn roman in een zat gelijk

De lectuurlijst voorin het tweede cahier van het
handschrift

Vervolg van de lectuurlijst

Laatste bladzijde van de lectuurlijst
“L'étudiante” van Picasso.5 Verder is de stof die ik in mijn roman wil bijeen brengen zo uitgebreid, God...! Maar daar ik traag werk heb ik tijd, veel tijd na te denken en zo dwaalt, geloof ik, het gebouw niet van zijn schip af.’
De laatste keer dat Van Ostaijen over zijn roman repte, is in een ongedateerde brief aan zijn vriend Geo van Tichelen,6 die omstreeks 10 april 1919 geschreven moet zijn. Hij meldt dat hij zijn roman ‘nu wat rusten’ laat - een uitstel dat tot afstel heeft geleid, want verder dan het genoemde ‘80-tal bladzijden’ (om precies te zijn: 75) is hij nooit gekomen. Intussen is hij - kennelijk geïnspireerd door het werk van de zojuist door hem ontdekte Paul Scheerbart, die hij in dezelfde brief ‘de grootste duitse schrijver’ noemt7 - begonnen aan het schrijven van zijn eerste groteske, De kudde van Claire of de maagdelike bommelaarster, waarvan het handschrift gedateerd is Maart-Mei 19. Uit de voorafgaande gegevens en de volgende regels uit deze brief is op te maken dat het hier gepubliceerde handschrift van het begin van zijn autobiografische roman geschreven moet zijn tussen november-december 1918 en maart 1919:
‘Aan een roman ben ik begonnen heb een 80-tal bladzijden doch laat dat nu wat rusten. Schrijf een novelle waarin ik de mensen probeer voor de aap te houden. Positieve kritiek: bral. Ik voel tans voor novellen waar je zo heerlik in kunt zwansen. De mensen zijn niet waard gekritiseerd te worden. Enkel stof voor burleske novellen.’
Voor het onvoltooide romanfragment heeft Van Ostaijen duidelijk zijn eigen leven als vertelstof gebruikt, aangezien de beschreven omstandigheden en gebeurtenissen geheel overeenstemmen met die uit zijn eigen jeugd. Het beeld van die jeugd is echter ontworpen in de winter van 1918 op 1919, waarbij hij de nodige
distantie tot zijn verwerkte gegevens in acht heeft genomen door o.a. de naam van de hoofdpersoon te veranderen in Cor Hes. Dat hij zich bewust was zich met een beeldvorming achteraf bezig te houden, waarin ook de latere visie een rol speelt, bepaalde opvattingen als het ware in het verleden worden geprojecteerd en dit verleden in een nieuwe rangschikking wordt weergegeven, blijkt uit zijn opmerking dat hij ‘vooral konstruktie’ zocht. Als bij iedere autobiografie dient men dan ook te bedenken dat in de eerste twee hoofdstukken van deze roman de feitelijke gebeurtenissen weliswaar als gegevens fungeren, maar ervaren, verwerkt en verbeeld zijn volgens een visie van jaren later, of met andere woorden: Van Ostaijen heeft in dit onvoltooide fragment een beeld van zijn jeugd gegeven volgens de expressionistische opvattingen zoals hij deze in het begin van 1919 huldigde.
Dit komt het duidelijkst tot uiting in het eerste hoofdstuk, Het landhuis in het dorp, waarin beschreven wordt hoe de hoofdpersoon die ‘pas zeventien’ geworden is in maart voor het eerst uit school niet naar zijn geboortehuis terug moet, maar naar een nieuw huis dat twintig minuten sporens buiten de stad ligt. Vooral in de daarop volgende ‘synthetiserende’ beschrijving van dit dorp, het landhuis en het huisgezin is de expressionistische constructie opvallend.
De wijze waarop het leeglopen van de school in het begin van dit eerste hoofdstuk wordt weergegeven getuigt nog van een unanimistische visie, zoals deze ook in Van Ostaijens eerste bundel Music-hall uit 1916 tot uiting was gekomen, vooral aan het einde van het titelgedicht daaruit met de regels8:
In Het landhuis in het dorp schreef hij9: ‘de school schijnt buiten het gebouw op de straat verplaatst. Dan verbreedt dit rumoer zich, de stad in. Een zelfde stem die echoot. De stem wordt zwakker en zó ook de echo. Dan roept de stem niet meer en niet meer de echo. Het gebouw is gestorven. Het ligt midden in de straat: een gelost schip in de haven.’
Uit het gedeelte in dit hoofdstuk waarin de hoofdpersoon met de hond vanuit het nieuw betrokken huis zijn broer tegemoet loopt, spreekt voorts het humanitair
expressionisme in een uitlating als10: ‘Quintessens van de mens: goedheid’ en als aanduiding van de ontwikkeling van de hoofdpersoon wordt over de broer - die op de ‘dubbel-eenheid’ van het rustige land en de daarin voorbijrazende trein gewezen had - opgemerkt11: ‘De broer wist dat het Cor genoegen doen zou; hij kende zijn broer; hij wist dat hij nog in de eerste faze van het moderne was; een lyriese ontboezeming van de mooiheid van al wat twintig-eeuws modern was.’
De verdere ‘fazen’ van het modernisme worden in dit hoofdstuk niet beschreven. In de tijd waarin het verhaal speelt waren zij ook niet aan de orde, maar door de toepassing ervan zijn ze er toch in aanwezig. Zo is het synthetiseren van de buitenwereld in een samenvattende voorstelling als b.v. die van een symfonie al bekend uit Van Ostaijens stadsgedichten in Het sienjaal : ‘Maar de gevallen avond is de geweldige simfonie’ en ‘O geweldige fatum-simfonie! Eén beweging, éen ritme/in nochtans zo verscheiden elementen’ staat o.m. in het Avondlied12 te lezen. In Het landhuis in het dorp wordt het herenigd gezin in de avondlijke huiskamer weergegeven als13 ‘Een symfonie, die feestelik aangekondigd werd door de diep rode bassen, hernomen werd in de cello's en de violen; heel even daartussen een oppervlakkige klarinet of een hobo. De simfonie begon in de vier zeer diepe hoeken, - zó waren deze mensen die zich jarelang kenden even in de sluier van hun gans naar zich gebalde menselikheid, - doch zeer snel daarop was de inleiding gebroken en leefde de simfonie naar de hoeken toe, eksentries uit haar centrum.’
Enkele regels daarvoor komt ten slotte de faze van het constructief expressionisme, dat zich nauw bij het kubisme aansluit, aan bod, in de beschrijving van de woonkamer met de vier gezinsleden, waarvan het centrum het snijpunt is14 ‘waar de diagonalen van ouders en kinderen samen kwamen.’
Aan welke situaties en gebeurtenissen in Van Ostaijens eigen leven loopt het verhaal van Het landhuis in het dorp parallel?
In maart 1913, toen Van Ostaijen pas zeventien jaar was geworden, bezocht hij het Koninklijk Atheneum te Antwerpen aan het huidige Franklin-Rooseveltplein, niet ver van het aan het einde van de De Keyserlei gelegen Centraal Station. Hij kwam in september 1911 in de derde Grieks-Latijnse klas van deze school en was in het daarop volgend schooljaar 1912-1913 in dezelfde klas blijven zitten.
De opmerking over het ‘groot verlof’ in het begin van Het landhuis in het dorp, doet denken aan zijn vakantie in de zomer van 1912, die hij ten dele had door-

Villa ‘Jeanne’ in Hove (tegenwoordige,
haast ongewijzigde situatie)
gebracht in Vucht bij familie van zijn moeder, die zelf uit het naburige Rekem in het Maasdal van Belgisch Limburg afkomstig was.15
Hoewel volgens het bevolkingsregister van Antwerpen de familie Van Ostaijen eerst op 24 juni 1913 werd uitgeschreven als vertrokken naar Hove, kan deze verhuizing heel goed, evenals in het eerste hoofdstuk het geval is, reeds in maart hebben plaats gevonden, daar ook een eerdere en een latere verhuizing van de familie geruime tijd later geregistreerd werd. Vader Van Ostaijen, die als loodgieter in Antwerpen tot een zekere welstand was gekomen, trok zich in 1913, toen hij ruim zestig jaar was, uit zijn zaken terug en verliet het huis aan de Lange Leemstraat waar Paul geboren en opgegroeid was. Hij vestigde zich als rentenier met zijn vrouw en twee zoons even ten zuid-oosten van Antwerpen aan de rand van het landelijk dorpje Hove en betrok daar de villa ‘Jeanne’, die nog steeds aan de huidige Lintsesteenweg 95 gelegen is. De situatie is thans nog vrijwel ongewijzigd en komt geheel overeen met de beschrijving die van de tuin en het landhuis in het eerste hoofdstuk gegeven wordt, met als enige uitzondering dat de voordeur zich niet in het midden van de gevel bevindt, maar rechts door één en links door twee ramen geflankeerd wordt, terwijl in Het landhuis in het dorp geschreven werd16: ‘Er waren vier vensters langs de voorgevel; de deur was in het midden.’
Pauls enig overgebleven broer, die met de rest van de familie naar Hove meeverhuisde, was negen jaar ouder dan hij. Deze Constant, of ‘Stan’, zoals hij in de familiekring heette, was voor de handel opgeleid en in die tijd werkzaam op een bank. Daarnaast bezat Stan echter ook grote belangstelling voor literatuur en vooral voor beeldende kunst, zodat hij al sedert Pauls lagere-schooljaren als artistiek mentor van zijn jongere broer optrad.17 Tussen beide broers heeft hun leven lang - Stan overleed zes maanden na zijn broer - een hechte band bestaan en de beeldende kunst bleef steeds een belangrijke rol spelen in hun relatie, doordat Paul later als kunsthandelaar meermalen aankopen heeft gedaan voor zijn broer, die een kleine kunstverzameling had aangelegd. Niet alleen toont de verhouding van Cor Hes tot zijn oudere broer - die ‘financier’ was - in Het landhuis in het dorp grote overeenkomst met die van Paul tot Stan, maar in het handschrift is op de plaats waar beschreven wordt hoe de beide broers elkaar ontmoeten eenmaal de naam ‘Constant’ en twee maal ‘Stan’ doorgestreept en vervangen door ‘de broer’.18
Het tweede hoofdstuk van Van Ostaijens onvoltooide autobiografische roman, De jongen, keert terug naar de tijd dat de hoofdpersoon vijftien jaar was en
knoopt aan bij de opmerking in de tweede helft van Het landhuis in het dorp19 ‘dat niemand hem tot hiertoe zo goed begrepen had als deze eerwaarde pater, hoofd van een onderwijsinstelling die Cor om zogenaamde opstandige woorden ontzegd was geworden. “Hes”, was het woord van deze eerwaarde geweest, “gij zijt een zonderlinge jongen. Soms zijt gij een heel jong kind, dan weer een vroege grijsaard.”’
Dit tweede, veel uitvoeriger, hoofdstuk, waarvan niet met zekerheid kan worden uitgemaakt of het al dan niet voltooid is, bevat niet zozeer een ‘konstruktie’ van de indrukken die een nieuwe omgeving op de hoofdpersoon heeft gemaakt, als wel een uiteenzetting over de reacties van de vijftienjarige Cor Hes op zijn milieu: op het katholieke college dat hij in die tijd nog bezocht en op het huisgezin, waarbij de dood van een oudere broer en de verhouding tot zijn moeder centraal staan.
De overheersende trek in het aldus gegeven psychisch portret van de hoofdpersoon wordt al direct aan het begin van dit hoofdstuk20 aangegeven met de woorden ‘Hij hield van ekstremen. Doch verder dan dat hield hij van het verzoenen van ekstremen.’ Cors verzet op het jezuïetencollege was vooral tegen de sociale discriminatie gericht, die voor hem ten nauwste met de kwesties van al of niet toegestane schoollectuur en van het flamingantisme verbonden was. Bovendien zocht hij naar een eigen standpunt ten opzichte van het geloof, waarbij hij ‘op zijn ouders, zijn oudere broer, zijn leraars reageerde door aan het tegenovergestelde te geloven’21. Al deze problemen en zijn opkomende sexuele bewustwording leidden tot een ontreddering, die zich vooral in zijn gedrag op school en zijn houding tegenover zijn moeder uitte. Het enige rustpunt in deze periode van afwisselende opstandigheid en onverschilligheid was een werkelijke, niet alleen in de fantasie beleefde, liefdeservaring: een homo-erotische binding aan een schoolkameraad. Deze werd echter plotseling van school genomen door zijn vader, wat Cor Hes in een tot dan toe ongekende leegte achterliet en hem ertoe bracht zijn moeder met haar ‘nederige levensaard’22 te bestelen.
Evenals in Het landhuis in het dorp komen in De jongen fragmenten voor die, vooral thematisch, nauw bij het overige werk van Van Ostaijen aansluiten. Zo beschrijft hij de voorstelling die Cor Hes over het laatste oordeel heeft tijdens de aan zijn overleden broer gewijde dodenmis, met de woorden23: ‘Het laatste oordeel een grote vlakte die braak lag, zonder te begrijpen hoe dit braak-liggen op de dag van het laatste oordeel voor te stellen was. Koude wies over de vlakte. Er was geen beschutting tegen de koude en deze koude ging zó door merg en vlees, spijts zij in geen openbaring geleek op de koude die de levende wezens kenden.

Pater Leonce Reypens S.J.,
Van Ostaijens eerste leraar op het
Onze-Lieve-Vrouwecollege

Brief van Reypens aan Borgers
Het was een koude die niet gedragen werd door vorst, en ook niet door wind.’ Diezelfde voorstelling van het laatste oordeel als een hoogvlakte met een alles doordringende kou keert later terug in het begin van Prière impromptue 1 en Prière impromptue 3 uit De feesten van angst en pijn 24, van welke gedichten het eerste in december 1919 geschreven werd. Het hierop volgende gedeelte in De jongen over Cors ontwaken in februari ‘uit de geestelike wintermalaise die hem na de dood van zijn broer overmand had’25 doet weer sterk aan het gedicht Februarie uit Het sienjaal denken, dat hij waarschijnlijk begin 1918 geschreven heeft26. In De jongen begint dit fragment met27: ‘Een dag echter, - gewoonlik in Februarie, - wordt alles door een verlangen zich van binnen naar buiten te verplaatsen gedragen. Toch is die dag niet warmer dan al de dagen die voorafgingen. [...] Een fyzies ondervinden van iets dat materiëel nochtans zeer weinig tastbaar is.’ Daarna wordt nog twee keer herhaald: ‘Toch is het even koud als de vorige dag’ en ‘Tans is het niet minder koud als de vorige dagen. Maar vermeend welbehagen ging door de geest tot geluk: Veni Creator.’ In het tweede deel van het gedicht Februarie treffen we hiermee sterk overeenkomende regels aan: ‘Als gister misschien schijnen bomen even dood. Maar de lucht is de miljonaire trilling van leven daarrond’, ‘Er is nog niets tastbaar veranderd. Dat is juist het grote van het genot’ en ‘Nergens is er een détailbewijs van de nakende lente. Enkel de algemene adem.’ Ook in het eerste prozawerk dat Van Ostaijen heeft geschreven nadat hij in zijn autobiografische roman was blijven steken, De kudde van Claire, komt hetzelfde februari-thema weer voor28, waarbij ook de kosmische beleving, die er in De jongen, maar minder in het gedicht, mee verbonden wordt, opnieuw ter sprake komt.
Uit de gegevens die over Van Ostaijens jeugd bekend zijn, blijkt dat ook het hoofdstuk De jongen autobiografisch is. Nadat Van Ostaijen van 1907 tot 1909 in de zesde en vijfde Grieks-Latijnse klas van het Aartsbisschoppelijk Sint-Jan-Berchmanscollege aan de Meir te Antwerpen gezeten had en daar de vijfde klas moest doubleren, ging hij in september 1909 - hij was toen dus dertien jaar - naar de vijfde Grieks-Latijnse klas van het Onze-Lieve-Vrouwe-college, een nog bestaand jezuïetencollege aan de Kunstlei (tegenwoordig: Frankrijklei) in Antwerpen. In de zomer van 1910 ging hij - waarschijnlijk met een taak voor Latijn - op het nippertje over naar de vierde klas. Hoewel hij met Kerstmis nog een redelijk rapport had met alleen een onvoldoende voor Latijn, waren er op het paasrapport nog maar twee voldoendes overgebleven, voor Grieks en Nederlands (voor het laatste vak behaalde hij 18 van de 20 punten!) en op 15 april 1911 werd hij
van school gestuurd. Van Ostaijen was op dat moment vijftien jaar geworden, evenals Cor Hes toen deze van het jezuïetencollege verwijderd werd. En ook Cor Hes had een redelijk kerstrapport gehad: ‘Op het einde van die trimester was hij de veertiende op dertig leerlingen.’29
Over het gedrag van Van Ostaijen op het O.L.V.-college zijn enkele gegevens bewaard, die weer geheel overeenstemmen met de gedragingen van Cor Hes. De leraar die Van Ostaijen in de vijfde klas les had gegeven, Prof. Dr. L. Reypens S.J., schreef mij vijf en veertig jaar later enkele herinneringen, waaruit de zelfstandigheid, het flamingantisme en de aanleg voor voordragen van Van Ostaijen blijken, eigenschappen die door Van Ostaijen eveneens aan Cor Hes worden toegeschreven. Aan de leraar uit de fatale vierde klas, pater Prop, konden geen herinneringen meer gevraagd worden, daar deze reeds in 1923 is overleden.
De brief van pater Reypens luidt aldus:
Antwerpen 3/12 1954
Geachte Heer,
Het is mij niet mogelijk geweest uw brief van 29 September vroeger te beantwoorden. Gelieve mij te verontschuldigen.
Van den jongen Paul Van Ostaijen herinner ik mij vooral zijn reeds vroeg zich vertonende zelfstandigheid. In het grotendeels fransgezind schoolmilieu van toen was hij bij de uitgesproken flaminganten. Zijn artistieke aanleg kwam voor den dag bij het voordragen, waarbij hij de jongens van zijn ouderdom ver voorbij was, en een reeds opvallend temperament vertoonde. Het stuk zijner keuze was ‘Sneyssens’ van Rodenbach. Andere meldenswaardige herinneringen heb ik niet over Paul.
Hoogachtend
Prof. Dr. L. Reypens S.J.
Een tweede getuigenis over Van Ostaijen als leerling van het O.L.V.-college is afkomstig van een medeleerling, Robert van Passen, die zijn herinneringen op 21 augustus 1953 in De Vlaamse Linie publiceerde. Al hebben in dit soort herinneringen door de grote tijdsafstand en vooral ook door de kennis van de latere ontwikkeling en activiteiten van de beschrevene eveneens vervormingen plaats, deze zullen meer de details en interpretaties dan de hoofdzaken betreffen. Zo is de uitwerking van de gegevens over Van Ostaijens lectuur op school (‘Pol kwam dadelijk aandraven met Herman Teirlinck, Else Lasker-Schüler, de luministen en cubisten’ en ‘we dweepten, door Pol, met Rilke en Verlaine, met Jammes en de Weisse Bücher’) vrijwel zeker ingegeven door wat er later over hem bekend werd en ten dele dan ook in strijd met de chronologie, maar de hoofdzaak dat Van Ostaijen op het college al kwam aanzetten met ‘allemaal dingen waar we nooit van gehoord hadden’ blijft er even waarschijnlijk om, temeer daar hij dit volgens

Het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Antwerpen in het begin van
deze eeuw (archieffoto)
Jos. Léonard30 op de lagere school al deed. Dat deze lectuur hem in conflict bracht met de paters is een gegeven dat ook in het tweede hoofdstuk over Cor Hes een belangrijke rol speelt. Eveneens is dit het geval met de opmerkingen die Van Passen maakt over Van Ostaijens geestdrift bij het voetballen, anderzijds - weer afgezien van de interpretaties - over diens zwijgzaamheid en vooral over zijn voordracht, waarin ook Cor Hes ‘door alle leerlingen erkend de beste’ genoemd wordt31.
Juist omdat de gegevens over Van Ostaijens collegetijd zo schaars zijn, volgt Van Passens artikel hier in extenso:
Mijn eerste contact met Paul Van Ostayen dateert van mijn dertiende jaar. Ik was toen studentje op de vijfde latijnse, mijn leraar was Pater Reypens, de stichter van ‘Liederen aan Moeder’ en commentator van Ruusbroec en Gezelle. Tussen haakjes, ik ben Pater Reypens altijd dankbaar gebleven voor zijn opleiding in schoonheid en poëzie.
Op een goeie dag kwam een nieuwe leerling de klas in. Klein, schraal, miezerig van uitzicht, wat verfomfaaid, het grote hoofd op magere schoudertjes, maar de ogen vol gloeiende aandacht. Paul Van Ostayen. Toen nog Pol.
Samen met Floris Couteele32, de te vroeg heengegane, hadden we gauw een kringetje gevormd in dezelfde jonge opgang naar al wat kunst was. Vergeleken bij Pol Van Ostayen waren wij nog kleuters. Wij dweepten nog met Gezelle, en Van de Woestijne was amper tot ons doorgedrongen. Maar Pol kwam dadelijk aandraven met Herman Teirlinck, Else Lasker-Schüler, de luministen en cubisten, allemaal dingen waar we nooit van gehoord hadden.
Eigenlijk waren we er trots op Pol als vriend te hebben. Met zijn sterke wil om per sé vernieuwing te zoeken, met zijn brede onderlegdheid, zijn persoonlijke visie, en het greintje revolutionnair geweld dat er op die ouderdom steeds bij te pas komt, was hij al gauw onze gids geworden, onze voorlichter.
We leerden stilaan dichters kennen, waarvan de professor ons nooit sprak, we dweepten, door Pol, met Rilke en Verlaine, met Jammes en de ‘Weisse Bücher’, een wereld ging open, en we waren verwonderd dat onze jonge vriend reeds zo ver in die wereld doorgedrongen was.
Pol was een stille jongen, niet teruggetrokken, neen, hij leefde met de studenten mee, deelde hun spel, en ik zie hem nog geestdriftig achter de voetbal hollen en hem me overschoppen met luide kreten: ‘Vooruit, Robert!’
Maar hij kon ook zwijgzaam blijven, alsof hij diep in zichzelf leefde in een vreemde brand. Dan liep hij rond en zijn ogen zochten aldoor, met iets angstigs in de blik, met iets pijnlijks misschien, maar het was vooral die uitdrukking van angst die me bijgebleven is.
Zo gingen we op tot de volgende klas. Pol was toen veertien jaar, en zijn karakter begon zich duidelijker af te tekenen. Er kwam iets vreemds over hem, iets dat ons lange tijd verdoken bleef maar dat we onbewust toch ondergingen. Iets onvoldaans, iets wrangs haast. Het was geen verbittering, geen opstandigheid, het was veeleer een drang om zijn eigen persoonlijkheid te laten uitschijnen, zijn eigen opinies boven die van de leraren te willen stellen, een kracht die ondanks alles en allen haar uitweg zocht en voor niemand ooit buigen zou.
Hadden de professoren dit niet begrepen of niet ingezien? Of wilden zij niet dulden dat een leerling zijn eigen weg ging, buiten de door hen vastgestelde normen om?
De wrijving bleef niet uit.
Pol was nog steeds dezelfde tegenover ons. Hij bracht ons in het geheim boeken die door het College niet toegelaten waren, en wij vielen er op als vliegen. Ik heb nooit geweten, of het om deze verboden boeken was, of om een andere reden, een zonde tegen de tucht misschien, maar voor Pol volgden de straffen elkander op. Weldra was het zo ver gekomen, dat ons verboden werd nog enige omgang met hem te hebben. Tijdens de speeluren stond hij daar, achter een kolom, klein, de schouders hoog, ineengeflokt als een mus, in het opgelegde zwijgen weggekropen. Ik zie hem nog naar het spel van de anderen turen, met een stille, arme blik en ik weet niet wat er me telkens overkwam maar ik had het gevoel dat de wereld louter ongerechtigheid en machtsmisbruik was. In 't geniep ging ik hem de hand drukken; hij glimlachte dan even en zonk weer weg in dat eeuwige zwijgende turen dat me pijn deed.
Het volgende jaar verliet hij het College om bij het Atheneum verder te gaan. Rond diezelfde tijd stierf zijn broer, die priester was. Tuberculose. Het zat in het bloed. Pol had reeds de voortekens van de ziekte.
Uit dit alles is zijn eerste poëzie ontstaan. Al die omstandigheden, onbegrip bij oversten, eerste ziektesymptomen, strijd tegen allen en alles, hadden zijn geest gevormd. Het opstandige in Paul Van Ostayen - want opstandigheid was er, en het is dank zij dit dat hij nieuwe banen in ons Vlaanderen trok en nieuwe vergezichten opende - heeft hem in staat gesteld een verjonging in onze poëzie te brengen. Maar iedere kunst draagt haar deel aan pijn en ik weet dat hij geleden heeft.
Het was een frêle, ziekelijke figuur, maar die soms plots vol gloed kon staan. Ik zie hem nog, op de trede, staan declameren zoals ik nooit een jongen van veertien jaar heb horen voordragen. Heel de klas, zelfs de Franssprekenden kwamen onder de bekoring en weldra droeg hij de naam: ‘de Poëet’.
De poëet. Kan ooit schoner titel gegeven worden in een klas, waar toch vooral nijd en sarcasme de bijnamen doen ontstaan? De poëet. Zijn eretitel. Zijn glorie. Zijn trots.
Zo is de ‘poëet’ heengegaan, naar de wereld, naar zijn lotsbestemming. Als Apollinaire, die hij vurig bewonderde, heeft hij de omheiningen verbrijzeld en de doorgang opengestoten. Zijn kunst is in ons en wij zullen haar niet vergeten.
ROBERT VAN PASSEN
Ten slotte zijn er ook een aantal bijzonderheden bekend over de dood van Van Ostaijens oudste broer, een onderwerp dat in De jongen eveneens uitvoerig behandeld wordt.
Op 29 oktober 1884 werd Petrus Florentius Wilhelmus van Ostaijen, die in de familiekring Pieter-Floris werd genoemd, als tweede kind van het echtpaar Van Ostaijen in Antwerpen geboren, ruim elf jaar voor de geboorte van Paul. Pieter-Floris was de enige in het gezin die voor geestelijke werd opgeleid, al verliep deze opleiding niet erg succesvol. Nadat hij in Antwerpen een jezuïetencollege bezocht had, ging hij volgens een nicht33 eerst in Mechelen theologie studeren. Toen deze


Pieter-Floris van Ostaijen (2de van links) met enkele
mede-seminaristen
studie werd afgebroken zou hij daarna filosofie aan het klein-seminarie te Bonne-Espérance bij Vellereille-les-Brayeux hebben gestudeerd. Door een gedrukte lijst van leerlingen die het eerste jaar theologie gedurende de cursus 1909-1910 aan het Séminaire Episcopal de Tournay volgden, waarop hij als vierde van de negen en dertig leerlingen vermeld wordt, staat het in ieder geval vast dat hij aan het groot-seminarie te Doornik heeft gestudeerd. Na afloop van dit cursusjaar keerde Pieter-Floris met longtuberculose naar huis terug, waar hij verpleegd werd en met zijn jongste broer Paul op dezelfde kamer sliep. Op 5 oktober 1910, 's nachts om twee uur, overleed hij, terwijl zijn familieleden om hem heen zaten, waaronder zich ook Pauls nicht bevond van wie deze details afkomstig zijn, evenals de mededeling dat Paul toen een gedicht zou hebben geschreven en dit onder het hoofdkussen van zijn overleden broer zou hebben gelegd. Van Ostaijen moet zich sterk aan zijn oudste broer, die tevens min of meer als zijn godsdienstige opvoeder is opgetreden, gebonden hebben gevoeld, want eind 1917 publiceerde hij nog een tweetal gedichten, Golgotha en Zaaitijd34, die later in de bundel Het sienjaal werden opgenomen en waarin een aantal regels aan zijn broer zijn gewijd, en wel:
en:
(Zaaitijd)
Hoewel in De jongen niet zozeer de uiterlijke omstandigheden, maar meer Cors beleving van de dood van zijn oudste broer beschreven wordt, valt het tijdstip van het overlijden van Pieter-Floris samen met dat van Cors broer: ‘Eens was
zijn broer die zijn ganse leven naar God gericht had, de dode. Cor was toen nog geen vijftien.’35
Het feit dat alle bekende gegevens over Van Ostaijens jeugdjaren ongewijzigd in zijn romanfragment verwerkt zijn, maakt het zeer waarschijnlijk dat ook de andere gegevens, zoals zijn jeugdvriendschap, de verhouding tot en het beeld van zijn ouders e.d., een grote mate van betrouwbaarheid als eigen ervaringen bezitten. Dit maakt van de twee hoofdstukken, Het landhuis in het dorp en De jongen, weliswaar geen geslaagd letterkundig werkstuk, maar wel een uiterst belangrijk, zij het met omzichtigheid te hanteren document voor de kennis van Van Ostaijens middelbare-schooltijd en de wijze waarop hij deze ervaren heeft.
Het handschrift van het autobiografisch romanfragment is op de volgende bladzijden diplomatisch weergegeven, met dien verstande dat de geschreven tekst als drukkerskopij is behandeld en de aangebrachte correcties daarin zonder meer zijn overgenomen. Ten einde duidelijk te maken dat orthografische, grammaticale of syntactische afwijkingen niet op een drukfout berusten, worden deze weliswaar ongewijzigd afgedrukt, maar tussen vierkante haken gecorrigeerd. Alleen indien een gecorrigeerd woord (b.v. ‘Stan’, gecorrigeerd in ‘de broer’) een speciale betekenis kan worden toegekend, wordt het in een voetnoot vermeld. De enkelen die in alle correcties geïnteresseerd zijn, kunnen deze raadplegen in het Van Ostaijen-archief, dat in het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven te Antwerpen berust, in welk archief het handschrift na gereedkomen van deze uitgave gedeponeerd zal worden.
Voor de lezers van mijn in oktober 1971 verschenen boek Paul van Ostaijen, een documentatie, waarin een aantal voetnoten zonder pagina-aanduiding verwijzen naar deze uitgave, die toen nog niet verschenen was, is achterin een lijst opgenomen van die voetnoten met een nadere opgave van de bladzijden waarop zij betrekking hebben.
Gerrit Borgers