begin  verder
[p. 7]

Woord vooraf

Op 12 april 1668 vertrekt Aernout van Overbeke, 35 jaar oud, op het VOC-schip Zuidpolsbroek naar Batavia, waar hij bijna zes maanden later arriveert na een voorspoedige reis. De jurist en dichter Van Overbeke had in patria een vrolijk leven geleid en niet op een gulden meer of minder gekeken, aan boord was hij als opperkoopman de hoogste gezagsdrager en in Indië werd hij lid van de Raad van Justitie.

Er bestaan twee uitvoerige autobiografische teksten die Van Overbekes tocht documenteren. De ene, een brief aan ‘Broeders, Vrienden en Bekenden’, werd al in de zeventiende eeuw meermalen uitgegeven; de andere, een brief aan vier vriendinnen die bewaard wordt in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, is tot nog toe nooit in druk verschenen.

De twee brieven vertonen opvallende overeenkomsten én verschillen, en lenen zich daardoor goed voor een gezamenlijke uitgave. Beide geven blijk van Van Overbekes uitzonderlijk schrijftalent dat na ruim drie eeuwen niets aan frisheid heeft ingeboet. Hij is persoonlijk en spitsvondig, en verschaft intieme informatie over het leven aan boord. Zijn stijl weet hij af te stemmen op zijn lezers en hij beheerst een ingenieuze, met literaire toespelingen doorweven soort van humor, die behalve als tekstueel en communicatief spel ook de functie heeft gehad van medicijn tegen de zwaarmoedigheid van de wereldreiziger.

Deze uitgave, die de twee brieven met elkaar in verband brengt en toegankelijk maakt voor de hedendaagse lezer, is tot stand gekomen dank zij de hulp en medewerking van velen. De mannenbrief, oftewel de Geestige en vermaeckelijcke reys-beschryving naer Oost-Indien, is in het studiejaar 1993-1994 aan de Universiteit Utrecht het onderwerp geweest van een doctoraalcollege Historische Letterkunde van de vakgroep Nederlands. Een kleine groep studenten heeft vervolgens meegewerkt aan publicatie in de instituutsreeks Ruygh-bewerp: Marjo van Diepen, Kelvin Hogarth, Martin Hunziker, Lotte Jensen, Nelly van de Leur, Nora Selles en Katja Thevissen. Ze konden met toestemming van de schrijfster gebruik maken van materiaal uit de doctoraalscriptie van Jolanda Vis, die in 1990 in Utrecht was afgestudeerd op leven en werk van Van Overbeke. De vrouwenbrief was in 1996-1997 het onderwerp van een doctoraalwerkgroep aan het Instituut voor neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam;

[p. 8]

aan de instituutspublicatie Komt uffers scheep scheep! is meegewerkt door Dieuwke Hettinga, Herman van Iperen, Maaike Jacobs, Okke de Jong, Betty Markestein, Kim Muller en Paul Turk.

Het personeel van de archieven, bibliotheken en musea waar Overbekiana en andere relevante bronnen worden bewaard, is altijd zeer behulpzaam geweest bij het verstrekken van informatie. Op tal van personen kon een beroep worden gedaan in ontcijferings- en interpretatiekwesties: Willem van Bentum (die Van Overbekes kennis van Petronius aantoonde), Hans den Besten, Rudolf Dekker, Carla Dauven, Els van Eyck, Louis Grijp, Chris Heesakkers, Gert-Jan Johannes, Paul Knevel, Rob Resoort, Herman Roodenburg, Dick Schenkeveld, Dorthe Schipperheijn, Anna E.C. Simoni, Agnes Sneller, Jan Stroop, Grace Swart, Kees Thomassen, A.H. Touber, Marc van Vaeck en Piet Verkruijsse. Zonder hun enthousiast gegeven assistentie en informatie had dit boek niet kunnen verschijnen.

 

Marijke Barend-van Haeften

Arie Jan Gelderblom

 begin  verder