Het woord, zijn kenmerken, beteekenis en herkomst.§ 41Naast de grammatica is er een leer van den woordenschat, waarin 1o de woordenschat wordt ingedeeld, bijv. naar de etymologische historie of naar de alphabetische orde, 2o veranderingen in den woordenschat worden verklaard. De indeeling van den woordenschat valt nagenoeg geheel buiten de grammatica. De veranderingen in den woordenschat zijn ten deele (zoo bijv. de veranderingen, althans de variaties in ‘beteekenis’) een gevolg van veranderingen in de grammaticale vormen en functies van het woord, ten deele ook is verandering in den woordenschat (zoo bijv. ‘woordvorming’ en ‘woordontleening’) van invloed op, of zelfs onderdeel van het stelsel der grammaticale en syntactische vormen van de taal; in ieder geval is keuze van een bepaalde woordformatie mede beslissend voor den syntactischen vorm van de uiting; zoo is bijv. een samenstelling een relatief korte taalvorm. In de leer van den woordenschat zou dan ook herhaaldelijk moeten worden verwezen naar de grammatica. Omgekeerd moet ter inleiding van het systeem der grammatica worden uiteengezet het grammaticale belang van woordbeteekenis, woordontleening, woordvorming, en van deze drie is de woordvorming tot op zekere hoogte organiek deel der syntactische grammatica. Voor het verband van woordvorming, woordbeteekenis en naamgeving verwijs ik naar de artikelen van Jac. van Ginneken, O. Taaltuin II 170 en I 8. Van louter theoretisch, methodisch of philosophisch, belang is de onderscheiding van de woordsoorten of rededeelen. De Woordsoorten.§ 42Wanneer in een taal alleen verbuigbare woorden voorkwamen, zou men de woorden kunnen indeelen naar den aard van hun verbuigingsvormen. In het Nederlandsch komen minstens evenveel onverbuigbare als verbuigbare woorden voor; het getal onverbogen vormen overtreft in ieder geval dat der verbogen vormen. De onverbuigbare woorden zijn zoo talrijk, dat we er geen grammaticaal overzicht van kunnen geven, zonder ze in te deelen naar de verschillende functies in woordverbindingen en zinnen. En ook de verbuigbare woorden kunnen we niet in een overzichtelijk stelsel ordenen, zonder ándere onderscheidingen dan die van hun verbuigingsvormen: hun verbindingswijze (syntactische habitus) is een belangrijk formeel kenmerk. § 43Bij de verbuigbare woorden kunnen we, op grond van verschil in buiging, gemakkelijk onderscheiden werkwoorden en naamwoorden. De verschillende persoonsvormen die van een werkwoord voorkomen (men noemt ze het verbum finitum = Vf.) zijn tezamen een heel ander stelsel dan de verschillende vormen van een naamwoord: dit blijkt in het hoofdstuk der ‘flexie’ 1 . De deelwoorden en de infinitief hebben dezelfde verbuiging als de naamwoorden, door den stam behooren zij bij het werkwoord: we noemen ze daarom naamwoordelijke vormen van het werkwoord (eig. van den werkw. stam). Bij de naamwoorden is verschil in verbuiging van de zelfstandige naamwoorden en de bijvoeg. naamw. (substantieven en adjectieven). Ook de wijze, waarop zij deel uitmaken van woordverbindingen, verschilt. Verder is er veelal verschil in verbuiging van de naamwoorden en de voornaamwoorden. Ten deele worden zij op dezelfde wijze in den zin gebruikt als de substantieven; dit zijn de substantivisch gebruikte voornaamwoorden (zelfstandige voornw.). Ze verschillen van de gewone subst. o.a. hierin, dat zij alleen bij uitzondering bijv. naamw. bij zich kunnen hebben: een hinderlijk iets; 'n knap iemand; die leelijke jij! (kindertaal). Ten deele worden zij op dezelfde wijze gebruikt als adjectieven; dit zijn de bijvoegl. voornw. Zij hebben o.a. geen comparatie, zie § 117. In het algemeen kunnen we zeggen, dat voornw. door éenzelfden stamvorm allerlei dingen of eigenschappen aanduiden; hun ‘beteekenis’ is daardoor vager dan die van naamwoorden. Zoodra een zelfstandig of bijvoegl. naamwoord of voornaamwoord een |
1 Zie § 93. ‘Flexie’ is verbuiging der naamw. en vervoeging der werkw.
|
|
getal aanduidt, kunnen we het een telwoord noemen. Soms rekent men ze bij de pronomina. De woorden de(n), het en een (zonder klemtoon) zijn lidwoorden. § 44De onverbuigbare woorden 1 onderscheiden we in: a. de bijwoorden fungeeren als bijw. bepaling, soms als praed. adjectief 2 . b. de voorzetsels. Deze staan vóor een substantief, een subst. woord, groep of zin; dat substantief heeft dan een verbogen naamval, gelijk blijkt, als we het door een persoonl. vnw. vervangen. Meestal zijn de voorzetsels zwakker van accent dan een gelijkluidend adverbium (zie bij c); de accentwaarde is echter afhankelijk van de syntactische verbinding. c. de voegwoorden. Zoo noemen we en, maar, of, want, noch, doch en alle onverbuigbare woorden of woordkoppelingen, die aan het begin staan van een zin waarin scheiding van S. en Vf. mogelijk is (bijzinnen naar den vorm) 3 . De onderscheiding van deze drie woordsoorten berust alleen op hun gebruik in den zin. Er zijn woorden die in alle drie functies voorkomen: het rijtuig kwam voor (bijw.); het rijtuig kwam voor de deur (voorzetsel); het rijtuig kwam, voor ik er op verdacht was (voegw.). - Sedert heb ik hem niet meer gezien. - Sedert dien tijd zie ik hem niet meer. - Sedert hij student is, zie ik hem niet meer. - Het is hier gemakkelijk te zien, dat de functies der drie woordsoorten niet sterk verschillen. Ten slotte onderscheidt men nog wel eens tusschenwerpsels. Men kan ze beter uitroepen noemen en ze beschouwen als zinnen van korten vorm (zie § 326).
Wanneer wij de woorden naar de hier gegeven kenmerken indeelen, zijn er verschillende gevallen, waar onzekerheid heerscht. Er zijn nl. talrijke overgangen van het eene rededeel naar het andere. Deze overgangen worden door Engelsche grammatici onder den naam van ‘conversion’ als bijzondere wijzen van woordvorming besproken. In het Engelsch is bijv. de overgang van een substantief of adjectief naar de gebruikswijze als verbum, of van een adjectief naar die van een substantief een verder gaande verandering dan in het Nederlandsch, waar de (denominatieve) infinitief nog wordt ‘afgeleid’ van het nomen door den uitgang -en, en |
1 ook wel partikels genoemd.
2 een negatieve definitie van bijwoorden is: andere partikels dan voorzetsels en voegwoorden.
3 Zie § 296.
|
|
het gesubstantiveerde adj. nog bepaalde buigingsvormen vertoont. En ook in het Engelsch zijn de gevallen van ‘conversie in wording’ tevens syntactische verschijnselen: als zoodanig beschouwen wij ze in het Nederlandsch voorál, terwijl zij bij woordvorming ook ter sprake komen, en in dit oriënteerend hoofdstuk over ‘het Woord’ op eenige kenmerken van den overgang wordt gewezen. Als louter syntactisch beschouwen wij den overgang van adjectieven naar adverbiale functies, van adverbia en praeposities naar voegwoordelijke. Als syntactische, echter meestal historische bijzonderheid beschouwen wij ook zinnen en woordgroepen die nomen, pronomen, adverbium of voegwoord worden: een vergeet-mij-nietje, een ik-en-weet niet-wat-voor gevoel bekroop me, weliswaar, hetzij e.a. Nu en dan is de keuze van een korten taalvorm aanleiding tot den overgang (syntactische verkorting). Een voorbeeld is uit de Katw. visscherstaal: Die man was soo-nau-in-dan-'n kofferdijman ('n occasioneele koopvaardijmatroos); (van een huisvrouw): 'n stà-in-de-wégkast. - Belangrijk zijn vooral twee gevallen: woorden die niet den gewonen vorm, maar wel de gewone functie hebben van een substantief; woorden die niet den gewonen vorm, maar wel de gewone functie hebben van een adjectief. § 45Woorden die niet de formeele kenmerken van een substantief hebben, kunnen gebruikt worden in functies, die gewoonlijk door een woord van substantiv. vorm worden uitgedrukt. Ze kunnen dan worden begeleid door een lidw. of voornw., evenals een substantief. Deze woorden noemen wij gesubstantiveerd. 1o woorden die overigens adjectivischen vorm hebben: a. toevallig gesubstantiveerd, in verbinding met andere subst.: Ik heb dit boek uit. Geef mij nu 't oude maar weer. - Vrouwen die fluiten en koeien die loeien zijn niet de goeien. - Ook apposities: Karel, de Stoute nl.; Karel de Stoute. - Ik heb met Pietersen gesproken, den oudere. - Daarna ook: b. vaste substantiveering: Ze had iets aantrekkelijks. - Ze aten op reis veel lekkers. - Zoo ook participia: zie § 180 en § 190, en voornw.: zie § 127-§ 131. De substantiveering der pronomina is in de volkstaal aanleiding tot allerlei flexie (zie § 131 slot), in de ‘beschaafde’ taal is zij gebrekkig. 2o de infinitief: zie § 197. 3o andere woorden en uitdrukkingen: Zij vermogen niet 't ‘waarom’ te ontleden (Perk). - Zoo gaat het morgen in het gister schuil (id.). - Uw ‘ja’ zij ‘ja’. - 't Vaak'rig ‘Schip oho!’ der varensgasten (Penning). Door citeering, als in: De oude gehechtheid aan ‘thuis!’ was teruggekeerd (Arm.). - ontstaat het subst.: Er is een tehuis voor oude soldaten. - Ook een vocatief wordt gewoon subst. (soortnaam): We hadden nl. nog door niemand den deemoedigen mijnheer, die voor knecht fungeerde, hooren toespreken (v. Deyssel). - ‘Nee, fijne meheer, verbeeld je maar niet te veel.’ - 4o door weglating: Hij maakte z'n achtduizend in de maand. - Een lange, tengere jongen van dertien. - Over 14 dagen al de acht- en twintigste. - Te midden der Oostersche millioenen voelen zich de enkelen der Nederlandsche natie als leden van éen gezin (G.d.W.). - Zie verder verkorting van woorden: § 32 en elders. § 46Adverbia en adverbiale uitdrukkingen kunnen op verschillende manieren bij een subst. in attributieve functie komen te staan: naar aanleiding van een zin als: Hij nam die soort dingen licht op. - ontstaat de constructie: In zijn licht opnemen der dingen... was hij gewoon te zeggen: (Arm.). - Het woord ‘licht’ wordt hier gevoeld als attr. adj. bij den gesubst. infinitief. Oorspronkelijke adv. die op 'n -e eindigen, kunnen als adjectief worden begrepen: De kluis, getuige van o ns noode scheiden (Perk). - Ook hier bij een gesubst. infin. Verder nog: de ambtshalve inschrijving, het ongeveere aantal, de terechte aanmerking. De uitdrukking (in) lichterlaaie (staan) is als adj. gevoeld in: lichterlaaie vlam, en in: Alsof het heele wereldrond || In lichterlaaie blijheid stond (M. Boddaert). - Naar analogie van de parallel: De winter is koud. - De koude winter. schrijft men naast: De winter is nabij - het adjectief: En wachten roerloos den nabijen winter. - Zoo ook: Dat vlakbije, ondoordringbare wit (W. Moes). - Van voorbije dingen spreek ik niet. - Als adjectief algemeen gangbaar zijn: Na maandenlange voorbereiding. - dwars, plotseling. - Opm. In uitdr. als: 't zijn heele (erge) zoete jongens. - blijft heele (erge) ondergeschikt aan ‘zoete’, dus adverbiaal van functie. De -e is een ‘verbindingsklank’. - In de N.R.C. lezen we: maar de al of niet noodzakelijkheid om de verplichting toe te passen... Hier is het adv. attributief gebruikt in gedrongen stijl, naar aanleiding van het adverbiale gebruik in: het is de vraag of de toepassing al of niet noodzakelijk zal zijn. Zoo is in het Gron. uit: Die man die domt (= binnenkort) je buurman zal zijn - bij verkorting ontstaan: (De dochters van) domt je buurman. - Hier is de ‘conversie’ duidelijk gevolg van ‘korten taalvorm’. Adverbia kunnen na een subst. uit den zin worden geïsoleerd en bij het subst. attribuut worden: Die zorg, altijd, heeft hem oud gemaakt. - Zie hierover § 311 en vergelijk de attrib. voorzetselbep. bij een substantief: § 247 enz. Opm. Ook vooróp, in de volkstaal: Hier Piet die had lol, dat begrijp-ie! (Bru.) - In het Noordfriesch schijnt men zelfs te construeeren: mijn daare zoon. Deze attributieve adv. hebben weliswaar ten deele adjectief-verbuiging; zelden echter is comparatie mogelijk. Zoo is het ook met het nieuwe adj. uit subst. mirakel: Hij heeft een mirakele. bibliotheek (korte taalvorm voor mirakel-groote bibl. bijv.) en het praedicatieve subst.-adj.: Hij is die techniek meester. Vgl. ook: Hij is mans genoeg (Ned. Wdb. IX 171). |
1 Zie bij de vnw. § 124 enz.
|
Beteekenis van woorden.§ 47De woordbeteekenis en ook de historische ontwikkeling van de beteekenis is alleen volledig kenbaar, voorzoover het woord wordt gebruikt in de taal van een beperkte groep (familie, beroep etc.) of het dialect van een dorp en de ‘groepen’ in dat dorp. Een Katwijker zal met ‘snoffele’ bedoelen: op verkenning uitgaan in een vreemde haven, en een ‘blauwe haering’ is een haring die, tengevolge van ondervoeding, in gebakken staat geen kernig wit maar doorschijnend grauw vleesch vertoont. En wanneer een Katwijksche huismoeder een kopje aan scherven laat vallen, dan zegt zij ‘Da's fijn’ en iedere Katwijker begrijpt dat als ‘kapot’. Een Drent zal het zeer bepaalde begrip ‘zuurzoet’ alleen in een bepaald taalmilieu door ‘tamper’ kunnen omschrijven. Wat nog belangrijker is: woorden die ook in andere deelen van het land, ja in de algemeene taal gangbaar zijn, zal ook hij dikwijls in een ‘eigen’ beteekenis gebruiken.
Zoo zal een Drentsche boer alleen in zijn eigen omgeving maar dan ook volkomen begrepen worden, wanneer hij, na zijn erf met prikkeldraad te hebben ‘afgeschut’, de voldane opmerking maakt: ‘Zoo ziet het er al wat “vrediger” uit.’ Bij hem beteekent ‘vredig’ dan zooveel als: het eigene omheind tot afweer van vreemden. De taalkundige zal zich in zíjn gedachtengang en levensvorm moeten verplaatsen, om de ‘ontwikkeling’ der beteekenis van het woord ‘vredig’ te begrijpen. Voor een karakteristiek van het Drentsch, voor de geschiedenis der Nederlandsche dialecten in het algemeen, voor een Nederlandsche Woordenleer zijn deze en dergelijke dialectische woorden en beteekenissen van groot belang. Niet voor een grammatica; of het moest zijn dat een woord als ‘tamper’ in de algemeene taal werd overgenomen tot uitdrukking van bijzondere gevoelsmodaliteiten, graadaanduiding etc. Opvallend is ook in de beperkte omgeving van een volkstaal het groote aantal synoniemen, dikwijls voor schakeeringen in de beteekenissen die voortvloeien uit een bij den primitief sterk ontwikkelde onderscheiding als die der ‘locale’ bepaaldheid. Zoo zegt een Achterhoeker tegen een buur die vraagt: ‘Buurman, kan 'k effen de schuppe leenen?’: ‘Joa, nemp um maor!’ (als hij bij de hand staat) - maar ‘Krieg um maor!’ als hij iets verder, bijv. in de schuur staat. Ook de gastvrouw tegen de gasten: ‘Nemp nog 'n sneetjen!’, tegen kinderen: ‘Wɔ'j nog 'n appel? Krieg d'r moar eene uut de benne!’ - Wat hier gezegd is van de beteekenis der woorden in een beperkte groeps-of dorpstaal, geldt, cum grano salis, ook voor bijzondere, traditioneele of individueele-litteraire genretalen. De beteekenis van een woord in algemeen gebruik, dus buiten de beperkte groep of het bijzondere genre, buiten de volkstaal vooral, is echter zelden ‘bepaald’ of onmiddellijk kenbaar. Een rechter wilde weten of een op-zichzelf-staande tent een ‘vertrek’ is. De Drankwet zegt: localiteit = vertrek. Het kwam den rechter ‘eigenaardig voor, een kermistent taalkundig een localiteit = vertrek te noemen’. Bij het taalkundig oordeel over de bepaling der beteekenis van ‘vertrek’ in de synoniemengroep van ‘localiteit enz.’ moeten wij ons verlaten op ons ‘taalgevoel’, omdat we niet beschikken over een reeks van voorbeelden van het gebruik van het woord in de laatste drie eeuwen. En dan constateer ik, dat een tent als de bedoelde niet valt onder het begrip ‘vertrek’. Een vertrek is een permanent afgescheiden woon- (ev. werk-)ruimte. Deze opvatting wordt bevestigd, taalkundig, door de oudste, de etymologische
beteekenis van het woord. Het is nl. een afleiding van het werkw. ‘zich vertrekken‘, dat de beteekenis had van ‘zich terugtrekken in een min of meer beschermende, c.q. afzonderende ruimte’. Het woord ‘vertrek’ had dan ook wel de beteekenis van ‘wijkplaats’. Ik meen dat deze oude beteekenis nog doorschemert in de tegenwoordige van ‘afdoende, c.q. volledig of blijvend afgesloten ruimte’ en maak hierbij de opmerking, dat wij niet de door mij ‘gevoelde’ beteekenis in alle mogelijk gebruikswijzen herkennen. Ik sprak hier van de beteekenis van het woord in de synoniemengroep ‘localiteit enz.’ Wanneer men spreekt van ‘vertrekken’ in het meervoud, voor een aantal op-zichzelf-staande vakken van een woning, dan beteekent het woord ‘vertrek’ niets anders dan ‘afgescheiden ruimte in een woning’, ja zelfs slechts ‘deelen van een woning’, hoewel wij dan allicht nog denken aan ‘bewoond’, ‘bewoonbaar’ of ‘in geregeld gebruik’. In een dergelijk begripsverband, als het meervoudige woord, is ons de eigenschap van ‘permanente afsluiting’ niet primair bewust. Nog meer speling komt er in ‘de’ beteekenis bij verandering van het begripsverband, van het syntactisch verband tevens: Het vertrek van den extra-trein was bepaald op twée uur 's namiddags. Hoe de ‘beteekenis’ van een werkwoord ‘niet in lexicologischen maar in syntactischen zin moet worden verstaan’ is aan ‘zitten’ getoond door Dr. J. Wils, O. Taaltuin I 333: ‘Zitten!’ (= gaan zitten), ‘Hij ging zitten, op den ruimen stoel’ (= ‘gewone’ beteekenis), ‘Wie wil naast den chauffeur zitten’ (= plaats nemen), ‘Waar zit de wond?’ (= zich bevinden), Hij ‘zít’ graag even, na tafel’ (= rusten), (Modél-) zitten (= langdurig, steeds op nieuw, poseeren), ‘Dat zít!’ (= vast zijn verbonden), ‘Zit me niet zoo te hínderen!’ (hulpwerkw., de etym. beteekenis is geheel zoek) enz. Hetzelfde valt te constateeren aan werkwoorden als vallen, staan, doen. Men verbinde deze woorden met verschillende (bijv. zakelijke) subjecten, met bijwoorden van plaats of richting, met infinitieven, in ‘onpersoonlijke constructies’ etc., en de tallooze ‘syntactische’ beteekenissen, ja de louter syntactische functie, als die van hulpwerkw. in ‘Zít me niet te hinderen’, ‘Er vált niet tegen te spreken!’ zijn duidelijk. We hebben een syntactische enquête in onderzoek, naar de verbindingen met het werkwoord doen, het in onze algemeene taal veelal ‘leege’ werkwoord voor het verrichten van een handeling (‘werking’) zonder méer, het meest neutrale ‘werkwoord’ buiten en behalve het ‘koppelwoord’ zijn. Een deel van de gebruikswijzen in volkstaal is te vinden in O. Taaltuin II 302. In het Nw. Groninger Wdb. van K. ter Laan worden 33 beteekenissen en constructiewijzen van doen onderscheiden. § 48Een woord krijgt in den zin zijn feitelijke beteekenis. Deze feitelijke beteekenis geldt alleen voor het gebruik van het woord in dien éenen zin, en is ten deele afhankelijk van het woord of de woorden waarmee het woord tot groep is verbonden, ten deele van de zinsbeteekenis, d.w.z. van de gedachte of het gevoel, die in dien zin in een bepaalde ‘sfeer’ zijn uitgedrukt. Er zijn wel woorden, die in een vrij ruim taalgebruik een volkomen ‘vaste’ beteekenis hebben. Het zijn namen van concrete dingen en wezens, en ook wel de woorden die door hun klankvorm een begrip of sensatie symboliseeren. 1 Overigens echter wordt van een woord (concreta in een algemeen taalgebruik; abstracta, adjectieven, werkwoorden, pronomina, partikels) inderdaad de beteekenis syntactisch bepaald. Sprekend en schrijvend buiten onze eigen gezins-, groeps- of volkstaal zijn wij dus in dubbel opzicht onzeker in het gebruik en de keuze van een woord in een, in onze gedachte bepaalde, beteekenis. De grammaticus kan dan ook van een woord een grooter of kleiner aantal ‘feitelijke’, d.i. syntactisch-bepaalde schakeeringen van beteekenis vaststellen. Wie een verklarend woordenboek schrijft, zal van deze grammaticale onderscheidingen gebruik maken. De grammaticus zal de verschillende beteekenissen van éen woord in éen zin bij verandering van de syntactische structuur moeten formuleeren. Hij kan dan het verschil in beteekenis ten deele vaststellen, door vergelijking met de etymologische, de formeele of eigen beteekenis van het woord. Deze beteekenis vindt hij door taalkundig overleg: 1o door de ontleding van het woord in zijn deelen, 2o door vergelijking met zijn verwanten naar den vorm, 3o door vergelijking met zijn oudere (c.q. oudste) beteekenissen. In vergelijking met deze etymologische beteekenis bepaalt de grammaticus de syntactische, de feitelijke: hij stelt de verhouding vast tusschen den woordvorm en zijn beteekenis in den zin. |
1 Zie § 62.
|
§ 49Nu is de woordvorm van tweeërlei aard. Er zijn veranderlijke deelen en er is een onveranderlijk deel in den vorm van het woord. De veranderlijke deelen zijn: 1o de flexie-vormen, 2o de accenten en de toon van het woord in den zin. Deze veranderlijke deelen zijn middelen om de gedachte (het gevoel) in den vorm van een zin uit te drukken. We zeggen hiervoor korter: het zijn vormen die functies verrichten. Maar ook de keuze van het woord in verbinding met andere woorden hangt af van de gedachte (het gevoel),
die in den zin moet worden uitgedrukt. En de syntactische beteekenis, dat is: de beteekenis van het woord in een woordverband in den zin, is een der middelen om de gedachte (het gevoel) in den vorm van een zin uit te drukken, is een functie. In de grammatica meten we met behulp van de beteekenis van den etymologischen vorm (de etymologische beteekenis) de syntactische beteekenis. Daarbij is het doel, de functie van het onderhavige woordverband vast te stellen. Het meten van de synt. beteekenis van het woord is daar dus een middel. In een beteekenisleer (semantiek) en in een semantisch woordenboek wordt van elk woord vastgesteld, welke beteekenissen het in allerlei woordverbanden en zinnen kan hebben, vergeleken met de etymologische: daar is de meting der synt. beteekenissen het einddoel. Het is duidelijk, dat in een beteekenisleer de beteekenissen niet kunnen worden bepaald, wanneer men niet de functies in aanmerking neemt: daar is de bepaling der functies dus middel om te komen tot het doel (vaststelling van alle de mogelijke beteekenissen). Het is noodig er op te wijzen, dat de feitelijke beteekenis van een woord de beteekenis is, die het woord in den zin heeft voor het verstand van den hoorder of lezer. Het is tevens de juiste beteekenis, wanneer de hoorder of lezer volkomen hetzelfde uit het woord in den zin begrijpt, als de spreker of schrijver met het woord in den zin bedoelt. Aan deze volkomen overeenstemming kan gemakkelijk een en ander ontbreken. Natuurlijk bij verschil van taal en denkwijze: wanneer een stedeling den Drentschen boer het prikkeldraadhek vredig hoorde noemen, zou hij het begrijpen als ironie, dus als ‘dreigend, onrustbarend’. Maar ook in éen bepaalde taalomgeving van spreker en hoorder kan door dit ‘misverstand’ een woord van beteekenis ‘veranderen’. Stel dat iemand in een kamer zit te eten en zegt tegen zijn vrouw: ‘Ik ben met (het) eten klaar, zet het maar weg’. Hij kan daarbij met eten den infinitief bedoelen (voor hem is in dezen zin het eten een handeling); zijn vrouw kan het opvatten als substantief (voor haar is het een ‘ding’ dat zij klaar zet en wegzet). Dit voorbeeld bewijst, hoe belangrijk de syntactische gesteldheid is voor de beteekenisontwikkeling, de syntactische analyse voor de beteekenisleer. Het is duidelijk dat het ‘misverstand’ bij de vrouw werd gewekt of bevorderd door het object het in den tweeden zin. Wanneer de man met het eten (met eten was dat vanzelfsprekend) bedoelde de handeling, dan drukte hij zich in den tweeden zin in zeer ‘korten vorm’ uit: hij kan in verband met den éersten zin met ‘het’ alleen dán de spijzen en het gerei bedoelen, wanneer hij dit met een ‘aanwijzend’ gebaar bepaalt. Verandering in woordgebruik en woordbeteekenis kan ook bij den spreker zélf optreden. Voor de uitdrukking van een hevige emotie, een sterke emphase of een geheel nieuwe gedachte kan de in zijn taalomgeving gangbare woordenschat ontoereikend zijn. De spreker of schrijver kan dan een gangbaar woord op goed geluk in de spanning van het oogenblik in een nieuwe beteekenis gebruiken, of wel hij vindt voor het begrip in casu een nieuw woord, dat in een meer of minder gelijke beteekenis gangbaar is. De hoorder (of lezer) begrijpt hem ook dan alleen volledig, door overweging van den syntactischen samenhang (de zinsbeteekenis) en alle zinsvormen, in het bijzonder den zinsklank en -toon, en begeleidende gebaren. § 50De linguïst constateert de taalvormen die uit het psychisch-syntactisch gebeuren voortvloeien bij spreken en schrijven. Door vergelijking en ontleding tracht hij den ‘inhoud’ dier vormen te bepalen: de grammaticus ordent de ‘verschijnselen’ van deze correlaties van vormen en inhoud. Hij ordent de feitelijke verschijnselen, niet de historisch-gefixeerde, tenzij hij een ‘historische’ grammatica schrijft. Nu zijn er veranderingen in de beteekenis van woorden na een langen ‘ontwikkelingsgang’ historisch gefixeerd. Er zijn er echter ook die in onze taalperiode bezig zijn gefixeerd te worden, of beginnen op te duiken bij enkelingen of in bijzondere taalomgeving of in bijzondere syntactische constellaties. Historisch gefixeerd is bijv. de beteekenis van het werkwoord ‘varen’, dat oorspronkelijk ‘zich voortbewegen’ beteekende, maar in het Hollandsch en de algemeene taal ‘zich voortbewegen in een schip of boot’, in sommige streektalen ‘in een wagen’. De feitelijke beteekenis is thans nagenoeg beperkt tot éen van de vele bijzondere schakeeringen van de oude beteekenis: deze is in den loop der taalgeschiedenis beperkt, vernauwd, of gespecialiseerd. Wie de geschiedenis der woorden beschrijft en verklaart, kan onderstellen, dat deze specialiseering een natuurlijk gevolg was van de manier waarop eenerzijds een schippers- of visschersbevolking, anderzijds een boerenvolk zich pleegt voort te bewegen, wanneer te voet gaan is uitgesloten. Men kan zich voorstellen, dat dan ‘We varen weg’ zónder de bepaling ‘met ons schip’, ‘met onzen wagen’, de gedachte van den spreker duidelijk maakte, door de tegenstelling met het woord voor ‘te voet gaan’ (loopen, of oudtijds gaan) en door overwegingen van de situatie: ‘schip of wagen zijn gereed’. Het is echter alles hypothese. De grammaticus (in dit geval de historische grammaticus) ziet er ook een syntactisch verschijnsel in: de vanzelf-sprekende bepaling van middel of
omstandigheid is in ‘korten zinsvorm’ verzwegen, door het werkwoord geabsorbeerd. Het werkwoord ‘gaan’ heeft waarschijnlijk de etymologische beteekenis: zich te voet voortbewegen. Tegenwoordig wordt het gebruikt voor allerlei manieren van ‘zich verplaatsen’ of ‘verplaatst worden’ (dit laatste bij een zakelijk subject). De oude beteekenis is verruimd of gegeneraliseerd. Hetzelfde kan men opmerken bij het synonieme werkwoord ‘loopen’: een wagen, een wagenwiel, een machine loopt; een zeeman of zijn schip ‘loopt’, als hij snel voor den wind vaart, hij ‘loopt’ ook een haven ‘in’. Natuurlijk zijn dergelijke veranderingen in het subjectsverband óok van ‘syntactischen’ aard. Zelfs is er, wanneer de oudste beteekenis inderdaad ‘te voet gaan’ is geweest, aanleiding te vragen of het gebruik van ‘gaan’ en ‘loopen’ niet is ‘gegeneraliseerd’ door ‘overdracht bij vergelijking’, d.i. door metaphora (zie hierna). De gevallen van ‘varen’ en ‘gaan’ zijn echter alleen van belang voor de woordgeschiedenis, en voor de verklaring van verschillen in de beteekenis van woorden in verschillende dialecten. Grammatisch belang heeft een geval, waar een woord thans bij een bepaalde syntactische verbinding een andere beteekenis heeft dan de gewone, dat is de oudere en thans nog geldende. Het woord werkzaam heeft de gewone beteekenis van ‘zeer geneigd tot werken’ (zijn broer is een werkzaam man). Een andere, in dit geval ruimere, beteekenis heeft het in verbinding met een bepaling van plaats; zijn broer is werkzaam op de fabriek van Van Houten (= werkende, werkt). Nemen we een zin als: ‘Hij is weer béter’. De spreker constateert hier, dat ‘hij’ ‘niet ziek’ dus ‘gezond’ is, ‘hersteld’ na een ziekte. Deze ‘beteekenis’ is gebonden aan de verbinding met ‘weer’ 1 , dat is een ‘syntactische’ conditie. Ook is het adjectief in deze beteekenis alleen mogelijk in praedicatief verband en functie: dat is een tweede syntactische conditie. Er is ook een verandering in syntactische functie: want het adjectief heeft comparatieven vorm maar fungeert als positief. De twee eerste van deze drie syntactische omstandigheden ‘bepalen’ de ‘gespecialiseerde’ |
1 ‘Hij is béter’ zou de dokter kunnen zeggen, wanneer hij bedoelt: minder ziek dan gisteren, maar ook wanneer hij bedoelt: hij is genezen. Vindt hij den patiënt van dag tot dag ‘beter’, dan kan hij zeggen: ‘Hij is (al) wéer beter.’ Het sterk geaccentueerde weer heeft hier dan een andere ‘beteekenis’ dan in den zin: ‘Hij is weer béter’, terwijl ook het verschil in beteekenis van beter (nl. in den tweeden zin: genezen) door den accentvorm van den zin wordt bepaald. Inderdaad is hier dus bij verschil van beteekenis verschil in taalvorm, al is de ‘geschreven vorm’ identiek.
|
|
beteekenis van het woord beter. Eigenlijk is de term ‘specialiseering’ hier dus maar een benaderende term. Hoe komt het, dat deze comparatief zijn functie verliest? Waarschijnlijk doordat de comparatieve vorm (naast goed) niet regelmatig, dus niet duidelijk comparatief is Vgl. ook: best! (= goed!). In de gedachte en den zin kan bij spreken of schrijven het verband der begrippen en de daarvoor gekozen woorden een ‘verschuiving’ optreden, waarvoor men van ouds den term ‘metonymia’ hanteert. Ook dit is een syntactisch verschijnsel: de verschuiving is een gevolg van de hierboven besproken ‘spanning’ bij den spreker of schrijver, die hem tot een ‘korteren zinsvorm’ of gedachtesprong, tot weglating van of bijgedachte aan een woord of zinsdeel dringt. Voorbeelden: Hij is een wanhópige zeurpiet (een mij wanhopig makende 1 zeurpiet). Ik zal de noodzakelijke modder wegvegen (.... de modder die noodzakelijk weg moet). Opvallend is de verschuiving ten gevolge van verkorting in krantentitels (zie § 32): ‘Het moeilijke evenwicht’ werd gevonden uit: ‘Hoe moeilijk het is, het evenwicht te vinden tusschen staatsinkomsten en uitgaven.’ - ‘Electrische botsingen’ dankten het aanzijn aan: ‘Botsingen tusschen Provincie en Gemeente aangaande een electrische centrale’. In dit geval verrast de ‘opmaker’ den lezer door een piquante geestigheid. ‘Wanhopig’ in ‘een wanhopige zeurpiet’ e.d. is usueel geworden. Nu en dan kan men onderstellen, dat de opmaker van den krantentitel denkt aan een verwante usueele uitdrukking: ‘Gemengde persgevoelens’ was opgeduikeld uit den zin: ‘De nieuwe overeenkomst van Lausanne vindt bij de Amerikaansche pers een gemengde ontvangst’, waarbij gedacht is aan: ‘met gemengde gevoelens’. Oude, voldongen verkortingen zijn de metonymia's: ‘Ze dronken een glas’ en ‘De Rechtbank heeft hem veroordeeld (= het College van de rechtbank). Dit boek onderstelt een ontwikkeld lezer. De metonymia is de belangrijkste syntactische verandering van woordbeteekenis. De gevallen zijn dikwijls ingewikkeld, en alleen langs syntactisch-stilistischen weg te verklaren. Een voorbeeld is het geval van ‘scheuren’, uitvoerig besproken in O. Taaltuin III 164. |
1 De verschuiving leidt tot causatief genus van het adj.
|
§ 51 In de hier besproken syntactisch-semantische verschijnselen is vooral de logisch-syntactische waarde der woorden en zinsdeelen in het spel. Een woord kan echter ook bij een bijzondere gevoelswaarde van den zin een bijzondere beteekenis krijgen. Wanneer de uiting gepaard gaat met, of een gevolg is van hevige aandoening of gemoedsbeweging (affect),
wanneer dus in den zin een bijzondere gevoelsmodaliteit wordt uitgedrukt, kan deze op een der woorden van den zin worden ‘geconcentreerd’ en men kiest dan bij voorkeur een in den samenhang verrassend woord: het woord heeft een bijzondere ‘gevoelswaarde’ in dien zin. Lieve Janneman, je bent moeders flínke kérel! - Och, waarom húilt m'n kèreltje zóo? - Een echte draak is ze, in haar huis en in gezelschap! - De modaliteit van den zin bepaalt hier de keuze van het woord, bepaalt ook de bijzondere intonatie en accenten. De keuze van het woord met bijzondere gevoelswaarde is meestal een ‘omschrijving’ van het woordbegrip: een andere taalvorm; een ander woord dan het gewone. Er zijn eenige ‘figuren’ van omschrijving door gevoelsmodaliteit, affectieve omschrijving van ouds in stijlleer en grammatica onderscheiden: de metaphora, het euphemisme, de ironie, de hyperbool, de litotes. Te onrechte echter scheert men ze over éen kam. Het euphemisme verstaat men nl. in dubbelen zin. Het is ten eerste de neiging tot euphemisme of ‘verzachtende omschrijving’, dus een gevoelshouding van den spreker (schrijver) ten opzichte van het object der uiting, die men ethnopsychologisch met den term taboeïsme kenmerkt. En taboeïsme onderstelt niet alleen de neiging tot ‘omschrijving’, maar ook tot ‘verzwijging’ of tot ‘aanduiding’ in plaats van ‘noeming’. ‘Noemen is oproepen’ heet het in de voorstelling van den primitieven mensch. H.W. Heuvel, Oud-Achterhoeksch Boerenleven: Een arbeider was ziek uit Duitschland gekomen. Hij had ‘de roode loop’. 't Waren angstige najaarsdagen. Alle menschen waren in gedrukte stemming. Het woord ‘roode-loop’ werd maar zelden uitgesproken, men zei liever ‘de ziekte’. Noemen is oproepen, dat is een oud bijgeloof. - De taboeïstische gevoelshouding leidt tot verschillende taboeïstische zinsvormen en woorden. Euphemisme nu is een taboeïstische neiging tot omschrijving der begrippen. En deze neiging verwekt wendingen en woorden in de rede, die wij, als ‘grammatische figuren’, eveneens met den term ‘euphemisme(n)’ bestempelen. Zoo is het ook met de ironie. Het is een gevoelshouding, een opzettelijk averechtsche voorstelling der werkelijkheid, waarin de spreker zijn gevoel van minachting, kleineering, pessimisme etc. tot uiting brengt. De wendingen en woorden van den zin, gekenmerkt door en dragers van de gezochte averechtsche beteekenis, zijn dan, als ‘grammatische figuren’, even zoovele ‘ironieën’. Het euphemisme in: Hij heeft steeds door verhóoging. - Hij is bij Verdun gevallen. - Zacht en kalm is zij na een langdurig lijden van ons heengegaan. - bestaat in taboeïstische vermijding van de begrippen: koorts, dood
gestorven. Deze begrippen worden vanuit een bijzondere gevoelshouding in den zin ‘omschreven’, en wel in verzachtenden vorm: het woord ‘verhooging’, ‘gevallen’, het verband ‘van ons heen gegaan’ zijn ‘euphemismen’. Maar het woord verhóoging heeft de attributieve bepaling ‘van lichaamstemperatuur’ geabsorbeerd, uit semantisch oogpunt is het dus feitelijk in zijn ‘verandering’ een ‘specialiseering’, syntactisch een ‘verkorting’. ‘Gevallen’ is waarschijnlijk níet een verkorting van ‘dood gevallen’. De euphemistische beteekenis is bepaald door het syntactisch verband met ‘bij Verdun’: ‘gevallen’ is een vaag ‘aanduidende’ omschrijving. Evenzoo staat het met het derde voorbeeld. De ironie kan zich in allerlei omschrijvingen voordoen. Behalve dat, ook in ironische zinsaccenten. De ironische vorm van de mededeeling ‘Ja, hij is ríjk’ kan enkel in een ‘tweetoppig’ muzikaal accent van ‘Ja’ en van ‘rijk’ bestaan. Ook kan een dubbel ‘Ja, ja’ als quasi-bevestiging ironischen zin hebben. Ironisch kan men aan den zin toevoegen: ‘... aan schúlden!’ of ‘... maar nou lieg ik!’ In dit laatste geval bestaat de ironische vorm in de ontkenning van het tegendeel. Als ‘figuur’ noemt men dat een litotes: ‘Hij is geen Croesus!’ ‘Hij is óok geen held! - Hij is géen held! - Hij is óók een held! Zoo in het voetbalverslag: ‘Tjonges, het was daar niet lekker voor het Nederlandsche doel!’ - ‘Toe Bas, die man zal je niet bijten!’ - Een ‘figuur’ is een (in dit geval ironische) omschrijving, waarvan òf de vorm stereotyp is geworden, òf de gevoelsmodaliteit of voorstellingswijze (in casu de ironie) in den loop der tijden is verzwakt. Vgl. bijv. de litotes ‘Dat is niet áardig van je!’ In zekeren zin tegengesteld aan het euphemisme en de litotes is de hyperbool: de overdreven, vergrootende omschrijving. De hyperbool is níet het uitvloeisel van een bepaalde gevoelshouding. Deze vorm kan zijn oorsprong vinden in de taboehouding, zoowel als in een sterke ontroering, smart of ergernis, of in de behoefte aan emphase of pathos. De hyperbool is dus, als de litotes, louter vorm, d.w.z. in stereotypie een ‘figuur’. We beperken ons tot éen voorbeeld: Het duurde een eeuwigheid, voordat hij kwam. § 52Ten slotte de metaphora. Noemt men den ‘middenhalf’-speler van een voetbalelftal ‘de spil van het elftal’, dan is de omschrijving op het oogenblik dat het woord in die beteekenis voor het eerst, verrassend, werd gebruikt, het resultaat van een vergelijking. De spreker ziet op dat oogenblik overeenkomst tusschen ‘een spil in een raderwerk’ en dien ‘speler in het elftal’. Deze vergelijkende omschrijving èn het semantisch gevolg
ervan, noemt men metaphora. Op den duur verzwakt en verdwijnt ook hier het gevoel voor de oorspronkelijke vergelijking. Er ontstaan echter dagelijks vanuit allerlei gevoelsmodaliteiten, ten opzichte van de uiting, nieuwe metaphora's. 1 Iedere ‘gemoedsbeweging’, ook iedere taboehouding, kan bij het spreken (en schrijven) leiden tot een suggestieve of plastische, een vervagende of praegnante, vergelijkende omschrijving. De metaphora kan geborgen zijn in een vergelijkend syntactisch verband: (Van een hel licht strand in middagstilte) Zwarte scheepsrompen lagen er als rustende robben, andere lagen onder zeil als rustende zeevogels. - Of in het niet meer vergelijkend praedicatief attribuut (op een vulcaan): Daar onmiddellijk voor onze voeten, zinkt de rots, naar een ontzaglijke ketel toe, een kegel met den top omlaag, die in wijden ommezwaai in rots bij rotsen staat opgebouwd. - De metaphora, d.i. de beteekenis van de woorden ‘rustende robben’, ‘een kegel met den top omlaag’, is in deze zinnen nog volslagen gebonden aan de ‘syntaxis’, de grammaticale functie der woorden in het verband der woorden, groepen en den zin. Dit syntactisch verband kan losser worden, bijv. in den vorm der variatie: De asch valt dichter en zwaarder. De aschregen wordt dichter, naarmate wij stijgen. - Hier is de vergelijkende omschrijving geconcentreerd in het compositum aschregen (eigenlijk: asch die valt als een regen zoo dicht). Wanneer nu de ontroerde tourist, voortgaande, zou zeggen: Die ‘regen’ wordt benauwend!’ dan zou het woord ‘regen’ nog als resultaat der ontwikkeling een ‘metaphora’ zijn; maar tevens een ‘specialiseering’ van het oorspronkelijke ruimere begrip ‘regen’. Het woord in den zin is naar zijn beteekenis maar zelden afdoende te kenmerken door middel van éen der hier besproken termen, dat is wel duidelijk geworden. We analyseeren nog éen geval ter bevestiging. In Brusse's Landlooperij zegt een geestdriftig vader van zijn zoontjes: ‘Die kleine knulle van me zien d'r uit as wólke’. In dezen zin is de beteekenis ‘zoontjes’, vergeleken met de ‘gewone’ in des sprekers taal (nl. ‘mannen’), een geval van specialiseering; vergeleken met de ‘gewone’ in |
1 Over die van kinderen, zie v. Ginneken O.T.I, 133 (b.v. spiegelingen in water: waterschaduw. Het kind wordt door gebrek aan taalervaring tot overdrachtelijke omschrijving gedwongen). Namen en vooral bijnamen zijn metaphora, b.v. duidelijk bij H.W. Heuvel, Oud-Achterhoeksch Boerenleven: Stegeman was voor jaren een boer, die altijd achteraan was met zijn werk en sinds zei men, zelfs tot iemand, die wat lang bezig was met zijn eten: ‘Je wordt Stegeman.’ - Daar woont de Heggentöet, zoo genoemd naar een aardig levendig vogeltje. De vader kreeg dien bijnaam omdat hij zoo druk babbelen kon met een fijn stemmetje, 't Is een laag huisje met kleine raampjes (N.B. ook dat past bij het vogeltje!).
|
|
een wijder milieu (nl. ‘domme, onhandige mannen’), een geval van verruiming. Gesteld dat de etymol. beteekenis is: knoestig, plomp ding (knolraap, 'n knol van 'n horloge), dan is de beteekenis ‘domme, onhandige man’ een metaphora door de vergelijking van een plompgebouwd man met een ‘knol’, en een metonymia door den overgang van plompgebouwd op dom, onhandig: een causale metonymia. De beteekenis ‘zoontjes’, zoowel als die van ‘mannen’ is bovendien rijk aan ‘gevoelswaarde’, door ‘ironie’ van eigen vadertrots. We constateeren dat in dezen zin de vergelijking van kinderen met ‘wolken’ kan leiden tot de metaphorische constructie ‘wólken van kìnderen’, een explicatieve (door ‘van’ omschreven) genitief, zie § 96 en § 250. De specialiseering van de beteekenis van een woord komt vaak neer op isoleering in beperkte functie. We bedoelen met isoleering, dat een woord alleen in verbinding met éen woord of weinig woorden van éen soort wordt verbonden. Het werkw. bestieren heeft dezelfde etymologische beteekenis als besturen, maar het wordt alleen verbonden met een subject = ’goddelijke macht’. Het woord onderdanen wordt alleen gebruikt voor de ondergeschikten van een vorst (in de beteekenis ‘beenen’ is het een speelsche metaphora). In staande uitdrukkingen is de isoleering compleet geworden; bijv. het werkw. ‘benarren’ is in de uitdrukking ‘benarde omstandigheden’, althans wat de omgangstaal betreft, geïsoleerd. Aan den anderen kant kunnen woorden in zóoveel syntactische beteekenissen gangbaar worden, dat zij ‘hun etymologische beteekenis verliezen’. Een voorbeeld is het voegw. dat. Ten slotte: woorden met verwante beteekenis, die, met geringe variaties van hun etymologische beteekenis, in den zin op dezelfde wijze verbonden ongeveer gelijke beteekenis hebben, noemt men synoniemen. Om hun waarde te vergelijken stelt men hun grootsten gemeenen deeler vast, d.i. het deel hunner beteekenis dat gelijk is. Woorden die géen elementen van beteekenis gemeen hebben, ondanks gelijken vorm, ‘homoniemen’ genoemd, hebben voor de beteekenisleer, laat staan voor de grammatica, niet het minste belang. Homoniemen zijn wel vaak etymologisch identiek. Zoo is bijv. vorst (van een heerscher gezegd) en vorst (van een dak) etymologisch 't zelfde woord. En het bovengenoemde vertrek = het weggaan van, is feitelijk homoniem van vertrek kamer; doordat in het tweede begrip het verband met het werkw., nl. het oude ‘zich vertrekken’ (naar een afzonderende ruimte) niet meer wordt gevoeld. Ontleening van woorden.Behalve de overneming van woorden en wendingen uit ándere taal-soorten, een andere taalsfeer, staan den spreker en schrijver nog vele middelen ten dienste, wanneer hij zoekt naar den taalvorm voor zijn gedachte (gevoel). Hij kan woorden en wendingen ontleenen, aan vreemde talen en aan oudere taalperioden; hij kan ook nieuwe woorden vormen. We bespreken eerst de ontleening. § 53In het Nederlandsch worden van oudsher woorden overgenomen uit vreemde talen; zelden syntactische constructies of verbindingswoorden (voegwoorden, voorzetsels). Het meerendeel der ontleende woorden zijn substantieven, dan volgen in aantal de werkwoorden; bijv. naamw. en bijw. zijn betrekkelijk zeldzaam. Het getal Romaansche woorden is groot; zoowel Latijnsche als Fransche; veel geringer in aantal zijn de Italiaansche en Spaansche. Engelsche woorden komen meer en meer in de mode; Duitsche zijn steeds minder schaarsch. De Nederlander neemt ook vrij veel woorden over van de Semietische talen en uit het Maleisch; nu en dan uit het Vlaamsch en het Zuid-Afrikaansch. De overneming kan verschillende oorzaken hebben. We kunnen door een vreemd woord een schakeering in de beteekenis van een Nederlandsch woord uitdrukken, wanneer dit door verandering in den vorm van het Nederlandsche woord niet mogelijk is, of wanneer daarvoor een omslachtige samenstelling of afleiding of zelfs een volzin noodig zou zijn: consequent, optimist, presteeren, emissie, audiëntie. Tallooze werkwoorden op -eeren zijn ‘korte taalvorm’: carteeren, balanceeren enz., ook specialiseerend als reguleeren naast regelen, en het ‘hybridische’ kleineeren naast verkleinen (zie ook § 66 over de gevoelswaarde). Zelfstandige naamw. worden vaak ontleend mèt het ‘ding’ dat zij omschrijven: kelder, lift, abrikoos. Geleerden en vaklui zijn gedwongen, de termen voor nieuwe begrippen te omschrijven in vreemde woorden, bij voorkeur Latijnsche, Grieksche of Engelsche, omdat de Nederlandsche term onduidelijk zou zijn: wij hechten nl. aan een woord of woorddeel òf een te vage òf een te speciale beteekenis. We brengen het in verband met uitdrukkingen, waarin het algemeen gebruikelijk is (associatie). Als voorbeeld noemen we grammatische termen. Tegenstanders van zelfs deze noodzakelijke ontleeningen noemt men puristen of taalzuiveraars. Woorden die met opzet in Nederlandschen vorm worden ‘gesmeed’, heeten purismen. Ze worden maar zelden aanvaard, omdat de purist optreedt, wanneer het vreemde reeds ‘eigen’ is geworden. Een onbegonnen werk is het bijv. manchet te vervangen door polsboord.
Maar stel dat een purist het woord ‘dineeren’ of ‘lunchen’ wil vervangen door ‘middagmalen’ of ‘noenmalen’, dan nog hindert ons de bijgedachte aan de gewone beteekenis van ‘malen’ en ‘spijzen vermalen’. Lastig is echter vooral de vervoeging van deze werkw. 1 En het woord ‘middagmaal’ voor ‘diner’ past niet bij den tijd waarop wij plegen te ‘dineeren’. ‘Avondmaal’ heeft nu eenmaal in het Nederlandsch een verheven en plechtige gevoelswaarde gekregen en is dáarom ongeschikt, ook voor ‘souper’ 2 . Het vreemde woord stelt ons niet alleen in staat, de hinderlijke synt. beteekenis of de hinderlijke gevoelswaarde van den Nederlandschen term te vermijden, het heeft ook, door zijn vreemden, vaak door zijn welluidenden, vorm een zeker ‘cachet’. Dit ‘cachet’ heeft het vreemde woord in bepaalde ‘standen’, ‘kringen’, families zelfs. Maar ook in de taal der dichters vinden we woorden, die door hun vreemden, òf welluidenden òf ‘sprekenden’, vorm, den ontwikkelden lezer een sterke en zeer bijzondere gevoelswaarde bijbrengen: De lente wier onvruchtbaarheid || Het langoureuze jaar beschreit (G. Gossaert). - En Zijner bronzen armen tempelrots 3 || Wijdt honderd esmeralden zode-altaren (Perk). - In de algemeene taal is indrukwekkend de klank van oceaan, kolossáal 4 , gigantesk; treffend is ook de klank van melancholisch 5 . Het is moeilijk te zeggen, of een woord als vreemd wordt gevoeld. Dat hangt af van z'n ouderdom en van de kennis, die de spreker of hoorder, schrijver of lezer van vreemde talen bezit. Hoe meer een woord wordt uitgesproken afwijkend van de eigenlijke uitspraak, hoe meer ook het de kenmerken van de Nederlandsche flexie en woordvorming aanneemt of bezit 6 , des te minder zal het nog als vreemd worden gevoeld. Vooral bij de Romaansche woorden zijn naar den vorm verschillende graden van ouderdom te onderscheiden; zij richten zich gemakkelijker naar de Nederlandsche flexie en woordvorming dan bijv. de Engelsche woorden. De vormverandering van het vreemde woord onder invloed van menschen, die de vreemde taal niet kennen en die het woord trachten te doen gelijken op een Nederlandsch, zoo mogelijk van verwante beteekenis, noemt men volksetymologie: suikerlaat voor chocolade, appelekoos voor abricoos, pinijzertje voor punaise e.a. Het verschijnsel bestaat in woordver-vorming, tot op zekere hoogte ook contaminatie (zie § 60). Er is ook volks-semantiek, bijv. bij het woord gladakker = slimmerik, gevormd van |
1 Zie § 83.
2 Al te ‘eenvoudig’ klinkt avondeten etc.
3 vgl. de genitief-constructie § 96.
4 Zie adj. van graad § 113.
5 Zie ook symboliek van vreemde suffixen § 63 en 56.
6 Vooral Engelsche woorden lijken soms zoo ‘eigen’ (lift, fitter).
|
|
Maleisch gladak = lastpaard. Volkshumor werkt in sladoot = soldaat 1 . De overneming kan overbodig zijn. Dat is zij vooral, wanneer éen vreemd woord een reeks van Nederlandsche synoniemen dreigt te vervangen; dit is bijv. het geval met ‘direct’ als adv. en adj. Hetzelfde bezwaar bestaat echter ook tegen Nederlandsche mode- en stopwoorden. Maar ook het gebruik van vreemde woorden zonder eenige beperking, waardoor Nederlandsche woorden van evenveel zeggingskracht of volkomen gelijke beteekenis als het vreemde worden verwaarloosd en verdwijnen, is een gevaar voor den rijkdom onzer taal. Nog erger wordt het, wanneer de vreemde woorden in verkeerden vorm of in foutieve beteekenis worden overgenomen. |
1 Nog duidelijker in het volkslied: En... Japie is getrouwd, Nou zitti in de sèèrre! (= in misère).
|
§ 54Een verschijnsel van heel anderen aard, gevaarlijker voor de handhaving van het eigen karakter der taal dan de ontleening, maar dan ook volslagen buiten de competentie van leeken in de taalkunde, is de nabootsing van vreemde woorden en constructies in Nederlandschen vorm. Al naar den oorsprong van het nagebootste onderscheiden we: Latinismen, Gallicismen, Germanismen, Anglicismen, Graecismen, Hebraïsmen etc. De Latinismen en Gallicismen zijn meestal van ouden datum, de Germanismen en Anglicismen van jongeren tijd. Al deze ‘barbarismen’ komen vooral bij het vertalen, dus in de geschreven taal (zie § 57). De Germanismen zijn niet altijd gemakkelijk te herkennen: zij maken nu en dan dezelfden indruk als archaïsmen of Nederlandsche volkstaalvormen. § 55Archaïsmen zijn de nabootsingen van vormen en constructies uit een oudere taalperiode, die in de gesproken omgangstaal niet meer bestaan. Ze moeten niet worden verward met de namen van dingen en personen die buiten gebruik zijn geraakt, en die in de beschrijvingen van historische tafereelen o.a. noodzakelijk zijn. Soms grijpt de purist naar een archaïsme; bijv. wanneer hij een ‘lunch’ door ‘noenmaal’ tracht te vervangen. Een zeer bijzondere functie verricht echter het archaïsme in de litteraire taal. De schrijvers, die gewend zijn, hun taalvormend vermogen te sterken door gezette lectuur van oudere schrijvers, zullen in de litteraire taal steeds weer oude wendingen en woorden ingang geven en, bij navolging door anderen, gangbaar maken in bepaalden stijl. We moeten hierbij in aanmerking nemen, dat de litteraire taal op heel andere wijze verandert dan
de gesproken omgangstaal; de taal is voor den litterairen schrijver een technisch hulpmiddel, een instrument, dat hij steeds tracht te volmaken, om er over te beschikken op de tijden der inspiratie van zijn stof. Van Potgieter zegt een zijner tijdgenooten: Hij heeft een nieuwen weg ingeslagen, om de taal tot een geschikt voertuig zijner conceptiën te maken. Hij heeft onze oude Dichters en Schrijvers geraadpleegd: hij heeft zelfs met stoutheid verouderde vormen in het leven geroepen... hij heeft ons de behoefte doen gevoelen, die hij aan nieuwe vormen, aan een rijkeren woordenschat had, om het doel te bereiken... Bij het lezen van Vlaamsche schrijvers moeten we voorzichtig zijn met het constateeren van ‘archaïsmen’; het Vlaamsch vertoont veel vormen der middeleeuwsche taal nog levend, die uit de Noord-Nederlandsche dialecten zijn verdwenen. En zoo is het ook met het constateeren van ‘germanismen’ gelijk we hierboven opmerkten: in het Duitsch heeft vaak een woord de oudere Nederlandsche beteekenis, of wel is een woord, dat uit onze taal is verdwenen, bewaard. Wanneer we lezen: Gij Zon die ondergaat || In purpren vlammen-zee en gouden verven! (Perk) - dan kunnen we het woord ‘verven’ in de beteekenis van ‘kleuren, tinten’ opvatten als germanisme, maar ook als archaïsme. Is het een ‘archaïsme’, dan is het een bijzondere soort van vernieuwing. Dan wordt hier niet een verdwenen vorm opnieuw gebruikt, maar een nog bestaand woord in een beteekenis die het vroeger heeft gehad. Dit constateeren we ook in: Rechts er tegenover rees ook het nare gebergte met zijn karteling als een zaag (v. Looy). - waar het adj. ‘nare’ een gevoelswaarde heeft als in de 17de eeuw, nl. ‘benauwend’. Ook aan een nog bestaand afleidend suffix kan de schrijver nieuw leven inblazen: Schepselen van duizend nare droomen (Perk) - hier beteekent ‘schepselen’ wat in droomen door de phantasie geschapen wordt. In gevallen als deze kan de schrijver geleid worden door zijn etymologiseerend vernuft òf door zijn herinnering aan het woordgebruik bij oudere schrijvers. Ook buiten de litteraire taal komen archaïeke vormen voor. In de eerste plaats onder invloed van den Staten-Bijbel: de verzenen tegen de prikkels slaan. In de tweede plaats blijven oude vormen en beteekenissen bewaard in den beperkten kring van vaklui zoowel als van dialectsprekers. Maar dàt zijn geen ‘archaïsmen’, omdat hier geen nabootsing van oudere taal plaats heeft; de taal is in die beperkte kringen minder onderhevig geweest aan verandering, of wel onderhevig geweest aan àndere verandering dan de beschaafde omgangstaal. We komen hier op een belangrijk kenmerk bij de beoordeeling van ‘barbarismen’:
wat is ten opzichte van de veranderingen in de algemeene woordenschat, de beteekenis van de volkstaal? Er zijn verder nog te overwegen: de ‘ontleening’ ten opzichte van de woordvorming, en ten opzichte van de syntaxis. In een nadere beschouwing zullen we, om het belang van de taalpractijk, treffende gevallen van ontleening nader kunnen toelichten. § 56Invloed van de eene taal op de andere is niet naar éen vaste maatstaf te bepalen, nog minder naar éen ‘causaliteit’ te verklaren. De verhouding van de eene taal tot de andere is nooit gelijk. In Zwitserland staan Fransch en Duitsch naast elkaar, maar geen der twee is ‘de cultuurtaal’ door traditie. In België staan Fransch en ‘Dietsch’ naast elkaar, maar tevens tegenover elkaar, in strijd: omdat het Fransch langen tijd de ‘cultuurtaal’ bij uitstek is geweest. Er komt bij, dat in België een heel andere staatsvorm dan in Zwitserland heerscht. De invloed van het Fransch op het Noord-Nederlandsch is natuurlijk een heel andere dan die op het Zuid-Nederlandsch. Een tweede oorzaak van verschil in opvatting en methode inzake den invloed van talen onderling, is het verschil in opvatting van wat een ‘taal’ is of liever, wàt het ‘levend’ deel der taal is, dat voor ‘invloed’ vatbaar is. Bedoelt men er mee de geschreven cultuurtaal, of ook de volkstaal; en indien ook de volkstaal, onderscheidt men dan den directen invloed door mondeling verkeer in de grensstreken van dien bij bemiddeling òf door geschreven cultuurtaal, òf door een locaal, naar de vreemde taal gericht, cultuurcentrum? Ten onzent is nog maar zelden onderzocht, hóe in betrekkelijk afgelegen, conservatieve streektalen een romaansche woordinslag is te verklaren: men beperkt zich gemeenlijk bij de ‘historische’ verklaring tot de veranderingen en ontleening in de ‘algemeene’ taal 1 . En daarbij richt men zijn aandacht bijna uitsluitend op de ‘woorden’: onder ‘ontleening’ verstaat men dan ook ‘ontleening van woorden en uitdrukkingen’ aan vreemde talen. Hoe en waarom ontleent men? 2 In technische groeptalen ontleent men automatisch namen van dingen en handgrepen. In de volkstaal en den omgang ontleent men bij |
1 Belangrijke opmerkingen zijn te vinden in ‘Het Oneigene’ van Dr. W. de Vries. We wijzen ook op de ‘taalkundige’ gegevens in het prachtboek van H.W. Heuvel, Oud-Achterhoeksch Boerenleven, waar o.a. staat: ‘Gait-eum gebruikt nog telkens woorden uit den Franschen tijd: hij spreekt van appetit, estimeeren en toujours en hij zit vol wijsheid uit vader Cats.’
2 Zie ook § 53.
|
|
het zoeken van nieuwe vormen van uitdrukking voor nieuwe voorstellingen, begrippen en ook onder invloed van psychischen drang, of van sociale omstandigheden. Het nieuwe vreemde woord laat de phantasie en het gevoel in alle richtingen vrij. Het vreemde woord is een symbolieke verklanking van allerlei door het inheemsche woord geremde sensaties, gevoelens, stemmingen. Het is in den zin suggestief. Het is dikwijls moeilijk, de wijze van ‘ontleening’ in de volkstaal na te gaan en historisch te reconstrueeren. Geschreven getuigenissen zijn maar zelden als wegwijzers aanwezig en niemand is zich van het feit der eerste ontleening bewust. Eenig licht ontleenen wij aan de toevallige gegevens van Katwijkers aangaande nieuwe ‘woorden’ voor ‘dingen’ in hun bedrijf. Ik ga daarbij uit van mijn eigen herinneringen aangaande het woord fiets waarvan men gewoonlijk onderstelt, dat het een in het Geldersche (in de buurt van Deventer 1 en ‘Burgers’) uit fiesselepee (= velocipède) verkort fiesse zou zijn, waar de t kan zijn ingevoegd ‘als duidelijke symboliek (door -ts-) van de magische snelheid van dit voor Oud-Apeldoorn sensationeele wonder der techniek’. Sensationeel was de oudste tweewieler, éen hoog vóor- en éen laag achterwiel, in dien ouden tijd; hij was het ook op een gedenkwaardigen Zondagmiddag in 1928 toen een Veluwsch boertje op dit erfstuk zijner vaderen triomfantelijk zetelende, den steilen Soerenschen weg afratelde en alle passanten, voetgangers en moderne-wielrijders, den berm deed opstuiven. Ik voor mij, heb in den lateren populairen naam ‘stoomfiets’ voor motorrijwiel, altijd een weerslag van dezelfde ‘sensatie’ gevoeld. Wat opvallend is, krijgt bij eerste opwelling in het spraakmakend gemoed, den naam van iets dat op dat oogenblik in de taalsfeer vreemd of sensationeel naar de ‘beteekenis’, vreemd en ‘onbegrepen’ naar den vórm is. Dit principe nu is niet zoozeer voor het vraagstuk van den klankvorm (inzake -ts-) 2 , als wel voor de verklaring van ontleening van vreemde woorden en voor de beteekenisleer van gewicht. Ik herinner mij, dat in het begin van deze eeuw de oude bomschuit eerst met een stoomketel (om 'n spil te drijven) werd ‘toegetakeld’. daarna vervángen door den ‘stoomlogger’, en dat de Katwijkers eerst de toegetakelde schuit, daarna den stoomlogger betitelden met den naam van ‘fiets’ 3 . Toentertijd was het rijwiel nog nieuw en, althans voor de |
1 Zie Franck van Wijk, Etym. Wdb. waar Apeldoorn wordt genoemd. Echter ook het Suppl. van Van Haeringen.
2 Zie § 62.
3 De Katw. uitspraak, ook voor het rijwiel, is fiəs (met een palatale s).
|
|
visschers, nog vreemd: de nieuwe verschijning in het type visschersvaartuig was van-zelf-sprekend een ‘fiets voor op zee’. Van deze wijze van ‘benaming’ met een vreemd woord zijn in het Katwijksch nog nieuwere voorbeelden te vinden. Zoo heeft de reclame voor allerlei voorwerpen, met gebruik en misbruik van den naam van den ‘Uiver’, ten gevolge gehad, dat in Katwijk de kleine scholletjes die níet worden gestript en alleen bij voldoenden prijs worden verhandeld, tegenwoordig als ‘Uivertjies’ worden betiteld. Kleine schelvisch die als ‘kleingoed’ bij den verkoop hoopsgewijs wordt verhandeld is in een nabij verleden, toen het woord nog in de volkstaal bezig was in te burgeren, nog níeuw was, omgedoopt tot ‘raedio’. Wanneer de uivertjies en de raedio geen geld opbrengen, gaan ze bij het afval voor de vischmeelfabriek. Een derde benaming van een kleine vischsoort, de wijting, is klaarblijkelijk ontleend aan een of ander opschrift, deze heet nl. ‘varia’. Het oudste van de benamingen voor ‘kleine’ of ‘onbruikbare’ visch, is ‘puf’. Hier is waarschijnlijk niet een bizarre vreemde woordvorm willekeurig overgebracht. Een deskundige heeft mij op grond van zijn herinnering als verklaring het volgende voorgesteld: Toen de ‘puf’ als zoodanig begon verhandeld te worden, werd zij gelost in motorschuitjes. Deze ‘pufskuite’ kunnen zoo genoemd zijn naar het toentertijd opvallende geluid van den motor 1 . De interjectie ‘puf’ heeft bovendien een minachtende ‘gevoelswaarde’ 2 . Ook waren de ‘pufskuite’ verachtelijk, 1o. omdat zij veel kleiner waren dan de motorbooten die de haring en de vleet innamen, 2o. omdat zij door hun lading een viezen stank verbreidden. Toen de puf (kleine visch) begon vervoerd te worden, kwamen juist de motor(puf)skuite in de plaats van de oude zeilschuitjes, waarmee men vroeger de minderwaardige ‘vijfvoete’ aan land vervoerde. De overgang van ‘vijfvoete’ in ‘puf’ ging dus samen met dien van zeilscheepjes in motorschuitjes. Reden te meer om het ‘kenmerk’ van die schuitjes over te brengen op de lading. De naam ‘puf’ zou dus uit het compositum ‘pufskuit’ kunnen zijn geabstraheerd. Een vreemd suffix is woordenvormend productief bij affectieve superlatieve en intensieve begrippen: kleineeren, trotseeren, redeneeren (als Brugman), (zich dood-) prakkizeeren, afgodeeren; 'n stommiteit; de bibberatie; ('n pak op je) zielement (ken je krijge!). De uitgang -eeren is een uiterst belangrijke woordverzwaring, vargeleken met -ə, -n̥. |
1 Vgl. de fiəssə.
2 Ook het subst. fiessə lijkt verdacht veel op het adj. ‘vies’, in Katw. fiess.
|
§ 57En nu de syntaxis. Het syntactisch systeem van de gesproken volkstaal is waarschijnlijk niet vatbaar voor eenigen vreemden invloed, zelfs van een cultuurtaal, behalve in de grensstreken, de tweetalige gebieden. Maar in de geschreven taal van ambtenaren en intellectueelen dringen ‘syntagmata’ door, die niet oorspronkelijk Nederlandsch zijn. Men denke aan de uitbreiding van participiale constructies, van infinitiefconstructies, van conjunctieve praedicaatsvormen. Men is er echter niet mee af, te constateeren of een syntagma in Oud-Westgermaansch, Middelnederlandsch en Nieuwnederlandsch al dan níet voorkomt, in gelijken of verschillenden vorm of functie; en als een naïeve aanwijzing zonder nut voor de ‘wetenschap’ moet worden beschouwd het verwijzen naar ‘gelijke’ verschijnselen in ‘het’ Latijn, ‘het’ Grieksch, ‘het’ Fransch. De beslissende afdoende ‘historische verklaring’ zal óok inzake syntaxis alleen bereikbaar zijn met behulp van de volledig toegepaste ‘moderne’ taalwetenschap, d.w.z. de sociologische (maar dan alzijdige), de psychologische, en de stilistische analyse. Voorloopig zal daarbij als ‘werkhypothese’ mogen gelden: invloed van een vreemde syntaxis op de onze is alleen mogelijk in zooverre, dat een in kiem aanwezige syntactische mogelijkheid door een krachtig en aantrekkelijk vreemd syntagma wordt aangewakkerd en ontplooid tot sterke frequentie en veelsoortige functie in een bijzonder ‘vatbare’ taalsfeer. De aandacht der ‘taalzuiverende leeken’ richt zich steeds meer op de syntaxis, de zinswendingen, den zinsinhoud. Het ongeluk is dat zij niet weten: 1o dat constructies die Nieuwhoogduitsch of Fransch lijken, dikwijls ouder Nederlandsch waren, of nog bestaan in taalsoorten die hun onbekend zijn. 2o dat in het bijzonder veel wat Hoogduitsch lijkt, Oostelijk-Nederlandsche volkstaal is. 3o dat een taal die zal leven, vrij moet blijven in de vorming door ‘analogie’ 4o dat het evenzeer doodelijk is voor het leven der taal, wanneer de nieuwe ‘denkvormen’ alleen mogen worden uitgedrukt in de taalvormen van het ‘algemeen Beschaafd’ en in die der stricte ‘logica’. Zoo heeft er een felle en langdurige strijd in de pers gewoed over de vraag of men ‘mag’ schrijven: verliezen aan, verliezen tegen of verliezen van. In de voorkeur voor een dezer voorzetsels heeft men zelfs ‘syntactische ontleening’ meenen te zien. Men wenscht te verbieden de uitdrukking zonder meer, als een germanisme. Afgezien nu van het feit dat de Duitscher ‘ohne Weiteres’ zegt, zij hier opgemerkt, dat wij zeggen ‘Zoo zonder méer zou ik dat niet tóestaan’. De inleidende bepaling gaat boven het striktlogische minimum (of maximum) uit. Maar men vergeet, dat het de uitdrukking
is van een ‘modaliteit’: de mededeeling ‘onder voorbehoud’. Lange attributieve bepalingen vóor het substantief wil men weren, als aan het ambtelijke Duitsch ontleend. Maar in het voetbalverslag sprak de gespannen verslaggever ‘voor de vuist’ dezen inderdaad gespannen ‘korten’ taalvorm: Op dit laatste ook voor hùn véelbeteekenende moment, kómt er géen bal meer...’ Een ‘ontwikkeld’ Nederlander zou den weg moeten weten in den taalschat van minstens drie eeuwen her, en in de taal van het volk waaruit hij is voortgekomen: de volkstaal van zijn geboortestreek. Hij zou hebben moeten leeren, die volkstaal te vergelijken met de normen en mogelijkheden van de oude cultuurtaal. W. de Vries ‘Het Oneigene’ blz. 24, zegt: ‘Heel wat wordt ons voorgesteld ter vervanging van denkbeeldige Germanismen. Wanneer van eenigszins gezaghebbende zijde plaatsvervangers noodig geacht worden voor: milderegen, postpapier (reeds 1616), overzetten = vertalen, dan kan men volstaan met te verwijzen naar het Ned. Wdb. Wie voor doormaken voldoende vindt: beleven, doorleven, ondervinden - dus den negatieven gevoelstoon maar opoffert - en boemeltrein denkt te kunnen vervangen door sukkel- en treuzeltrein, zonder zich zelfs door het practische boemel te laten weerhouden - diens voorslagen getuigen meer van misogermanie dan van inzichten in de behoeften der taal.’ - Wereldberoemd is als strijdig met het taalgebruik verworpen, omdat er geen stadberoemd en wereldbekend bestaat. Maar het type van samenstelling (een locaal subst. met adj.) is in het Nederlandsch al heel oud 1 . Evenzoo verwerpt men Nederlandsch, als men grootburger en hoogwaardige artikelen niet goed vindt. Op éenmaal naast opeens is niet alleen Duitsch, maar in een belangrijk deel van Nederland de gewone vorm. Zoo ook ‘hij wist zich geen raad’, dat niet eens Duitsch is, maar waarbij de Nederlander de belangrijke functie van het ‘medium’ (naast activum en passivum) tot uitdrukking brengt. |
1 Een aardig staaltje was in een advertentie: Te koop, een papegaai, vingertam. Zie § 70: 5.
|
Woordvorming.§ 58Woordvorming is de vorming van een woord door samenvoeging (compositie) van woorden of woordstammen, of door afleiding (derivatie) uit éen bestaand woord. De woordvorming is van belang voor de grammatica: de samenvoeging is een middel der ‘syntaxis’ bij de uiting, samenvoeging en afleiding beide of liever: de keuze van het samengevoegde of afgeleide
woord is gelijk aan ‘keuze van een korten taalvorm’; afgeleide woorden concurreeren ook met andere: bijv. naamw. op -erig met tegenw. deelw., zelfs naamw. op -ing of stamwoorden als verkoop met infinitieven of met substantieve zinnen. Bijv.: Zijn veroordeeling tot gevangenisstraf heeft hem verpletterd. Veroordeeld te worden tot gev.... Dat hij veroordeeld wordt tot.... De vraag hoe de woorden in vroeger tijd zijn gevormd is natuurlijk van geen belang voor een statische of beschrijvende grammatica. We moeten echter bij onze beschrijving van de wijze waarop thans woorden worden gevormd, wel van die oude ‘processen’ uitgaan, omdat nergens zoozeer als bij het gebruik van samenvoegingen en afleidingen de analogie naar gegeven en historisch-gefixeerde vormen tot nieuwe woord- en zinsvormen leidt. De productiviteit der analogie kan zelfs volslagen versteende woordvormingen (verholen woordvormingen) tot nieuw ‘leven’ wekken: Hij had eeuwig schoonfamilie over den vloer (Arm.). - Tulpjes die Tante Emilia krantvast in haar voorjaarsmand heeft staan (van Looy). Dit ‘krantvast’ is een spontane analogie naar het oude ‘steevast’. Het is evenwel duidelijk, dat we bij het spreken en schrijven de samenvoegingen en afleidingen met een heel zwakke of zelfs zonder eenige bewustheid van hun ‘vorming’ hanteeren: de keukendeur (staat open) is voor het taalbewustzijn van den spreker een kant-en-klare eenheid, en dat is met: de deur
|
1 Zie o.a. Jespersen Language, blz. 422. Ook W. de Vries, Iets over Woordvorming.
|
§ 59Een andere vraag die men wel stelt, zonder haar echter te beantwoorden, of althans: het antwoord in een ‘leer van het woord’ in de practijk te brengen, is deze: is ‘ontleening’ van een woord, en is de ‘conversie’ van een woord (d.i. de overgang van het eene rededeel in het andere), is ook verandering van beteekenis van een woord, gelijk aan ‘vorming’ van een (nieuw) woord? We zouden kunnen zeggen dat ‘ontleening’, ‘beteekenisverandering’ en ‘conversie’ wel leiden tot vermeerdering of verandering van den ‘woordvoorraad’ waarover het individu of de taalgemeenschap beschikt, maar daarmede houdt de overeenkomst met ‘woordvorming’ op. Geen dezer drie ‘processen’ als zoodanig is n.l. vorming door samenvoeging of afleiding: daarom worden zij niet, in een grammatica, met de aldus geformuleerde ‘woordvorming’ over éen kam geschoren of onder éen hoedje gevangen. We dienen er alleen op te wijzen, dat er aan vreemde talen bepaalde manieren van woordvorming kunnen worden ontleend. Déze ontleening is wel degelijk onderdeel der woordvorming. Er zijn onder de middelen van afleiding vele Romaansche en Duitsche. Er zijn ook gevallen van woordsamenstelling die Duitsch, en van samenkoppeling die Engelsch kunnen zijn. Deze dingen kunnen zoowel bij ‘ontleening’ als bij ‘woordvorming’ ter sprake komen. Zij ondervinden tegenwoordig vooral belangstelling van de zijde der ‘bewuste’ taalgebruikers, een belangstelling die aan het hoofdstuk ‘woordvorming’ practische waarde geeft. De grenzen van woordformaties kunnen door groeiend taalbewustzijn veranderen. Dit ‘bewustzijn van de mogelijkheden der eigen taal’ kan natuurlijk ten gevolge hebben, dat de spreker (schrijver) bij het gebruik van een gangbaar type van ‘woordvorming’ niet meer zoo ‘onbewust’ is van de ‘tweeledigheid’ van het ‘gevormde woord’, als overigens bij de ‘woordenkeus’ het geval pleegt te zijn. Er zijn nog andere oorzaken van een dergelijke versterking van het bewustzijn. Zoo door den ironischen humor. Als een humoristische, bewuste compositie, mag gelden de term Bezuinigingsmillionnair voor ‘ambtenaar die de opdracht heeft in een dienstvak een millioen te bezuinigen’, ook aetherpiraten voor ‘uitzenders en luisteraars zonder vergunning’. Men kan bij het spreken de eenheid van een samenvoeging verbreken, door gelijk accent op de twee deelen (het sterker accent op een der deelen is het formeele kenmerk der eenheid, is eenheidsaccent); bij het schrijven, door een koppelteeken tusschen de twee deelen opzettelijk in te voegen. § 60De samenvoeging en afleiding zijn een stelsel van taalformatie, inhaerent aan onze taal, een stelsel dat wij moeten bepalen en beschrijven in zijn mogelijkheden. Er zijn toevallige veranderingen in den vorm (woord-vervorming, -misvorming) die te onrechte als ‘woordvorming’ worden beschouwd. De ontleening van een vreemd woord (ook het archaïseerend gebruik van een verouderd of verouderend woord) kan leiden tot verandering van den oorspronkelijken vorm in de richting van inheemsche (gangbare) woorden. Deze verandering is een gevolg van de zoogenaamde volksetymologie bij de ontleening, is een bijzondere manier van ontleening (zie § 53). Wel kàn deze ontleening leiden tot het ontstaan van nieuwe ‘woordvormingen’, in het bijzonder ‘samenvoegingen’: de volksetymologische ontleening is aanleiding tot de ‘samenvoeging’. Het Spaansch (Caraïbische) woord hamaca is (waarschijnlijk via Fransch hamac 1 ) ontleend en veranderd tot hangmak → hangmat. Hangmat is een compositum. Men kan ook een ingeburgerde ontleening, als soldaat, uit pure ironie veranderen in sladoot, naar analogie van andere composita van dien aard (sta-indeweg). De oudere vorm hangmak was géen compositum, het is een contaminatie 2 , evenals de volksetymologische ontleening suikerlaat voor chocola(at). De contaminatie is de ‘kruising’ van twee woorden (c.q. uitdrukkingen) door combinatie van een ‘lid’ van elk der twee, of van een der twee woorden en een ‘lid’ van het andere. In suikerlaat is het laatstgenoemde gegeven. Zoo is het ook met onmeedoogenloos (van onmeedoogend een ‘lid’) en verexcuseeren (van verontschuldigen, vergeven etc. een ‘lid’). Bij de contaminatie ‘verexcuseeren’ is evenals bij ‘suikerlaat’ tevens volksetymologische ontleening in het spel; contaminatie door volksetym. archaïsme is bijv. inborst uit ouder inbronste (hartstocht) en borst 3 . Zelfs is in gevallen als verexcuseeren, uitportretteeren en dóor-forceeren (van doordrijven, doorzetten en forceeren) de drang tot uitdrukking van de perfectieve functie als de ‘oorzaak’ van de contaminatie te beschouwen (zie § 88). De contaminatie kàn leiden tot woordvorming (in dit geval afleiding door een praefix), getuige verexcuseeren, maar dit is niet altijd het geval, het is dus een ‘woordverandering’ van anderen aard (getuige suikerlaat). Woordvorming (compositie) door contaminatie is uitgezicht (uit: vergezicht en uitzicht). Geen ‘woordvorming’ maar |
1 Zie Franck-Van Wijk, Etym. Wdb.
2 Zie W. de Vries, Over woordvorming, blz. 27 vlg. en A. Verschuur, O.T. IV, 54.
3 Over ‘hybridische’ afleidingen zie § 53 en 56.
|
|
syntactische contaminatie (kruising van woordverbanden of ‘uitdrukkingen’) is met looden pootjes (uit: met hangende pootjes en met looden schreden). Contaminaties die niets met compositie of afleiding te maken hebben, noemt De Vries uit Groningsch dialect: bluizm̥ (in plaats van blőzm̥ = bloesem, door bluin̥ = bloeien); stoef (adj.) waarschijnlijk uit stief en stroef, toek uit toege en tak. Gevallen als stoef komen dicht bij wat men wel ‘spontane’ woordcreatie noemt (Urschöpfung) de vorming van een woord dat door zijn symbolieken vorm een sensatie of een gevoel ‘verklankt’. Het is echter bijna onvermijdelijk dat een zoo symboliek woord ontstaat door bijgedachte aan een reeds bestaand, zelfs wanneer het opduikt in een beperkte taalsfeer, een gezin, een club, een werkplaats (zie overigens over woordklanksymboliek § 62). Natuurlijk zijn contaminaties, symbolieke en andere, talrijk in litteraire taal: Als hij de hitte tusschen 't gras voelt dwalmen (Perk) = dwalen + walm(en). - Men beeldt U (nl. den Dood) gelijk een ramm'lend geraamte || Met een kakebek en een snerpe zeis (J. Isr. de Haan) = snerpend in de beteekenis ‘vlijmend’, ‘pijnlijk’ en vlijmscherp. - Bij elken stokslag schichtte het dier de kletsnatte ooren neer (v. Looy) = neerslaan + schichtig. 1 - Maar zijn gezicht, knorrig eerst, vriendelijke toch dadelijk op (Arm.) = opklaren + vriendelijk.1 - Zij stierven stil en stemloos, andre vullen hun plaats in (H. Roland Holst) = innemen + vullen. - Wanneer wij het nieuwe woord dwalmen vergelijken met dwalen en walmen, gaat het lijken op de § 40 besproken woordklankverzwaring. Te meer wanneer het bij Van Deyssel voorkomt zónder mogelijke gedachte aan dwalen: De dwalmende en uitgaande lamp (Zie Ned. Wdb. i.v.). Of zou hier naast het walmen toch nog gedacht zijn aan het onzekerflikkeren (= dwalen)? |
1 Zie ook bij § 64; over den ‘korten’ vorm van deze ‘impressionistische’ denominatieven zie § 85. Gevallen als dwalmen en vooral snerp zijn veeleer expressionistische vormen. Zie hierna § 62.
|
§ 61Het is gewenscht den term ‘klanksymboliek’ als taalvormenden factor te verduidelijken. We kunnen er nl. mee bedoelen klanknabootsing, ook wel onomatopoësis genoemd. Het is echter gewenscht met dézen term aan te duiden de nabootsing van klank (en geruisch) in de werkelijkheid, weergeving van geluid in taalvorm. In mijn Beknopte Versleer § 24 zijn de eigenaardigheden van deze klankreflexen in de taal der dichters
beschreven. Ook wordt daar opgemerkt, dat het rhythme van vers en zin ‘plastisch’ kan zijn in de weergeving van beweging (zie hierover ook § 14 en vlg. van de Bekn. Versleer, en hiervóor § 24). Er is echter ook een nabootsing in klankvorm, van sensaties, stemmingen en gevoel door bepaalde begrippen gewekt: dan is de klankvorm niet een gevolg van een geluid of geruisch, de klankvorm is het middel tot uitdrukking van het onvatbare, is symbool. Van deze klanksymboliek in de poëzie zijn in bovengenoemde § 24 maar enkele staaltjes genoemd; het is duidelijk dat de poëzie, althans de lyrische, louter symboliek is. De uitdrukking van het onvatbare, de ‘essentie’ of de ‘abstractie’, de ‘sensatie’ boven en buiten het ‘gevoel’, de ‘waarneming’ en het ‘bewustzijn’, is echter niet langs de wegen der verstandelijke en exacte analyse begrijpelijk te maken, de samenhang van vorm en inhoud is niet te bewijzen. Dit is ook de groote moeilijkheid voor den taalkundige, wanneer hij den term ‘klanksymboliek’ hanteert in den eenigen juisten zin, nl. van ‘symboliek van sensatie, gevoel, stemming en instinctieve neiging of afkeer, in klankvorm’ 1 . Hij kan maar zelden het bewijs leveren dat een taalvorm, vooral niet dat een woord het product is van een bepaalde symboliek. Hij kan alleen, door de correlaties van bepaalde klankvormen met bepaalde begrippen aan te toonen, den samenhang tusschen het onvatbare, subjectieve element en den klankvorm, dat is: de symbolieke functie, aannemelijk maken. Het bewijs te leveren is de taak van de experimenteele physiologie en psychologie. Er is eenig recht te meenen, dat het zintuiglijk waarneembare (dat is het impressionistisch weergegevene) taalkundig aanwijsbaar is, niet echter het onderbewuste (expressionistisch weergegevene). Ik zou daarbij echter het voorbehoud willen maken, dat wij door de vaststelling van de onmiddellijke reactie van een volkstaalspreker zoowel als van een expressionistisch dichter op bepaalde taalvormen, zij het ook langs moeizamen weg, tot ‘wetenschappelijk’ inzicht in deze correlaties zullen kunnen komen. Daartoe zal het noodig zijn onderscheid te maken tusschen klanknabootsing (van geluid in taalvorm), impressionistische symboliek van andere waarnemingen dan de auditieve (in het bijzonder de visueele waarneming van beweging 2 , die echter allicht met een ‘sensatie’ gepaard gaat) en ten derde expressionistische symboliek van het onderbewuste. En thans 3 gaan wij over tot de bespreking van een groep |
1 klankvorm in den algemeenen zin, dien wij hebben beschreven in § 22/3.
2 Men zou dit klankanalogie kunnen noemen (nogmaals: klank omvat dan ook rhythmiek).
3 In O. Taaltuin IV, 373; II, 374; het artikel volgt hierna in eenigszins gewijzigden vorm.
|
|
‘symbolieke’ taalvormen, vooral omdat daaruit blijkt, dat symbolieke woordvervorming tevens woordvorming door ‘afleiding’ kan zijn. Een volledig onderzoek naar de mogelijk-symbolieke waarde van de verschillende elementen der ‘woordvorming’ is een der vrome wenschen voor een toekomstige Nederlandsche ‘woordleer’. § 62Het is bekend, dat in primitieve talen reeksen van synoniemen bestaan voor een begrip in zijn zintuiglijk-verschillende waarneming. De primitieve taal is hierdoor vooral ‘symboliek’. Op een tocht door het Oosten van ons land werd mij door den heer G.J. Klokman bij de bespreking van taalvormen in den Achterhoek verteld, dat in zijn dialect, van Zelhem, talrijke werkwoorden voorkomen met de ‘beteekenis’ van zich voortbewegen, maar verschillend van vorm naat gelang van de symbolische waarde. Ik noem er eenige van de meest opvallende: Zobben, van een dik persoon op een sukkeldraf; Doksen: van een zwaar persoon, stampend; Pladdeken (ook: plerken): met bloote voeten op de steenen; Klabaatsen: met klompen over den zolder; Kleppen: druk loopen, met klompen over steenen; Drapsen: heen en weer loopen, op klompen; Foddeken: vlug en met kleine pasjes, van kleine kinderen en van oude menschen. Van eenigszins anderen aard is het werkwoord: stieperen, dat zooveel als ‘steigeren’ beteekent, maar ook gezegd wordt van iemand die met opgerichte houding ‘erop af gaat’, om zich te laten gelden. In Twente (Borne) hoorde ik het ‘van een kind dat stijfkoppig zit te pruilen’. Hier waren nog gangbaar: Fosgen: druk loopen; Gengelen: flaneeren. Al deze woorden weerspiegelen een gecompliceerde zintuiglijke waarneming: een waarneming van wat men ziet en wat men hoort; zij zijn tevens symboliek door de weergave van een sensatie of een affect. 1 Nu valt het op, dat er bij de genoemde werkwoorden drie zijn, die eindigen op -sen: doksen, drapsen, klabaatsen. Alle drie duiden zij de meer of minder onaangename sensatie aan van een luidruchtigen, plompen, zwaren gang, nl. ‘van een zwaar persoon, stampend’, ‘heen en weer |
1 Ik citeer hierbij uit H. Werner ‘Die Ursprünge der Lyrik’ (een prachtig boek over de psychologie der primitieve taal): ‘Ähnlich ist im Thonga der schwere Gang des Löwen ‘kwanyi-kwanyi’ oder das allgemein anstrengende Gehen ‘kwe-kwe’ durch den schwierigen motorischen Ansatz des Lautes ‘k-w’ ebenso sprechrhythmisch nachgebildet wie im gegensätzlichen Ausdruck des Leichtgehens: Tsere-tsere. In ähnlicher Weise ist die Lautgrupppe ‘n-ñ’ im Javanischen bereits lautlich-rhythmische Bezeichnung des Stolperigen: ‘Munñuk-munñuk’ = gebücktes Stolperndes Gehen alter Leute.’ -
|
|
loopen, op klompen’, ‘met klompen over den zolder’. Daartegenover staan twee werkwoorden met den uitgang -eken: pladdeken en foddeken, waardoor een lichtere of snellere gang wordt omschreven. Foddeken weerspiegelt ook een ‘prettiger’ sensatie, het wordt gezegd van kleine kinderen en oude menschen, vlug en met kleine pasjes gaande. We gaan op de bijzonderheid van den uitgang -sen in deze drie werkwoorden even in. Het woord eindigt nl. in alle drie gevallen op de combinatie van -sen met een voorafgaanden explosief: k, p, t. Het is waarschijnlijk dat zoowel de zintuiglijke beteekenis als de hiermee gepaarde of hieruit voortkomende gevoelswaarde door deze consonantische vormen -ks-, -ps-, -ts- wordt weergegeven. Ik zou hieraan nog willen toevoegen eenige andere voorbeelden uit de volkstaal. In het Friesch bestaat het werkwoord kwitse, in de beteekenis ‘persend uitdrijven’ bijv. van verf uit een tube, èn met de gevoelswaarde van ‘broddelen (met verf)’. Ook joepse = springen over een sloot bijv. (hij joepste d'r oer henne);mepse = afranselen, naast meppe 1 = doodslaan (van een haas bijv.). In Huizen hoorde ik den verrassenden vorm gipsen in de beteekenis van hardrijden, ook pootaan spelen en vlug werken; vooral ook in den aanvurenden roep: ‘Gipsen, gipse jonges!’, ook concludeerend: ‘Dan mar gipsen!’ Het is mogelijk, dat de drie Achterhoeksche werkwoorden als symbolieke vormen moeten worden beschouwd. Er is natuurlijk ook een kans, dat het afleidingen zijn van andere stammen op de explosieven eindigende, afleidingen dus door het suffix -sen, waarover gesproken wordt in Schönfeld, Hist. Gramm. § 157c. Het is tenslotte ook mogelijk, dat een woord als klabaatsen (c.q. klabatsen, klabotsen) is afgeleid van een ‘tusschenwerpsel’ òf een ‘zelfstandig naamwoord’ klabaats (klabats), klabots. Het getal werkwoorden afgeleid door het suffix -sen, door Schönfeld genoemd, is niet groot. Evenmin dat der woorden op -rsen dat er aan toegevoegd is in een artikel van Jacobs in Donum natalicium Schrijnen, blz. 566: eenige afleidingen van stammen op -r in het West-Vlaamsch. Waarschijnlijk beschouwt men als ‘afleidingen’ op -sen die werkwoorden, waarnaast duidelijk een woord gelijk aan het werkwoord zonder -sen bestáat. Daar is natuurlijk wat voor te zeggen, indien men den term ‘afleiding’ in zeer beperkten zin vat. Maar de verleiding is toch heel groot, aan den uitgang -sen een sterkere productiviteit toe te kennen, |
1 Zulke paren zijn er wel meer; vgl. o.a. trutten = trutsen (bij De Jager, Frequentatieven). Friesch nog: jotse (hobbelend rijden), batse (op klompen door drek gaan), bûtse (met de armen slaan), klotse, flitse, ritse. .Fluts ('n straal water), fits (vinnig).
|
|
wanneer wij nagaan hoe enorm het getal werkwoorden is, in het Etymologisch Woordenboek van Franck-Van Wijk en in het oude Woordenboek der ‘Frequentatieven’ van De Jager genoemd, die eindigen op -sen, -zen, -selen, -zelen, en verder als bijzondere groep van deze verba, de werkwoorden die eindigen op -ksen, -psen, en -tsen; -kselen, -pselen, -tselen. In het Etymologisch Woordenboek wordt van vele dezer verba meer of min aarzelend verklaard, dat zij ‘onomatopoëtische’ formaties kunnen zijn 1 . In het bijzonder wanneer zij een ‘klank’ in den strikten zin ‘nabootsen’ (b.v. klotsen), minder grif wanneer er een minder directe of niet-auditieve ‘symboliek’ in wordt uitgedrukt. Zouden wij ook niet in een oudere periode dan het Nieuw- of Middel-Nederlandsch voor den uitgang ‘sen’ een ‘symbolieke’ beteekenis mogen onderstellen? En wordt dit niet aannemelijk door de overstelpende massa van ook nieuwe, blijkbaar ‘spontane’ formaties in de volkstaal? Is het niet een bezwaarlijke ‘voorzichtigheid’, wanneer in de historische-etymologie ‘symbolieke’ waarde van een vorm alleen ondersteld wordt in geval van nood, en nooit als ‘oudste’ beteekenis 2 ? Trouwens, in Schönfelds Grammatica wordt heelemaal geen ‘beteekenis’ voor dit suffix aangenomen, daar hij de onderstelling oppert, dat deze werkwoorden ‘oorspronkelijk denominatieven bij s-stammen geweest (zullen) zijn, zooals men reeds in 't Gotisch vindt: hatizôn (: hatis) etc.’ Blijkbaar wil dit zeggen, dat ‘later’ naar ‘analogie’ van die denominatieven andere werkwoorden werden gevormd van stammen zonder -s. Men zou zich dan echter wel eens het hoofd mogen breken over de vraag waaróm deze werkwoorden als ‘voorbeeld’ zijn gebruikt. Zat er niet een ‘aantrekkelijke’ beteekenis in dien vorm -sen? De verbreiding van den uitgang -elen 3 bij ‘onomatopoeën’ wordt wèl verklaard, nl. als een gevolg van de (als ouder beschouwde) ‘frequentatieve’ beteekenis. Het is géen paradox, wanneer wij beweren, dat werkwoorden die denominatief zijn bij een s-stam, inderdaad geen werkwoorden op -sen zijn. Ik zou |
1 Over de gevoelswaarde van -seln̥ spreekt W. de Vries, Woordv. 188 vlg.
2 Als een der tallooze voorbeelden van de voorstelling der onomatop. als ‘jong’, noem ik uit het Etym. Wdb. ‘Flets’ dat, in de beteekenis ‘flets = slag’, evenals ‘fletsen = slaan’ (te Antwerpen, als naam van een knikkerspel) mèt ‘fletsch = slap etc.’ wordt afgedaan in de opm.: ‘Jonge onomatop. woorden, de bett. zijn deels aan associatie met andere woorden met fl- zooals flauw, fleer, toe te schrijven.’ Hiermee is het werkwoord zéker níet verklaard. En zou bij het adj. eventueele ‘associatie’ niet veeleer gericht zijn op een aan den Anlaut fl- inhaerente ‘beteekenis’?
3 Zie Hist. Gramm. blz. 230.
|
|
willen zeggen, dat wanneer men ‘analogische verbreiding’ onderstelt, men verplicht is die analogie te verkláren. Terwijl het dus inderdaad niet ‘voorzichtig’ is, de mogelijkheid van een óude symbolieke beteekenis van een ‘suffix’ a priori te verwerpen, is het dunkt mij minder onvoorzichtig te meenen, dat deze ‘meest-sonore klank’, de -s-, in de werkwoorden heeft gefungeerd van oudsher, en fungeert tot op den huidigen dag als een element dat, aan den ‘stam’ toegevoegd, of mèt den stam geschapen, zelfs met het woord ontleend aan een vreemde taal, de ‘beteekenis’ had van wat in het bovengenoemde Donum (blz. 57) door G.H. de Goeje wordt genoemd ‘S: kracht of beweging die wrijving ondervindt (stilte of érgernis) en overgaat in duur of uitgebreidheid die een samenhang is; inwendige spanning’. 1 Of dus een werkwoord ‘ontstaan’ is door afleiding van een substantief of ander woord op -s, dan wel of het is gevormd door het suffix -sen van een stam of een woord met een willekeurigen Auslaut, of dat het is ontleend aan een vreemde taal, in al deze processen van woordvorming werd het s-element overgenomen, toegevoegd of mee-ontleend om de wille van zijn zintuiglijke ‘beteekenis’ of (en) zijn ‘gevoelswaarde’: om zijn symbolieke kracht. En evenzeer zou ik willen aannemen dat de talrijke werkwoorden op -ksen, -psen, -tsen (en -tselen etc.) in het Nederlandsch zijn gevormd, afgeleid door -ksen, -psen, -tsen, of ook ontleend, ómdat men in het aldus verkregen woord een door de combinaties -ks, -ps, -ts bepaalde zintuigelijke waarneming van plotselinge, onmiddellijke beweging, met een bijzonder heftige ‘gevoelswaarde’, tot uitdrukking kon of wilde brengen. Ik richt in het bijzonder de aandacht op den uitgang -tsen (-tselen) omdat men voor de combinatie ‘ts’ in de historische-etymologie wel eens wat al te zeer geneigd is, ontleening van een woord op -tsen aan een vreemde, vooral de Duitsche taal te onderstellen. Gelijk bekend, wordt in de Nederlandsche Etymologie een consonantische vorm die maar lijkt op een der verschijnselen van de Hoogduitsche klankverschuiving, bij voorkeur verklaard als ontleening van het woord waarin die vorm voorkomt, aan het Mhd. of Nhd. Men schenkt dan maar zelden aandacht aan de toch wel zeer belangrijke vraag op welke wijze, langs welke ‘wegen’, die ontleening zou zijn geschied, maar ook verwerpt men wel eens te lichtvaardig de mogelijkheid van inheemschen oorsprong. Aan Romaanschen oorsprong denken wij bij ‘bootsen’ en ‘toetsen’. |
1 Men kan dit ook korter ‘intensief’ noemen.
|
|
Als aan het Hoogduitsch ontleend beschouwt men: beitsen, etsen; ook poetsen, en trotsen, zelfs spitsen. Van woorden als ‘bootsen’ en ‘poetsen’ staat misschien het feit der ontleening wel onomstootelijk vast, maar dan dient toch te worden opgemerkt, dat zij in beteekenis verwant zijn, en dat in ‘poetsen’ tot in zijn tegenwoordige beteekenis de sterk sprekende ‘symbolieke’ waarde van het consonantisme duidelijk maakt, waaróm men dit woord ontleende. Met het substantief ‘poets’ (iemand een poets bakken) zit het Etym. Wdb. feitelijk verlegen. Wat ‘trots(en)’ betreft, het is mogelijk, dat het aan het Hgd. is ontleend, maar dan is daarbij toch waarschijnlijk, dat naast ‘tarten (terten, torten)’ de behoefte aan een ‘intensieve’ formatie op -tsen werd gevoeld. Een vorm ‘tortsen’ zouden we dan ook zonder aarzeling als Nederlandsch beschouwen, maar hij is niet in de bronnen aanwezig. 1 Ik meen dat er aanleiding is het woordenstel rotsen-rutsen, (Mnl.) rutschen, als symboliek te beschouwen, en wel als oude vorming. Hetgeen neerkomt op de onderstelling van de door mij bedoelde beteekenis van -tsen: een heftige, snelle of schokkende beweging. Zooals, behalve in de genoemde Achterhoeksche werkwoorden, met de noodige variaties die o.a. samenhangen met verschillenden Anlaut, ook het geval is met: hotsen, hotstotsen (!), hutsen, gutsen, botsen, patsen (dial. uit elkaar slaan), plotsen; ook kaatsen, kitsen enz. Ik wijs ook op schaats, met het meervoud en het werkwoord schaatsen (ontleend of niet, het doet niet ter zake) en het meest nationale modérne voertuig, de fiets, waarop wij ‘fietsen’. Dit ‘rijwiel’ moet oorspronkelijk, als thans nog in en om zijn onderstelde bakermat Apeldoorn, ‘fiesse’ hebben geheeten, resteerende uit ‘fiesselepee (vélocipède)’. De toevoeging van de -t- is niet zoozeer ‘hypercorrectie’ als wel duidelijke uitdrukking van de magische snelheid van dit eertijds sensationeele wonder der techniek (zie ook § 56). Grooter bezwaar heb ik tegen de beoordeeling van ‘hitsen’. Hierover zegt het Etym. Wdb.: ‘Mnl. (vooral laat-mnl.) hissen, hessen, hisscen “opjagen, ophitsen, jagen.” Evenals mnd. hissen, hitzen, hessen < (de. hidse, zw. hetsa) van mhd. (nhd.) ‘hetzen’, waarnaast ‘hessen’. Zie verder ‘haat’. 't Mnl. synoniem ‘hussen’ (husscen, ook hûsen), dat meer dan hissen enz. in oudere teksten voorkomt, is bezwaarlijk 't zelfde |
1 ‘Schorsen’ (Mnl. scorsen, scortsen) wordt door Franck-Van Wijk als ontleend aan ofra. escorchier beschouwd, door Verdam in het Mnl. Wdb. als een ‘afleiding op -sen van schorten’, dat er in het Mnl. in beteekenis onmiddellijk naast staat.
|
|
woord; 't kan onomatop. zijn: N.B. ook in “hitsen, hissen” voelt men onomatopoeën’. - Klaarblijkelijk wordt dit ‘gevoel’ van ‘men’ door Franck-Van Wijk verworpen. Maar het teeken ‘N.B.’ moet toch dienen, om met een beroep op dat gevoel de onderstelde ‘onomat.’ oorsprong van ‘hussen’ aannemelijker te maken. Ik zie niet in, waarom het werkwoord ‘hitsen’ niet òf een Nederlandsch ‘onomatopoëtisch’ woord kan zijn met het sprekende en suggestieve ‘formans’ -ts, òf een verzwaarde, versterkte nieuwere vorm van het onomat. Nederlandsche werkwoord ‘hissen’. Aldus thans ook Van Haeringen in het Supplement. Ik zou verder willen gaan, en het werkwoord ‘opstutsen’ dat bij Hooft voorkomt in de overdrachtelijke beteekenis ‘ophitsen, opstoken’, niet beschouwen als ontleend aan het Hoogduitsche 1 aufstützen (dat de beteekenis van het Nederl. woord nooit of nauwelijks heeft, of gehad heeft), maar als een ‘afleiding’, door de symbolieke ‘s’, van den stam van stutten, stooten, onder invloed van ophitsen (om dezelfde beteekenis en zijn ts-vorm). Het simplex ‘stutsen’ is in onze taal niet bekend. Daarom is het van belang op te merken, dat de vorm opstutsen tweemaal de onderhavige consonantverbinding van explosief + s vertoont 2 , hetgeen de vorming van het compositum nog nader verklaart. |
1 Ned. Wdb. XVI 398.
2 Vgl. ook -ps(t) in ‘opstoken’ en -ps in ‘opzweepen’.
|
§ 63Er zijn talrijke werkwoorden op -tsen, die niet volgens de regelen der historische etymologie kunnen worden verklaard. Er zijn woorden die etymologisch-regelmatig op -ssen, of op -ten zouden moeten eindigen, en die den ‘verscherpten’ vorm -tsen vertoonen, zonder dat de onderstelling dat ze aan het Fransch of Duitsch zijn ontleend, is waar te maken of ons bevredigt. We moeten aannemen, dat in zulk een woord ‘een hard geluid’, ‘een snelle of plotselinge beweging’, of een sensatie van iets hevigs, ontstellends, in den taalreflex -ts- wordt, en van oudsher ís uitgedrukt. Een werkwoord als ‘botsen’ zou eigenlijk, etymologisch beschouwd, ‘botten’ moeten zijn. Gaan wij nu na, wat in een bepaalde volkstaal de gebruikswijze van botsen is, dan zien we dat de eigenlijke beteekenis van het werkwoord pas duidelijk blijkt bij vergelijking met een tweede werkwoord: batsen. In het Noord-Oosten van ons land bijv. botst iemand tegen iets of iemand op: het ‘conflict’ van twee tegengestelde bewegingen. Maar men batst iets op den grond, tegen iets aan, men batst zelf op den
grond 1 etc. Het sterkere effect hiervan kan ook door patsen worden uitgedrukt. Er is bij batsen sprake van éen beweging of kracht tegen een vlak of ding in rúst. Batsen en botsen zijn dus twee verschillende woorden (met gefixeerd verschil van beteekenis), zijn echter als symbolieke reflex synoniem, door den consonantischen vorm b + ts. Patsen en batsen zijn niet aldus verschillend; patsen is een intensieve variant van het woord batsen: de intensieve functie wordt door de verandering van zachte in scherpe explosieve consonant uitgedrukt. De zinsfunctie beheerscht den woordklankvorm. Gaan we nu verder, dan constateeren we in het Drentsch van Sleen 2 paren van woorden, waar een verschil in ‘intensiteit’ wordt gereflecteerd door de wisseling van de klinkers, ă en ŏ het intensieve geluid van knappen wordt aangeduid door knoppen; de intensieve beweging van snappen 3 wordt aangeduid door snoppen. Bijvoorbeeld: 't Touw is knapt. De beschúut knàpt je tusschen de tánden. Hie méeide dwars deur 't hóarspit hen, dat 't zoo knópte! - De spíeker snàpte mij oet d'hándn. Dat touwgien is verdikkie te kört: het snópt mij tussch'n dòem en vínger òet! - Hier is knoppen een (intensieve) variant van het woord knappen, snoppen eveneens van snappen: de zinsfunctie beheerscht den klankvorm. We wijzen er nog op, dat de twee vormen met o ook nog door een lange en scherp gearticuleerde n worden onderscheiden van die met a. Waarschijnlijk is dus de intensieve functie allereerst door die scherpe articulatie van de n gekenmerkt, mogelijk is de o-klank dáárvan een ‘gevolg’. Het is denkbaar, dat in dit dialect de twee verschillende klankvormen op den duur als twee woorden met verschillende beteekenis worden gedifferentieerd. De grens te trekken tusschen woorden en ‘syntactische woordvarianten’ is, hoe kan het anders, moeilijk en dus ongewenscht. Het is verrassend, in een etymologisch woordenboek als dat van Franck-Van Wijk, te zoeken naar de bewijzen, dat ook in de primitieve oudste taalperioden woordvormen zijn ontstaan door symbolieke reflexen, als we hier in een primitieve volkstaal van heden opmerken. We houden ons nu niet op met de bekende ‘anlautvarianten’: woordparen als nijpen, knijpen; gnorren, knorren; en vele andere, die een uitvoeriger beschouwing verdienen dan er in onze historische klankleer en etymologie aan gewijd pleegt te worden. Lezen we liever wat er staat over een werkwoord als zwaaien: |
1 Men batst ook met klompen aan door plassen.
2 De heer Naarding verschafte mij deze gegevens.
3 Vgl. ontsnappen, in de beteekenis van ontglippen.
|
|
‘mogelijk is dit jonge (alleen nederl., friesch en nederduitsch) woord bij andere woordgroepen met zw- (als zweep, zwengel e.a.) onder invloed van ‘het rijmwoord’ waaien ontstaan. Indien zwaaien een óud woord is, komt het van een indogerm. basis sewe ‘snel draaien’ waarvan in vele talen afleidingen bestaan: zie bij zwier(en) en de daar vermelde woorden.’ Wanneer wij nu de symbolieke waarde ‘(snel)draaien’ aan den vorm s(e)w(e)- toekennen, zijn wij niet verwonderd over de beteekenis en de ‘moeilijke’ etymologie van woorden als: zwabberen, zwachtel, zwad (bij 't maaien), zwadder, zwalken, zwaluw, zwang, zwavel(-damp), zweemen, zweep, zwenken, zwermen, zwerven, zweven, zwieren, zwijmen. Aardig is de verklaring bij zweep, als ‘een afleiding van een werkwoord *swĕpan, *swîpan, met de beteekenis slingeren, “Anlautvariant” van een germaanschen stam wip- (idg. wib-), waarbij wippen, uitdrukkende een “schokkende” beweging’. Zw + p is draaien + schokken, hetgeen wel ongeveer op ‘zwiepen’ met de ‘zweep’ neerkomt. Maar we zullen goeddoen niet te gelooven, dat zwaaien zijn staart -aaien zou danken aan zijn ‘rijmwoord’ waaien. Veeleer is -aaien in beide woorden een symbo |