III. Zinnen en zinsverbindingen.

§ 284

Een zin is een klankgeheel (de zinsvorm), waarin gevoel of gedachte wordt uitgedrukt (de zinsinhoud, de ‘zin’ van den taalvorm). Het is gebleken dat het Vf. niet altijd het belangrijkste deel van de groep is, zelfs kunnen we van een ‘onderwerp’ iets ‘zeggen’ (in het ‘gezegde’) zónder Vf.

Een zin-naar-den vorm is een door pauzen omgeven klankgeheel, zooals we het in de geschreven taal op grond der interpunctie, in de gesproken taal op grond van de intonatie (accent, toon en rhythme) kunnen onderscheiden. Het ‘geheel’ van den (zins) ‘klank’ (vorm), schematisch kenbaar in de intonatie-curve, weerspiegelt het geheel van den zinsinhoud. De zin kan den vorm hebben van een zinsverband: Toen we aankwamen (1), werden we door de heele familie afgehaald (2): de ouwe lui en de kinderen (3). Het geheel van 1, 2 en 3 is door pauzen afgescheiden van den overigen ‘context’ (het verhaal, het gesprek, etc.), het is tevens tot geheel gebonden door den zinsklankvorm, in het bijzonder door den van 1 naar 2 en van 2 naar 3 leidenden toon. Hier is echter niet éen ‘gedachte’, althans niet een ‘enkelvoudige gedachte’ uitgedrukt; een omvangrijk gedachtecomplex is hier in drie zinnen gesplitst. Niet in drie zinnen-naar-den-inhoud, maar in drie zinnen-naar-den vorm, die zoowel door de scheidende pauzeering als door hun eigen klankbindende intonatie ieder een

[p. 454]

geheel vormen: deze drie zijn echter door den overloopenden zinsklankvorm tot een ‘samengestelden’ zin-naar-den vorm ‘verbonden’. Er zijn ook grammaticale verbindende vormen, hier bijv. het voegwoord toen, en de inversie van S. en Vf. in 2. De kern der ‘gedachte’ wordt uitgedrukt in 2, in 1 een nadere bepaling van tijd, in 3 een nadere bepaling van het ‘passief subject’ (het agens) van 2; tusschen 3 en 2 zijn geen grammaticale verbindingsvormen.

We onderscheiden de zinnen op grond van het principe der moderne taalwetenschap: de relatie van vorm en functie. Op dit principe is het hier volgende stelsel van indeeling der zinstypen gegrond.

Wanneer de zin louter ‘mededeelend’ is, constateeren wij den neutralen klankvorm (zie § 22/3). De mededeelende zinnen worden dus in hoofdzaak en allereerst onderscheiden op grond van den grammaticalen vorm, d.i. de woordschikking, den aard der verbindingswoorden en ev. de woordverbanden op bepaalde plaatsen in den zin.

We onderscheiden ’hoofdzinnen naar den vorm’ en ‘bijzinnen naar den vorm’, waarbij de grammaticale vormen zijn bedoeld: de woordschikking van scheidbaar of onscheidbaar S. Vf. Zinnen met onscheidbaar complex van subject en persoonsvorm zijn ‘hoofdzin naar den vorm’, de anderen zijn ‘bijzin naar den vorm’. De bijzinnen i.c. vallen in twee groepen: ingeleid door een voegwoord en ingeleid door een pronomen. We herkennen de functie van de bijzinnen-naar den gramm. vorm bovendien aan de intonatie.

Daarna komen in aanmerking de zinnen die primair niet door de grammaticale vormen der woordschikking en inleidende verbindingswoorden, maar door den niet-mededeelenden vorm van de synthese van accent, toon en tempo, den syntactisch-phonetischen klankvorm, en in tweede instantie door ándere grammaticale vormen dan de verbindingswoorden worden gekenmerkt. Hierbij valt op te merken, dat bij de zinnen gekenmerkt door de scheidbaarheid van S. en Vf. de aanwezigheid van het Vf. onmisbaar kenmiddel is; zinnen zonder Vf. worden dus terzijde gelaten. Daarentegen is de al- of niet aanwezigheid van het Vf. géen criterium van belang bij de zinnen die primair door den niet-grammaticalen vorm zijn gekenmerkt: zinnen zonder Vf. worden hier dus niet afgezonderd. 1   De zinnen primair gekenmerkt door den synt.-phonetischen klankvorm nu kunnen óok worden verdeeld in hoofd- en bijzinnen.

 1  Wel volgt er op de zinnen, primair gekenmerkt door den synt.-phonetischen vorm, een bespreking van de zinnen zonder Vf. van primair-grammaticalen vorm (als de vocatief).


[p. 455]

De ‘hoofdzinnen’ naar dézen vorm zijn evenals de ‘bijzinnen’ in drie soorten te onderscheiden.

De hoofdzinnen: 1. de imperatieve zinnen, 2. de optatieve zinnen, 3. de interrogatieve zinnen. De imperatieve zin draagt het kenmerk van den imperatieven modus-vorm en de daarmee gepaard gaande accentuatie en intonatie. De normale schikkingsvorm is Vf. (A.) De optatieve zinsvorm heeft behalve de eigenaardige en gecompliceerde optatieve accentuatie en intonatie een optatieven modusvorm 1   (meer of minder ‘duidelijk’) en den schikkingsvorm Vf.S.(A.) Er is géen ‘interrogatieve’ modus-vorm. Daarentegen is de vragende intonatie een duidelijker zinsvorm dan de optatieve. We komen dan tot het volgende schematisch overzicht der ‘interrogatieve’ zins vormen:

A. 1. Zinnen van den vorm Vf.S.(A). Zonder den optatieven of imperatieven modusvorm. Met verschillende intonatievormen.

2. Zinnen aanvangende met een interrogatief pronomen of adverbium. B. Zinnen van anderen grammaticalen vorm, maar met klaarblijkelijke interrogatieve intonatie:

1. Zinnen van den vorm S.Vf.(A), met een ander subject dan de interrogatieve pronomina.

2. Bijzinnen naar den grammaticalen vorm.

3. Zinnen zonder Vf. met den vragenden synt.-phonetischen vorm. Dit zijn formeel-interrogatieve zinnen met ‘afwijkenden’ of ‘bijzonderen’ grammaticalen vorm.

C. Om de functies dezer zinnen in alle schakeeringen te benaderen, moet ook het grammaticale zinsverband worden onderscheiden: de verbinding met een anderen vragenden zin, inleidend of toegevoegd; de verbinding in coördinatie en de verbinding met bijzinnen; de verbinding met een antwoord of een andere reactie op de vraag.

Wat nu de ‘functies’ der interrogatieve zinnen betreft. Een vragende functie kan bestaan in het richten van een vraag tot een ander of het stellen van een vraag. In het eerste geval verwacht of rekent men met een antwoord; in het tweede geval geeft men uiting aan een onzekerheid, een verlangen, een gevoel of een meening zelfs, die men vóorstelt als een vraag waardoor men informeert. Deze niet-gerichte vragen kan men rhetorisch noemen. Zij kunnen den volledigen grammaticalen en tonalen vragenden vorm hebben, hoewel zij niet de vragende functie hebben.

 1  Een modus (mv. modi) is een vervoegingsvorm van het werkwoord waardoor een modale functie wordt (werd) uitgedrukt.


[p. 456]

Ze kunnen den tonalen vorm verliezen en mèt een grammaticalen interrogatieven vorm de intonatie van den uitroep of de emphatische, ook de affectische mededeeling verbinden.

De vragende zinsvorm kan zelfs bij een zeer bijzondere gevoelsmodaliteit een ‘mededeelende’ functie hebben. In Brusse's Landlooperij zegt een visscher in zalige herdenking, met bewonderenden nadruk: ‘Zat dàar effe paling?’ - Hier gaat, in een typische Hollandsche intonatie, in het woord dàar láge toon samen met zwáar accent; in paling hooge toon met zwák accent. Het is mogelijk, dat uit dezen ‘rhetorischen’ zinsvorm in de volkstaal voortkomt een nadrukkelijk verhalende hoofdzinvorm van het schema Vf.S.A.: zie § 297.

De drie soorten van ‘bijzinnen naar den syntactisch-phonetischen vorm’ zijn de parenthetische, de toegevoegde en de meestal voorop in het verband staande bijzinnen van den vorm Vf.S.A. Men kan onderscheiden: parenthetische interrogatieve, imperatieve en optatieve zinnen; parenthetische mededeelende zinnen van de vormen S.Vf.A (c.q. A.Vf.S.), Vf.S.(A). Toegevoegde zinnen van den vorm Vf.S.(A.), S.A.Vf., S.Vf.A. De bijzinnen van den vorm Vf.S.A. kan men onderscheiden naar het praesens of praeteritum van het Vf. en ten slotte naar de al- of niet toegevoegde ‘verzwarende’ vorm van het inleidende ‘al’. Het feit, dat dit verzwarend woord een ‘voegwoord’ is, verhindert de benoeming van deze drie zinssoorten als ‘asyndetische bijzinnen (naar den synt.-phonet. vorm).’ Een ‘bijzin’ van den vorm Vf.S.A. is natuurlijk niet ‘vragend’ meer van functie, en dus ook niet van intonatie: zie hiervóor § 23.

Het is misschien gewenscht hieraan toe te voegen, dat deze indeeling der zinnen geen doel is, maar een middel, om te komen tot de beschrijving der functies van de zinsvormen. Zonder dat dóel is, voor de taalwetenschap, een dergelijke ordening overbodige speculatie; zonder dat míddel zal men het gestelde doel niet op bevredigende wijze bereiken. En verder: onderscheiding van ‘zinsvormen’ en ‘zinsfuncties’, en en ‘uitgaan’ van de ‘zinsvormen’, wil niet zeggen, dat de onderzoeker een zinsvorm herkent of aanneemt zónder overweging van de inhaerente functie. Wanneer wij taalvormen waarnemen en ‘vaststellen’, dan stellen wij vast welken vorm wij hooren (of lezen) voor een bepaalden inhoud. Feitelijk is van de eenheid van vorm-en-inhoud de inhoud bij den analyseerenden linguist primair aanwezig; en toch is het geen paradox wanneer wij desondanks zeggen, dat we in een grammatica willen ‘uitgaan’ van den vorm. Wij herhalen: ‘vorm’ wil zeggen alle vormen.



[p. 457]

Vragende zinnen.

§ 285

Zinnen waarin men iets vraagt, zijn, wat den vorm betreft, gekenmerkt door den ‘vragenden toon’: zie § 22/3.

Wat den grammatischen vorm betreft (volgorde der zinsdeelen, aard der zinsinleidende woorden), onderscheiden we: zinnen ingeleid door het Vf.; zinnen ingeleid door een vragend voornaamwoord of bijwoord; beide zinsvormen (behalve natuurlijk die met een vragend voornw. als subject) vertoonen inversie 1  . Er komen nu en dan zinnen voor, met de volgorde S.Vf. 2  , die vragend zijn door inhoud en toon. De vragende toon, is echter in een zin met de volgorde S.Vf. moeilijk tot uiting te brengen. In volkstaal vinden we het kenmerk van den vragenden toon dikwijls in een volgend ‘staartje’: Jij heet Padde, hě? - Zonder dit vragende ‘hě?’ klinkt de zin meer als een uitroep. En in zinnen met de 1ste of 3de persoon wordt de zin zélfs door deze toevoeging in vragenden toon niet volslagen vragend; de spreker doet een beroep op de aandacht van den hoorder 3  :

Maar ik hield me gedekt, hě? (Bru.). - Piet die durfde zooveel niet te zeggen, want die was 't geweest, hě? (id.). - Ook bij sommige typen van zinnen-met-aanloop kan de vragende functie alleen door bijzonder accent worden uitgedrukt: En dus: da̋arom ga je niet mee? - En di̋e heb je dus meegenomen? - Hier is de eigenaardigheid van den informeerenden toon duidelijk. Over het vragende staartje, zie ook § 329.
 1  Het Vf. staat vóor het subj.; volgorde Vf. S. Zie § 296.
 2  zinnen, waar S. geen vragend voornw. is.
 3  De vragende vorm is hier een middel van denredenaar’, om de spanning te versterken; 't Is dus een rhetorische vraag: zie § 288.

§ 286

In de gewone zinnen, nl. van den vorm Vf.S. (A.) en zinnen ingeleid door vragende bijw. en vnw., is deze vragende toon een onafscheidelijk kenmerk van den vragenden inhoud. Verzwakt die toon, dan verandert de inhoud, dat is: de functie, van den zin. In de zinnen van den vorm Vf. S. (A.) komen alle drie de grammatische personen voor als subject, het meest echter de tweede. In dat geval is de persoon, tot wie de vraag gericht is, tevens subject; het is de meest directe vraag.

We onderscheiden thans eenige der meer of minder vragende functies, waarbij wij de persoon van het subject in aanmerking nemen:

a. Is het subj. derde persoon, dan is de vraag meestal een verzoek om inlichting (informatie):



[p. 458]

Dubitatief is de zin met ‘zou’:

Zou 't wel 'n échte zwaan ? - Zóu 1   hij dat wel lùstén? -

Meer rhetorisch uitroepend dan vragend, vooral bij stootend eind-accent, is:

Ìs1 die màn nou heèlemáal...! - Ìs die màn nou ...? - Wat hòor ik dáar?!-

b. Met de eerste persoon is de vraag verzoekend (rogatief) in: Krijg ik ook ? - Dubitatief is: Hóor ik daar wǎt? - Meestal worden deze vragen door een hulpww. ingeleid: Zòu ik dat kùnnen? - Een dreiging wordt uitgedrukt in: (Wil je koest zijn, Hendrik?) Mòet ik je móeder roèpén? - Met stootend eindaccent is de zin nadrukkelijk mededeelend: En ik poetste de plaat; heb ik toch de last niet van hém? (Bru.). - Verwijtend: Moet ik je dát nog vertellen? - Heb ik je dáarvoor les gegeven? -

c. In de vragen met de tweede persoon kunnen we verschillende schakeeringen der modaliteit waarnemen, die voortvloeien uit verschil van tijdstrap, toevoeging van bijwoorden en hulpwerkwoorden:

De gewone vraag in het praesens:

Ben je ziek? - Weet jij dat? - Hou je van bananen? - Kun je klimmen? - Kén je hem allang? -

In den verleden tijd:

Waarom ben je zoo laat: moest je boodschappen doen? -

De verleden-tijdsvorm heeft modale beteekenis 2   in:

Moest je zoo hijgen, arm schaap, toe ga maar 'ns zitten! - Wou je zoo graag eens proeven? - Maat je ben mis; maar dacht jij nou waarachtig dat ik 't jóu zou vertelle, als 'k wèl in 't veld was geweest? (Bru.). -

Met modale adverbia:

Heb je soms zin in een pak slaag? - Heb je soms een gulden voor me? - Gaat u dan met ons mee? Kom je eens gauw? - Ga je dan heusch met me mee? - Komt hij ? -

De gewone ontkenning door ‘niet’: Ga je er niet heen? - De ontkenning ‘niet’ drukt den dubitatief uit in:

Ben je niet érg vroeg uit school, Berry? - Is 't heusch? Hou je me niet voor den gěk? -

Dreiging: Kun je niet fatsoenlijk met twee woorden spreken? - Hulpwerkwoorden omschrijven behalve hun gewone logische functie, een dreiging of ergernis:

Sta 3   je me voor den gek te houden? 3   - Zit je me voor den gek te houden?3 - Wil je koest zijn? - Zal je je mónd houden? -

Omslachtig is de omschrijving der modaliteit van het nederig verzoek

 1  Het accent is hier vooral muzikaal (hoog).
 2  Zie § 156.
 3  Zie § 208, 278. De etym. beteekenis is hier niet geheel verdwenen.
 3  Zie § 208, 278. De etym. beteekenis is hier niet geheel verdwenen.


[p. 459]

(precatief); inderdaad drukt de omhaal van woorden een psychologische functie uit:

Zou uwe me ook assiblief niet kunne vertelle, (waar hier dat schip ligt?) (Bru.). - Zou je nou heusch niet even terug willen zeilen? -
Opm. Uit de vragende zinnen ontstaan, bij verzwakking van den vragenden toon en bij zwak accent, formules die dienen als nadruk bij den zin of als overgang in de omvangrijke rede: Maar, zie je, dat is 't 'm juist. - Dat laat je geen duur! (Bru.). - Zie je, en toen dacht ik zoo, als ik 'n beetje geld had... (id.). - Ik wou nog 's weer in Den Helder gaan kijke... begrijp ie... (id.). - En je houdt je mond! versta je! - De algemeen gangbare formule voor de uitdrukking van verbazing: ‘(Wel) heb ik van mijn leven! - is een afgebroken vraag, zooals blijkt uit een zin bij Coornhert: Hebbe ick dan van mijn leven gheen Craen meer ghesien dan désen? -

§ 287

Van de inleidende vragende vnw. en bijw. zijn in de omgangstaal vooral gebruikelijk wie, wat, hoe:

Wie is dat? - Wie heb je gesproken? - Wie bedoel je? - Wie z'n hoed is dat? - Wat scheelt je? - Wat is dat? - Wat doe je daar? - Hoe heet je? - Hoe kan dat? - Hoe oud ben je? -

Deze soort van zinnen verliezen gemakkelijk hun vragenden toon, en worden dan uitroepen van verbazing of ergernis:

Wat hèb ik je gezégd! - Wat héb je d'r án! - Wat zánik je toch altijd! - Wat hád je er toen nog twee schote an te vermorse! (Bru.). - Wat hád hij 'n práats! - Hoe kan ík dat nou weten? - Hoe zít dat nou eigenlijk: Sta je me voor 't lapje te houden? -

Het vnw. wat verandert bij volkomen verlies van de vragende beteekenis van den zin in een bijwoord (vgl. bijv. Wat zánikt hij toch altijd!).

Opm. In verheven stijl is in plaats van wat het bijw. hoe de inleiding van den rhetorischen uitroep: Hoe smelt het bruine licht in 't lichte bruin! (Perk). - Hoe gloeit de bezie langs het holle pad! (id.). - Hoe rust het hangend loof der luisterende boomen (Poot). - Hoe zwaar de stilte hier is! (v. Looy). -

Andere vragende bijw. zijn: Waar? Wanneer? Waarom? - Waar....mee Waar... vandaan? -

Behalve door de voegw. en, maar, of, (soms met zwaar accent en door een pauze gescheiden: Enne...) kan het inleidend woord worden voorafgegaan door een voorzetsel:

Met welken trein ga je? In welk huis woont hij? Voor hoe lang blijf je daar? Met z'n hoevelen zitten jullie in de klas? - Tegen de hoeveelste is de afspraak? -

§ 288

Wanneer de spreker op zijn vraag geen antwoord van de aangesproken persoon verwacht, is de vraag rhetorisch. Door den vragenden vorm brengt de spreker den toehoorder in sterke spanning over hetgeen hijzelf, als ‘antwoord’ 1  , laat volgen in het levendige verhaal. Het eigenaardige van

 1  hij herhaalt feitelijk wat er in hemzelf omging, toen hij het gebeurde waarnam.


[p. 460]

de rhetorische vraag is, dat hier de gewone vragende toon een vragende functie simuleert of suggereert:

Maar Hannes, die is zoo gehaaid as 'n roppie 1   en wat het die snaak toen gedaan? - Die het met 'n paal de voordeur verspalkt (Bru.)- En nou heb ik daar achter m'n erf van die hooirookies staan bij de boet van Andries z'n koeie... en wie zien 'k daar legge? De veldwachter met Teun! (id.). - En wat denke nou die kattebeiers? Da 's stroope, dus Piet en Dirk die benne d'r bij (id.). -

Dezelfde beantwoorde rhetorische vraag komt in het geschreven betoog, als overgang, voor:

Parijs is bekend om zijn slechte telefoon... Waaraan dat ligt? Hoogstwaarschijnlijk in de eerste plaats hieraan, dat... (N.R.C.). -

De schrijver betrekt den lezer als belangstellende in zijn betoog, alsof de lezer gevraagd had: ‘Waaraan ligt dat?’ - In het litteraire proza zijn de rhetorische vragen in onbruik geraakt; in een vroegere periode waren ze algemeen gangbaar: de schrijver was daar in voortdurend contact met den lezer 2  . In poëzie komen zij nog voor, als omschrijving der dubitatieve of potentiale modaliteit:

Onder hooge boomen ging hij... stond hij daar te zien, te spieglen || Zag het blauw in blauwen vijver? (Verwey). - Wat 3   zal ik. nu nog blonde bloemen plukken? (Perk). - Wat of dat klotsen toch beduiden mag? (id.). - Of dan die menschen nimmer rusten zullen? (id.). -

Uit ouderen tijd, met proleptische afscheiding van het ‘eigenlijke subject’ 4  :

O, de luite van Hooft, wie bespeelt haar weer? (Potg.). - De rancke Hind', waerom zoo hart || En snel vlugt sy voor 's jagers koppels?... D'asure visschen waerom duycken || Sy voor 't doorluchtich net soo ras... 't Is om de vrijheydt...! (Vondel). -

In het laatste voorbeeld volgt, evenals in de voorbeelden uit de volkstaal, het antwoord. Hier wordt door den vorm der vraag een sterke nadruk gelegd op een mededeeling. Dit is ook het geval met de rhetor. vraag uit de N.R.C.:

Een ongeluk komt nooit alleen. Kwam daar niet de communist met een motie, waarin erop werd aangedrongen de Europeesche militairen uit Indië terug te trekken? -
 1  = (zee)rob.
 2  Zie § 154 (praes. hist.).
 3  Wat is hier= waartoe? vgl. § 287.
 4  Zie § 33/4; 297, 299. Ook in omgangstaal: ‘Je werk, is dat (heb je dat) al af?’ -

§ 289

Een vraag wordt in de omgangstaal zelden uitgedrukt in een lang zinsverband met logisch geordende bijzinnen. Er zijn alleen enkele steevaste formules voor de informeerende vraag:

Dacht jij werkelijk, dat... - Weet je wat je vooral niet vergeten mag... - Wat zou je ervan denken, als we... - Kunt U mij ook zeggen, waar... Zou 't waar zijn, wat hij daar zegt, dat die jongen gestolen heeft? -


[p. 461]

Bij weglating van den inleidenden hoofdzin (Wou je weten...? - Je vraagt...? -) ontstaan vragende bijzinvormen:

Waar hij woont? Wèl, in de Kloksteeg’. - ‘Of hij ziek is? 1   Nou!’ - ‘Hoe zit dat dan? Hoe dat zit?’ -

Over de zinnen zonder Vf. zie § 329.

De vragende hoofdzin staat in den regel voorop; de volgende bijzinnen zijn dan door den vragenden toon gekenmerkt. Bij omgekeerde volgorde wordt de inhoud van den bijzin in den hoofdzin hervat:

Maar als je niets mankeert, waarom sta je dan te grienen? - Wat je gisteren gezegd hebt hou je dat nog vol? -

Bij onderbreking van den vragenden zin bestaat de kans, dat de zinsinleiding wordt geïsoleerd:

Waarom dan, als je zoo muzikaal bent, ga je zelf niet? (Arm.). - Heb jij, toen je gisteravond thuiskwam, heb je toen de lamp laten branden? -

Omvangrijke vragen worden gesplitst in deelen:

‘Twintig gulden?’ ‘Ja, wat dacht jij dan wel? Twintig cénten misschien?’ (in plaats van: Dacht jij misschien dat ze twintig centen zouden kosten)? -

Daarbij vinden we de opeenvolging van het algemeene en het bijzondere; vergelijk:

Wat wil jullie? Thee? - Hei, wat is dat? Wat moet dat beest? - ‘Wat?’ zeg ik, ‘met dat stumperige sloepie de reis over zee?’ (Bru.). -

Alleen in den betoogenden stijl vinden we lange, synthetische, zinsverbanden als rhetorische vraag. Zij zijn een typeerend staaltje van de onnatuurlijkheid der ‘papieren’ taal. De lange zin is in den vragenden toon niet vol te houden; en de vragende toon is hier de eenige vorm tot uitdrukking van de dubitatieve modaliteit:

Of de leden van de Prov. Staten bij de aanneming voor kennisgeving van de mededeelingen van Ged. Staten over de electriciteitsvoorziening, allen het werkelijk blijmoedig optimisme hebben gedeeld, waarmee de woordvoerder van Ged. Staten volhield, dat het met een voorziening van de Bevelanden door de P.Z.E.M. nog best los zal loopen? (N.R.C.). -

Een medisch adviseur krijgt voortdurend vragen van ‘ambtelijke zijde’ ter beantwoording. Hij vindt deze vragen maar zelden duidelijk, meestal verwarrend, en soms bepaald fout. Taalkundig beschouwd zijn deze ambtelijke vragen inderdaad bezwaarlijk, omdat zij zijn gesteld zónder besef van de eigenaardige syntactische kwaliteit der vragende-zinsvormen. De vragende functie wordt nl. tot uitdrukking gebracht door de omgekeerde woordschikking (werkwoord voorop) en de vragende intonatie. Volgt er op de inleidende verbinding van werkwoord + onderwerp een omvangrijke zins-staart, dan verzwakt, en verdwijnt tenslotte, het besef

 1  Zie § 286 Opm.


[p. 462]

der vragende functie zoowel als de gezegde-inhoud, die door die twee woorden wordt uitgedrukt. Bovendien is het niet mogelijk de eigenaardige vragende intonatie eindeloos te ‘rekken’. Zoo komt het, dat de gekwelde ‘lezer’ wordt verplicht, den syntactischen lintworm te ‘ontleden’, om ‘kop’ (en staart) op te speuren. Wij gaven dan ook zonder twijfel terecht als ons taalkundig ‘oordeel’ te kennen dat het hier volgende staal van vragende syntaxis alléen al om de lengte als ‘fout’ moet worden gebrandmerkt, nog meer om de voortdurende onderbreking van den rhythmischen vorm: ‘Is de deskundige op grond van zijn bevindingen van oordeel, dat meerbedoelde zwelling niet het gevolg is van, noch in verband staat met het aan klager op 4 Jan. 1932 overkomen ongeval en is klager, als gevolg van bedoeld ongeval, sinds 19 Augs. 1933, (den dag na dien, waarop hij uit de Heelkundige Kliniek waarin hij voor onderzoek was opgenomen, is ontslagen) niet meer ongeschikt tot het verrichten van arbeid, als bedoeld in artikel 39 der Land- en Tuinbouwongevallen wet-1922, te achten en of het rapport van 1 Oct. 1932 van X. te Y., hem al dan niet aanleiding geeft tot nadere opmerkingen en zoo ja, tot welke, en voorts naast en in verband met de vragen, gesteld in het schrijven van 30 Oct. 1932, alsnog te geven, indien hij, deskundige, van oordeel mocht zijn, dat klager als gevolg van het bedoelde ongeval sinds 21 Augs. 1932 wel ongeschikt mocht zijn tot arbeid als bedoeld in artikel 39 der Landen Tuinbouwongevallenwet-1922, in welke mate deze dan toen ongeschikt was in dien zin?’

Dat de ‘steller dezes’ in het midden overgaat van den directen in den indirecten vragenden vorm (den bijzin-vorm: of het rapport...) is een doorslaand bewijs van onze inleidende opmerking: de kracht der omgekeerde woordschikking als index van de ‘vraag’ wordt allicht overspannen, en verdwijnt uit het bewustzijn.

De imperatieve zin.

§ 290

Over den klankvorm van den gebiedenden zin is gesproken in § 22/3. De overheersching van het krachtige drukaccent brengt mee, dat de grammaticale vorm, in het bijzonder die van het Vf., dat in den imperatieven zin voorop staat, kan worden verscherpt. Wel te verstaan: wij spreken hier over den zin met de gebiedende, bevelende functie, Er zijn nl. talrijke schakeeringen als de waarschuwende, opdragende, voorschrijvende, aandringende, adviseerende modaliteit, die in den zelfden

[p. 463]

grammaticalen vorm Vf. (S) A. kunnen worden geuit, zonder den accentvorm van het gebod of bevel, en dus ook zonder de hier bedoelde kans op ‘verscherping’. In de grammatica's vindt men gewoonlijk voor het Algemeen Beschaafd als regelmatig voor het Imper. Vf. gegeven: enkelvoud gelijk den stam van het werkwoord, meervoud met den uitgang -t. Deze regelmatige categorie van twee imperatieve vormen is echter bij lange niet ‘algemeen’ geldig, althans niet in gesproken taal. Ook in dít opzicht mogen we niet een Algemeen beschaafd Nederlandsch onderstellen, laat staan er van uitgaan als van een norm.

Onderzoek naar de in den aanhef bedoelde syntactische structuur van den imperatief bracht mij er toe (O.T. IV 239), ook de flexievormen onder oogen te zien, een beschouwing die ik hier in het kort zal weergeven.

Een belangrijke bijdrage is te vinden in de rede van J.H. Kern, Idealen en Grenzen (1924) blz. 10, waar hij zeide: ‘'t Behoud van sommige singularisvormen van de imperatief in de beschaafde spreektaal, b.v. ga, haal, is mogelijk een gevolg van de geschrevene, ten minste in die gedeelten van Zuid-Holland waar de volkstaal gaat en haalt bezigt, zooals hier in Leiden, in tegenstelling met andere, b.v. de Zuidhollandsche eilanden, waar werkelijk alleen ga en haal in zwang schijnen te zijn. In Gelderland en Limburg bestaat er nog altijd onderscheid tusschen enkel- en meervoud, evenals in de geschreven taal, maar in 't beschaafde spreken in Zuid-Holland kent men zoo'n onderscheid niet meer, evenmin als in de dialekten van deze provincie, waarin óf de oude pluralis de eenige vorm is, óf de oude singularis. Beide ontwikkelingen zijn begrijpelijk. In de indikatief maakt geen Zuidhollandsche tongval meer verschil tusschen de aanspreekvormen in enkel- en meervoud (althans in zoover er niet jullie bijstaat): je gaat, je haalt is meestal de eenige vorm. De natuurlijke evenwijdige ontwikkeling leidt bij de imperatief tot gaat, haalt in beide getallen, maar een deel van de dialekten heeft 't ga, haal van de singularis van de imperatief bewaard en het toen ook op de pluralis overgebracht. Dit is alles eenvoudiger voorgesteld dan het in werkelijkheid is. Men ziet er echter in alle geval uit dat de invloed van de geschreven taal soms meer schijn is dan wezen.’

Op Kern steunt klaarblijkelijk Schönfeld in den derden druk van zijn Grammatica, wanneer hij zegt, dat in de M.E. de meervoudsvorm over net enkelvoud werd uitgebreid, en dat thans in de Zuidhollandsche volkstaal alleen gaat, haalt voorkomt, op de eilanden alleen ga, haal; en dat in Gelderland en Limburg het onderscheid is bewaard als in de

[p. 464]

Algemeene geschreven taal. Zou er hiaat ontstaan, dan bezigt men in Alg. Besch. uitsluitend de pluralisvormen als ‘gaat U maar zitten’ onder invloed van de praesensvormen. - Het is duidelijk dat dit voorbeeld mank gaat. Het is nl. geen eigenlijke imperatief, maar òf oorspronkelijk een vragende indicatief 1  , òf een imperatief met toegevoegd U, en dan nòg een van die reeds in de M.E. meervoudige ‘beleefdheidsvormen’. Van meer belang is echter dat bij Schönfeld niets meer blijkt van Kerns bedoeling, nl. de beide vormen gaat, haalt als bijzondere gevallen te citeeren en niet als bewijs, dat bij alle werkwoorden in Zuid-Holland de vorm met -t geldt. Wat overigens de voorstelling van den gang van zaken in het artikel van Kern betreft, deze staat te zeer onder den druk van het vraagstuk of de geschreven taalvormen in de gesproken volkstaal nawerken, alsmede onder invloed van de noodzaak, in zijn rede een beknopt, een ‘eenvoudig’ exposé te geven 2  .

Kollewijn in zijn Opstellen over Spelling en Verbuiging (1916) p. 179/80 deelt mede, dat Huydecoper in zijn Proeve voor het meervoud den vorm met -t, voor het enkelvorm den stamvorm verlangt, op het voorbeeld der ‘Ouden’, en dat Van Lelyveld in aansluiting hierbij constateert, dat men den vorm met -t voor enkel- èn meervoud moet gebruiken, omdat immers ook de indicatief voor enkel- en meervoud heeft: gij geeft, en het oude enkelvoudige vnw. du is ‘verworpen’. Het ging hier over een citaat uit Vondel:

      O vader, en o moeder, slaet uwe oogen
 Toch neder, en beschenk uw' zoon,

waar de beide 18de-eeuwers dus beschenkt verlangden.

Over het gebruik bij Vondel nu is Van Helten, Vondels Taal § 191 zeer ad rem. Hij constateert eerst dat in de 16de eeuw de oude vorm voor den singularis van de 2de pers. vrij zeldzaam begint te worden, maar ‘in den imperatief bleef de strijd nog voortduren: naast den pluralisvorm op -t, dien men bij consequentie als den uitsluitend gebruikelijken zou verwachten, verschijnt ook de oorspronkelijke singularisvorm, zonder -t, of is veel liever de meest gewone’. Deze telkens opduikende onderstelde ‘consequentie’ in de ‘historische’ ontwikkeling staat bij Lubach in § 80 van zijn dissertatie over de flexie in de 16de eeuw zoo vast, dat hij aan

 1  Zie W. de Vries, N. Taalgids XX 243. Zie verder hierna.
 2  We merken nog op, dat Kern Tijdschr. XLVIII, 100 sprak van ‘dialecten waar -t heerscht, d.w.z. de meeste Zuidhollandsche’.


[p. 465]

de talrijke vormen zonder t geen aandacht geeft. 1   Van Helten constateert althans de feiten en maakt zelfs de belangrijke opmerking dat bij Vondel, alsook bij oudere ‘Dietsche’ auteurs, de vorm met -t voor het enkelvoud opmerkelijk frequent is o.a. in de syntactisch bijzóndere constructies van twee of meer gecoördineerde imperatieven: dan staat de tweede of derde bij voorkeur met -t, als bijv. Bedwing uw wesen wat; wilt uw gebaer betoomen. - Gaep aerdrijck en al heel Verswelgtse 2  . - Daarenboven constateert hij dat de -t dikwijls staat bij de werkwoorden zijt, weest. Ook komt de loutere stamvorm bij Vondel voor bij 't aanspreken van een meervoud. Weliswaar vraagt Van H., of we daar met drukfouten te doen hebben. En minder exact is hij ook, wanneer hij beweert dat in den Statenbijbel nooit anders dan de pluralisvorm wordt gebezigd. Hier staat het volgens Heinsius, diss. § 107, aldus: ‘Met het oog op 't geen Lubach, § 80 aangaande de vervoeging der 16de eeuw zegt, zullen we wel mogen aannemen, dat ook in den imperatief de vorm van de 2de persoon plur. in den regel dien van de 2 sing. had verdrongen’. Blijkbaar bedoelt H. dat dit in de ‘gesproken taal’ zoo was, ingevolge de ‘consequentie’ bovenbedoeld. Hij vervolgt dan, dat in den Statenbijbel de meervoudsvorm regel is 3  . Maar, voor een enkelvoud eindigde daar ‘ter onderscheiding’ de 2de enkelv. op -t, de 2 meerv. dikwijls op -et. Toch hebben ook hier de vormen op -t de overhand.

‘Ter onderscheiding’ zal wel zóo bedoeld zijn, dat de bijbelvertalers dit onderscheid van -et en -t ‘kunstmatig’ hebben ingevoerd? Toch zou daarbij dunkt mij, van belang kunnen zijn, dat in den Statenbijbel de vorm -et óok wel gevonden wordt voor het enkelvoud, nl. na dentaal of dubbele consonant. We mogen rekenen met de mogelijkheid dat -et in de 17de eeuw, in Holland bijv., een volkstaalvorm was 4  . En zelfs is het niet uitgesloten, dat de ‘volle’ vorm in en buiten de bijbeltaal de weerslag was van affect of emphase. ‘Stilistische’ overwegingen als deze worden te onrechte genegeerd. In een aantal Mnl. teksten, stelselmatig

 1  Vorderhake (p. 222) zegt dat hij den imperatief niet heeft onderzocht, omdat de schrijvers niet ‘consequent’ bleken.
 2  Dat deze verzwaring in gecoördineerde zinsvormen ook vroeger mogelijk was, blijkt bijv. uit het Volksb. der Heemsk.: ‘Ganc haestelec tot geen vier heeren ende bringe hem dese vier hoebanden: den besten gevet minen neve Roelant ende segt hem... ende brenget se in die sale’. In den Renout staan hier louter onverbogen vormen.
 3  In den Statenbijbel komt de vorm com voor, en neme.
 4  Ik wijs o.a. op dergelijke volle vormen in het oude Katwijksch.


[p. 466]

onderzocht 1  , blijkt de vorm op -t regel te zijn en die op -et uitzondering, behoudens bij enclisis als van een genitief -s (Lijets, gelovets). In den Rijmbijbel nu is de volle vorm o.a. bewaard in de plechtige formule: Wasset ende werdt menichfout.

Het is mijn bedoeling uit de hier geciteerde vaklitteratuur te besluiten, dat men te onrechte als eenvoudig historisch verloop zou voorstellen: in de M.E. is het meervoud op -t doorgedrongen in het enkelvoud als een ‘hoofsche’ vorm dit is nadien geleidelijk verder gegaan tot in de volkstaal, althans in sommige streken, en hetzij uit de Hollandsche volkstaal hetzij uit de litteraire of uit de kanselarijtaal ook in het ‘Algemeen Beschaafd’, waaruit het óok in de volkstaal kan zijn verbreid door cultureele ‘expansie’ of iets diergelijks, enz. enz.

We zullen, óok om een betere ‘historische’ verklaring te vinden, moeten beginnen met meer exacte waarneming van het grillige spel der vormen van den imperatief in éen dialect, en daarin eenige regelmaat trachten te ontdekken. Ik richt mij daarbij wederom op het Katwijksch, die onwaardeerlijke oud-hollandsche volkstaal, getoetst aan mijn eigen hollandsch taalgevoel van Voorschoten ± 1900 2  .

Het groote aantal imperatieven, opgevangen uit den mond van visschers en oude Katwijkers, vertoont meestal den vorm zonder -t. Het gebruik van de t is, dat blijkt bij navraag, aan verschillende bijzondere omstandigheden van phonetischen, phonologischen, syntactischen en psychologischen aard toe te schrijven. Het is noodig dat we gedachtig zijn aan de op blz. 209/10 O.T. Jg. III beschreven neiging, om door perseveratie van de -n als ‘overgangsklank’ of als rhythmischen ‘steun’ den zinsvorm te consolideeren. Op de neiging om door een dikwijls niet-organieke -t-duidelijk te zijn, of wel nadruk, c.q. affect uit te drukken (blz. 211). De neiging om een oude -d voor volgenden klinker te handhaven, maar te verscherpen tot -t voor volgende h + klinker, alsmede voor een volgende d- (blz. 241). Aan dit verschijnsel voegde ik toe: ‘De oude d van vervoegde vormen kan als overgangsklank worden toegevoegd. Men zegt: ‘Stae stil,’ maar vóor een klinker krijgt het enkelvoud den uitgang van het meervoud: ‘Staed iet soo te bevə!’ In het Zuidhollandsch is in diergelijke verbanden een -t gebruikelijk. In het Katwijksch ook wel: ‘Doe -t- əm ən zaddoek in z'n mond!’ Ook ‘Dauwt -əm ən zaddoek in

 1  Zie O. Taaltuin IV blz. 165.
 2  Zie hierover een stukje in O. Taaltuin Jg. III 161. Voor het Katwijksch als Oudhollandsch zie dien Jg. blz. 201 en later. Zie ook Verdenius, Tijdschrift XLIII, 1 en vlg. over -d.


[p. 467]

z'n mond!’ - We zullen deze bij de ‘phonetiek’ ter loops gegeven, onvolledige karakteristiek van den imperatief nader onder oogen moeten zien. Vooraf wijs ik nog op de (blz. 242) genoteerde toevoeging van d voor -ər = haar, ook van d voor ər = er òf daar, of van d na l en n. Van belang is ook de op blz. 242/4 beschreven neiging tot verscherping van explosieven en vooral ook spiranten, bij assimilatie en in het bijzonder bij sterken nadruk of affect.

Er is in het Katwijksch geen verschil in getal door de onderscheiding van de vormen mèt en zonder -t. Ik geloof trouwens (maar dit kan moeilijk meer dan een vermoeden zijn), dat men in een volkstaal als deze bij deaanspraak’ of in modaliteiten als den imperatief zelden een aantal individuen onderscheidt, men voelt zich veeleer tegenóver een veelheid of in de vertrouwde ‘groep’, de bemanning aan boord. Wel kan men in een toegevoegden vocatief die ‘veelheid’ of ‘eigen groep’ uitdrukken door substantieven als ‘Jonges’ of het oude scheepswoord ‘Manne’, of door den opmerkelijken 1   pronominalen vocatief ‘jelúi’. Zoo is ‘Gae wéch!’ enkel- en meervoud, bij sterk affect ‘Chae wéch’. Nadrukkelijk meervoud of liever ‘veelheid’ is ‘Gaewéch jelui!’ Eveneens: ‘Jonges, gae nae húiss!’ of ‘Jonges, gae nae huis, jelui!’ Men zal zeggen ‘Gaeter nae toe!’ tot éen persoon of een groep. Van een sterkere, neiging tot de -t bij meervoud, is in het Katwijksch geen spoor of sprake. Het gebruik van dezen vorm moet uit andere oorzaken worden verklaard. Het komt voor in de volgende tien zinnen van mijn omvangrijk materiaal: 1. Toe komt-er maer uit! 2. Denkt-er om watje doet! 3. Maekt-em vəràl iet kwaed! 4. Maekt-em 'n vaempje klàànder. 5. Dóet-et (dan)! 6. Gaet-er off! 7. Doettat now eris, gerust! 8. Jo, chaet chauw om de vles en de kouk! 9. Jo, gaet ffan die plank of, fort! 10. Staed-iet soo te beve!

In verband met de boven-geciteerde ‘neigingen’ van den Katwijker is het van belang, dat in deze zinnen de t (of de volgende verscherping) blijkt voor te komen voor -er (daar), -em (hem), en na een werkwoordstam op een klinker eindigende. In no. 10 is de oude vorm -d gehandhaafd (gelijk ook t.a.p. in andere gevallen) voor iet.

In géen van deze zinnen nu bleek bij navraag de t (d) onmisbaar. Zelfs werd bij opzettelijke vertaling bijna steeds, door verschillende proef-personen, de korte stamvorm gesproken. Hierbij kwam al gauw aan den dag, dat sterke nadruk, een werkelijk ‘gebiedende’ modaliteit, een belangrijke

 1  Opmerkelijk omdat deze aan ‘lui’ nog herinnerende vorm alleen vocatief is; het gewone pers. vnw. is jollie.


[p. 468]

voorwaarde voor de verzwaring met -t is. Nadere bijzonderheden mogen thans nog volgen:

No. 8. Jo, chaet chauw om de vles en de kouk! - Deze vorm was het bevel van een schipper tot den ‘jongen’. Gericht tot een gelijke of oudere, zou deze zin vanzelf zijn ‘scherpte verliezen’. 1   Hij zou dan luiden: ‘Dirrək gae gauw effe om de vles en de kouk’ of ‘Gae effe...’ of ‘Gae dəris...’ of ‘Gae strakkies eve...’ Ook, als men zich zou richten tot twee collega's. De vorm ‘Gae dəris...’ zou bij den nadruk van het bevel tot den jóngen, worden verscherpt tot ‘Gaetəris...’

10. ‘Stáed iet sòò (iessòò) te béve!’ is een geërgerd verbod. Hier is geen verscherping tot staet mogelijk, dat is gelijk gezien een phonetische onmogelijkheid. Bij verzachting tot een kalmeerend advies is de vorm ‘Stàed iet sòò te béve Aai’, met de verzachtende plaatsing van een vocatief achteraan 2  , mogelijk, maar ook zonder -d: Stàe iet sòò te béve Aai’.

7. ‘Doettat now əris, gerust!’ is een scherp-ironische tartende opmerking. Bij verzachting van dien inhoud tot een gemoedelijke raad als ‘Doe dat now maer dəris, gerust!’ kan de t wegvallen. Dat deze verscherpt is uit ‘dat’ wordt aannemelijk, wanneer wij zien, dat in een zin ‘Maek ta-jə van die plank of ben 3  !’ de t niet gemist kan worden: klaarblijkelijk aan de k geassimileerd uit d.

3. ‘Maekt-əm vərál iet kwaet!’ Zeer dringende waarschuwing. Bij kalmer betoog kan de t wegblijven. Idem bij no. 9; maar bij 6 ‘gaedər of!’ bij verzachting, in tegenstelling met het verscherpte en verzwaarde: ‘Chaetər off, ffərúit!’

Bij werkwoordstammen eindigende op l, r, m, n, treedt bij nadrukkelijk bevel de t op vóor (of liever in plaats van) de d van (d)ər, de of dat (die): Háeltə háemer èffe! - Sár-tat-kínd iet sòò! - Verwéntat kìnd iet sòò! - Gíjs, swémtər effe óver! - Hier kàn wel een d worden gesproken, maar het gaat moeilijk ‘van nature’.

Maar, óok bij sterken nadruk, zal men voor een klinker deze stammen niet met een -t spreken; dus zóo zijn de vormen: ‘Gijs! háel effe de háemer! - Gijs! wár 4   effe die haering! - Gijs! zwém effe óver! Gijs! rén effe om záuwt, 'n halləf pont sauwt! -

 1  Zoo drukte mijn zegsman zich uit.
 2  Zie hierover § 319/20.
 3  ben beteekent hier - komt, gaat! Een expressief gebruik van zijn, dat ook bij Potgieter werd opgemerkt.
 4  Inzouten.


[p. 469]

Ook déze zinnen krijgen niet een -t wanneer men zich richt tot een ‘veelheid’. Men zegt dan, behalve ‘Jonges! zwem effe over!’ of ‘Zwem effe over jəlui!’ ook: ‘Zwem jollie 1   effe over!’ of ‘Zwemme jollie effe over!’ Deze laatste zinsvorm moet, gezien den niet-vocatieven vorm van het voornw., in oorsprong een (vragende) indicatief zijn (hoewel het formeel niet uitgesloten zou zijn dat hier ‘zwemme’ een ‘overgangs-ə’ vertoonde bij een oorspr. imperatief ‘zwem’). De verklaring uit een indikatief vindt buitendien steun in zinnen als: Jonges, gaene jollie d'r off! - en wat het vragend karakter betreft vooral ook in het dreigend: Gae je 'r off! - Men vergelijke ze met den boven genoemden dreigenden imperatief: Gaet ər óff, ffərúit! -

In den laatsten zin is de t van d van d'r gehandhaafd, ondanks een eventueel zwak accent op het werkwoord. Er zijn, vooral aan boord, talrijke bevelvormen met de rhythmiek of . Men spreekt daar zelden een -t, ook al zijn ze meestal gericht tot de ‘Manne’.

De vraag kan worden gesteld: Is in het Katwijksch nu de t enkel en alleen uit phonologische en psychologische neigingen en modaliteiten van den zin te verklaren? Niet enkel en alleen! Er is wel degelijk ‘invloed’ van de oude meervoudsvormen op t: die zijn aanleiding tot de keuze van de t als verzwaring of verscherping of als overgangsklank. Dat blijkt uit den ouden vorm op -d in Staed iet. We moeten echter die occasioneele uitbreiding van een ‘meervouds’vorm over het enkelvoud toeschrijven aan een zeer zwak gevoel voor de functioneele categorie van het ‘getal’. Die úitbreiding van de meervoudsvormen wordt dan ook verre overtroffen door de omgekeerde voorkeur voor vormen zónder -t voor de véelheid. Het spreekt verder wel vanzelve, dat die ‘invloed’ van den meervoudsvorm niet komt uit een hoogere cultuur als de ‘hoofsche’, of uit ‘het Algemeen Beschaafd’. Wanneer er behalve de spontane nadruk en het voorbeeld van den indikatief-meervoud nog een invloed van buiten zou hebben gewerkt en werkt, dan is het in het Katwijksch allicht de zeer bijzondere taalvorm van den Statenbijbel, met zijn sterke voorkeur voor -t (en -et) in den imperatief.

Een opmerking van algemeenen aard met het oog op een eventueele poging tot ‘historische verklaring’ van den imperatief. Een feit is, dat de vorm zonder -t (of -d) de eenige oude imperatief was in de oudste tijden van onze taalgeschiedenis. Wanneer dus thans in een bepaalde volkstaal de enkelv. imperatiefvorm alléen gebruikelijk is, voor beide

 1  Zie blz. 4671.


[p. 470]

getallen, en het meervoud wordt uitgedrukt door indikatiefvormen met pronomina, dan is er door de eeuwen heen in die volkstaal niets veranderd van belang voor het systeem van deze modaliteit en dezen modus!

Het komt mij voor, dat de gebruikswijze van de Katwijkers, nl. de stamvorm voor enkel- èn meervoud, de vorm op -t(d) bij bijzondere aanleiding voor enkel- èn meervoud, zal blijken in het Zuid-Hollandsch over het algemeen te gelden, met meer of minder voorkeur voor die bijzondere -t vormen naar gelang van de vatbaarheid voor affect en emphase en de sandhi-gewoonten. In Voorschotensch dialect zou ik aanmoedigend vriendelijk zeggen: ‘Ga d'r héen, jò!’ maar bij klem en nadruk: ‘Gáat er dàn toch héen!’, voor enkel- en meervoud. Zoo ook welwillend aanduidend: ‘Jà, lég-əm maar néer’. In geïrriteerden vorm: ‘Léch-əm néer, zèg ik je!’ en zelfs: ‘Lécht-əm néer! Of ik sèl jə kríjgə!’

In § 126 is gewezen op de verschillende vormen van het Vf. + enclitisch subject in Hollandsche volkstaal. Men kan bijv. in het Voorschotensch deze drie ‘graden’ voor ‘gaf hij’ onderscheiden: Gavvi altíjd zoo'n kleine fooi?’ ‘Gaffi al wéer zoo'n kleine fooi?’ ‘Gafti-me nou niet 'n dubbeltje voor zoo'n reuzekarwei?’

Natuurlijk blijven we als áanleiding tot de t van gafti beschouwen den vorm van het aanwijzend voornaamwoord die en den schijnbaren uitgang -ti van werkwoorden met een stam op -t (als bijv. lieti = liet hij).

Hoe ook zónder een dergelijke van-zelf-sprekende òf door den linguist misschien willekeurig aangewezen ‘aanleiding tot analogie’ een verzwaring van den buigingsvorm kan optreden, moge blijken uit een imperatief met geïrriteerde ‘gevoelswaarde’, dien ik bij een ouden Voorschoter eens constateerde (bij hém was die vorm ‘usueel’) toen hij zei: ‘Dóeket-tán’, in de beteekenis ‘Doe het dan toch!’ met een scherpen explosief, echter niet de -t maar de -k-. Misschien zal men deze -k- onmiddellijk ‘verklaren’ als ‘dissimilatieproduct’? Dan stelt men echter a priori een vorm ‘dóetet-tán!’ en loopt gevaar, het eigenlijke ‘verschijnsel’, nl. verzwaring door een explosief, te verdonkeremanen.

Tenslotte doet de vraag zich voor: is de imperatieve vorm op -t ook in andere streektalen dan het Hollandsch een middel tot uitdrukking van nadruk en affekt geworden? In Friesland, Groningen en Drente is over het algemeen 1   de vorm op -t, ook voor het meervoud, onbekend. In Drente echter blijkt de noodige speling. Zoo is iemand uit Zuidwolde (in het Zuidwesten van de provincie) pertinent in zijn verklaring, dat hij altijd

 1  Volgens Ter Laan wèl dout en ducht bij doen. Ook wel Goat zitn̥!


[p. 471]

de -t spreekt, bij enkel- en meervoud. In Ruinen, iets Noordelijker gelegen, is daarentegen de enkele stamvorm regel. Maar, hetgeen ons verrast, het blijkt dat in dat dialect, als in het Hollandsch, de vorm met -t opduikt, zoodra de zin met sterken nadruk, met ergernis of andere gevoelsmodaliteiten wordt gesproken. Een staande uitdrukking is daar: Lóop hen músken flùiten! (Loop naar de maan!). Maar de ‘scherpe’ t-vorm dook op in den verontwaardigden vorm: ‘Wat daenk ie wel! Meen ie, dè 'k álles mar g'leuve! Lóopt feur mien párt hen músken flúiten!’ Andere voorbeelden spreken eveneens voor zichzelve: ‘Holt de bolle toch good vaste, Jan! As' e oe uut de haande komp, gebeurt 'r ongelokken!’ ‘Loopt ien Godsname 'n beetien harder: altied koo' j'n endtien achter an sjokken!’ -

De imperatief is tot de aangesproken persoon gericht in ‘den tegenwoordigen tijd’. Een zin van imperatieven vorm kàn ook betrekking hebben op den verleden tijd: zijn functie is dan echter niet een bevel, maar een verwijt over een verzuim, gericht tot de aangesproken persoon: Hád me dan ook eens gewaarschuwd! - Wás dan toch voor den dag gekomen. - Had 't gezégd! -

Tot de derde persoon kan de spreker alleen indirect een gebod of verbod richten, dwz. door bemiddeling van de aangesproken persoon (aangesproken in den imperatief laat): Laat hem oppassen! - Dit is de oude vorm van de voluntatieve functie in het Nederlandsch. Door kruising met den konjunktief: hij passe op! - of den samengestelden vorm: hij moet oppassen! - ontstaat nl. de nieuwe vorm Laat hij oppassen! - De overgang kan begonnen zijn bij nominaal subject-object: Laat je broer toch oppassen! - Hier is nl. de vorm der beide naamvallen gelijk. De overgang naar hij wordt bevorderd door het feit, dat het oude hem subjectsfunctie heeft bij den infinitief. Zie overigens v. Ginneken, O. Taaltuin III 31. In den ironischen zin: Laat hém maar schúiven! (nl. híj redt zich zelf wel; hij is een listeling; hij is een rare!) blijft de accusatief gehandhaafd.

Vooral voor de toelichting der verbindingen met laten, maar ook van de omschrijving van imperatieven door andere hulpwerkw. en andere vormen dan hulpww., volge een overzicht van wat het Katwijksch biedt: Met den imperatief van het hulpwerkwoord laten zijn er veel commando's met den stijgenden vorm 1  : Laet cháen 'ət ròer! Laet lóope de stàffok! - Een prachtig staaltje van een gezongen rhythmischen zin is: Laet ssákke de zàale in 't hóll... néér! - Andere korte vormen: Laet wárre maer!

 1  Over de accentuatie van imperatieve zinnen is uitvoerig gehandeld: O. Taaltuin V 225 vlg.


[p. 472]

(= laat de mast maar achterover loopen). Laet cháen! Voor dit laatste is ook een Engelsche vorm zeer gebruikelijk, bijv. bij het uitzetten van de trawl: Lekkó! Lèkko vóor! - Gemoedelijker is weer: Láet maer kómme! Met de derde persoon van het voornaamwoord is de accusatief regel in de beteekenis van ‘laten’ = vrijlaten, toelaten: Laet əm maer gáen! hij retsən aagə wel! - Bij onderscheidenden nadruk: Laet ssíjn dat iet doen! - Daarentegen bij het uitspreken van wensch of waarschuwing (wanneer dus het pronomen vooral als subject bij den infinitief wordt gevoeld): Laet ie óppasse! De eerste persoon enkelv. staat in een bereidverklaring in den nominatief; zooals men iemand die zwaar werk heeft, aflost met: Laed-ik eris əffe! 1   Laed-ík maer! - Ook in de negatieve dreiging of resignatie: Laet-ək m'n iet kwáed en màeke! - Ook in de 1ste pers. meerv.: Laete we 't a̅e̅st ín zien te krijge (de vleet nl.) Lae-wə dát doen. - Er is een stereotype overgang in het gesprek, met zwaar accent op Laet: Láe-we ris kijke.... dat was in de winter van tnegentəch. Lae wə ris sien, dat was 'n broer van mə Lee-snaertje.

De nominatief staat ook in: Kijk ie holle! Hoor ie skraeuwe! Met nadruk op het subject: Kijk síjn əris nijdəch weze! en Kijk híj əris nijdəch weze! In het Katwijksch zijn ook zeer gebruikelijk de hulpwerkwoorden van het duratief aspect, in de modale bijfunctie van de ergernis: Blijf nau maer íet séure! Stáed iet soo te béve! Zit nou maer íet te knijpe! Lég iet te líege, kaerel! Léch toch al mar iet te slaen! Deze laatste zin was een der ‘vertalingen’ van: ‘Niet meer slaen’. Andere echt-Katwijksche vormen voor dezen prohibitief zijn: Hou óp! - Hou óp mittat slaen! Skai úit mit slaen! Hou óp mittat chesláe! - Andere gewone hulpwerkwoorden in indicatieve zinsvormen met verbiedende, gebiedende en adviseerende functie zijn: Wo'je stíl weze? (= Wil je...) Wo'jə 't láete? Dat mòjje láete, of ik skouw je wáer! Zoo gauw asje de laait (vuurtorenlicht) ziet, mòjjə me waerskouwe. Ook in figuurlijken zin: Je mot alléen de mast mar op sien te haele! (Red je zelf! Zie je er maar uit te redden). Het oude hulpwerkw. der verwensching is bewaard in: Je zèl in d'hél brande! Algemeen is ook: Je moch je wel skáeme! Je mòs je skaeme!

Omschrijvende zinsverbanden van het bevel zijn: Maek dat je van die plank of ben. (Ga van die plank af). Kijk uit dat je 't iet laet falle! Wees wijzer in gae d'r iet nae toe! Neem jij de kist in brengt əm nae bovene. -Omschrijving van een waarschuwing is: Denkterom wat je doet! In bijzinvorm: Az je dát toch doet! Zoo is een oud signaal: Az je hòvetje làait!

 1  ‘Zachte’ vorm met de lenis d, verzacht voor het sterke accent op ik.


[p. 473]

bestemd voor den ‘kok in 't ruim’ als hij de netten inhaalt (óverhaalt, nl. over de rol), en bezig is met het ‘hoofd’ van een net op te stuwen. Dit signaal zegt hem, dat hij, onmiddellijk als dat hoofd ‘ligt’, dóor moet trekken, omdat er bóven ‘loos ligt’, d.w.z. voorraad netten klaar ligt. Deze zin is dus niet conditionaal meer, want de man boven wéet dat het hoofd al ligt. Hij geeft feitelijk de aanwijzing: Trek maar door! Zoo is er ook het signaal: Az je saaizing laait! De imperatief kan worden versterkt door voorafgaande of volgende interjecties: 'n Beetje hárder, toe! Skáem je, toe! Jonges, gaene jollie d'r off, toe! (Dit toe! kan het bijwoord, maar ook wel een ouder dat dóe! zijn). Een eigenaardige uitroep vóor een bevel is: Jowâêi, kom eris hier! Een gemoedelijk en liefderijk advies aan een kind of een oudje wordt beëindigd met het gerekt en stijgend gesproken hòòóór!

Een analytische vorm van ‘Kom hier heen!’ is ‘Híer, kom dùt 1   op!

Ten slotte: Behalve de optatief ‘Haai-je-n-ət 'm maer iet ezaad! - komt in het Katwijksch de bekende imperatieve vorm van het plus-quamperfectum voor: Háai me dan ook waer eskouwd! Wel, háai ət maer edaen! Wás-tan toch foor den dág ekomme!

Een bijzondere constructie, vooral in Hollandsche volkstaal gangbaar, is de verbinding met laten met den subjectsvorm van de derde persoon in een affectieve, dramatiseerende wijze van voorstelling: (Katw.) En laet-ie ət nau tóch ədaen hebbe! - Maar toe ze d'r kwamme, la̋at-ie nou dat cheweer an brokke geslege hebbe! en la̋te-ze nou (lane-ze nou) met de kous op-te-kop na huis kenne gaan! -

Het is niet onmogelijk, dat deze episch-dramatische imperatief met de functie van den verleden tijd (mèt zeer bijzondere modaliteiten) is ontstaan uit den dramatischen ironischen imperatief, waarover is gehandeld in mijn Zeventiende-eeuwsche Syntaxis § 185. 2  

 1  Ook dát op (= daarheen).
 2  N. Taalgids XXVI 127 wordt dit verhalende laat vergeleken met soortgelijke imperatieven in het Russisch.

§ 291

Van de plaatsing van het Vf. in den aanhef wordt alleen afgeweken in poëzie:

Verzoen ze, o Muze! in 'teind geef mij weer zangen! (Penning). - En den lijden den volk'ren, in jammren geknecht || Smeed eenmaal een zwaard m den dienst van het recht! (Volker). - Maar eerzaam laat ze leven in || mij, eerzaam in || mij sterven (Gezelle). -


[p. 474]

Deze woordschikking, die reeds in de 17de eeuw een archaïsme was, veroorzaakt sterken nadruk op de hoofdzaak:

Op gouwde lelyen, en straelen || Laat trotsen Fransch en Spaansche kroon || Om daer een perrelaftehalen || En streeft zoo niet, door duysend doon (Hooft).-
Opm. In de omgangstaal komen adverbia voorop o.a. in schijnbaar gebiedende zinnen voor: Nu ga je naar huis, en dan zeg je tegen je moeder... Over de wijze van voorstelling in deze zinnen zie § 150 en § 294. In: Dus ga je naar hem toe en (je) zegt... is het oorspr. losse zinnetje ‘Dus’ in den zin opgenomen.

§ 292

Het loutere gebod (verbod) komt zelden voor; het klinkt te positief: Kom mée! - Laat los! - Bezondig je niet! - Kom! - Ga! - Het wordt tot allerlei modaliteiten geschakeerd door begeleidende zinnen, vocatieven en uitroepen 1  ; en door modale bijwoorden in den zin, nu en dan door den ethischen datief 2  : Ga nou na huis, en maak me geen heibel (Bru.). - Verzacht, als in dezen zin, wordt de imperatief ook door een ietwat vragenden toon 3  : Kom kerel, zet 'r óok maar 'n bòrrel òp (Bru.). -

Bijwoorden, die hun etymologische beteekenis van aanduiding van een beperkten duur der handeling hebben verloren 4  , geven aan den imperatief de modaliteit van een aandrang, uitnoodiging, verzoek zelfs:

Leg het even neer. - Kom 'ns bij ons. - Kom eres (es) bij́ me. - Ga nou na huis. - Kóm dàn. - Dóe dat nou eres. -

Vooral door het beperkende bijw. maar 5  :

Loop maar dóor. - Kom maar (mee), ventje. - Eet maar raak. - Maak maar géen haast. - Kom maar eens híer. - Biecht nou maar 'ns óp. - Zucht nou maar 'ns.

Sterker is de aandrang in:

Kóm toch híer! - Kóm dan toch! - Zanik nou toch niet zoo. -

Door ironische voorstelling kan de modaliteit veranderen, bijv. bij tarting:

Breng jij mij nou 'ris na de kantonrechter toe (as je lef hebt!). - Goed, maak jij je sommen voortaan maar alléen. - Over de toevoeging van het subj., zie § 294.
Opm. Sommige adv. zijn in den zin ingedrongen, die vroeger afgescheiden stonden; een voorbeeld is: Zorg er asjeblief voor! - Zoo staan ook gewone adv., nadrukkelijk geaccentueerd, nog afgescheiden van den zin 6  : Ga nou mee, dadelijk! - Doe je jas uit, direct! -

Hulpwerkw. komen bij den imperatief weinig voor. Het causatieve: Laat dat maar zitten. - Het duratieve: Blijf nou niet zeuren. - Sta niet zoo

 1  Zie § 309 enz.
 2  Zie § 226.
 3  hoogere toon ondanks zwakker accent, aan 't einde.
 4  ook het accent is verzwakt.
 5  Zie § 260.
 6  vgl. § 298.


[p. 475]

te beven. - Zit nou maar niet te kniezen. - In dialecten waar het omschrijvende en vervangende hulpww. doen ontwikkeld is, vindt men ook den nadrukkelijken imp.: Doe er denken om! - Bij De Blécourt. nog met subj. verzwaard: Dout ie d'r ais denken om! -

Opm. Over kijk + inf. zie § 202 Opm. Over laat in bijzondere functie § 290. Over Hoor die 'ns schreeuwen! Zie dat gedaan te krijgen - § 205.

In brieven vinden we het omschrijvende hulpww. willen 1  : Wil mij het úur van Uw aankomst nog melden. - In ‘populairen’ briefvorm is dit: Meld mij s.v.p. nog het uur. -

 1  Ook in gebed en wat daartoe nadert.

§ 293

Talrijk zijn de imperativische zinnen, die als begeleidende zinnetjes zijn verzwakt tot formules van ‘nadruk’, ‘overgang’ of ‘opwekking der aandacht’:

Pas op, ze vliegen nog weg! - Wacht, ik zal Uw parapluie nemen. - Kom kind, huil maar niet meer. - Geloof mijn, éen stijve bries, en dat schepie was na de haaie geweest (Bru.). - In Gron.: Reken maor driest... - In Drentsch: Reken mor gerust. - Zeg, wat denk je ervan? - Zeg Paul, Kitty zingt morgen in Tivoli. - Leg het even neer, zeg. - Ik zal je de weg wel wijzen, hoor! - Kijk, hij zit te broeden! - etc.

In verwenschingen als ‘Stik!’ - ‘Loop nou!’ - is de etymologische beteekenis ook verzwakt of verdwenen.

§ 294

Bijzonder nadrukkelijke bevelen worden verzwaard door toevoeging van het subject in den zwaren vorm ‘jij’:

Vertel jij eens kort en duidelijk...’ - ‘Sta jij eens op’ zei Bontekoe op een toon die weinig goeds voorspelde. - Toe wier 'k zoo driftig... ik zeg: ‘Hè je me gezien? Zweer jij dat nou 'ris op je vurige nagels, met Piet te getuige’. -

Ook bij bijzonder aandringende vriendelijkheid: Kom... kom jij maar mee, kereltje. - Ook door herhaling wordt nadruk gelegd 2  : Laat me er door! Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je! - Eveneens door variatie van synonieme zinnen 3  : Maak het niet erger dan het al is! Bezondig je niet! - In oudere lyrische poëzie (ook in 17de-eeuwsche dramatiek, bijv. van Hooft) komen typische herhalingen voor met tusschenliggenden vocatief: Brul, leeuw van Juda, brul! (Da Costa). - Uit zijn functie volgt, dat de gebiedende zin meestal niet in ingewikkeld zinsverband staat. Toch zijn er verbindingen met bijzinnen gebruikelijk, vooral na een imperatief van spreken, denken, zorgen:

Vraag maar aan de maats, of ze je den bottelier willen wijzen. - Biecht maar eerlijk op,
 2  Zie § 29.
 3  Zie § 30.


[p. 476]

hoe de vork in de steel zit. - Zorg er asjeblieft voor, dat ze onze ooren niet te pakken krijgen. - Denk toch 's an, wat 'n brok avetuur om over te schrijve! (Bru.). -

Andere verbindingen:

Maak het niet erger, dan het al is! -Smijt je verbeelding maar zóo in de Maas, man, as je de gedalleste jonge wil spele (Bru.). -

Bijzonder gebruikelijk is de verbinding met een hoofdzin, waarbij de gebiedende zin voorwaardelijke functie krijgt 1  : Help maar 'n handje, dan gaat het gauwer. - Ouder is de vorm: Zoek, en gij zult vinden. - Een ingewikkelde opdracht wordt gesplitst, door analytische coördinatie der deelen 2  :

Jan, neem jij die dooie zwaan en breng hem naar stad, naar den commissaris van politie (Kievit). -
Opm. Over bevelende zinnen zonder Vf.: zie § 330.
 1  Zie § 362.
 2  vgl. § 289.

Wenschende zinnen.

§ 295

In den wenschenden zin geeft de spreker niet zijn wil weer, en oefent hij geen dwang uit op den aangesprokene, zelfs niet om hem tot een antwoord te dwingen, zooals bij de vraag.

De vorm van den wensch is in 't algemeen gekenmerkt door concentratie van het accent op éen woord, vooral op het Vf., en door den zinstoon, die minder dáalt naar het zinseinde dan in den mededeelenden zin, en den vragenden ‘staart’ mist.

Vroeger was de grammatische vorm gekenmerkt door de plaatsing van den wenschenden konjunktief (optatief) voorop. Thans nog in enkele staande uitdrukkingen, in rhetorischen of in archaïseerenden stijl:

Leve de koning! - Moge het U gegeven zijn. - Kome uw heerschappij! (Perk). - O, Dichtkunst, wees mij ziel! Gevoele ik slechts door U (Bilderdijk). -

De konjunktief is thans vervangen door den gewonen verleden tijd:

Kwám hij maar! - Wás ik er maar bij geweest. - Was ik er maar bij́ geweest! - Dée je maar 's wat! - Hadden we maar wat lékkers te eten ook (Arm.). -

In de omgangstaal ook door den bijzinvorm:

Als hij nu maar kwám! - As me dát nou 's glad zat (Bru.). -

Ouder Ned. is de vooral bij Potg. gebruikelijke wensch vorm met Och of... en bijzinvorm. Men zie hiervoor Zevent. Synt. § 94. In sommige streken van Gron. zegt men: ‘Ov har (= had) ik moar 'n pen! (Als ik maar een pen had). Het is niet uitgesloten dat het wenschende of nog het oude dubitatieve woord is. Groningsch zijn ook wenschende zinnen met dat,

[p. 477]

als: Dat we niet te laat komen! Dat ze niet zoo (zonder) verdere bespreking bijv.) weggaan! -

Omschreven wordt de wensch in zinsverbanden als: Ik hoop maar dat je goed weer treft. -

De intonatie 1   van den optatief is op het eerste ‘gezicht’ misschien minder expressief dan de vragende of bevelende vorm en daardoor moeilijker te definiëeren. In 't algemeen domineert éen accent op een deel van het praedicaat. Fig. I, VI en VII zijn dan de voorbeelden van den meest ‘normalen’ optatief, zonder opzettelijke bij-modaliteiten, gesproken door denzelfden Zuidhollandschen spreker als van de vragende en bevelende zinnen (zie § 22/3). Zin I ‘Was ik er maar bíj geweest’ heeft betrekking op het verleden en neigt dus tot den irrealis; in zin VI ‘Als tie nou maar kwám!’ en ‘Kwám ie nou maar!’ is een nog vervulbare wensch uitgedrukt. In I en VI ligt het hoofdaccent, dynamisch én muzikaal achter aan in den zin, in VI zelfs op het laatste woord, het Vf. Daardoor is het accent in dít woord (kwam) het duidelijkst meetbaar. Er zijn nu, dunkt me, voornamelijk twee punten, die voor deze intonatie in aanmerking komen: de toonvorm van het hoofdaccent, en de verhouding tot de rest van den zin. Wat het eerste betreft, valt óp het stijgend-dalend muzikaal accent, met de interval van ± 50, dat tevens dynamisch is. Wat het andere punt betreft, vormt deze hooge top (± 200) een duidelijk contrast met het lange voorgedeelte in zin I en VI: de interval in I 70, in VI zelfs 100. Dit voorgedeelte is vrij vlak en traag van toonbeweging: na een geringe beginstijging (20 à 30) daalt de toon heel geleidelijk tot of beneden de beginhoogte. Tegenover dit donkere begin staat dan de snelle, hevige stijging in het topaccent. Vergelijk voor de snelheid der stijging in fig. I ‘was’ en ‘bij’: in was interval ± 30 doorloopen in 7/50 sec., per 1/50 sec. dus 4 ½ in ‘bij’ interval 70 in 8/50 sec.; per 1/50 sec. dus 9, dwz. tweemaal zoo snel als in ‘was’. Ook in ‘kwam’ (fig. VI) vinden we zoo de snelheid ± 10 (interval 90 in 9/50 sec.). - Als derde element merken we nog op het dalend zinseinde. In fig. I daalt het einde pertinent, na de lichte toonheffing in ‘geweest’, tot de beginhoogte. In fig. VI blijft de toon op het niveau 150, boven het zinsbegin zweven. Dat gebeurt blijkbaar alleen, wanneer het domineerend accent aan het zinseinde ligt: vgl. de andere figuren (niet de vragende natuurlijk); daling tot of beneden beginhoogte. In fig. VII, de optatief met vooropgesteld Vf.: ‘Kwám hij nu maar!’ stijgt de toon in den aanvang van 150 tot 200, dus dezelfde top en interval

 1  Zie Bijlage VII.


[p. ongenummerd]



Bijlage VII

 



[p. ongenummerd]



Bijlage VII

 



[p. 478]

als in VI, daarna daling, die zich geleidelijk voortzet naar het zinseinde. De interval tusschen top en einde bedraagt ± 100. Fig. VI en VII zijn in zekeren zin elkaars spiegelbeeld. In het eerste geval steekt de accenttop af tegen het vlakke voorgedeelte, in het tweede geval tegen het einde.

 

Met deze vormen vergelijke men nu allereerst de vragende zinnen. Op fig. VII volgt nl. de vragende zin met dezelfde grammatische constructie: Kwám hij toen niet? (fig. VIII). Hier een niet stijgend, maar van stonden aan zeer hoog ‘verwonderd’ begin (250), daarna een snelle, diepe daling (interval 110 in 6/50 sec.), en in de laatste bijwoorden ‘toen niet’ de vragende einddraai (100-150).

Zoo staat naast fig. I, de vragende zin met overeenkomende grammatische bouw ‘Ben je er ook bíj geweest? (fig. II.)

Het niveau van het voorgedeelte is hier hooger dan in den wenschenden zin; na een snellere beginstijging in het Vf. (interval 40, snelheid per 1/50 sec. 10) blijft het bereikte niveau (± 175) gehandhaafd, waardoor de stijging in ‘bij’ veel geringer beteekenis krijgt, al wordt ook een opzichzelf hoogere top (210) bereikt dan in fig. I; interval ook hier 40 en stijgsnelheid eveneens 10. Daarna volgt een sterke en diepe daling (interval 120 in 10/50 sec., of eigenlijk in twee trappen, waardoor de snelheid van beide deelen nog grooter is: 15 à 20 per 1/50 sec.). Tenslotte ook hier de vragende komvorm, doch met geringe eindstijging (120) interval 30.

 

De andere figuren geven den toonvorm van bijzondere modaliteit-varianten. In zin III ‘Wás ik er maar bij geweest’ ligt een sterk accent op het vooropstaande Vf., het hulpwerkwoord. Daardoor wordt sterker het karakter van den irrealis uitgedrukt (vgl. zin I) en de spreker betreurt de onmogelijkheid van zijn wensch. Het Vf. heeft groote omvang en sterk reliëf, door een lange duur en door een snelle en sterke toonstijging (interval 120, doorloopen in 12/50 sec.) gevolgd door een daling tot de halve hoogte (160). Daarna bereikt de zin wederom het hooge niveau (± 220), waarop de toon met geringe inzinkingen (invloed van de consonanten) blijft zweven tot en met ‘bij’; in het slotwoord loopt de toon definitief af naar de beginhoogte (± 100). - Hier dus geen overheerschend, contrasteerend, plaatselijk muzikaal accent, maar éen gespannen hooge toonvorm, die den heelen zin omvat. Bovendien een hooger accentniveau (220 tegenover 190 in fig. I), en dus grooter interval (120 tegenover 70 à 80 in I).

De zinnen IV, V en IX hebben een anderen grammatischen vorm. De

[p. 479]

modaliteit wordt hier ten deele omschreven door den schijnbaren hoofdzin. Zin IV ‘'k Wou dat ik er bij geweest was’ en V ‘Ik wou wél dat ik er bij geweest was’ hebben weer betrekking op het verleden en geven dus een schakeering van den irrealis. Fig. IV lijkt het meest op fi. I. In het voorgedeelte ook hier weinig beweging (interval 30); na een lichte daling begint de toon zich echter al vóór ‘bij’ omhoog te heffen en ook is de stijging naar den top geleidelijker (interval 70 in 14/50 sec., snelh. dus 5): er is minder sprekend contrast, de toon is vloeiender, soepeler. Het heele niveau is ook ongeveer 50 hooger.

Nog vlakker is de toon in zin V. Het modale bijwoord ‘wel’ beheerscht hier het voorgedeelte, het heeft den eigenaardig stijgend-dalenden vorm, dien we elders als optatiefaccent vaststelden.

Na de inzinking in ‘dat ik’ beweegt de toon in ‘er bij geweest was’ zich weer op hooger niveau (150) met een zeer langzame stijging tot ± 175; het einde is wel dalend, maar blijft toch eenigszins zwevend. Opvallend is vooral ook het zeer vertraagde tempo: vgl. IV, dáar de duur van den heelen zin 62, hier 90. In zin IV is de optatief nog geconcentreerd in den grammatischen bijzin, op ‘bij’; hier drukt de omschrijvende hoofdzin met het bijwoord ‘wel’ het verlangen uit.

Tegenover den driftig-gespannen vorm van den irrealis in zin III is deze gerekte vorm een gemoedelijke, typisch Zuidhollandsche intonatie. Een Noorderling zou eerder met sneller tempo en accent op het Vf. wou, zeggen: ‘'k woù wel dat ik er bíj weest was’, of nog liever het heele bijwoord ‘wel’ slijten en dus den vorm van fig. IV verkiezen.

Fig. IX laat dan nog den omschreven optatief zien, die wel vervulbaar is. De spreker heeft in dezen zin een sterk verlangen, een hevig begeerde verwachting weergegeven. Dit wordt bereikt door een ongewoon sterke daling in den inleidenden hoofdzin, vóor het accent op ‘zóo’. Deze tegenstelling wordt nog versterkt door de lange spannende pauze. De toon stijgt dan niet, maar ligt na die pauze plotseling op het hooge niveau, en daarop blijft hij met lichte stijging zweven in het langgerekte zoo. Vooral in dit woord spreekt die gespannen verwachting. De toppen van ‘ie’ en ‘komt’ liggen dan nog gaandeweg hooger, maar beide vocalen zijn over het geheel dalend; vooral het snelle afloopen van den toon in ‘komt’ is opvallend (interval 120 in 7/50 sec., per 1/50 dus 17).

Fig. X en XI geven nog even onder elkaar het beeld van den als-zin als ondergeschikte hypothetische zin en als ‘vrije’ optatief. In fig. X, de optatief met het lage, vlakke begin tegenover het plotseling hooge en

[p. 480]

dalende topaccent: ‘Als ik nu maar spíjkers had!’ De daling is definitief voor de pauze. De optativische toon herhaalt zich in den volgenden toegevoegd-verklarenden zin ‘dan ón ik begi̋nnen.’

In fig. XI vormt de toonvorm van hoofd en bijzin éen geheel. Er is in den bijzin meer een stembuiging: daling in ‘nu maar’ en stijgend accent in de eerste lettergreep van ‘spijkers’. Aan het einde van den bijzin blijft de toon zweven (hoewel de vocalen opzichzelf dalend zijn), het begin van den volgenden hoofdzin blijft zeer vlak op deze hoogte (200), en loopt ten slotte definitief af.

De vorm van den mededeelenden zin (Woordschikking).

De woordschikking in het algemeen en in de volkstaal.

§ 296

We bespreken hier den vorm van den normalen mededeelenden zin, dwz. den zin met subject en persoonsvorm van het werkwoord. De regelmaten in de ordening dezer twee en der andere deelen van den zin kunnen in een taal als de Nieuw-Nederlandsche worden vastgesteld. Niet in een taal, zóo oud, dat bij het Vf. niet per se een subjectswoord noodig was. In het bijzonder de opkomst van pronominále subjectswoorden heeft geleid tot de beheersching van den zinsvorm door de schikking en de verbinding van S. en Vf. Het is bijv. duidelijk dat de plaats-vooróp van een pronominaal subject als Hij (kòopt een wágen) niet dezelfde uitwerking en functie heeft, als de plaats-voorop van een uit zijn aard sterker geaccentueerd substantivisch subject. Het is zonder een zeer uitgebreid en gecompliceerd onderzoek niet mogelijk, ook maar bij benadering ‘regelmaten’, laat staan ‘regels’ vast te stellen in de schikking van het subject en het Vf., al naar den lichteren of zwaarderen vorm van het subjectswoord en het werkwoord. Veel détail-onderzoek, vooral in verband met de syntactische rhythmiek, is daartoe nog noodig; niet alleen in de litteraire en in het bijzonder de poëtische taal, maar ook in de gesproken volkstaal.

Een algemeene ‘regel’, die voor de oudste idg. talen is vastgesteld, schijnt nog tot op den huidigen dag in de gesproken volkstaal te gelden: de enclitische woorden staan bij voorkeur na het eerste sterk geaccentueerde woord, dus niet bij het woord waaraan zij (bijv. als object) ondergeschikt zijn, of niet nà de overigens vaste verbinding van Vf. en S. Zoo vinden we bijv. in een Groningsche legende Vf. en S. gescheiden door een pronominaal object in een zin als: Tóen slóeg hem de méid het hóofd af.

[p. 481]

Deze ‘oude’ schikking blijkt in populaire epiek vrij algemeen gangbaar te zijn, in plaats van de vaste ‘logische’: Toen sloeg de meid hem het hoofd af. Een nawerking van den ouden regel zou men ook kunnen zien in de schikking van het datief- en het accusatief-object; men stelt wel eens den ‘regel’, dat het datief-object voorop staat: De vader gaf zijn zoon een gulden. Maar wanneer het accusatief object ‘enclitisch’ is, staat het voorop: De vader gaf 'm zijn zoon. Ik zeg 't je vader nog wel. - Ten derde vinden wij in volkstaal den ouden regel bevestigd in den bijzin: ‘Waarom? Omdát 'm het més uit de hánden schòot’. Is de conjunctie relatief zwak van accent, dan steunt 'm er niet tegen: ‘Hij stond máchteloos, omdat het més 'm uit de hánden schoòt.’ Zoo ook er: Omdàt er geen ándere réizigers wàren. - en əs (= əreis): Nadát əm əs 'n mán met een gewéer had gedreigd. In de Gentsche volkstaal vinden we verregaande consequenties van dezen rhythmischen regel: Verstáode 't gìj? (Oorspronkelijk waarschijnlijk Verstadi 't, gij? - met een enclitisch subj.-i en een vocatief van nadruk gij), daarentegen: Verstaode gij da nie? - Zoedet gij rieskiere? - Zijn kwaofeur die hem zuust bezeg was mee schirre. Een Gentenaar constateerde zelfs de volgende tegenstelling in vorm: Hij was hem bezeg mee klîen (= kleeden), bij reflexief ‘hem’, daarentegen: Hij was bezeg hem te klî̅e̅n - bij niet-reflexief dus transitief object. Ook er schikt zich op de voorste plaats; in hoofdzin: Wa peisd 'er gij nu af? - In bijzin: Hij is veel slimmer of dat er hij uit en ziet. - Ook in Katwijksch deze regel: Láait (ligt) er dat noch? Dan mót-ət 't folk doen. -

Wij bespreken de onderscheiding der hoofdtypen van den mededeelenden zin op grond van de onderlinge schikking van Subject, Verbum finitum en de andere deelen.

De grammatische vorm van den mededeelenden zin heeft een negatief kenmerk: het Vf. (de persoonsvorm v.h. werkw.) staat niet voorop 1  , in tegenstelling met de schikking in de meeste bevelende en vragende zinnen 2  . Voorop staat òf het subject òf een ander deel dan subj. en Vf. Door samenvoeging van het subject (S.), de persoonsvorm (Vf.) en andere zinsdeelen (A.) zijn zes schikkingen mogelijk: S. Vf.A., S.A. Vf; A. Vf.S., A.S. Vf.; Vf. S.A., Vf. A.S. Deze zes schikkingen onderscheiden we, al naar het deel dat vooropstaat, in drie soorten. Een deel A. voorop noemen we aanloop. Al naar de schikking van S. en Vf. onderscheiden

 1  uitzonderingen zie § 297 en 314.
 2  Hier bedoelen we het grammaticale subject, het subjectswoord; niet het ‘eigenlijke’ subject (zie § 19). -


[p. 482]

we bij ‘de zinnen met aanloop’ de volgorde (A) Vf. S. (= inversie 1  ) en de volgorde (A) S. Vf. (geen inversie).

Wanneer het subj. vooropstaat, is in zinnen zonder voegwoord en zinnen met de voegw. en, maar, want, of, de volgorde S. Vf. A. normaal; de volgorde S.A. Vf. is daar een abnormale afwijking, alleen mogelijk in litterairen stijl. In de zinnen die door andere dan de genoemde voegw. worden ingeleid, hangt de keuze van de volgorde af van den aard van het deel A.; de scheiding van S. en Vf., dus de volgorde S.A. Vf., is in deze zinnen echter altijd mogelijk: Hij zei, dat hij kwam met de bús. -.... dat hij met de bús kwàm. -

De zinnen van de tweede soort, waar scheiding van S. en Vf. door A. mogelijk is, noemen we bijzinnen naar den vorm, alle andere zinnen hoofdzinnen naar den vorm; ook wel kortweg bijzinnen en hoofdzinnen. Door deze benaming zonder meer spreken we dus geen oordeel uit over de functie van den zin, d.i. zijn verhouding tot andere zinnen, waarmee hij verbonden is. 2  

In de bijzinnen (n.d.v.) volgt op het voegw. meestal het subject; betrekkelijk zeldzaam is de schikking van een deel A als aanloop voorop; bijv.: omdat in die dagen telefonische aansluiting nog niet bestond. In dezen zin is het subject niet ‘actief’; het ‘domineert’ dus minder in de voorstelling dan de bepaling van tijd. En de domineerende begrippen (zinsdeelen) staan, in lenigen taalvorm, voorop. Deze ‘psychologische regel’ beheerscht, in het algemeen, de keuze der drie hoofdtypen: subject, persoonsvorm of aanloop voorop. In de hoofdzinnen (n.d.v.) is de plaatsing van een (domineerenden) aanloop voorop heel gewoon, zij het dan ook minder gebruikelijk dan de gewone schikking S. Vf. A. Staat echter een aanloop voorop, dan is inversie regel: A. Vf. S.: Morgen komt Papa. -

De hier genoemde hoofdvormen van den zin kunnen worden gevarieerd:

1. door splitsing van het deel A. kunnen, behalve het genoemde type S.A. Vf. of A. Vf. S., nog voorkomen S.A. Vf. A. en A. Vf. (A.) S. (A.): Toen hij gisteren wandelde bij het station. - Dan gaat (in ieder geval) jou broer (naar huis). -

2. bij samengesteld gezegde, d.i. een persoonsvorm (Vf.) met een naamwoordelijk deel (V.) 3   zijn tallooze schakeeringen mogelijk, zoowel door

 1  = omkeering.
 2  vgl. § 284.
 3  een deelw. of een onbep. wijs.


[p. 483]

de volgorde van Vf. en V. als door de plaatsing van Vf. en V. ten opzichte van S. en A. 1  

3. Elk zinsdeel vooraan, middenin, achteraan den zin kan door pauzen worden gescheiden van z'n omgeving. Door éen pauze, die volgt of voorafgaat, wordt een zinsdeel vóor- of achteraan afgescheiden; door twee pauzen rondom een zinsdeel wordt de zin onderbroken

 1  Zie § 298, 300, 304.

De woordschikking van den hoofdzin (naar den vorm).

§ 297

De vorm Vf. S.A. of Vf. A.S. komt in den hoofdzin in onbewogen uiting niet voor, tenzij een bijzin voorafgaat: Toen het zes uur werd, wachtte ik niet langer. - Wanneer we in een dialoog zinnen hooren of lezen als: Moet je met me méekijken, moeder! (Arm.). - Kijk zoo'n trein toch... Zitte zukke wages stuk voor stuk leeg (Bru.). - dan is daar een inleidend adv. als ‘nou’ of ‘daar’ min of meer volledig ‘ingeslikt’. Het gaat daarmee als met de weglating van onmisbare zinsdeelen, als een object (‘dat’), in: Maar hij wou niet meedoen; moet hij zélf weten. - of een subject, in: Gaat je geen spaan aan! 2   - In Groningsche dialecten zijn deze verkortingen heel gewoon.

De vraag kan worden gesteld, of in zinnen van den vorm Vf. S.A. met een mededeelende (niet-vragende of -wenschende) functie de inversie van den normalen vorm S. Vf. A. ‘spontaan’, ‘vrij’ is ingetreden, als een onmiddellijke reflex op een bijzondere schakeering van de zinsfunctie, bijv. die van een plotseling, momentaan gebeuren of van een hevige gemoedsbeweging. In O. Taaltuin V is door Van Ginneken de voorkeur voor deze inversie evenals die voor de aanloopconstructie verklaard uit bepaalde ethnopsychische tendenties, die in het Nederlandsch zouden opduiken of hand over hand toenemen in kracht. In verband met die opvatting ook is de vraag naar het al dan niet ‘spontane’ karakter van de inversie van belang.

In mijn Stil. Stud. II heb ik opgemerkt, dat zinnen met het werkwoord voorop met verhalenden inhoud, in den Oudgermaanschen epischen stijl veel voorkwamen: het werkwoord, dat een (meestal momentaan) verrassend of spannend gebeuren uitdrukte, had dan, in de allitteratiepoëzie, zwaar accent. In de Middelnederlandsche poëzie echter vinden wij, evenals trouwens in andere Middelgermaansche epiek van dien tijd, van deze constructie uiterst schaarsche sporen. In den Ferguut in vs. 48

 2  Deze zin is heel niet geïnverteerd.


[p. 484]

den zin: Sprac der Gawein:... als inleiding van een directe rede. Deze zinsvorm is waarschijnlijk voortgekomen uit de gewoonte, een directe rede door een dergelijk zinnetje te onderbreken 1  . Het is natuurlijk mógelijk, dat deze inversie van den mededeelenden zin in verhalenden stijl in de litteratuur is uitgestorven, maar in de volkstaal in dienzelfden stijl is blijven voortleven van oudsher tot op den huidigen dag. Weliswaar vinden wij daarvan geen bewijzen in de vertellende deelen van den dialoog van het zeventiende-eeuwsche blijspel, maar uit een 16de eeuwschen brief over den moord op Willem van Oranje heb ik (zie Zeventiende-eeuwsche Syntaxis blz. 9) toch een sprekend voorbeeld kunnen citeeren: ‘Alwaer desen Balthasar... schoot, door zijn mantel... hem gerakende onder zijn herte... Séech den Prince terstont een Joffrou, die after hem ginck opt lijf, en stórte de Joffrouwe met tsamen den Prince ter neder. Ende waren dít Syne leste woorden...’ In dit zinsverband is natuurlijk de derde zin (ende waren dít...) van anderen aard dan de eerste en de tweede, door de beteekenis en functie van het gezegde en het daarmede samenhangende accent 2  , alsmede door de inleiding met het voegwoord ende. De werkwoorden ‘Séech’ en ‘Stórte’ echter voldoen geheel aan de bovengenoemde qualiteiten van het verhalende, epische schema Vf. S.A. (werkw.-onderwerp-andere zinsdeelen) in het Oudgermaansch. Ik ben van meening dat wij ook voor dit grammatisch verschijnsel niet op den (geschreven) grammatischen vorm van den zin mogen afgaan, maar den zin moeten determineeren op grond van de syntactisch-stilistische functie en de daarmede correspondeerende intonatie en rhythmiek. Vandaar dat we niet als een voortzetting van het Oudgermaansche type mogen beschouwen een zin met weliswaar verhalende en zelfs momentane functie, maar met een heffing van het subject 3   en niet van het werkwoord in het boek van De Blécourt ‘Fivelgoër Landleven’: ‘'k Har hier zoo'n bakbaist van 'n klomkachel stoan, niks weerd! Komt netóares hièr: ‘Wat nou Jan, schoamst die neit? 'n Klomkachel!’ ‘Mörgen is 't ding vot,’ zee ik. - Hier is evenmin sprake van ‘spontane inversie’ van het ‘bewegingswoord’ als in een anderen zin, waar zonder twijfel
 1  Zie Inl. Ferg. XVI. Over de beperking tot zinnen met het werkw. spreken of zeggen, zie Fr. Maurer ‘Zur Anfangsstellung des Verbs’, in Behaghels Festschrift '24. Een overzicht o.a. bij H. Paul, Deutsche Grammatik III § 62.
 2  Aankondigende functie door het demonstratieve subject dit, dat als zoodanig het accent draagt.
 3  Men spreekt hier nl. in den zin wèl den werkwoordsvorm met een iets hoogeren toon, van drukaccent echter geen spoor.


[p. 485]

een object is ‘ingeslikt’: ‘Har 'k áltied wel dacht’ (= dat heb ik altijd wel gedacht) en ook ‘Was gain ménsk dei hom meer kón, zóo zat he in 't winterhoar’ (er was geen mensch...). Zúlke zinnen bedoelde ik in § 297 van de Mod. Ned. Gramm. en in Stil. Stud. II blz. 31 met het voorbeeld uit ‘Armoede’ van Ina Bakker (‘Moet híj weten!’ en ‘Moet je met me méekijken, moeder!’ voor ‘Dat moet hij weten’ en ‘Nu moet je...). Van denzelfden aard zijn regels uit Duitsche volksliederen als: ‘Kommt ein Vógel geflògen...’ in het Nederlandsch ‘Da(ar) komt een vógel gevlògen...’ Een Groninger zou hier zelfs het rudiment ‘da’ niet spreken, maar in zijn taalbesef is het aanwezig: in de geciteerde Groningsche zinnen is voor het taalgevoel ook van een jong dialectspreker (den heer Klatter) de kop van den zin afgekort. In mijn dissertatie (blz. 49) staat als voorbeeld van het gebruik van adverbia tot kenmerking van het momentane gebeuren uit Brusse's Landlooperij: ‘Commesaris die komt en zeit zonder bloze: ‘Jij Dirkse, jij ben de dief’. ‘J'ouwe moer, zeg 'k, en kwak de deur voor z'n neus dicht. En metéen neem 'k die kuipe een voor een op. Staat die pelísie nog buite te slaan en te trappe. Toe laat ik ze binne...’ ‘Names de heer officier van Justitie motte we je geweer af komme neme, Dirk Dekkers.’ En mèt stappeze met 'r pertale poote in Piet ze pertaaltje.’ - Inderdaad is hier het zwaar geaccentueerde adverbium voorop, evenals in het Germaansch het zwaar geaccentueerde werkwoord, de index van de momentane, verrassende en spannende functie. Het spreekt vanzelf dat in dít type van zin van den verhalenden stijl het adverbium nooit zal verdwijnen! Het citaat is van belang ook om den zin ‘Staat die pelísie nog buite te slaan en te trappe.’ Hier is weliswaar de grammaticale vorm Vf. S.A. in verbalenden stijl gegeven. Maar niet de momentane functie en niet het accent voorop op het werkwoord. Hier is waarschijnlijk (als in het Groningsch) een zwakbetoond adverbium met ‘terugwijzende’ functie (als ‘da'’ uit ‘daar’) verdwenen of van oudsher, als vanzelfsprekend, verzwegen 1  . Bij Schiepek, Egerländer Satzbau § 543, wordt gewezen op de verkorte zinnen in rekeningen, waar het weglaten van een anaphorisch of concludeerend woordje de aanduiding is van het zinsverband, precies wat ik hier bedoel. Hij citeert uit een 16de-eeuwsch kanselarijstuk: ‘Den 22 Oktober hat er die Straf' erlegt, hat man ihm 10 fl. wieder geben (= wovon man ihm... wiedergab) En uit het hedendaagsch dialect: ‘Er hat durchaus Geld gewollt, nun! - haben sie es ihm gegében (= so haben sie es ihm denn gegeben, oder:
 1  Ook het inleidende subject ‘Commesáris’ mist het lidw. of die ervóor.


[p. 486]

weshalb sie es ihm gegeben haben). Verder noemt hij nog als voorbeeld van deze korte constructie de formule aan het eind van een gesprek: ‘Werden wir halt séhen!’ (= We zullen wel eres zíen). Ik heb op blz. 30 van Stil. Stud. II gewezen op de mogelijkheid, dat het bijwoord in een nevengeschikten hoofdzin kan zijn samengetrokken; in litterairen asyndetischen vorm: (Joh. de Meester, Geertje) Dan lag ze moe, alsof geslagen. Krómpze onder de dekens, om slaap. - Hier is in het gespannen asyndeton het werkwoord zwaar geaccentueerd. Maar de syntactische constructie is niet die van een ‘vrijen’ hoofdzin, er is geen ‘spontane’ in versie: de inversie is gebonden aan het adverbium dan als samengetrokken ‘aanloop’. Weer een andere ‘gebondenheid’ is de ‘apo koinou’-constructie 1   in dit zinsverband bij De Blécourt bovengenoemd: ‘Dat was wat bóetengewóons!’ ‘Wást ook!’ (Hollandsch: ‘Dat wás-et ook!’). In het Gron. is hier ‘wat boetengewoons’ tevens naamw. gezegde bij ‘wást ook’. Van den zinsvorm bij De Meester echter zeide ik, dat hij in de gesproken volkstaal niet voorkomt. En verder: ‘nog minder waarschijnlijk lijkt mij een geheel losse zin ‘Stuurt zij...’ ‘Kom ik...’, ‘Haalt zij...’ in het verhaal bij Brusse (‘Onder de menschen’): Dan nog's een keer een dame in een open rijtuig, Zondagmorgen, houdt stíl voor mijn deur. Búigt over 't portier: ‘Dienstman, morgen ochtend om acht uur bij mij thuis’. Stuurt zij die díenstmeid om een boodschap na d'r familie. Kom ík, hàalt ze d'r héele chiffonière uit met ál d'r ondergoed! - De zin ‘Kom ík...’ is gelijk aan de in eersten aanleg hierboven besproken zinnen van De Blécourt. Het is voorts waarschijnlijk, dat de zin ‘Stuurt zij...’ niet als ‘Stúurt ze...’ moet worden gelezen, maar als ‘Stùurt zij die díenstmeid...’ waarbij ‘stùurt’ en ‘zij’ (of ‘zij’) veeleer door een lagen toon dan door een relatief zwak accent zijn gekenmerkt. Dit is nog duidelijker voor den zin ‘Háalt ze d'r hééle chifonière uit met ál d'r óndergoed!’ Dit is zéker niet meer een ‘mededeelende’, maar een ‘uitroepende’ zinsvorm. Het is duidelijk, dat bij dezen intonatie- en accentvorm (lage en zwakke aanhef met sterke dynamiek naar latere toppen van toon en accent) met volle recht het verzwijgen of inslikken van een adverbium mocht worden ondersteld. Op blz. 31 nam ik de mogelijkheid aan, dat de vorm Vf. S.A. een ‘Hebraïsme’ is. We zouden kunnen zeggen, dat dan bij Nederlandsche Joden die verkorting van den Nederlandschen zinsvorm wat sneller en vollediger in z'n werk gaat dan bij anderen 2  . Ik zou
 1  Zie § 34.
 2  Zie § 32 bij verkorting, over inversie-zinnen in het voetbalverslag.


[p. 487]

er thans echter nog iets aan willen toevoegen. Door Schiepek wordt als een bijzonder type van den vorm Vf. S.A. in de volkstaal nog genoemd een aantal zinnen, waarvan men mag aannemen dat zij, hoewel ‘mededeelend’ of liever ‘uitroepend’, oorspronkelijk ‘vragend’ zijn geweest: ‘Schaust dú aus!’ - ‘Ist dás eine Hítze!’ - De ‘vragende’ oorsprong is bij deze zinnen, dunkt mij, duidelijk. Schiepek noemt dan nog als zoodanig (uitroepend, oorspr. vragend): ‘Geht der Kerl dahín und verklágt mich!’ - Deze zin is vrijwel gelijk aan: ‘Haalt ze d'r héele chifonière uit...!’ en eventueel: ‘Stuurt ze d'r díenstmeid...!’ Ik acht het mogelijk, dat in de Nederlandsche volkstaal hier inderdaad oorspronkelijk-vragende (rhetorisch-vragende) zinnen moeten worden ondersteld. Dit staat buiten allen twijfel bij het bekende ironisch-negatieve zinstype: ‘Stuurt ze me nou niet d'r díenstmeid d'r op af!’ ‘Haalt ze me niet d'r héele chiffonière leeg!’ - Zelfs in het Groningsch bij De Blécourt: ‘Moar de centen wazzen d'r neit. Hét kèrel mie neit 'n bósschop stuurt noa óphoaler van 't fondsgeld, dat hij was in doodfonds, en om reden, dat hei doch dood gong, wol he geern wat geld in 't veuren hebben!’ Vgl. ook uit het lied van Piet Hein: ‘Sprak daar niet Piet Hein een alwarig woord’.

Wanneer ook de niet-negatieve uitroepende ‘dramatiseerende’ zinnen in oorsprong vragend zijn, komen wij tot het besluit, dat zij dan evenmin ‘spontane’ inversie in den mededeelenden verhalenden zin vertoonen. Dat deze rhetorische oorsprong speciaal Joodsch zou zijn, kan ik moeilijk gelooven. Niet alleen in het plattelandsch-Groningsch blijkt (althans de negatieve) vorm mogelijk, maar in het Katwijksch is de positieve vorm zóozeer gangbaar dat een Katwijker den Zuidhollandschen zin ‘Of die menschen daar ook schrókken van hem!’ prompt vertaalde in: ‘Ben die mensche evetjes eskrokke van 'm: kè-je begrijpe!’ - Hier zien we zelfs nog de rhetorische ‘vraag’ mèt het eigen ‘antwoord’ er na. De zin vindt zijn evenbeeld in dezen zin uit Brusse's Landlooperij van een Hollander: ‘Zat dáar effe páling!’.

We hebben dus verscheidene oorsprongen van den geïnverteerden mededeelenden hoofdzin zonder aanloop, genoemd: de rhetorisch vragende zin, de ellips van den zwakken aanloop, het asyndeton met samentrekking of apo koinou, mogelijke nawerking van een oerouden of van een stilistisch-beperkten kanselarijvorm 1   of stereotype inleiding van

 1  Hieronder vallen o.a. Volgt een overzicht. - Komt vóor: de verdachte X. - Deze zinnen kunnen in dezen vorm vertaling uit het Latijn zijn.


[p. 488]

de directe rede. Voor den epischen en impressionistischen stijl na Tachtig is er nog een andere, nl. de variatie en de verbale plastiek: zie daarover O. Taaltuin Jg. I ‘Inversie in Couperus' Iskander 1  . En deze verscheidenheid van oorsprong, stijl en functie, gaat gepaard met verscheidenheid in den meest eigenlijken taalvorm: toon en accent.

Den allereenvoudigsten zinsvorm S. Vf. vinden we zelden: ‘Ik kom!’ - Wél voor een bijzin, waar de bijzin de plaats van een deel A. inneemt: Ik hoor dat hij ziek is. - In de omgangstaal is het deel A. over 't algemeen niet omvangrijk. Ook het subject is bij voorkeur pronominaal. Onderbreking van den zin tusschen S. en Vf., die hoofdzakelijk na een nominaal subj. voorkomt 2  , is dus in de omgangstaal zeldzaam. Alleen onderbrekende relatieve zinnen komen voor, waarbij de eerste pauze meestal uiterst licht is 3  : ‘'n man die z'n eige verraait, is ommers z'n leve niet waard’ (Bru.). - Feitelijk wordt hier subj. + relat, zin afgescheiden. Dit verschijnsel doet zich in nog sterkere mate voor bij een ‘eigenlijk’ subject 4  , dat in pronom. vorm wordt hervat: ‘Zoo'n vrij leve, da 's toch maar alles!’

 1  Een humoristisch-litterair effeet heeft de inversie in den zin van S. Falkland, geciteerd § 314, waar ook de inversie bij Couperus wordt besproken.
 2  Zie § 311.
 3  Zie § 379.
 4  Zie § 299; 25 en vlg.

§ 298

Ook den eenvoudigsten vorm met samengest. gezegde, S. Vf. V., vinden we zelden: Ik zal gaan. - De meest vóorkomende vorm is S. Vf. A.V.: Hij zal morgen bij je komen. - ook S. Vf. A.V.V.: Ik heb het hem hooren zeggen. - Hij zal morgen komen kijken. - Dit is de gesloten zinsvorm, in tegenstelling met den open vorm, waar een deel A. aan het einde staat: S. Vf. V.A. of S. Vf A V.A.: Quick heeft gewonnen tegen Ajax’. - ‘Ik heb me suf gedacht in m'n eentje’. -; ook S. Vf. V.V.A. en S. Vf. A.V.V.A.: Hij is weze stroope vannacht (Bru.). - Ik heb me al den heelen middag dood zitten kniezen in m'n eentje (Arm.). - Het deel A. in deze open zinsvormen aan 't einde is meestal een voorzetselbepaling, soms ook een adv. of een bepaling met ‘dan’ of ‘als’, nooit een object: Ik kon niet op je naam komen daarstraks. - Die moeten nog langer dienst doen dan vandaag. - De open zinsvormen zijn in de omgangstaal gebruikelijk bij aarzelend spreken, bij een aanvullende spreekwijze; ook wel om nadruk te leggen op het deel A.

Onderbreking van den zin tusschen S. en V. Vf. komt in de omgangstaal zelden voor, hoogstens bij een ‘beperkende’ onderbreking: Boeren, ten

[p. 489]

minste die ík ken, geven daar niet om. Wel verderop, nà Vf.: Je kunt, wat mij betreft, nu wel weer in je boot stappen (Kievit). - 1   Wel wordt het slotstuk A. in den open zinsvorm door een pauze afgescheiden:

't Is toch wat, op mijn jonge jare! (Bru.). - Kitty zingt morgenavond in Odeon, een solo in een koortje (Arm.). - Maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die kanonnen. -

Door toevoeging van een woord van nadruk, kan de zelfstandigheid van het deel A. worden vergroot; het wordt een zin:

Daar krijgt het volk een portie van en die wordt onder ons drieën verdeeld, altijd naar rang en diensttijd, hoor. -

Door den open zinsvorm ver