Woordregister 1(Door getallen zonder meer worden bladzijden aangeduid). |
1 Partikels en pronomina ook in Zaakregister.
|
|
berg 253. bescheiden 335. bestieren 177. bestje 123. bestopt § 183. beter 172. bevallen § 88. bevelen (+ inf.) 364. -beweging (suffix) 230. bezuinigingsmillionnair 188. biggen 233. binnen (praef.) 245, (-in) 403, voorz.) § 243. blankzetten 236. blauw 166. blindslaan 236. blonk 1511. bluizm 190. blijven (euphem.) 107. blijven (hww.) 477, (koppelw.) § 269. boe (woe) 158. boel 155, 380, (suffix) 230. boemeltrein 186. boks 253. bos 253. bosch 249. botsen § 63. bovendien § 353, § 358. bovenop 400. brengen 78, § 232. buikspreken 236. buttere 200. bij § 243. D (lenis) § 37, (epenth.) 152, (intervoc.) 155, (of -t) 467. dáàg 159. daar § 354, § 381, § 389, 606. daargelaten 535. daar - wat 578. dan (anaph.) § 351, (moment) 546, (in groep) § 339, (afsch.) § 306/8, (bij comp.) § 119. dan (= dat) § 385. danke 302. daste 581. dat (pron.) 289, 381, 540, 585, § 346; (voegw.) § 176, § 295, § 385, § 395; 137, 140, 177, 495, 496; (bij adv.) 396, (bij voegw.) 600. deene (deden) 41. deizen 128. der (des) § 137. dergelijk § 128. derhalve § 350. des § 128. des(te) 271. deze (syntactisch) § 345. dezelfde § 128. dicht (praed. attr.) 415. die § 135, § 228, § 252, § 384, 540; (- daar) 217, 225; (- ət) 600, (- z'n) § 128. dies § 128. diner 179. dingen dat... 5853. dinges 249. doch § 378. doe (pron.) § 125, 286 vlg. doeketan 470. doen 168, (verl. deelw.) 300, (1 sg. praes.) 302, (geen -) 352, (+ inf.) 358/9, (= plegen te) 448, (varians) 118, 448; (causat.) 77, § 279, (omschrijv.) 390, (imper.) 448, § 292, (vervangend) 543, (leeg werkw.) 107. doender 3461. doivel 157. doksen 192. - dom 230. domt 166. dood - 213, § 72. door § 243, (passief) § 281, (- te met inf.) 372/3. doorforceeren 244. doorgaans § 194 d'r § 266, 417. dra 601. droom droomen 390. drijvens 40, 348. duin 249. duivels(ch) 255. duizelingwekkend 340. dus (anaphor.) § 350, (bij imper.) § 291 opm., § 358. dwalmen 190. dijn § 127. E (- klanken) 148, - e (flexie) § 94, -e (konj.) § 143, - e (adv.) § 91, e (verbinding) 220. echter § 355. - ede § 139. Edelheid 288. een 297, § 251. eenerzijds § 357. eer (voegw.) § 389, 5o. - eeren § 86, 184. eerste § 121. eigentlijk 152. eind touw 379. - elen § 187, 240, 194. - elig § 71. elk 284. elkander 207, 280. - en 152, (zw. praet.) § 139, (adj.) 215/6, (inf.) 3491, (verbinding) 220 en (voorz.) § 242, (negatie) 692, 423 vlg., 426 opm.; (voegw.) § 370, 560 vlg., (- die) 540, (- echter) § 355. - ene 153, 3491. enne 562. er § 223/4, § 266; 417, 481, 548, (- was) § 266. - er 230. -erd 231. eris 417, § 292. - erig 341, § 71. - erij 230. - es (bij p. pr. of inf.) 348. eten 170. eu 149. even 430. eveneens § 352. eventjes 487. evenwel § 355. ezeid (Katw. bij pass.) 453. F (affectief) 158. feeks 158. fiets 183, 196. fiftien 159. fitten 158. flapuit 226. flets 194. flitsen 193, 238. fonkelen 158. foei § 72. fijn 166. G (lenis) 148. ga je gang 390. gaan 172, (+ inf.) § 204, (hulpww.) § 277 koppelww.) § 269, (transit.?) 393 (werkw. voor -) 192 (- en) 565. gansch 426. ge- (beteek.) § 178, (intensief) 348, bij p. pr.) 348, (perfect.) § 87/8, (bij subst.) § 79, 472; (Zeeuwsch) 2401 (Drentsch) § 140. gebeeld, gegoed § 178. geblazen (bij pass.) 453. gedaan 300. gedurende 534. geen 68, 420. geen een 421. geenn̥t 420. gehaar(d) 335. geleden (absol.) 534. gelegen 300. gemunt hebben § 164. geneen 421. genetica 219. geschieden 154. gesitten § 88. gesjochten 336. geune § 128. gevallen 175. gewassen har beter kend 381. geweest (passief) § 283. gewend (meton) 134. gewoon (adv.) 431. geworden § 283. gewrocht § 142. gezeggen 2401. gezien (absol.) 543. gezeid (bij pass.) 453. - gewijs § 91. gipsen 193. gisteravond 108. gladakker 179. glas ('n) 173. glas water 379. gloeiende (adv. graad) § 194. gloepend § 194. goed (beteekenis) § 106. goed(n̥), gounn̥t 284. goudgekazuifeld 336. graaien 199. grissen 239. gunter 225. gij (als voc.) 577, (vervoeg.) § 125, (gij die) § 221, 577. H 148. haar § 127. haasten (met inf.) § 214. had (+ p. pf.) § 170, (- gehad + p. pf.) 328, (- het gedáan!) 473. halen+ bepaling § 232. hangmat 189. hè! § 325. hebben (hww.) § 182, § 205, 308; 40; (+ inf.) 355, 358; (+ p.pf., praesens) § 164, (perfectief) 164, (synt. beteek.) 389, (in taboezin) 127, (werkw. bet.) 107, § 80. heele (adv.) 165. heen (+ inf.) 371, 447, (aan -) § 259, (bij praep.) 398. heengaan en... 565 heere 2501. heeten (+ infin.) 358/9, (liegen) 367. - heid § 81. hem (= hij) 291. her - 241. het (anaphor.) § 346, 543; (pers. en onpers.) 288, 382, 395; (aank.) § 349, § 385; (gramm. subj.) § 349, (- is) § 268, § 381. het is bij mij raer 36. hetgeen § 131, 583. heur 2804. hiaat 156. hier § 354. hier Piet 166. hitsen 196. hoe (voegw.) 598, (vrag. uitr.) § 287, (anal. constr.) 108, (correl.) 271, (+ adv.) 601, (hoe'n) 263, 600. hoeven (be-) 362. hoewel 601. holoogig 211. hoofdschuddend 236. hooge hoed 208. hoop 254. hoor (+ infin.) 472. hoorloos 2153. houden (+ p. pf.) § 164. hum (subst.) 124. hij (en zij) 288, (flexie), § 126, (-ie) 470, (verv. door naam) § 344. I (-klanken) 148, (i-a) 211, (pron. pers.) 278. ieder meent zijn uil... 366. iet (Katw.) 421. -ig (§ 71), (-heid) § 81. -igen § 86. ik § 124, (- die) 580, (verv. door naam) § 344. immers § 358, 549. in (voorz.) § 243, (praef.) 245, - de eerste plaats) 403. inleuk § 72. incluis 535. inderdaad § 358. indien 600. -ing § 81. in-gangs-iet 426. ingooi 225. inmiddels § 352, § 358. innelək 159. integendeel § 385. is 't dat... 585. 't Is of... 593. -isch 215, 216. J (verscherpt) 147. ja 159, 517, 568. jah! 106. jelui 287, 4671. -jes (adv.) § 92. jochie 233. joepse 193. jollie 287, 4671. jotse 193. jou ezel! 2524. jowaei! 473. judaskussen 238. juf 123. jullie § 125, § 143. jij (flexie) § 125, (in imp.) § 294, (als voc.) § 319, (volkstaal) 287. Kaaien 199. kasbakluik 128. kedaer 518. keilen 200. keind 150. -ken (werkw.) § 86. kerven § 140. kindeke 2323. -kine § 92. kist 253. klabaatsen 192. klappertanden 237. kleintje 235. klevaenese 200. knappen (knoppen) 198. kneutje 233. knieënknikken 237. knul 176. Kollewijnsch 215. komen (hww.) 447, (+ inf.) 363, (+ p.pf.) § 183. komende week 341. kommt ein Vogel geflogen 485. koning der koningen § 98. koningskroon § 75. konijn (loknaam) 5142. knap (on verb.) 261. koolwitje 235. kort 124. kouwelijk 156. kraaien 199. krantvast 187. krioelen 211. kruising 189. krijgen (en nemen) 167. (perfect, hww.) 541. kunnen § 271 vlg. kurkdroog 206, 213. kussing 228. kwajongen 2171. kwartje 235. kwitse 193. kijk-in-de-pot 237. kijk + infin. 472. - kijn 233. Laagbijdegrondsch 211. laat (iron. hww.) 473. laatse (synt.) § 345. land an brokke 127. lang (graad) 263, 434, 413 opm. (en breed) 210. lange § 91. langs 403. laten (+ inf.) 358/9, (imper.) 471. leeftijd 226. leeren (+ inf.) 358. leggen (lei) § 142. lekkó 472. lichtelaaie 165. liefhebben § 237. liegen heeten 3591. liever hebben § 237. liggen (hww.) § 278, 363, 472; (+ p.pf.) § 183. litteeken 151. loopen (hww.) § 277. loopen (zet het op een -) 288. (-nde) 347. -loos 215. loots 123. lunch 179. -lijk 160, § 91. lusten (onpers.) 383. -lijkheid § 81. - M (praed. nomen) § 267. maar (adv.) § 259, 430, (voegw.) § 363, § 345, § 374, 429, (etym.) 123. majesteit 288. maken (caus.) 77, (omschr.) 472. man (pronom.) § 344. mans (praed.) 166. massief-koperen 213. me (= mij) § 124. mede 225. meent te zijn 366. meer (compar.) § 120, (neg.) 428, (- der) 271. meest (bij superl.) § 122. meester (praed.) 166. meesterknecht 221. men § 134. menigte (onb. telw.) 380. mepse 193. met (adv.) 546, (voorz.) § 246, (absol.) § 341, (attrib.) § 334, (sociat.) 127, 283, § 246; (+ te en infin.) 372, (+ p.pf.) § 184 slot, (- van) 241: 6. meteen 546, 561. methelpen § 88. -mi (verba) 302. mild 186. minder § 120. mirakel 166. mis- 225. mislukkeling 231. misschien dat 586. moan (Katw.) 150. moederlief 263. moeders 2521. moet hij weten 485. moeten § 271 vlg. moge gij § 143. mogelijk (bij superl.) § 121. mogen § 271 vlg. mogende 534. moois § 97. museel 235. mij huivert etc. 383. mijn (-er) § 124, § 127. N (overg.) 152, -n̥ bij pron. § 383, ‘N̥!’ 68. naar (adj.) 181, (voegw.) 596. na, naar, naast 403. nabij 165. namelijk dat 5852. namens 405. nauwelijks of § 376. ne (en) 68. neen 159, 428, 517. negeen 68, 421. neiskes § 92. nemen en krijgen 167. nergens 421. nestendoosjens 111. netjes § 92. -ngd 150. nie mier (Gentsch) 428. niet (adv.) 458, (iron. vrag.) 487, (-dat) 420, 422, 586. niettegenstaande 534. nietes § 97. nieuws § 97. niks 422. - nis 230. noch § 377. nochtans § 353, § 358. noenmalen 238. nog 431, 549 (in groep) § 339. noode 165. nou! 517. -n̥t (Friesch negatief) 426. -nteere (Limb.) 3461. nu (adv. imp) § 291, (synt.) 546, § 388. O-klanken 149. och of! § 295. oer- § 72. of (bij compar.) § 119, (correl.) § 376, (zoo-of) § 393 (coörd. § 376), (onderschikk.) § 387, § 395; (met konj.) § 177, (optat.) § 295, (vergelijk.) 596, (na voegw.) 600, (- dat) § 385, § 387, 594; (òf - ik) 581, 593. ofschoon 601, 611. om (voorz.) 403 (beteek.) 370, § 217, (voegw.) 573 (-rond) 400; om te 126, 377, § 213 vlg., § 216, § 217, § 371. omtrent 404. omweg 225. on- 68, § 72, § 79, 3353, 337. ondanks 405. onder 404. onderdanen 177. ongemak (krijgen) 107. ongerekend (absol.) 534. onguur § 72. onmeedoogenloos 189. ont- § 225, 241. ontzettend § 194. onverwachts 339 opm. onze § 133. ook 107, 431, § 352. oorlogsvloot 219. op (bij superl.) § 121; 404 (- de eerste plaats) 403, (- eenmaal) 186. opdooi 227. opendoen § 229, 387, 453. opmaker 128. opnoemen 244. oud-zeekapitein 261. oudheidkundige 219. ouwerwetsch 156. over 404. overbodig 415. overigens § 353. overleed 3171. overtrekken 398. overzetten 186. P in Nederlandsch 158. paaien 199. padvinderij 230. pain-de-luxe-brood 134. paleis 154. partie 160. pərtij 160. pinijzertje 179. placht § 142. pladdeken 192. ploffen 238. poovertjes 248. portie 157. postpapier 186. praaien 199. praats § 97. preutsch 154. prof 123. prijzen § 140. puf 184. R 148, (uvulaar) 157. raar 37. radio (Katw.) 184. Rembrandt-ets 222. reuze - § 72, 123, 213. rikketikketik § 325. riks 123. rinkinken 200, 239. rondom 400. rugzwemmen § 83. ruischen 238. rijden (meton.) 127. rijkelijk (telw.) 127. rijsttafelen 238. S (compos.) § 75, 356 (s.v.p. § 292). sabel 154. -sch 215. schaats 196. schaatsenrijden 236. -schap 230. schepsel 181. schichten 190, 239. schoon (concessief) 553, 611. schorsen 196. schr- 147. schuddebollen 237. secretaris-penningmeester 210, 221. sedert 163, 404. Seech den Prince 484. -sel 230. -sen 193 vlg. skis 239. sladoot 189. smaken (onpers.) 383. 's mans § 344. snaaien 199. snappen (snoppen) 198. snerp 190. sneutel (dissim.) 154. soms 4243, 430, 458. speulns 356. spil 175. spok 254. sprak der Gawein 484. staa(n) 153. staan (verbonden) § 192, 363, 468. staand (boordje) 342, (de vergadering) 534, (-es) 348. stampvoeten 211. stapel 123. stieperen 192. stilletjes § 92. stilzitten § 88. stoef 190, 400. stokpaard 222. stroomend water 342. stuiptrekken 236. stuk (adv.) 123. stutsen 197. suikerlaat 179. -T (2 sg. en pl.) § 143, (epenthesis) 160, (geminaat) 146. 't (onb. vnw. § 267), (schikking) 481, (- en doet) 448, (- er) § 257, (- is) § 268, (anaphor.) § 346. tamper 166. -te 230. te (voorz.) § 244, (met inf.) § 204 vlg. tegen (voorz.) 404. ten, ter § 244. tenminste § 353. terwijl § 389. teugen(s) 160, 356. theeschenkerij 230. -ti (enclitisch) 279. tik om de ooren 292. tiktakken 238. tinnen 352. tj- 147. -tje(n) 147. tjonge 158. toch § 292, § 358, 432, 549, 553. toe! (uitr.) 473. toek 190. toen (voegw.) § 389, § 395; (adv.) § 339, 546, 601; (afsch.) § 306/8. toetoetoet 448. tot 126, 3993, 404; (- barstens toe) 356, (met infin.) 1082. touristisch 134. -trek 227. trouwens § 353, § 358. -ts 183. -tsen 193. tusschen (voorz.) 405. tweedekker 211. tijgen § 141. U § 125. ui 150. uit 405, (perf. praef.) § 88. uitgezicht 189, -muntend 340, -stekend 340, - trap 225. uiver 184. uttoe 151. Uwe Majesteit 1193. Vaak 2712. vallen 168, (koppelww.) § 269, 415. van (voorz.) § 245, 413; (genitivisch) 2552, § 248, (- waar) 610, (+ voegw.) § 391, (na infin.) § 198, (gallic.) 436, (bij pass.) 126, § 281; (van te + inf.) 141, 372; (= want) 57, 573, (- alles) § 245, (vanaf) § 90, § 245, 399; (vandaan) 399. varen (voeren) 76/7, 171/2. varia (Katw.) 184. veinster 150. vele (+ er) § 224. ver- 240, 242. verbazend 341. verblijve 302. verdijd 124. verexcuseeren 189, 243/4. verhooging (euph.) 175. verkoren § 141. verkorven § 140. verkouden § 181 opm. verleden (adv.) 123. verslechteren 2422. vertrek 167, 177. vervelend 340. vervolgens 348. verzenen 181. verzoeke 302. vinden (+ acc.en inf.) 358, 367. vingertam 186. vlakbij 400. vliegens 348. voeren (varen) 76/7. vol (+ subst.) 434, -vol 210, 263, (superl.) § 123, (perfectief praef.) § 88. Volgt een overzicht 4871. voor 163, 405; (= als) § 261, (met infin.) 371, (voegw.) 596. voorbij 165. voordat 6002. vormgeving 229. vorst 177. vrage 302. vredig 167. vrind 151. vuister 107. Waar (voegw.) § 390, § 394; (vervlochten) 141/2, (- heen) 207, (- op) 611, (- van) 610/11. 601. waarschuwen dat 70, 94, 423, 587. -waarts 3991. waffer 160. wanhopig (meton.) 173. wanneer § 390. want § 345, § 361, § 375. wat (attrib.) 3462, (progress.) 578, (uitr.) § 325, § 329; (- 'n) § 129, (voegw.) § 384, (- van den dag) § 329, (- voor een) § 129, (- wondren) 358. waterleiding 229. watte 159. wech-chooi 225. weeran! 518. - weg § 91. weg (adv.) 123, (bij praep.) 399. wegen (flexie) 305. wegstoppen § 88. wel § 271, 431, 549, 601; (uitr.) 517, (= iemand) 284 (- te rusten) 367, (- letjes) § 92. welk § 129, § 131. § 383; (welke) 159, 141, (- er) § 129. wen 124. wereldberoemd 186. werkzaam 172. werwaarts 602 opm. wezen (hebben hww.) 308, (na p. praes.) 346/7. wie 140, § 287, § 384, 583; - z'n § 131; (wiens) § 129, § 96, § 131, 257. wierd (v. worden) 2981. willen § 271 vlg., § 292. wip-wap 211. wippen 199. wis en drie 516. wit-zijden kousen § 70. worden (koppelww.) § 269, (verl. tijd) § 139. wrochten § 142. wrijven (onbep. infin.) § 196. wij 286, § 124. wijl 124, 611. - Y 230. ijsberen 237. Za̅a̅le (Katw.) 77. -zaam 216. zadder 271. ze (onbep.) § 281, 289. zegde § 142. zegge 302. zelf § 124, § 128. zelfportret 201. zich 279. ziegezagen 211. zien (vervoeging) 303, (beteek.) 389. zienderoogen 3461, 535. zitten (beteek.) 160, (koppelww.) 415, (hulpww.) § 278, (+ infin.) § 208. zobben 192. zoek en gij zult vinden § 294. zonder 68, 405. zoo (adv.) § 256, 415, 430, 479, 492, 499 opm., (voegw.) 596, 601, 611; (- als) § 393, § 395, 603; (- dat) 603, 604; (- doende) § 193, § 194; (- dra) 601, (- wel als) 433. zoo'n (+ adj.) 263. zoo (- tje) 284. zou § 275/6. zullen § 271, 472, (-nde) 534. zw- (symboliek) 198 vlg. zwaaien 103, 198/9. zwond (werkw.) 124. zij (- en) § 126. zijn (= hij) 291. zijn (hulpww.) § 182, 308; (verbindingen van -) § 262, (met infin.) § 207, § 210, 355, 436; (= komen) 4683, (= bestaan) § 266, (met praep.) 127, (analyt.) 107. zijnde 366, 534. |