[p. 628]

Woordregister 1  

(Door getallen zonder meer worden bladzijden aangeduid).

Aaien 199.
aan (voorz.), § 243, (praef.) § 89, (adv.) (407); (met inf.) § 199, (na part. praes.) 348; - heen § 259.
aanberen 244.
aanloop 224.
aanoogen 244.
aanstaande 341.
- aardig 215.
aarts § 72.
accusatief + inf. § 202 vlg.
achter § 243.
achterste § 121.
-achtig 215.
aetherpiraat 188.
af 244, 399, § 90, § 245.
afdoende 3452.
afgedraaid 300.
afparten 243.
-age 230.
al (aspect. adv.) § 259, (adv. modal.) 431, (bij part. praes.) 348, (voegwoord) 456, 553.
al in de plantage 114.
aller- § 121.
als (in bijw. bep.) § 261, 436; (bij comp.) § 119, (omschrijv.) 121, (praed. attr.) § 238, (= toen) § 386, (voegw.) § 295, § 317, 92, 472/3, § 386, 479, § 224; (als 't ware) 590 opm., (- dat) 604.
alsof § 177, § 395, 604.
althans § 353.
alwat 583.
alzoo 545.
ander § 128, § 345
anders 549.
anesien 245.
anker op 127.
anti- 225.
appelekoos 179.
argwaan 236.
Aries 252.
asje 123.
asjeblief § 292.
astat 604.

B (voor m) 160, (voor w) 158.
-baar 215; (-heid) § 81.
baker 123.
batsen § 63.
bauen (perf.) 56.
be- 240; (transit.) 392, (bij) 246.
bedien (meteen) 160.
bedilal 226.
bedillen 2412.
beduusd 335.
beendroog 213.
begaan 77.
begeer geen dikker § 254.
beginnen (+ inf.) § 205.
behalve 405.
behooren (+ inf.) 369.
beide-en 563.
beinden 150, 306.
bemiddeld 3351.
benarren 177.
benne(we) 302.
bepaald (adv.) 431.
beren (aan-) 244.

 1  Partikels en pronomina ook in Zaakregister.


[p. 629]

berg 253.
bescheiden 335.
bestieren 177.
bestje 123.
bestopt § 183.
beter 172.
bevallen § 88.
bevelen (+ inf.) 364.
-beweging (suffix) 230.
bezuinigingsmillionnair 188.
biggen 233.
binnen (praef.) 245, (-in) 403, voorz.) § 243.
blankzetten 236.
blauw 166.
blindslaan 236.
blonk 1511.
bluizm 190.
blijven (euphem.) 107.
blijven (hww.) 477, (koppelw.) § 269.
boe (woe) 158.
boel 155, 380, (suffix) 230.
boemeltrein 186.
boks 253.
bos 253.
bosch 249.
botsen § 63.
bovendien § 353, § 358.
bovenop 400.
brengen 78, § 232.
buikspreken 236.
buttere 200.
bij § 243.

D (lenis) § 37, (epenth.) 152, (intervoc.) 155, (of -t) 467.
dáàg 159.
daar § 354, § 381, § 389, 606.
daargelaten 535.
daar - wat 578.
dan (anaph.) § 351, (moment) 546, (in groep) § 339, (afsch.) § 306/8, (bij comp.) § 119.
dan (= dat) § 385.
danke 302.
daste 581.
dat (pron.) 289, 381, 540, 585, § 346; (voegw.) § 176, § 295, § 385, § 395; 137, 140, 177, 495, 496; (bij adv.) 396, (bij voegw.) 600.
deene (deden) 41.
deizen 128.
der (des) § 137.
dergelijk § 128.
derhalve § 350.
des § 128.
des(te) 271.
deze (syntactisch) § 345.
dezelfde § 128.
dicht (praed. attr.) 415.
die § 135, § 228, § 252, § 384, 540; (- daar) 217, 225; (- ət) 600, (- z'n) § 128.
dies § 128.
diner 179.
dingen dat... 5853.
dinges 249.
doch § 378.
doe (pron.) § 125, 286 vlg.
doeketan 470.
doen 168, (verl. deelw.) 300, (1 sg. praes.) 302, (geen -) 352, (+ inf.) 358/9, (= plegen te) 448, (varians) 118, 448; (causat.) 77, § 279, (omschrijv.) 390, (imper.) 448, § 292, (vervangend) 543, (leeg werkw.) 107.
doender 3461.
doivel 157.
doksen 192.
- dom 230.
domt 166.
dood - 213, § 72.
door § 243, (passief) § 281, (- te met inf.) 372/3.
doorforceeren 244.
doorgaans § 194
d'r § 266, 417.
dra 601.
droom droomen 390.
drijvens 40, 348.
duin 249.
duivels(ch) 255.
duizelingwekkend 340.
dus (anaphor.) § 350, (bij imper.) § 291 opm., § 358.
dwalmen 190.
dijn § 127.


[p. 630]

E (- klanken) 148, - e (flexie) § 94, -e (konj.) § 143, - e (adv.) § 91, e (verbinding) 220.
echter § 355.
- ede § 139.
Edelheid 288.
een 297, § 251.
eenerzijds § 357.
eer (voegw.) § 389, 5o.
- eeren § 86, 184.
eerste § 121.
eigentlijk 152.
eind touw 379.
- elen § 187, 240, 194.
- elig § 71.
elk 284.
elkander 207, 280.
- en 152, (zw. praet.) § 139, (adj.) 215/6, (inf.) 3491, (verbinding) 220
en (voorz.) § 242, (negatie) 692, 423 vlg., 426 opm.; (voegw.) § 370, 560 vlg., (- die) 540, (- echter) § 355.
- ene 153, 3491.
enne 562.
er § 223/4, § 266; 417, 481, 548, (- was) § 266.
- er 230.
-erd 231.
eris 417, § 292.
- erig 341, § 71.
- erij 230.
- es (bij p. pr. of inf.) 348.
eten 170.
eu 149.
even 430.
eveneens § 352.
eventjes 487.
evenwel § 355.
ezeid (Katw. bij pass.) 453.

F (affectief) 158.
feeks 158.
fiets 183, 196.
fiftien 159.
fitten 158.
flapuit 226.
flets 194.
flitsen 193, 238.
fonkelen 158.
foei § 72.
fijn 166.

G (lenis) 148.
ga je gang 390.
gaan 172, (+ inf.) § 204, (hulpww.) § 277 koppelww.) § 269, (transit.?) 393 (werkw. voor -) 192 (- en) 565.
gansch 426.
ge- (beteek.) § 178, (intensief) 348, bij p. pr.) 348, (perfect.) § 87/8, (bij subst.) § 79, 472; (Zeeuwsch) 2401 (Drentsch) § 140.
gebeeld, gegoed § 178.
geblazen (bij pass.) 453.
gedaan 300.
gedurende 534.
geen 68, 420.
geen een 421.
geenn̥t 420.
gehaar(d) 335.
geleden (absol.) 534.
gelegen 300.
gemunt hebben § 164.
geneen 421.
genetica 219.
geschieden 154.
gesitten § 88.
gesjochten 336.
geune § 128.
gevallen 175.
gewassen har beter kend 381.
geweest (passief) § 283.
gewend (meton) 134.
gewoon (adv.) 431.
geworden § 283.
gewrocht § 142.
gezeggen 2401.
gezien (absol.) 543.
gezeid (bij pass.) 453.
- gewijs § 91.
gipsen 193.
gisteravond 108.
gladakker 179.
glas ('n) 173.
glas water 379.


[p. 631]

gloeiende (adv. graad) § 194.
gloepend § 194.
goed (beteekenis) § 106.
goed(), gounn̥t 284.
goudgekazuifeld 336.
graaien 199.
grissen 239.
gunter 225.
gij (als voc.) 577, (vervoeg.) § 125, (gij die) § 221, 577.

H 148.
haar § 127.
haasten (met inf.) § 214.
had (+ p. pf.) § 170, (- gehad + p. pf.) 328, (- het gedáan!) 473.
halen+ bepaling § 232.
hangmat 189.
hè! § 325.
hebben (hww.) § 182, § 205, 308; 40; (+ inf.) 355, 358; (+ p.pf., praesens) § 164, (perfectief) 164, (synt. beteek.) 389, (in taboezin) 127, (werkw. bet.) 107, § 80.
heele (adv.) 165.
heen (+ inf.) 371, 447, (aan -) § 259, (bij praep.) 398.
heengaan en... 565
heere 2501.
heeten (+ infin.) 358/9, (liegen) 367.
- heid § 81.
hem (= hij) 291.
her - 241.
het (anaphor.) § 346, 543; (pers. en onpers.) 288, 382, 395; (aank.) § 349, § 385; (gramm. subj.) § 349, (- is) § 268, § 381.
het is bij mij raer 36.
hetgeen § 131, 583.
heur 2804.
hiaat 156.
hier § 354.
hier Piet 166.
hitsen 196.
hoe (voegw.) 598, (vrag. uitr.) § 287, (anal. constr.) 108, (correl.) 271, (+ adv.) 601, (hoe'n) 263, 600.
hoeven (be-) 362.
hoewel 601.
holoogig 211.
hoofdschuddend 236.
hooge hoed 208.
hoop 254.
hoor (+ infin.) 472.
hoorloos 2153.
houden (+ p. pf.) § 164.
hum (subst.) 124.
hij (en zij) 288, (flexie), § 126, (-ie) 470, (verv. door naam) § 344.
I (-klanken) 148, (i-a) 211, (pron. pers.) 278.
ieder meent zijn uil... 366.
iet (Katw.) 421.
-ig (§ 71), (-heid) § 81.
-igen § 86.
ik § 124, (- die) 580, (verv. door naam) § 344.
immers § 358, 549.
in (voorz.) § 243, (praef.) 245, - de eerste plaats) 403.
inleuk § 72.
incluis 535.
inderdaad § 358.
indien 600.
-ing § 81.
in-gangs-iet 426.
ingooi 225.
inmiddels § 352, § 358.
innelək 159.
integendeel § 385.
is 't dat... 585.
't Is of... 593.
-isch 215, 216.
J (verscherpt) 147.
ja 159, 517, 568.
jah! 106.
jelui 287, 4671.
-jes (adv.) § 92.
jochie 233.
joepse 193.
jollie 287, 4671.
jotse 193.
jou ezel! 2524.
jowaei! 473.
judaskussen 238.


[p. 632]

juf 123.
jullie § 125, § 143.
jij (flexie) § 125, (in imp.) § 294, (als voc.) § 319, (volkstaal) 287.

Kaaien 199.
kasbakluik 128.
kedaer 518.
keilen 200.
keind 150.
-ken (werkw.) § 86.
kerven § 140.
kindeke 2323.
-kine § 92.
kist 253.
klabaatsen 192.
klappertanden 237.
kleintje 235.
klevaenese 200.
knappen (knoppen) 198.
kneutje 233.
knieënknikken 237.
knul 176.
Kollewijnsch 215.
komen (hww.) 447, (+ inf.) 363, (+ p.pf.) § 183.
komende week 341.
kommt ein Vogel geflogen 485.
koning der koningen § 98.
koningskroon § 75.
konijn (loknaam) 5142.
knap (on verb.) 261.
koolwitje 235.
kort 124.
kouwelijk 156.
kraaien 199.
krantvast 187.
krioelen 211.
kruising 189.
krijgen (en nemen) 167. (perfect, hww.) 541.
kunnen § 271 vlg.
kurkdroog 206, 213.
kussing 228.
kwajongen 2171.
kwartje 235.
kwitse 193.
kijk-in-de-pot 237.
kijk + infin. 472.
- kijn 233.

Laagbijdegrondsch 211.
laat (iron. hww.) 473.
laatse (synt.) § 345.
land an brokke 127.
lang (graad) 263, 434, 413 opm. (en breed) 210.
lange § 91.
langs 403.
laten (+ inf.) 358/9, (imper.) 471.
leeftijd 226.
leeren (+ inf.) 358.
leggen (lei) § 142.
lekkó 472.
lichtelaaie 165.
liefhebben § 237.
liegen heeten 3591.
liever hebben § 237.
liggen (hww.) § 278, 363, 472; (+ p.pf.) § 183.
litteeken 151.
loopen (hww.) § 277.
loopen (zet het op een -) 288. (-nde) 347.
-loos 215.
loots 123.
lunch 179.
-lijk 160, § 91.
lusten (onpers.) 383.
-lijkheid § 81.
- M (praed. nomen) § 267.
maar (adv.) § 259, 430, (voegw.) § 363, § 345, § 374, 429, (etym.) 123.
majesteit 288.
maken (caus.) 77, (omschr.) 472.
man (pronom.) § 344.
mans (praed.) 166.
massief-koperen 213.
me (= mij) § 124.
mede 225.
meent te zijn 366.
meer (compar.) § 120, (neg.) 428, (- der) 271.
meest (bij superl.) § 122.
meester (praed.) 166.
meesterknecht 221.


[p. 633]

men § 134.
menigte (onb. telw.) 380.
mepse 193.
met (adv.) 546, (voorz.) § 246, (absol.) § 341, (attrib.) § 334, (sociat.) 127, 283, § 246; (+ te en infin.) 372, (+ p.pf.) § 184 slot, (- van) 241: 6.
meteen 546, 561.
methelpen § 88.
-mi (verba) 302.
mild 186.
minder § 120.
mirakel 166.
mis- 225.
mislukkeling 231.
misschien dat 586.
moan (Katw.) 150.
moederlief 263.
moeders 2521.
moet hij weten 485.
moeten § 271 vlg.
moge gij § 143.
mogelijk (bij superl.) § 121.
mogen § 271 vlg.
mogende 534.
moois § 97.
museel 235.
mij huivert etc. 383.
mijn (-er) § 124, § 127.

N (overg.) 152, -n̥ bij pron. § 383, ‘N̥!’ 68.
naar (adj.) 181, (voegw.) 596.
na, naar, naast 403.
nabij 165.
namelijk dat 5852.
namens 405.
nauwelijks of § 376.
ne (en) 68.
neen 159, 428, 517.
negeen 68, 421.
neiskes § 92.
nemen en krijgen 167.
nergens 421.
nestendoosjens 111.
netjes § 92.
-ngd 150.
nie mier (Gentsch) 428.
niet (adv.) 458, (iron. vrag.) 487, (-dat) 420, 422, 586.
niettegenstaande 534.
nietes § 97.
nieuws § 97.
niks 422.
- nis 230.
noch § 377.
nochtans § 353, § 358.
noenmalen 238.
nog 431, 549 (in groep) § 339.
noode 165.
nou! 517.
-n̥t (Friesch negatief) 426.
-nteere (Limb.) 3461.
nu (adv. imp) § 291, (synt.) 546, § 388.
O-klanken 149.
och of! § 295.
oer- § 72.
of (bij compar.) § 119, (correl.) § 376, (zoo-of) § 393 (coörd. § 376), (onderschikk.) § 387, § 395; (met konj.) § 177, (optat.) § 295, (vergelijk.) 596, (na voegw.) 600, (- dat) § 385, § 387, 594; (òf - ik) 581, 593.
ofschoon 601, 611.
om (voorz.) 403 (beteek.) 370, § 217, (voegw.) 573 (-rond) 400; om te 126, 377, § 213 vlg., § 216, § 217, § 371.
omtrent 404.
omweg 225.
on- 68, § 72, § 79, 3353, 337.
ondanks 405.
onder 404.
onderdanen 177.
ongemak (krijgen) 107.
ongerekend (absol.) 534.
onguur § 72.
onmeedoogenloos 189.
ont- § 225, 241.
ontzettend § 194.
onverwachts 339 opm.
onze § 133.
ook 107, 431, § 352.
oorlogsvloot 219.
op (bij superl.) § 121; 404 (- de eerste plaats) 403, (- eenmaal) 186.


[p. 634]

opdooi 227.
opendoen § 229, 387, 453.
opmaker 128.
opnoemen 244.
oud-zeekapitein 261.
oudheidkundige 219.
ouwerwetsch 156.
over 404.
overbodig 415.
overigens § 353.
overleed 3171.
overtrekken 398.
overzetten 186.

P in Nederlandsch 158.
paaien 199.
padvinderij 230.
pain-de-luxe-brood 134.
paleis 154.
partie 160.
pərtij 160.
pinijzertje 179.
placht § 142.
pladdeken 192.
ploffen 238.
poovertjes 248.
portie 157.
postpapier 186.
praaien 199.
praats § 97.
preutsch 154.
prof 123.
prijzen § 140.
puf 184.

R 148, (uvulaar) 157.
raar 37.
radio (Katw.) 184.
Rembrandt-ets 222.
reuze - § 72, 123, 213.
rikketikketik § 325.
riks 123.
rinkinken 200, 239.
rondom 400.
rugzwemmen § 83.
ruischen 238.
rijden (meton.) 127.
rijkelijk (telw.) 127.
rijsttafelen 238.

S (compos.) § 75, 356 (s.v.p. § 292).
sabel 154.
-sch 215.
schaats 196.
schaatsenrijden 236.
-schap 230.
schepsel 181.
schichten 190, 239.
schoon (concessief) 553, 611.
schorsen 196.
schr- 147.
schuddebollen 237.
secretaris-penningmeester 210, 221.
sedert 163, 404.
Seech den Prince 484.
-sel 230.
-sen 193 vlg.
skis 239.
sladoot 189.
smaken (onpers.) 383.
's mans § 344.
snaaien 199.
snappen (snoppen) 198.
snerp 190.
sneutel (dissim.) 154.
soms 4243, 430, 458.
speulns 356.
spil 175.
spok 254.
sprak der Gawein 484.
staa(n) 153.
staan (verbonden) § 192, 363, 468.
staand (boordje) 342, (de vergadering) 534, (-es) 348.
stampvoeten 211.
stapel 123.
stieperen 192.
stilletjes § 92.
stilzitten § 88.
stoef 190, 400.
stokpaard 222.
stroomend water 342.
stuiptrekken 236.
stuk (adv.) 123.


[p. 635]

stutsen 197.
suikerlaat 179.

-T (2 sg. en pl.) § 143, (epenthesis) 160, (geminaat) 146.
't (onb. vnw. § 267), (schikking) 481, (- en doet) 448, (- er) § 257, (- is) § 268, (anaphor.) § 346.
tamper 166.
-te 230.
te (voorz.) § 244, (met inf.) § 204 vlg.
tegen (voorz.) 404.
ten, ter § 244.
tenminste § 353.
terwijl § 389.
teugen(s) 160, 356.
theeschenkerij 230.
-ti (enclitisch) 279.
tik om de ooren 292.
tiktakken 238.
tinnen 352.
tj- 147.
-tje(n) 147.
tjonge 158.
toch § 292, § 358, 432, 549, 553.
toe! (uitr.) 473.
toek 190.
toen (voegw.) § 389, § 395; (adv.) § 339, 546, 601; (afsch.) § 306/8.
toetoetoet 448.
tot 126, 3993, 404; (- barstens toe) 356, (met infin.) 1082.
touristisch 134.
-trek 227.
trouwens § 353, § 358.
-ts 183.
-tsen 193.
tusschen (voorz.) 405.
tweedekker 211.
tijgen § 141.

U § 125.
ui 150.
uit 405, (perf. praef.) § 88.
uitgezicht 189, -muntend 340, -stekend 340, - trap 225.
uiver 184.
uttoe 151.
Uwe Majesteit 1193.

Vaak 2712.
vallen 168, (koppelww.) § 269, 415.
van (voorz.) § 245, 413; (genitivisch) 2552, § 248, (- waar) 610, (+ voegw.) § 391, (na infin.) § 198, (gallic.) 436, (bij pass.) 126, § 281; (van te + inf.) 141, 372; (= want) 57, 573, (- alles) § 245, (vanaf) § 90, § 245, 399; (vandaan) 399.
varen (voeren) 76/7, 171/2.
varia (Katw.) 184.
veinster 150.
vele (+ er) § 224.
ver- 240, 242.
verbazend 341.
verblijve 302.
verdijd 124.
verexcuseeren 189, 243/4.
verhooging (euph.) 175.
verkoren § 141.
verkorven § 140.
verkouden § 181 opm.
verleden (adv.) 123.
verslechteren 2422.
vertrek 167, 177.
vervelend 340.
vervolgens 348.
verzenen 181.
verzoeke 302.
vinden (+ acc.en inf.) 358, 367.
vingertam 186.
vlakbij 400.
vliegens 348.
voeren (varen) 76/7.
vol (+ subst.) 434, -vol 210, 263, (superl.) § 123, (perfectief praef.) § 88.
Volgt een overzicht 4871.
voor 163, 405; (= als) § 261, (met infin.) 371, (voegw.) 596.
voorbij 165.
voordat 6002.
vormgeving 229.
vorst 177.
vrage 302.
vredig 167.


[p. 636]

vrind 151.
vuister 107.

Waar (voegw.) § 390, § 394; (vervlochten) 141/2, (- heen) 207, (- op) 611, (- van) 610/11. 601.
waarschuwen dat 70, 94, 423, 587.
-waarts 3991.
waffer 160.
wanhopig (meton.) 173.
wanneer § 390.
want § 345, § 361, § 375.
wat (attrib.) 3462, (progress.) 578, (uitr.) § 325, § 329; (- 'n) § 129, (voegw.) § 384, (- van den dag) § 329, (- voor een) § 129, (- wondren) 358.
waterleiding 229.
watte 159.
wech-chooi 225.
weeran! 518.
- weg § 91.
weg (adv.) 123, (bij praep.) 399.
wegen (flexie) 305.
wegstoppen § 88.
wel § 271, 431, 549, 601; (uitr.) 517, (= iemand) 284 (- te rusten) 367, (- letjes) § 92.
welk § 129, § 131. § 383; (welke) 159, 141, (- er) § 129.
wen 124.
wereldberoemd 186.
werkzaam 172.
werwaarts 602 opm.
wezen (hebben hww.) 308, (na p. praes.) 346/7.
wie 140, § 287, § 384, 583; - z'n § 131; (wiens) § 129, § 96, § 131, 257.
wierd (v. worden) 2981.
willen § 271 vlg., § 292.
wip-wap 211.
wippen 199.
wis en drie 516.
wit-zijden kousen § 70.
worden (koppelww.) § 269, (verl. tijd) § 139.
wrochten § 142.
wrijven (onbep. infin.) § 196.
wij 286, § 124.
wijl 124, 611.

- Y 230.
ijsberen 237.

Za̅a̅le (Katw.) 77.
-zaam 216.
zadder 271.
ze (onbep.) § 281, 289.
zegde § 142.
zegge 302.
zelf § 124, § 128.
zelfportret 201.
zich 279.
ziegezagen 211.
zien (vervoeging) 303, (beteek.) 389.
zienderoogen 3461, 535.
zitten (beteek.) 160, (koppelww.) 415, (hulpww.) § 278, (+ infin.) § 208.
zobben 192.
zoek en gij zult vinden § 294.
zonder 68, 405.
zoo (adv.) § 256, 415, 430, 479, 492, 499 opm., (voegw.) 596, 601, 611; (- als) § 393, § 395, 603; (- dat) 603, 604; (- doende) § 193, § 194; (- dra) 601, (- wel als) 433.
zoo'n (+ adj.) 263.
zoo (- tje) 284.
zou § 275/6.
zullen § 271, 472, (-nde) 534.
zw- (symboliek) 198 vlg.
zwaaien 103, 198/9.
zwond (werkw.) 124.
zij (- en) § 126.
zijn (= hij) 291.
zijn (hulpww.) § 182, 308; (verbindingen van -) § 262, (met infin.) § 207, § 210, 355, 436; (= komen) 4683, (= bestaan) § 266, (met praep.) 127, (analyt.) 107.
zijnde 366, 534.