De woordschikking van bovenstaande verzen is in verschillende opzichten merkwaardig. In vs. 3547 door de scheiding van subject en praedicaat; in vs. 3548 door het vermijden der ‘inversie’; in vs. 2395 zoowel door het een als door het ander.
Dergelijke zinsvormen gebruikt de dichter van den Ferguut met zoo groote voorkeur, dat ze niet, gelijk in vele andere mnl. gedichten, als uitzonderingsvormen, maar als een belangrijk hulpmiddel van zijn syntactisch systeem moet worden beschouwd. Dit is des te opmerkelijker, omdat de ontwikkelingsgang der woordschikking van subject en praedicaat in de oudere germaansche poëzie er op wijst, dat scheiding van subject en praedicaat en vermijding der inversie in zinnen als de bovenstaande in den tijd van het ontstaan van den Ferguut een syntactische afwijking van antieken vorm was geworden2). Het is daarom van belang,
vast te stellen zoowel de syntactische grenzen der gebruiks-mogelijkheid als den invloed van den rhythmischen en metrischen vorm op de keuze van deze afwijkende woordschikking.
We beperken ons onderzoek tot de zinnen, welke niet worden ingeleid door een conjunctie. Ook de zinnen met ‘die’ (of ‘daer’) als inleiding laten we rusten, omdat, juist tengevolge van de afwisselende woordschikking in den Ferguut, de vraag, of ‘die’ demonstratieve dan wel relatieve waarde heeft, in vele gevallen pas kan worden beantwoord na vaststelling van de algemeene regels der woordorde in dit gedicht1).
Verder beperken we ons tot de zinnen buiten de Oratio Recta. Ieder ziet in, dat er een hemelsbreed verschil moet zijn tusschen de syntactische grondslagen van de verhalende gedeelten van een episch gedicht en de gesprekken en redevoeringen anderzijds. Dit in den breede aan te toonen, past niet in het bestek van dit onderzoek2).
Het getal der bedoelde niet door een conjunctie of ‘die’ ingeleide zinnen is in den Ferguut zeer groot. In de 3358 verhalende verzen komen er 1653 voor3). Overwegen we verder,
dat het grootste deel dezer zinnen den omvang van een vers heeft, dan is het duidelijk, dat de syntactische vorm van dergelijke zinnen moet berusten op een rhythmischen grondslag. Van den anderen kant zal bij een zoo groot getal van deze zinnen het vers-rhythme in hooge mate worden beïnvloed door syntactische bijzonderheden van deze zinssoort. Nu is de syntactische vorm van deze eenvoudige zinnen alleen veranderlijk door de woordschikking van subject en praedicaat. Hieruit volgt, dat de woordorde van grooten invloed is op het vers-rhythme en dat rhythmische neigingen en metrische dwang den dichter leiden bij de keuze van de woordschikking.
Het is nu de vraag, volgens welke beginselen de 1653 zinnen moeten worden ingedeeld. Het feit, dat in onze taal de inversie van het werkwoord in mededeelende zinnen onvermijdelijk is na een zinsinleidende bepaling (of object), wijst op den grooten invloed van den ‘zinsaanloop’1) op den geheelen zinsvorm. In zinnen, die niet met het grammaticale subject of praedicaat beginnen, valt vanzelf een bijzondere nadruk op het naar voren geschoven zinsdeel. Het is daarom begrijpelijk, dat in zinnen met ‘aanloop’ de syntactische vorm en schikking van het grammaticale onderwerp en gezegde zich heel anders ontwikkelen dan in zinnen, die door het subject worden ingeleid. Hoe gewichtig dit is voor de verschijnselen der woordschikking in den Ferguut, blijkt uit het feit, dat van de 1653 zinnen ruim
⅓ deel (560) met een aanloop beginnen. Wanneer we nu bij de zinnen zonder en met aanloop willen nagaan:
| I. | 1. … V.S. | 2. … V.…S. | 3. … V.…S.… |
| 4. …S.V. | 5. …S.… V. | 6. …S.… V.… | |
| II. | 1. S.V.… | 2. S.… V. | 3. S.… V.… |
De schema's I. 5, 6 en II. 2, 3 kunnen we samen vatten als zinnen met oude woordschikking. De schema's met inversie zijn in het mnl. beperkt tot de zinnen met aanloop, in tegenstelling met het ags. en oudsaks. etc.1).
De invloed nu van den zinsaanloop op het behoud der oude woordschikking (scheiding van S. en V.) blijkt duidelijk uit het volgende algemeene overzicht:
1. Van de 1093 zinnen zonder aanloop zijn er 143 met gescheiden S. en V. Hiervan 87 met het schema S.… V.… en 56 met den zinsvorm S.… V. Bij deze 1093 zinnen zijn er 152, die alleen uit S. en V. bestaan, die dus ten opzichte van de woordschikkingskeuze neutraal zijn. We komen dus tot deze slotsom: van 941 (1093-152) zinnen zonder aanloop, waar oude woordschikking mogelijk is, hebben slechts 143 haar bewaard (= 15%).
2. Bij de 560 zinnen met aanloop zijn er 426 met inversie. Er blijven dus 134 gevallen over, waar het werkwoord volgt op het subject. Van deze 134 zijn er 85 met gescheiden S. en V. (73 … S.… V., 12 …S.… V.…).
In het geheel treedt de oude woordorde dus op in 63% der zinnen. Dit verschil met de verhouding bij de zinnen zonder
aanloop is nog grooter, wanneer men ook hier overweegt, dat 40 van de 134 zinnen alleen bestaan uit aanloop, S. en V. Er zijn dus 94 zinnen waar antieke woordschikking mogelijk is en hiervan hebben 85 haar toegepast. Daardoor stijgt het percentage van 63% tot 90%, tegenover 15% der zinnen zonder aanloop.
Dezen opmerkelijken invloed van den zinsaanloop op het behoud der oude woordschikking heeft de Ferguut met den Beowulf en den Heliand gemeen. Ook om de zeer opmerkelijke hoeveelheid1) der woordschikkingsafwijkingen in dit mnl. gedicht in vergelijking met de oude germaansche poëzie aan te duiden, plaatsen we het volgende overzicht:
| ‘Selbst. Aussagesätze’: | Beow. 1174 | Hel. 1023 | Ferg. 1653 | |
| 1. | zinnen met aanloop: | Beow. 37% | Hel. 50% | Ferg. 34% |
| 2. | zinnen met aanloop zonder inversie: | Beow. 54,3% | Hel. 11,5% | Ferg. 24% |
| 3. | oude schikking van het werkwoord in: | |||
| zinnen met aanloop: | Beow. 79,1% | Hel. 77,5% | Ferg. 63% | |
| zinnen zonder aanloop: | Beow. 62,2% | Hel. 23,5% | Ferg. 15% |
Zoowel in Beow. en Hel. als in den Ferguut gaat vermijding van inversie na den aanloop meestal gepaard met oude woordschikking. De onderscheiding tusschen zinnen met en zonder aanloop is dus bij de vaststelling van de woorschikkingsverschijnselen van het grootste gewicht. Zinnen met aanloop hebben in dubbel opzicht een antieken vorm.
De verklaring der redenen, die den dichter tot het gebruik der oude woordschikking brengen, is alleen mogelijk met overweging der rhythmische invloeden. Voordat we daartoe overgaan, zullen we de afwisseling der syntactische vormen van subject en verbum nagaan1).
De keuze van de woordschikking blijkt nl. in nauw verband te staan met het verschil in vorm van nominaal en pronominaal subject en verder van het verschil in vorm van enkelvoudig en samengesteld praedicaat.
Algemeene statistiek: 560 gevallen.
| Met inversie: | Samengest. V. 157 | Enkelv. V. 269 |
| Zonder inversie: | Samengest. V. 14 | Enkelv. V. 120 |
Hier blijkt reeds dadelijk een belangrijk verschil:
bij samengest. praedicaat is inversie nagenoeg regel: in 157 van 171 gevallen (92%);
bij enkelv. praedicaat is inversie nog lang niet overheerschend: in 269 van 389 gevallen (69%).
Hier onderscheiden we de zinsvormen, waar het subject den zin sluit, van dezulke, waar op S. nog een zinsdeel volgt:
1o. Zinnen zonder achterstuk:
| a. … V.S. 63 | omvang | 1 vs. 37 | Pron. S. - | Nom. S. 37 |
| omvang | 2 vz. 4 | Pron. S. 1 | Nom. S. 3 | |
| omvang | ½ vs. 22 | Pron. S. 15 | Nom. S. 7 | |
| b. … V...S. 25 | omvang | 1 vs. 22 | Pron. S. - | Nom. S. 22 |
| omvang | 2 vz. 3 | Pron. S. - | Nom. S. 3 |
Het schema … V.Vf.S. of.… V.Vf.…S. komt niet voor2).
2o. Zinnen met achterstuk:
a. enkelvoudig praedicaat 181
| 1. .. V.S... 176 | omvang | 1 vs. | 141 | Pron. S. | 117 | Nom. S. | 24 |
| omvang | 2 vz. | 27 | Pron. S. | 17 | Nom. S. | 10 | |
| omvang | ½ vs. | 8 | Pron. S. | 8 | Nom. S. | - | |
| 2. .. V...S... 5 | omvang | 1 vs. | 3 | Pron. S. | - | Nom. S. | 3 |
| omvang | 2 vz. | 2 | Pron. S. | - | Nom. S. | 2 |
b. samengesteld V. 157
| 1. ..Vf.S.V. 58 | omvang | 1 vs. | 51 | Pron. S. | 43 | Nom. S. | 8 |
| omvang | 2 vz. | 5 | Pron. S. | 5 | Nom. S. | 3 | |
| omvang | ½ vs. | 2 | Pron. S. | 2 | Nom. S. | - | |
| 2. ..Vf.S... V. 50 | omvang | 1 vs. | 45 | Pron. S. | 44 | Nom. S. | 1 |
| omvang | 2 vz. | 4 | Pron. S. | 3 | Nom. S. | 1 | |
| omvang | ½ vs. | 1 | Pron. S. | 1 | Nom. S. | - | |
| 3. ..Vf.S.V... 21 | omvang | 1 vs. | 6 | Pron. S. | 6 | Nom. S. | - |
| omvang | 2 vz. | 15 | Pron. S. | 15 | Nom. S. | - | |
| 4. ..Vf.S... V... 10 | omvang | 1 vs. | 1 | Pron. S. | 1 | Nom. S. | - |
| omvang | 2 vz. | 9 | Pron. S. | 7 | Nom. S. | 2 | |
| 5. andere zinnen | omvang | 1 vs. | 14 | Pron. S. | 3 | Nom. S. | 11 |
| omvang | 2 vz. | 4 | Pron. S. | 1 | Nom. S. | 3 |
Slotsom:
In zinnen met aanloop zonder achterstuk (.. V.S.,.. V... S.) is nominaal S. verreweg in de meerderheid. In de zinnen van den vorm .. V.S..., .. V...S..., waar het S. niet het zinseinde vormt, heeft het pronominale de overhand (270 van 338 gevallen). Pronominaal S. vermijdt dus het zinseinde. Maar klaarblijkelijk komt dit neer op vermijding van het verseinde. Immers in de 59 zinnen (37 + 22) met den omvang van eén vers komt Pron. S. nooit voor. Het pronominaal S. vermijdt dus het zinseinde om redenen, die het vers-rhythme raken. Dit wordt bevestigd door het feit, dat 15 van de 22 zinnen van dezen vorm, die de eerste helft van een versregel beslaan, wèl een pron. subject verdragen.
In den Ferguut is dus een zinsvorm als:
ten eenenmale uitgesloten, zoodra de zin eén versregel beslaat.
We komen nu tot de zinnen met aanloop zonder inversie, dus tot de gevallen met afwijkende woordschikking.
1o. Zinnen met nieuwe schikking van het werkwoord:
a. …S.V. 40 samengest. V. 1 enkelv. V. 39
| enkelv. V. 39 | omvang | 1 vs. | 32 | Nom. S. | 5 | Pron. S. | 27 |
| omvang | ½ vs. | 7 | Nom. S. | - | Pron. S. | 7 | |
| samengest. V. 1 | omvang | 1 vs. | 1 | Nom. S. | - | Pron. S. | 1 |
b …S.V.… 9 samengest. V. 2 enkelv. V. 7
| enkelv. V. 7 | omvang | 1 vs. | 1 | Nom. S. | 1 | Pron. S. | - |
| omvang | 2 vz. | 6 | Nom. S. | - | Pron. S. | 6 | |
| samengest. V. 2 | omvang | 1 vs. | 1 | Nom. S. | - | Pron. S. | 1 |
| omvang | 2 vz. | 1 | Nom. S. | 1 | Pron. S. | - |
2o. Zinnen met oude schikking van het werkwoord:
a. …S.… V. 73 samengest. V. 8 enkelv. V. 65
| enkelv. V. 65 | omvang | 1 vs. | 62 | Nom. S. | 2 | Pron. S. | 60 |
| omvang | ½ vs. | 3 | Nom. S. | - | Pron. S. | 3 | |
| samengest. V. 8 | omvang | 1 vs. | 8 | Nom. S. | - | Pron. S. | 8 |
b. …S.… V.… 12 samengest. V. 3 enkelv. V. 9
| enkelv. V. 9 | omvang | 2 vz. | 9 | Pron. S. | 9 | Nom. S. | - |
| samengest. V. 3 | omvang | 2 vz. | 3 | Pron. S. | 2 | Nom. S. | 1 |
Slotsom:
1o. van de 134 gevallen zijn er 124 met pronominaal subject en 10 met nominaal. Van de 85 zinnen met oude woordschikking zijn er slechts 3 met nominaal subject.
2o. de samengest. praedicaten komen voor:
| bij het zinsschema | …S.V. 1 van 40 gevallen | } | 9 van 113 |
| ..S... V. 8 van 73 gevallen | } | 9 van 113 |
| bij het zinsschema | ..S.V... 2 van 9 gevallen | } | 5 van 21 |
| ..S...V... 3 van 12 gevallen | } | 5 van 21 |
Klaarblijkelijk vermijden de samengestelde verba het zinseinde.
Vatten we de gegevens van alle zinnen met aanloop samen:
1. In zinnen met aanloop is Pron. S. overwegend (410 van 560, dus 73%). In zinnen zonder inversie is die voorkeur echter sterker dan in zinnen met inversie (zonder inversie 124 van 134, dus 92%, met inversie 286 van 426, dus 67%). In zinnen zonder inversie met oude woordschikking is pronom. S. bijna regel: 82 van 85, dus 96%.
2. Het pronominale S. staat nooit aan het verseinde.
3. Het samengestelde praedicaat heeft bijna zonder uitzondering inversie ten gevolge, verbindt zich gaarne met een pronominaal subject, en het verbum finitum vermijdt het zinseinde.
4. In 338 van de zinnen (426) met inversie (dus in 79%) volgt op V.S. nog een zinsdeel.
In 21 van de 134 zinnen zonder inversie (dus in 16%) volgt op S.V. nog een zinsdeel.
Terwijl dus het subject de laatste plaats in den zin vermijdt, kan men van het werkwoord het tegendeel zeggen. Dat dit neerkomt op een groote voorkeur van het werkwoord voor het verseinde, zal blijken uit de rhythmische verschijnselen dezer zinnen1).
Van de zinnen zonder aanloop onderzoeken we alleen die met oude woordschikking.
I. S.… V. 56 enkelv. V. 52 samengest. V. 4
Bij deze zinnen moeten we onderscheiden de vele gevallen, waar het tusschenstuk, dat S. en V. scheidt, enkel bestaat uit ‘ne’.
1o. enkelvoudig V. 52 ‘ne’ 13 ander tusschenstuk 39
a. ander tusschenstuk 39
| omvang | 1 vs. | 37 | Nom. S. | 37 | Pron. S. | - |
| omvang | 2 vz. | 1 | Nom. S. | 1 | Pron. S. | - |
| omvang | ½ vs. | 1 | Nom. S. | - | Pron. S. | 1 |
b. tusschenstuk ‘ne’ 13
| omvang | ½ vs. | 13 | Nom. S. | 1 | Pron. S. | 12 |
2o. samengesteld V. 4 ‘ne’ - ander tusschenstuk 4
| omvang | 1 vs. | 2 | Nom. S. | 2 | Pron. S. | - |
| omvang | 2 vz. | 2 | Nom. S. | 2 | Pron. S. | - |
II. S.… V.… 87 enkelv. V. 50 samengest. V. 37
1o. enkelv. V. 50 ‘ne’ 37 ander tusschenstuk 14
a. ‘ne’ 37
| omvang | 1 vs. | 26 | Nom. S. | 6 | Pron. S. | 20 |
| omvang | 2 vz. | 5 | Nom. S. | 3 | Pron. S. | 2 |
| omvang | ½ vs. | 6 | Nom. S. | - | Pron. S. | 6 |
b. ander tusschenstuk 13
| omvang | 1 vs. | - | Nom. S. | - | Pron. S. | - |
| omvang | 2 vz. | 13 | Nom. S. | 13 | Pron. S. | - |
2o. samengest. V. 37 ‘ne’ 31 ander tusschenstuk 6
a. ‘ne’ 31
| omvang | 1 vs. | 24 | Nom. S. | 6 | Pron. S. | 18 |
| omvang | 2 vz. | 4 | Nom. S. | - | Pron. S. | 4 |
| omvang | ½ vs. | 3 | Nom. S. | - | Pron. S. | 3 |
b. ander tusschenstuk 6
| omvang | 2 vz. | 6 | Nom. S. | 6 | Pron. S. | - |
Slotsom:
1. In de zinnen met een ander tusschenstuk dan ‘ne’ komt slechts eénmaal een pronominaal subject voor. Deze uitzondering betreft een zin van een halve verslengte:
Klaarblijkelijk komt bovengenoemde regelmaat dus hierop neer, dat het pronominaal S. in een zin van het schema S...V. met een grootere scheiding van S. en V. dan ‘ne’, het vers niet opent.
2. In de zinnen met ‘ne’ als tusschenstuk staat bijna altijd een pronominaal subject (van de 81 in 65 gevallen).
3. Bij het schema S...V. komen 4 zinnen met samengesteld praedicaat voor op 56 gevallen (= 7%).
Bij het schema S... V... 37 van de 87 (= 40%).
Hieruit volgt dus evenals bij de zinnen met aanloop, dat het hulpwerkwoord het zinseinde vermijdt en bij voorkeur staat in een zin, waar op het verbum finitum nog een zinsdeel volgt, in tegenstelling met de strekking van het enkelvoudige werkwoord.
Samenvatting der regels voor de zinnen met oude woordorde:
1. Zinnen met aanloop zonder inversie en oude woordschikking hebben bijna zonder uitzondering pronominaal subject.
In zinnen zonder aanloop met oude woordschikking is pronom. S. alleen mogelijk wanneer S. en V. gescheiden zijn door ‘ne’.
2. In de zinnen met oude woordorde streeft het enkelvoudige verbum naar de laatste plaats. Het samengest. praedicaat vermijdt het zinseinde en streeft naar het zinsmidden, gelijk oók blijkt uit een veel sterkere neiging tot inversie.
Tevens zijn er aanwijzingen, dat deze syntactische strekking berust op een rhythmische, nl. het enkelvoudige verbum wèl en het samengest. verbum niet aan het verseinde te plaatsen.
3. Behalve de reeds genoemde zinsvorm:
heeft de dichter van den Ferguut dus bezwaar tegen zinnen als:
Behoudens zeldzame uitzondering1), komt ook niet voor een zin als:
Uit de vergelijkende beschouwing der zinsvormen blijkt duidelijk, dat de syntactische bijzonderheid van de oude woordorde sterk wordt bevorderd door den zinsaanloop en tevens, dat de gebruiksmogelijkheid afhankelijk is van den vorm van subject en verbum, die weer in nauw verband staat met de eischen van het vers-evenwicht. We mogen daarom verwachten, dat een nauwkeurig onderzoek naar de rhythmische verschijnselen van deze syntactisch afwijkende zinsconstructies ons opheldering zal geven omtrent enkele der nog altijd zeer duistere rhythmische kenmerken van het mnl. vers. Een bevredigende vaststelling der mnl. verstypen kan men zeer wel bereiken door stelselmatige waarneming van den wederzijdschen invloed, dien zinsbouw, stijl en vers-rhythme op elkaar uitoefenen, onderzoekingen dus, waardoor men tracht vast te stellen, hoe de zinsvormen ter wille van het rhythmisch evenwicht der verzen verschuiven tusschen de uiterste grenzen der syntactische mogelijkheden.
Daarbij dient men zich steeds rekenschap te geven, zoowel van de stilistische veranderlijkheid (al naar gelang van oratio recta en verhaal bijv.) als van de neiging der epische dichters voor typische steeds terugkeerende zinsvormen, de stilistische eenvormigheid.
Eenvormige zinsgroepen zullen we bij de rangschikking van het materiaal der afwijkende woordschikking meer dan ergens anders aantreffen. Het zal blijken, dat deze eenvormige zinnen zijn gekenmerkt door een typische rhythmische golflijn. Zoolang geen zekerheid bestaat omtrent het getal en den omvang der versvoeten in de mnl. verzen, kunnen we alleen de hoogtepunten van de rhythmische golflijn in onze schema's aangeven. ‘Zware heffingen’ in het hier volgende overzicht zijn dus die heffingen, welke zwaarder zijn dan alle andere versvoetheffingen, hoeveel men er in een later vast te stellen metrisch systeem ook moge aannemen.
A. … S.… V. 73 65 enkelv. 8 samengest. V.
| enkelv. V. 65 | 1 vs. | 62 | Pron. S. | 60 | Nom. S. | 2 |
| ½ vs. | 3 | Pron. S. | 3 | Nom. S. | - |
We beginnen met de bijna alles omvattende groep, zinnen met enkelv. V. van éen verslengte en met pronominaal S. (60 gevallen) en deelen de zinnen in naar gelang van den syntactischen omvang van den aanloop.
De aanloop, die klaarblijkelijk het psychol. subject van den zin bevat, bereikt zijn hoogtepunt in het opmerkelijke zware accent, dat, naar het verseinde afloopend, gevolgd wordt door een daling van 2-4 toonlooze lettergrepen voór het verbum finitum (bij voorkeur heeft de daling 3 lettergr., gelijk blijkt uit de toevoeging van het syntactisch ontbeerlijke ‘dat’ en ‘ge-’). Het verbum finitum aan het verseinde draagt een bijtoon, althans een accent veel lichter dan de eerste zware heffing. Voor ons onderzoek is het noodig aan te duiden, wat de relatieve rhythm. waarde is van het werkwoord, daar dit zoowel het vers als den zin afsluit.
Volkomen gelijken rhythmischen vorm als de voorgaande groep hebben twee verzen, waar weliswaar de heffingslettergreep door een adverbium of een substantief wordt gevolgd, maar waar overigens het syntactische schema geheel gelijk is aan dat der vorige groep.
Anders staat het met de verzen die van hetzelfde schema zijn, wat den aanloop betreft, waar echter tusschen S. en V.. een substantief voorkomt:
In vs. 2395 zou men ‘ridder’ nog in de rhythmische daling kunnen lezen; in de andere drie verzen is dit uitgesloten met het tweede substantief. Blijkbaar is in deze zinnen in den aanloop niet meer het psychol. subject geconcentreerd.
Onzeker is de plaats der zware heffingen in verzen, waar tusschen S. en V. een adverbium staat:
Hier kan men twijfelen tusschen:
De slotsom is dus, dat in zinnen, wier aanloop bestaat uit praepos. + subst., het rhythmische schema - -́ - -̀ vaststaat, wanneer tusschen S. en V. alleen pronomina of ‘dat’ (of ‘ge-’) voorkomen. Een schema met twee heffingen: - -́ - -̀ -̀ moet men aannemen, wanneer tusschen S. en V. een substantief is geplaatst. Wanneer S. en V. door een adverbium worden gescheiden, is het rhythme neutraal.
We gaan over tot de gevallen, waar de aanloop bestaat uit
een substantief zonder praepositie; een lidw. of pron. vormt den rhythm. voorslag1). Ook hier ontstaat een type met twee zware heffingen, wanneer het gedeelte tusschen S. en V. een substantief bevat:
Het rhythme is hier weer van den vorm: - -́ - -́ -̀, evenals dat der volgende verzen (zinnen):
Slechts in éen vers heeft het rhythme éen zware heffiing:
Twijfelachtig is:
Een aanloop, bestaande uit een substantief zonder rhythmischen voorslag, komt maar eenmaal voor:
Verzen zonder rhythm. voorslag worden anders steeds ingeleid door een adverbium:
Twijfelgeval:
Al deze verzen missen den rhythmischen voorslag, maar alle hebben een omvangrijke syntactische en rhythmisch zware scheiding tusschen S. en V. Het is wel eigenaardig, dat het in epische poëzie zoo geliefde den zin inleidende ‘doe’ (of ‘dus’) in deze constructies met achteraan geplaatst V. niet voorkomt als aanloop1).
Dat ook de verzen met adverbialen aanloop streven naar een rhythm. voorslag, die tevens den syntactischen aanloop vergroot, blijkt uit:
Het rhythme is weer van den vorm - -́ - -́ -̀. De voorslag bestaat, althans in 462, 2566 en 4672, uit een syntactisch ontbeerlijk woord.
De slotsom der verschijnselen van al deze groepen is:
1o. Bij de zinnen van het synt. schema …S.… V. streeft de dichter naar een syntactisch omvangrijken aanloop, met blijkbare voorliefde voor een rhythmischen voorslag. De aanloop bereikt zijn rhythmisch hoogtepunt in een zeer zware heffing,
die steeds wordt gevolgd door een omvangrijke daling. Hoe geringer de omvang van den aanloop is, des te grooter is de syntactische scheiding van S. en V. en des te meer kans is er op een tweede heffing in dat tusschenstuk. Verzen met aanloop zonder rhythm. voorslag hebben zonder uitzondering een tweede heffing. De vorm van den aanloop en de omvang der scheiding van S. en V. beheerschen dus het versrhythme.
2o. In het algemeen richten de zinnen van het schema …S.… V. zich naar de twee verstypen: - -́ - -̀, - -́ - -́ -̀, nu en dan -́ - -́ -̀.
Slechts bij uitzondering is het rhythme neutraal, en zelden voelt men onoverkomelijke neiging om het verbum finitum tot heffing te maken.
We hebben tot nu toe de zinnen ter zijde gelaten, waarin het onmiskenbare streven naar een omvangrijken aanloop leidt tot de opeenvolging van twee zware heffingen in dit zinsdeel:
1.
2.
In de eerste groep ontstaat dus het rhythm. type: (-) -́ (-) -́ - -̀; in de tweede: (-) -́ (-) -́ - -́ (-) -̀. De twee eerste heffingen zijn syntactisch nauw verbonden.
De zinnen met samengesteld V. van het schema …S.…V. hebben natuurlijk een rhythme met twee heffingen, omdat het
nominale deel van het praedicaat niet in een daling past. Er ontstaan dus verzen van het type: (-) -́ - -́ -̀
De drie gevallen van den zinsvorm …S.… V. in een half vers zijn zeer merkwaardig:
Deze zinnen beslaan de tweede vershelft, zoodat het verbum het vers afsluit. Het enjambement is zeer stijlvol: de beide syntactische eenheden vormen ieder een rhythmische eenheid, geen metrische.
De twee gevallen van een zin met den vorm …S.… V. met nominaal S. bieden niets opmerkelijks aan:
B. … S.… V.....
Deze synt. vorm kan in den Ferguut niet in éen vers worden ondergebracht. Door de verdeeling van den zin over twee verzen ontstaat in het eerste vers een zin van het schema …S.…V., omdat steeds het verbum finitum het eerste vers afsluit:
De eenige zin van dit syntactisch schema, die in éen vers wordt omvat, is dan ook blijkbaar door latere tekstverandering (ter vermijding van assonance) tégen de bedoeling van den dichter in, ontstaan.
Het vermoeden van Prof. Verdam1), dat ‘an’ is toegevoegd, wordt bevestigd door de vergelijking van al het materiaal. Het verbum sluit in zinnen als deze zonder uitzondering het vers af.
Ook in de weinige gevallen van zinnen met een samengest. V. blijkt deze strekking te bestaan:
Niet in de eenige zin met nominaal subject:
1o. …S.V. 40 enkelv. V. 39 samengest. V. 1
| enkelv. V. 39 | 1 vs. | 32 | Nom. S. | 5 | Pron. S. | 27 |
| ½ vs. | 7 | Nom. S. | - | Pron. S. | 7 | |
| 2) samengest. V. 1 | 1 vs. | Pron. S. |
Ook hier beginnen we met de belangrijkste groep: zinnen met enkelv. V. van éen verslengte met pronominaal subject (27 gevallen). Het blijkt dat hier dezelfde rhythmische typen overheerschend zijn, als bij de zinnen van het schema ..S...V. Daar echter het syntact. tusschenstuk tusschen S. en V. ontbreekt, wordt de rhythmische daling na de eerste heffing van den aanloop gevormd met behulp van praefixen, het syntactisch ontbeerlijke ‘dat’, de flexie-e van verbogen substantiva etc. Juist deze hulpmiddelen bewijzen dat in dit rhythmische type de daling na de eerste heffing onontbeerlijk is:
1.
2.
Al deze verzen richten zich naar het rhythme - -́ - -̀. Ook naar den inhoud zijn zij eenvormig.
Zoodra het subject onmiddellijk wordt voorafgegaan door een substantief, ontstaat weer het bekende type met twee heffingen: - -́ - -́ -̀:
Ook het vers met verzwaarden aanloop komt hier voor (- -́ -́ - -̀)
Verzen zonder rhythmischen voorslag zijn ook hier zeldzaam:
Twijfelachtig is het rhythme van:
Zware heffing van het verbum finitum schijnt onvermijdelijk te zijn in éen geval:
De zinnen, die een half vers beslaan, leveren weer het bewijs, dat de dichter er bij dit syntactische schema naar streeft, het werkwoord aan het verseinde te plaatsen:
De groepeering wijst op de eenvormigheid van den inhoud.
De zinnen met nominaal subject leveren door onzekerheid van de plaats der zware heffingen het bewijs, dat het pronominale subject een onmisbare omstandigheid is bij de vorming van het typische rhythme:
Beter voegen zich naar het gewone rhythme:
2o. …S.V. … 9 samengest, V. 2 enkelv. V. 7
| enkelv. V. 7 | 1 vs. 1 | Nom. S. 1 | Pron. S. - |
| 2 vz. 6 | Nom. S. - | Pron. S. 6 | |
| samengst. V. 2 | 1 vs. 1 | Nom. S. - | Pron. S. 1 |
| 2 vz. 1 | Nom. S. 1 | Pron. S. - |
1 enkelv. V. 2 vz. Pron. S.:
Al deze zinnen zijn zoo gescheiden, dat het verbum aan het verseinde staat. De rhythmische typen zijn geheel regelmatig. Hetzelfde geldt van den eenen zin met samengest. praedicaat:
Ook hier gaan de beide gevallen met nominaal subject tegen de regels in:
In geen van beide zinnen staat het verbum aan het verseinde. De plaats der zware heffingen is onzeker.
I. Syntactische vormregelmaat gaat samen met rhythmische overeenkomst. Bewijzen:
II. De syntactische bijzonderheid van de achteraanplaatsing van het werkwoord berust op een rhythmischen grond; bewijs: zoowel de zinnen van twee verzen als van een half vers worden zoo gesplitst of geplaatst, dat er verzen ontstaan van het schema …S.… V. (… S.V.).
III. Het syntactische verschil tusschen de zinsvormen …S.V. en …S.…V. wordt rhythmisch genivelleerd door de rekbaarheid der daling na de eerste heffing.
IV. De syntactisch en rhythmisch bijeenbehoorende zinsgroepen vertoonen nu en dan een groote eenvormigheid van inhoud.
I. Het verbum finitum draagt slechts bij hooge uitzondering een rhythmische zware heffing.
II. Het pronominale subject is door zijn rhythmische toonloosheid uitermate geschikt voor de plaatsing in het zinsmidden, in de rhythmische daling na de zware heffing van den aanloop.
III. In de besproken verzen staat een substantief slechts bij hooge uitzondering in een rhythm. daling.
IV. De syntactisch omvangrijke en rhythmisch zware aanloop is het alles beheerschende zins- en versdeel.
V. Het getal zinnen zonder voorslag is zeer gering.
VI. We komen tot de volgende rhythm. typen:
| 1. | - -́ - -̀ | - -́ -́ - -̀ |
| 2. | - -́ - -́ -̀ | - -́ -́ - -́ -̀ |
| 3. | -́ - -́ -̀ | -́ -́ - -́ -̀ |
Het is nu de vraag, of ook de zinnen met afwijkende woordorde, die niet door den syntactisch en rhythmisch zoo belangrijken aanloop worden gekenmerkt, scherp omlijnde rhythmische typen vertoonen.
1o. S.…V. 56 enkelv. V. 52 samengest. V. 4.
enkelv. V. 52 tusschen S. en V. ‘ne’ 13 anders 39
ander tusschenstuk dan ‘ne’ 39
| 1 vs. | 37 | Nom. S. | 37 | Pron. S. | - |
| 2 vz. | 1 | Nom. S. | 1 | Pron. S. | - |
| ½ vs. | 1 | Nom. S. | - | Pron. S. | 1 |
Evenals in de vorige zinsgroepen de aanloop, draagt hier het nominale subject de eerste heffing. Maar zijn rhythmisch overwicht is te gering, om het vers te beheerschen. Verzen met éen zware heffing komen niet voor.
Van de 37 zinnen van éen vers met Nom. S. richten zich er 15 zonder moeite naar het rhythm. type - -́ - -́ -̀:
Vier verzen zonder voorslag: -́ - -́ -̀
De grootste helft der 37 gevallen echter kan men niet volgens een bepaald type lezen. Men neigt tot eenvoudige scansie volgens versvoeten. En wat van groot gewicht is: bij een aantal heeft het verbum finitum een heffing:
De 13 zinnen van het schema S...V. met ‘ne’ als tusschen-
stuk beslaan, gelijk te verwachten is, slechts een half vers en bieden dus niets opmerkelijks ten opzichte van het rhythme1).
2o. S.… V.… 87 enkelv. V. 50 samengest. V. 37
enkelv. V. 50 tusschenstuk ‘ne’ 37 anders 13
| tusschenstuk ‘ne’ 37 | 1 vs. | 26 | Pron. S. | 20 | Nom. S. | 6 |
| 2 vz. | 5 | Pron. S. | 2 | Nom. S. | 3 | |
| ½ vs. | 6 | Pron. S. | 6 | Nom. S. | - |
De belangrijkste groep is die der zinnen van 1 vs., met ‘ne’ als scheiding van S. en V., en pronominaal subject. Het kan niet uitblijven, dat deze zinnen een typischen rhythmischen vorm vertoonen. Immers alleen in dezen zinsvorm is scheiding van S. en V. bij pronominaal S. mogelijk gebleven. Dit pronominale subject, verbonden met ‘ne’ en het verbum finitum, vormt een lange rhythmische daling als versopening.
Het rhythmische zwaartepunt verschuift naar het verseinde, zoodat er een type ontstaat2): - -́ - -́
Enkele verzen zijn er, waar men nog een derde zware heffing
zou kunnen aannemen; maar ook in die gevallen blijft het verbum finitum onbetoond en heeft het rijmwoord een heffing:
Neiging om het verbum finitum te lezen met rhythm. zware heffing, heeft men alleen in:
Het is van gewicht, aan te toonen, dat ook andere zinnen met ‘ne’ als tusschenstuk en pronominaal subject een voorkeur voor dit eigenaardige rhythme hebben:
1. zinnen van het schema S. ne V.… met den omvang van een half vers vormen met de andere vershelft den zelfden versvorm:
2. de zinnen van den omvang van twee verzen:
3. ook de zinnen met samengesteld praedicaat:
S.… V.… 37 gev. ‘ne’ 31 grooter tusschenstuk 6
| ‘ne’ 31 | 1 vs. | 24 | Pron. S. | 18 | Nom. S. | 6 |
| 2 vz. | 4 | Pron. S. | 4 | Nom. S. | - | |
| ½ vs. | 3 | Pron. S. | 3 | Nom. S. | - |
We beginnen met de belangrijkste groep, zinnen met ‘ne’ van één vers, met pronominaal subject:
Al deze verzen hebben het type: - -́ - -́ of - -́ - -́ - -́ .
Er zijn een aantal verzen, vooral met een infinitief aan het zinseinde en ‘niet’ als heffing, waar de derde heffing minder zwaar lijkt:
Maar vlotter klinkt het vers met ‘niet’ in de daling; het rhythmische type blijft dan in beginsel gehandhaafd.
Zoodra het subject nominaal is, vervalt de eigenaardige inleidende daling:
Ook in de zinnen met omvangrijker scheiding van S. en V. dan ‘ne’ alleen, is het rhythme heel anders:
Ook bij de zinnen met enkelvoudig verbum blijkt duidelijk, dat het bijzondere rhythmische type beperkt is tot de gevallen met pronominaal subject en ‘ne’ als scheiding van S. en V. We citeeren enkele zinnen met nominaal subject, omdat ook hier weer de eigenaardige splitsing van den zin door de versscheiding valt op te merken; ook hier ontstaat weer het bekende type van het syntactische schema S.… V., nl. - -́ - -́ -̀ :
Wanneer het verbum niet het eerste vers afsluit, is het getal der heffingen onbepaald, het rhythme neutraal:
We komen dus ten opzichte van de zinnen zonder aanloop met oude woordschikking tot de volgende slotsom:
1. De zinnen met ‘ne’ tusschen S. en V., met pronominaal subject vertoonen een sterk sprekend rhythmisch type. Dit type onderscheidt zich door:
Zoodra òf S. en V. door een omvangrijker zinsdeel worden gescheiden òf het S. nominaal wordt, verdwijnt dit rhythm. type.
2. Bij de zinnen met nominaal subject en omvangrijke scheiding van S. en V. is neiging om het in rijm staande verbum finitum een rhythm. heffing te laten dragen, niet te miskennen. Vele verzen hebben een neutraal rhythme. Andere groepen richten zich naar het verstype - -́ - -́ -̀ , het belangrijkste type van de zinnen met aanloop.
3. De zinnen zonder aanloop met oude woordschikking zijn dus rhythmisch veel minder eenvormig dan de zinsgroepen met aanloop.
Er is tusschen de verzen van het rhythm. type - -́ - -́ en een der meest geliefde verstypen van den Heliand-dichter een zoo opvallende overeenkomst, dat we niet kunnen nalaten enkele voorbeelden naast elkaar te plaatsen.
Men vergelijke:
met:
Men vergelijke:
met:
1. Voor zoover de zinnen een versregel beslaan, wordt de afwisseling van heffing en daling gekenmerkt door enkele zeer bijzondere rhythmische typen, die verschillen al naar gelang van de syntactische vormen der zinsgroepen.
2. Kenmerken van alle typen zijn:
Hoe verleidelijk het moge zijn, vergelijking van deze uitkomsten met de algemeene beginselen van het oud-germaansche zins- en vers-rhythme moet worden opgeschort, totdat bovenstaande regels van afwijkende zinscontructies met de algemeene kenmerken van het mnl. epische vers zijn vergeleken.
Vragen we ten slotte, welke zinsvormen het meest voor de hand lagen, wanneer een dichter het oude rhythme wilde behouden, maar de verouderde woordschikking vermijden. We komen dan tot een vooral in verband met de omschrijving van het aoristisch praeteritum1) eigenaardige oplossing:
Stel dat de dichter de oude woordorde wil vermijden in een zin (vers) als:
Door het gebruik van inversie komt dan het verbum finitum in de daling. De bijtoon in het rijm kan worden gedragen door een aor. adverbium:
Een andere oplossing is het gebruik van het omschreven perfectum:
Hoe gering is bijv. het verschil tusschen:
Ook andere samengestelde praeterita, die in het latere epos veelvuldig worden gebruikt zonder belangrijk syntactisch verschil met het enkelvoudige verbum finitum, kunnen beschouwd worden als een middel ter vermijding van de oude woordschikking:
luidt in antieken zinsvorm:
Rhythmisch verschil is er alleen in de lengte der daling.
Ook in zinnen zonder aanloop kan, behalve door bovenstaande omschrijving met ‘moeten’, aan den eisch der nieuwe woordschikking worden voldaan door een zinsvorm met rijmend adverbium:
is, wat rhythm. heffingen betreft, geheel gelijk aan:
Zonder ons in uitvoerige vergelijking te begeven, schijnt het toch aannemelijk, dat het verdwijnen der oude woordschikking samen moet gaan met groeiende voorkeur voor rijmende adverbia.
Het verdient de aandacht, dat de Ferguut een der weinige gedichten is met meer aoristische adverbia buiten dan in het rijm1). Ten gevolge van zijn groote vrijheid in het gebruik der oude woordschikking heeft de dichter aan de rijmende adverbia met rhythmischen bijtoon weinig behoefte.
Ook het getal der aoristische perfecta is in den Ferguut grooter dan dat der rijmende adverbia1). Gelijk we zagen, wordt door het gebruik van samengesteld praedicaat de inversie in de hand gewerkt, terwijl tòch de eigenlijke werkwoordskern aan het verseinde behouden blijft.
De volgende aanhalingen toonen, hoe door de syntactische afwisseling van zinnen met oude woordorde en andere met samengesteld praedicaat de rhythmische welluidendheid van het geheel wordt bevorderd:
Hoeveel stijver zou hier klinken:
Een geheel gelijke schikking in:
Samengesteld praedicaat, oude woordschikking en rijmend adverbium wisselen elkaar af in de volgende drie rhythmisch gelijkwaardige zinnen:
Leysin (Zwitserland).
g.s. overdiep.