begin 
[p. 35]

Over woordschikking en vers-rhythme in den Middelnederlandschen Ferguut.

Ferg. 3545
1)Ferguut wachter hem jeghen
6
Ende brochte den scacht gedregen
7
Die boem hem bi den hoefde leet
8
Ors ende ghereide hi smeet
9
In tween sticken.
Ferg. 2394
Ferguut liet lopen enen slach
 
Op den helm hi den ridder sloech
 
Met sinen swerde hi afdroech
 
Half den helm ende tbeckineel.

De woordschikking van bovenstaande verzen is in verschillende opzichten merkwaardig. In vs. 3547 door de scheiding van subject en praedicaat; in vs. 3548 door het vermijden der ‘inversie’; in vs. 2395 zoowel door het een als door het ander.

Dergelijke zinsvormen gebruikt de dichter van den Ferguut met zoo groote voorkeur, dat ze niet, gelijk in vele andere mnl. gedichten, als uitzonderingsvormen, maar als een belangrijk hulpmiddel van zijn syntactisch systeem moet worden beschouwd. Dit is des te opmerkelijker, omdat de ontwikkelingsgang der woordschikking van subject en praedicaat in de oudere germaansche poëzie er op wijst, dat scheiding van subject en praedicaat en vermijding der inversie in zinnen als de bovenstaande in den tijd van het ontstaan van den Ferguut een syntactische afwijking van antieken vorm was geworden2). Het is daarom van belang,

[p. 36]

vast te stellen zoowel de syntactische grenzen der gebruiks-mogelijkheid als den invloed van den rhythmischen en metrischen vorm op de keuze van deze afwijkende woordschikking.

 

We beperken ons onderzoek tot de zinnen, welke niet worden ingeleid door een conjunctie. Ook de zinnen met ‘die’ (of ‘daer’) als inleiding laten we rusten, omdat, juist tengevolge van de afwisselende woordschikking in den Ferguut, de vraag, of ‘die’ demonstratieve dan wel relatieve waarde heeft, in vele gevallen pas kan worden beantwoord na vaststelling van de algemeene regels der woordorde in dit gedicht1).

Verder beperken we ons tot de zinnen buiten de Oratio Recta. Ieder ziet in, dat er een hemelsbreed verschil moet zijn tusschen de syntactische grondslagen van de verhalende gedeelten van een episch gedicht en de gesprekken en redevoeringen anderzijds. Dit in den breede aan te toonen, past niet in het bestek van dit onderzoek2).

 

Het getal der bedoelde niet door een conjunctie of ‘die’ ingeleide zinnen is in den Ferguut zeer groot. In de 3358 verhalende verzen komen er 1653 voor3). Overwegen we verder,

[p. 37]

dat het grootste deel dezer zinnen den omvang van een vers heeft, dan is het duidelijk, dat de syntactische vorm van dergelijke zinnen moet berusten op een rhythmischen grondslag. Van den anderen kant zal bij een zoo groot getal van deze zinnen het vers-rhythme in hooge mate worden beïnvloed door syntactische bijzonderheden van deze zinssoort. Nu is de syntactische vorm van deze eenvoudige zinnen alleen veranderlijk door de woordschikking van subject en praedicaat. Hieruit volgt, dat de woordorde van grooten invloed is op het vers-rhythme en dat rhythmische neigingen en metrische dwang den dichter leiden bij de keuze van de woordschikking.

 

Het is nu de vraag, volgens welke beginselen de 1653 zinnen moeten worden ingedeeld. Het feit, dat in onze taal de inversie van het werkwoord in mededeelende zinnen onvermijdelijk is na een zinsinleidende bepaling (of object), wijst op den grooten invloed van den ‘zinsaanloop’1) op den geheelen zinsvorm. In zinnen, die niet met het grammaticale subject of praedicaat beginnen, valt vanzelf een bijzondere nadruk op het naar voren geschoven zinsdeel. Het is daarom begrijpelijk, dat in zinnen met ‘aanloop’ de syntactische vorm en schikking van het grammaticale onderwerp en gezegde zich heel anders ontwikkelen dan in zinnen, die door het subject worden ingeleid. Hoe gewichtig dit is voor de verschijnselen der woordschikking in den Ferguut, blijkt uit het feit, dat van de 1653 zinnen ruim

[p. 38]

⅓ deel (560) met een aanloop beginnen. Wanneer we nu bij de zinnen zonder en met aanloop willen nagaan:

1o.
het verschijnsel der inversie,
2o.
de scheiding van subject (S.) en praedicaatsverbum (V.),
dan komen we tot de volgende zinsschema's:

I. 1. … V.S. 2. … V.…S. 3. … V.…S.…
  4. …S.V. 5. …S.… V. 6. …S.… V.…
II. 1. S.V.… 2. S.… V. 3. S.… V.…

De schema's I. 5, 6 en II. 2, 3 kunnen we samen vatten als zinnen met oude woordschikking. De schema's met inversie zijn in het mnl. beperkt tot de zinnen met aanloop, in tegenstelling met het ags. en oudsaks. etc.1).

De invloed nu van den zinsaanloop op het behoud der oude woordschikking (scheiding van S. en V.) blijkt duidelijk uit het volgende algemeene overzicht:

1. Van de 1093 zinnen zonder aanloop zijn er 143 met gescheiden S. en V. Hiervan 87 met het schema S.… V.… en 56 met den zinsvorm S.… V. Bij deze 1093 zinnen zijn er 152, die alleen uit S. en V. bestaan, die dus ten opzichte van de woordschikkingskeuze neutraal zijn. We komen dus tot deze slotsom: van 941 (1093-152) zinnen zonder aanloop, waar oude woordschikking mogelijk is, hebben slechts 143 haar bewaard (= 15%).

2. Bij de 560 zinnen met aanloop zijn er 426 met inversie. Er blijven dus 134 gevallen over, waar het werkwoord volgt op het subject. Van deze 134 zijn er 85 met gescheiden S. en V. (73 … S.… V., 12 …S.… V.…).

In het geheel treedt de oude woordorde dus op in 63% der zinnen. Dit verschil met de verhouding bij de zinnen zonder

[p. 39]

aanloop is nog grooter, wanneer men ook hier overweegt, dat 40 van de 134 zinnen alleen bestaan uit aanloop, S. en V. Er zijn dus 94 zinnen waar antieke woordschikking mogelijk is en hiervan hebben 85 haar toegepast. Daardoor stijgt het percentage van 63% tot 90%, tegenover 15% der zinnen zonder aanloop.

Dezen opmerkelijken invloed van den zinsaanloop op het behoud der oude woordschikking heeft de Ferguut met den Beowulf en den Heliand gemeen. Ook om de zeer opmerkelijke hoeveelheid1) der woordschikkingsafwijkingen in dit mnl. gedicht in vergelijking met de oude germaansche poëzie aan te duiden, plaatsen we het volgende overzicht:

  ‘Selbst. Aussagesätze’: Beow. 1174 Hel. 1023 Ferg. 1653
1. zinnen met aanloop: Beow. 37% Hel. 50% Ferg. 34%
2. zinnen met aanloop zonder inversie: Beow. 54,3% Hel. 11,5% Ferg. 24%
3. oude schikking van het werkwoord in:      
  zinnen met aanloop: Beow. 79,1% Hel. 77,5% Ferg. 63%
  zinnen zonder aanloop: Beow. 62,2% Hel. 23,5% Ferg. 15%

Zoowel in Beow. en Hel. als in den Ferguut gaat vermijding van inversie na den aanloop meestal gepaard met oude woordschikking. De onderscheiding tusschen zinnen met en zonder aanloop is dus bij de vaststelling van de woorschikkingsverschijnselen van het grootste gewicht. Zinnen met aanloop hebben in dubbel opzicht een antieken vorm.

[p. 40]

De verklaring der redenen, die den dichter tot het gebruik der oude woordschikking brengen, is alleen mogelijk met overweging der rhythmische invloeden. Voordat we daartoe overgaan, zullen we de afwisseling der syntactische vormen van subject en verbum nagaan1).

De keuze van de woordschikking blijkt nl. in nauw verband te staan met het verschil in vorm van nominaal en pronominaal subject en verder van het verschil in vorm van enkelvoudig en samengesteld praedicaat.

A. Zinnen met aanloop.

Algemeene statistiek: 560 gevallen.

Met inversie: Samengest. V. 157 Enkelv. V. 269
Zonder inversie: Samengest. V. 14 Enkelv. V. 120

Hier blijkt reeds dadelijk een belangrijk verschil:

bij samengest. praedicaat is inversie nagenoeg regel: in 157 van 171 gevallen (92%);

bij enkelv. praedicaat is inversie nog lang niet overheerschend: in 269 van 389 gevallen (69%).

I. Zinnen met aanloop met inversie.

Hier onderscheiden we de zinsvormen, waar het subject den zin sluit, van dezulke, waar op S. nog een zinsdeel volgt:

1o. Zinnen zonder achterstuk:

a. … V.S. 63 omvang 1 vs. 37 Pron. S. - Nom. S. 37
  omvang 2 vz. 4 Pron. S. 1 Nom. S. 3
  omvang ½ vs. 22 Pron. S. 15 Nom. S. 7
b. … V...S. 25 omvang 1 vs. 22 Pron. S. - Nom. S. 22
  omvang 2 vz. 3 Pron. S. - Nom. S. 3

Het schema … V.Vf.S. of.… V.Vf.…S. komt niet voor2).

[p. 41]

2o. Zinnen met achterstuk:

a. enkelvoudig praedicaat 181

1. .. V.S... 176 omvang 1 vs. 141 Pron. S. 117 Nom. S. 24
  omvang 2 vz. 27 Pron. S. 17 Nom. S. 10
  omvang ½ vs. 8 Pron. S. 8 Nom. S. -
2. .. V...S... 5 omvang 1 vs. 3 Pron. S. - Nom. S. 3
  omvang 2 vz. 2 Pron. S. - Nom. S. 2

b. samengesteld V. 157

1. ..Vf.S.V. 58 omvang 1 vs. 51 Pron. S. 43 Nom. S. 8
  omvang 2 vz. 5 Pron. S. 5 Nom. S. 3
  omvang ½ vs. 2 Pron. S. 2 Nom. S. -
2. ..Vf.S... V. 50 omvang 1 vs. 45 Pron. S. 44 Nom. S. 1
  omvang 2 vz. 4 Pron. S. 3 Nom. S. 1
  omvang ½ vs. 1 Pron. S. 1 Nom. S. -
3. ..Vf.S.V... 21 omvang 1 vs. 6 Pron. S. 6 Nom. S. -
  omvang 2 vz. 15 Pron. S. 15 Nom. S. -
4. ..Vf.S... V... 10 omvang 1 vs. 1 Pron. S. 1 Nom. S. -
  omvang 2 vz. 9 Pron. S. 7 Nom. S. 2
5. andere zinnen omvang 1 vs. 14 Pron. S. 3 Nom. S. 11
  omvang 2 vz. 4 Pron. S. 1 Nom. S. 3

Slotsom:

In zinnen met aanloop zonder achterstuk (.. V.S.,.. V... S.) is nominaal S. verreweg in de meerderheid. In de zinnen van den vorm .. V.S..., .. V...S..., waar het S. niet het zinseinde vormt, heeft het pronominale de overhand (270 van 338 gevallen). Pronominaal S. vermijdt dus het zinseinde. Maar klaarblijkelijk komt dit neer op vermijding van het verseinde. Immers in de 59 zinnen (37 + 22) met den omvang van eén vers komt Pron. S. nooit voor. Het pronominaal S. vermijdt dus het zinseinde om redenen, die het vers-rhythme raken. Dit wordt bevestigd door het feit, dat 15 van de 22 zinnen van dezen vorm, die de eerste helft van een versregel beslaan, wèl een pron. subject verdragen.

In den Ferguut is dus een zinsvorm als:

[p. 42]
 
/Van sinen orsse scoet hi/
 
/In die camere ghinc si/
 
/Sinen groten scilt nam hi/

ten eenenmale uitgesloten, zoodra de zin eén versregel beslaat.

 

We komen nu tot de zinnen met aanloop zonder inversie, dus tot de gevallen met afwijkende woordschikking.

II. Zinnen met aanloop zonder inversie.

1o. Zinnen met nieuwe schikking van het werkwoord:

 

a. …S.V. 40 samengest. V. 1 enkelv. V. 39

enkelv. V. 39 omvang 1 vs. 32 Nom. S. 5 Pron. S. 27
  omvang ½ vs. 7 Nom. S. - Pron. S. 7
samengest. V. 1 omvang 1 vs. 1 Nom. S. - Pron. S. 1

b …S.V.… 9 samengest. V. 2 enkelv. V. 7

enkelv. V. 7 omvang 1 vs. 1 Nom. S. 1 Pron. S. -
  omvang 2 vz. 6 Nom. S. - Pron. S. 6
samengest. V. 2 omvang 1 vs. 1 Nom. S. - Pron. S. 1
  omvang 2 vz. 1 Nom. S. 1 Pron. S. -

2o. Zinnen met oude schikking van het werkwoord:

 

a. …S.… V. 73 samengest. V. 8 enkelv. V. 65

enkelv. V. 65 omvang 1 vs. 62 Nom. S. 2 Pron. S. 60
  omvang ½ vs. 3 Nom. S. - Pron. S. 3
samengest. V. 8 omvang 1 vs. 8 Nom. S. - Pron. S. 8

b. …S.… V.… 12 samengest. V. 3 enkelv. V. 9

enkelv. V. 9 omvang 2 vz. 9 Pron. S. 9 Nom. S. -
samengest. V. 3 omvang 2 vz. 3 Pron. S. 2 Nom. S. 1

Slotsom:

1o. van de 134 gevallen zijn er 124 met pronominaal subject en 10 met nominaal. Van de 85 zinnen met oude woordschikking zijn er slechts 3 met nominaal subject.

2o. de samengest. praedicaten komen voor:

bij het zinsschema …S.V. 1 van 40 gevallen } 9 van 113
  ..S... V. 8 van 73 gevallen } 9 van 113

[p. 43]

bij het zinsschema ..S.V... 2 van 9 gevallen } 5 van 21
  ..S...V... 3 van 12 gevallen } 5 van 21

Klaarblijkelijk vermijden de samengestelde verba het zinseinde.

 

Vatten we de gegevens van alle zinnen met aanloop samen:

1. In zinnen met aanloop is Pron. S. overwegend (410 van 560, dus 73%). In zinnen zonder inversie is die voorkeur echter sterker dan in zinnen met inversie (zonder inversie 124 van 134, dus 92%, met inversie 286 van 426, dus 67%). In zinnen zonder inversie met oude woordschikking is pronom. S. bijna regel: 82 van 85, dus 96%.

2. Het pronominale S. staat nooit aan het verseinde.

3. Het samengestelde praedicaat heeft bijna zonder uitzondering inversie ten gevolge, verbindt zich gaarne met een pronominaal subject, en het verbum finitum vermijdt het zinseinde.

4. In 338 van de zinnen (426) met inversie (dus in 79%) volgt op V.S. nog een zinsdeel.

In 21 van de 134 zinnen zonder inversie (dus in 16%) volgt op S.V. nog een zinsdeel.

Terwijl dus het subject de laatste plaats in den zin vermijdt, kan men van het werkwoord het tegendeel zeggen. Dat dit neerkomt op een groote voorkeur van het werkwoord voor het verseinde, zal blijken uit de rhythmische verschijnselen dezer zinnen1).

 

Van de zinnen zonder aanloop onderzoeken we alleen die met oude woordschikking.

B. Zinnen zonder aanloop met oude woordschikking.

I. S.V. 56 enkelv. V. 52 samengest. V. 4

Bij deze zinnen moeten we onderscheiden de vele gevallen, waar het tusschenstuk, dat S. en V. scheidt, enkel bestaat uit ‘ne’.

[p. 44]

1o. enkelvoudig V. 52 ‘ne’ 13 ander tusschenstuk 39

 

a. ander tusschenstuk 39

omvang 1 vs. 37 Nom. S. 37 Pron. S. -
omvang 2 vz. 1 Nom. S. 1 Pron. S. -
omvang ½ vs. 1 Nom. S. - Pron. S. 1

b. tusschenstuk ‘ne’ 13

omvang ½ vs. 13 Nom. S. 1 Pron. S. 12

2o. samengesteld V. 4 ‘ne’ - ander tusschenstuk 4

omvang 1 vs. 2 Nom. S. 2 Pron. S. -
omvang 2 vz. 2 Nom. S. 2 Pron. S. -

II. S.… V.… 87 enkelv. V. 50 samengest. V. 37

1o. enkelv. V. 50 ‘ne’ 37 ander tusschenstuk 14

 

a. ‘ne’ 37

omvang 1 vs. 26 Nom. S. 6 Pron. S. 20
omvang 2 vz. 5 Nom. S. 3 Pron. S. 2
omvang ½ vs. 6 Nom. S. - Pron. S. 6

b. ander tusschenstuk 13

omvang 1 vs. - Nom. S. - Pron. S. -
omvang 2 vz. 13 Nom. S. 13 Pron. S. -

2o. samengest. V. 37 ‘ne’ 31 ander tusschenstuk 6

 

a. ‘ne’ 31

omvang 1 vs. 24 Nom. S. 6 Pron. S. 18
omvang 2 vz. 4 Nom. S. - Pron. S. 4
omvang ½ vs. 3 Nom. S. - Pron. S. 3

b. ander tusschenstuk 6

omvang 2 vz. 6 Nom. S. 6 Pron. S. -

Slotsom:

1. In de zinnen met een ander tusschenstuk dan ‘ne’ komt slechts eénmaal een pronominaal subject voor. Deze uitzondering betreft een zin van een halve verslengte:

986b
..... si hem die cleder gaf.

Klaarblijkelijk komt bovengenoemde regelmaat dus hierop neer, dat het pronominaal S. in een zin van het schema S...V. met een grootere scheiding van S. en V. dan ‘ne’, het vers niet opent.

[p. 45]

2. In de zinnen met ‘ne’ als tusschenstuk staat bijna altijd een pronominaal subject (van de 81 in 65 gevallen).

3. Bij het schema S...V. komen 4 zinnen met samengesteld praedicaat voor op 56 gevallen (= 7%).

Bij het schema S... V... 37 van de 87 (= 40%).

Hieruit volgt dus evenals bij de zinnen met aanloop, dat het hulpwerkwoord het zinseinde vermijdt en bij voorkeur staat in een zin, waar op het verbum finitum nog een zinsdeel volgt, in tegenstelling met de strekking van het enkelvoudige werkwoord.

 

Samenvatting der regels voor de zinnen met oude woordorde:

1. Zinnen met aanloop zonder inversie en oude woordschikking hebben bijna zonder uitzondering pronominaal subject.

In zinnen zonder aanloop met oude woordschikking is pronom. S. alleen mogelijk wanneer S. en V. gescheiden zijn door ‘ne’.

2. In de zinnen met oude woordorde streeft het enkelvoudige verbum naar de laatste plaats. Het samengest. praedicaat vermijdt het zinseinde en streeft naar het zinsmidden, gelijk oók blijkt uit een veel sterkere neiging tot inversie.

Tevens zijn er aanwijzingen, dat deze syntactische strekking berust op een rhythmische, nl. het enkelvoudige verbum wèl en het samengest. verbum niet aan het verseinde te plaatsen.

3. Behalve de reeds genoemde zinsvorm:

 
/Sinen groten scilt nam hi/

heeft de dichter van den Ferguut dus bezwaar tegen zinnen als:

 
/Hi sinen scilt doe nam/
 
(wèl: /Ferguut sinen scilt (doe) nam/).

Behoudens zeldzame uitzondering1), komt ook niet voor een zin als:

 
/Sinen scilt Ferguut nam/
 
(wèl: Sinen scilt hi doe nam
 
of: Sinen groten scilt hi nam).
[p. 46]

Rhythmische kenmerken.

Uit de vergelijkende beschouwing der zinsvormen blijkt duidelijk, dat de syntactische bijzonderheid van de oude woordorde sterk wordt bevorderd door den zinsaanloop en tevens, dat de gebruiksmogelijkheid afhankelijk is van den vorm van subject en verbum, die weer in nauw verband staat met de eischen van het vers-evenwicht. We mogen daarom verwachten, dat een nauwkeurig onderzoek naar de rhythmische verschijnselen van deze syntactisch afwijkende zinsconstructies ons opheldering zal geven omtrent enkele der nog altijd zeer duistere rhythmische kenmerken van het mnl. vers. Een bevredigende vaststelling der mnl. verstypen kan men zeer wel bereiken door stelselmatige waarneming van den wederzijdschen invloed, dien zinsbouw, stijl en vers-rhythme op elkaar uitoefenen, onderzoekingen dus, waardoor men tracht vast te stellen, hoe de zinsvormen ter wille van het rhythmisch evenwicht der verzen verschuiven tusschen de uiterste grenzen der syntactische mogelijkheden.

Daarbij dient men zich steeds rekenschap te geven, zoowel van de stilistische veranderlijkheid (al naar gelang van oratio recta en verhaal bijv.) als van de neiging der epische dichters voor typische steeds terugkeerende zinsvormen, de stilistische eenvormigheid.

Eenvormige zinsgroepen zullen we bij de rangschikking van het materiaal der afwijkende woordschikking meer dan ergens anders aantreffen. Het zal blijken, dat deze eenvormige zinnen zijn gekenmerkt door een typische rhythmische golflijn. Zoolang geen zekerheid bestaat omtrent het getal en den omvang der versvoeten in de mnl. verzen, kunnen we alleen de hoogtepunten van de rhythmische golflijn in onze schema's aangeven. ‘Zware heffingen’ in het hier volgende overzicht zijn dus die heffingen, welke zwaarder zijn dan alle andere versvoetheffingen, hoeveel men er in een later vast te stellen metrisch systeem ook moge aannemen.

[p. 47]

I. Zinnen met aanloop, zonder inversie met oude woordschikking.

A. … S.… V. 73 65 enkelv. 8 samengest. V.

enkelv. V. 65 1 vs. 62 Pron. S. 60 Nom. S. 2
  ½ vs. 3 Pron. S. 3 Nom. S. -

We beginnen met de bijna alles omvattende groep, zinnen met enkelv. V. van éen verslengte en met pronominaal S. (60 gevallen) en deelen de zinnen in naar gelang van den syntactischen omvang van den aanloop.

1103
Bi den bréidele hijt gegrèep
1109
Ane den háls dat hine hìnc
1112
In sijn hánt dat hine scòet
1973
Onder die pórte hine vànt
3473
Bi den tógle hijt gegrèep
3581
Onder sinen árm hine slòech
4418
In sinen árme hine nàm
4741
Ute sinen gereíde hine stàc.

De aanloop, die klaarblijkelijk het psychol. subject van den zin bevat, bereikt zijn hoogtepunt in het opmerkelijke zware accent, dat, naar het verseinde afloopend, gevolgd wordt door een daling van 2-4 toonlooze lettergrepen voór het verbum finitum (bij voorkeur heeft de daling 3 lettergr., gelijk blijkt uit de toevoeging van het syntactisch ontbeerlijke ‘dat’ en ‘ge-’). Het verbum finitum aan het verseinde draagt een bijtoon, althans een accent veel lichter dan de eerste zware heffing. Voor ons onderzoek is het noodig aan te duiden, wat de relatieve rhythm. waarde is van het werkwoord, daar dit zoowel het vers als den zin afsluit.

Volkomen gelijken rhythmischen vorm als de voorgaande groep hebben twee verzen, waar weliswaar de heffingslettergreep door een adverbium of een substantief wordt gevolgd, maar waar overigens het syntactische schema geheel gelijk is aan dat der vorige groep.

[p. 48]
101
Ten bóssche waert hi hem ontstàl
1117
In sinen stégereep hi hem hìef.

Anders staat het met de verzen die van hetzelfde schema zijn, wat den aanloop betreft, waar echter tusschen S. en V.. een substantief voorkomt:

2395
Op den hélm hi den rídder sloèch
2473
Ten tógle hi nie wáre en nàm
4638
Ane hare líede si ráet sòchte
4932
Te Lónnen hi den cóninc vànt.

In vs. 2395 zou men ‘ridder’ nog in de rhythmische daling kunnen lezen; in de andere drie verzen is dit uitgesloten met het tweede substantief. Blijkbaar is in deze zinnen in den aanloop niet meer het psychol. subject geconcentreerd.

Onzeker is de plaats der zware heffingen in verzen, waar tusschen S. en V. een adverbium staat:

144
In een dal hi sere vliet
731
Van watre hi algader seep
1705
Ten liebaerde hi sere ran
1707
Uter capellen hi vollec ginc
2313
Uter tenten si sere liep
2331
Ane den hals hine vollike warp.

Hier kan men twijfelen tusschen:

 
In een dál hi sere vlìet
 
In een dál hi sére vliet
 
In een dál hi sére vliét.

De slotsom is dus, dat in zinnen, wier aanloop bestaat uit praepos. + subst., het rhythmische schema - -́ - -̀ vaststaat, wanneer tusschen S. en V. alleen pronomina of ‘dat’ (of ‘ge-’) voorkomen. Een schema met twee heffingen: - -́ - -̀ -̀ moet men aannemen, wanneer tusschen S. en V. een substantief is geplaatst. Wanneer S. en V. door een adverbium worden gescheiden, is het rhythme neutraal.

We gaan over tot de gevallen, waar de aanloop bestaat uit

[p. 49]

een substantief zonder praepositie; een lidw. of pron. vormt den rhythm. voorslag1). Ook hier ontstaat een type met twee zware heffingen, wanneer het gedeelte tusschen S. en V. een substantief bevat:

2696
Dat swért hi vaste in die hánt hìlt
3926
Den scácht hi vaste in sine hánt hìlt
4118
Dat swért hi vaste in sine hánt hìlt.

Het rhythme is hier weer van den vorm: - -́ - -́ -̀, evenals dat der volgende verzen (zinnen):

1804
Sinen scílt hi hem ontwée bràc
1956
Enen éet hijs Fergúut dòet.
2280
Sine scérden hi te hémwaert gàet
2490
Die stráte hi so lánge rèet
2491
Enen casteél hi vóer hem sàch
2555
Den casteél hi vóer hem sìet

Slechts in éen vers heeft het rhythme éen zware heffiing:

373
Sinen váder hi daer vìnt.

Twijfelachtig is:

3530
Den bóem hi vóllike nàm
 
Den bóem hi vollike nám.

Een aanloop, bestaande uit een substantief zonder rhythmischen voorslag, komt maar eenmaal voor:

713
Órlof hi den cóninc bàt.
 
(type: -́ - -́ -̀)

Verzen zonder rhythm. voorslag worden anders steeds ingeleid door een adverbium:

818
Vóllec si jegen hem ópscòet
971
Vóllec si buter cámeren gìnc
1354
Vóllec hi hem te bédde màect
[p. 50]
1514
Hástelike si dánen scìet
2322
Hástelike si wéderkèert
2379
Hástelike si doe ópscòet
2762
Hástelijc hijt biden bréidel nàm
732
Táchterst hi sinen scácht gegrèep
1136
Wélna hi van tórne splèet
1830
Sére si te gáder quàmen.

Twijfelgeval:

1432
Ménechfout si hare opt bédde kèert
 
Menechfóut si hare opt bédde kèert.

Al deze verzen missen den rhythmischen voorslag, maar alle hebben een omvangrijke syntactische en rhythmisch zware scheiding tusschen S. en V. Het is wel eigenaardig, dat het in epische poëzie zoo geliefde den zin inleidende ‘doe’ (of ‘dus’) in deze constructies met achteraan geplaatst V. niet voorkomt als aanloop1).

Dat ook de verzen met adverbialen aanloop streven naar een rhythm. voorslag, die tevens den syntactischen aanloop vergroot, blijkt uit:

462
Wel dápperlike hine áne scòet
993
Wel vóllec hine áfdède
2566
Mettíen hi sijn schéren hìlt
4672
Wel sáen hi den cóninc sách

Het rhythme is weer van den vorm - -́ - -́ -̀. De voorslag bestaat, althans in 462, 2566 en 4672, uit een syntactisch ontbeerlijk woord.

 

De slotsom der verschijnselen van al deze groepen is:

1o. Bij de zinnen van het synt. schema …S.… V. streeft de dichter naar een syntactisch omvangrijken aanloop, met blijkbare voorliefde voor een rhythmischen voorslag. De aanloop bereikt zijn rhythmisch hoogtepunt in een zeer zware heffing,

[p. 51]

die steeds wordt gevolgd door een omvangrijke daling. Hoe geringer de omvang van den aanloop is, des te grooter is de syntactische scheiding van S. en V. en des te meer kans is er op een tweede heffing in dat tusschenstuk. Verzen met aanloop zonder rhythm. voorslag hebben zonder uitzondering een tweede heffing. De vorm van den aanloop en de omvang der scheiding van S. en V. beheerschen dus het versrhythme.

2o. In het algemeen richten de zinnen van het schema …S.… V. zich naar de twee verstypen: - -́ - -̀, - -́ - -́ -̀, nu en dan -́ - -́ -̀.

Slechts bij uitzondering is het rhythme neutraal, en zelden voelt men onoverkomelijke neiging om het verbum finitum tot heffing te maken.

 

We hebben tot nu toe de zinnen ter zijde gelaten, waarin het onmiskenbare streven naar een omvangrijken aanloop leidt tot de opeenvolging van twee zware heffingen in dit zinsdeel:

 

1.

171
Int wóut van Gladóne hi hem dède
292
Dor sgóets wílle sine gewàn
1689
Met béiden hánden hine slàet
1706
Hóren ende hóeftcleet hi hem nàm
2525
Met só gróter crácht hine stàc

2.

2264
Hémde ende bróec hi ánetièt
2309
Ál hanchárich si ópscòet
3226
Gróte sláge si Fergúte gàven
3437
Gróet viér het uter kélen scòet
3442
Sóe lánge hi jegen tserpént vàcht
3544
Met gróte scérden si te hém scrìcte (vg. 2280)
3601
Die lúchterhánt hi hem áfsnèet
4670
Vore Ríkensténe hi sníemen wàs.

In de eerste groep ontstaat dus het rhythm. type: (-) -́ (-) -́ - -̀; in de tweede: (-) -́ (-) -́ - -́ (-) -̀. De twee eerste heffingen zijn syntactisch nauw verbonden.

 

De zinnen met samengesteld V. van het schema …S.…V. hebben natuurlijk een rhythme met twee heffingen, omdat het

[p. 52]

nominale deel van het praedicaat niet in een daling past. Er ontstaan dus verzen van het type: (-) -́ - -́ -̀

241
Achter étene si slápen gìngen
269
In een dál si geréden quàmen
370
Wélna hi tebórsten wàs (geen voorslag)
765
Enen mántel si hálen gìnc
826
Den cnápe hi vrágen begàn
1153
Een wáter dat hi líden soùde
1444
Fergúut si slápende vernàm
1968
Te sinen wért hi váren soùde

De drie gevallen van den zinsvorm …S.… V. in een half vers zijn zeer merkwaardig:

264/5
1)Die coninc hi hadt wel geheten
 
Enen cnape/ Op enen zómere hine leìde
1549/50
Sijn wert wijsdem dien pat
 
Ter roken wert/ Sére hi hem bàt
3781/2
Hi sach daer hangen een dier ghereide
 
Van finen yvore/ Op dórs hijt leìde.

Deze zinnen beslaan de tweede vershelft, zoodat het verbum het vers afsluit. Het enjambement is zeer stijlvol: de beide syntactische eenheden vormen ieder een rhythmische eenheid, geen metrische.

De twee gevallen van een zin met den vorm …S.… V. met nominaal S. bieden niets opmerkelijks aan:

1247
Dit scicht die scone binnen heeft
1875
Noit smet bet slach hilt.

B. … S.… V.....

Deze synt. vorm kan in den Ferguut niet in éen vers worden ondergebracht. Door de verdeeling van den zin over twee verzen ontstaat in het eerste vers een zin van het schema …S.…V., omdat steeds het verbum finitum het eerste vers afsluit:

[p. 53]
80/1
Mettíen si den hért vernàmen/ Buten bossche
302/4
Van cálfvellen hi ánedròech/ Enen roc cort toten cnien.
977/8
Negeen ánder hi en ròchte/ Dan dórs…
1159/60
Ene lánge brúcge hi vóer hem vànt/ Ende enen ridder
2396/7
Met sinen swérde hi áfdròech/ Half den helm
3084/5
Ene capélle hi vóor hem sàch/ Al ghewrocht van marbelstene
3582/3
Dápperlike hine wéchdròech/ Ten watere wert
3399/00
In die scóuderen sine bèet/ Dore sine wapine
4538/9
Tote Ríkensténe hise bròchte/ Een léttel voer den dágerake.

De eenige zin van dit syntactisch schema, die in éen vers wordt omvat, is dan ook blijkbaar door latere tekstverandering (ter vermijding van assonance) tégen de bedoeling van den dichter in, ontstaan.

372
Mettíen hi ten castéle quam (an).

Het vermoeden van Prof. Verdam1), dat ‘an’ is toegevoegd, wordt bevestigd door de vergelijking van al het materiaal. Het verbum sluit in zinnen als deze zonder uitzondering het vers af.

Ook in de weinige gevallen van zinnen met een samengest. V. blijkt deze strekking te bestaan:

322/3
Van vérren dat hi cómen sàch/ Enen somere
2221/2
Vore die ténte hi stáende vànt/ Enen eyseliken seriant.

Niet in de eenige zin met nominaal subject:

2690/1
Noit man en sach bi miere trouwen/ Enen ridder so vele gedogen.

II. Zinnen met aanloop, zonder inversie, met neutrale of nieuwe woordschikking.

1o. …S.V. 40 enkelv. V. 39 samengest. V. 1

enkelv. V. 39 1 vs. 32 Nom. S. 5 Pron. S. 27
  ½ vs. 7 Nom. S. - Pron. S. 7
2) samengest. V. 1 1 vs.   Pron. S.      

[p. 54]

Ook hier beginnen we met de belangrijkste groep: zinnen met enkelv. V. van éen verslengte met pronominaal subject (27 gevallen). Het blijkt dat hier dezelfde rhythmische typen overheerschend zijn, als bij de zinnen van het schema ..S...V. Daar echter het syntact. tusschenstuk tusschen S. en V. ontbreekt, wordt de rhythmische daling na de eerste heffing van den aanloop gevormd met behulp van praefixen, het syntactisch ontbeerlijke ‘dat’, de flexie-e van verbogen substantiva etc. Juist deze hulpmiddelen bewijzen dat in dit rhythmische type de daling na de eerste heffing onontbeerlijk is:

 

1.

212
Van sinen órsse dat hi scoèt
1432
In haren ráde dat si vànt
1443
Toten bédde dat si quàm
1794
Ten rídder waert hi verlaisiért
2501
Uten castéle hi verlaisièrt
4406
Tote haren múle dat si lifèp
4657
In hare cámere dat si liép

2.

270
Enen castéel si vernàmen
365
Sine pérde hi ontspièn
375
Sijn plóechyser hi bròchte
554
Sinen díescinkel hi bràc
1793
Sinen scílt hi embrachièrt
1829
Hare scáchte si vernámen
3246
Sinen scílt hi embrachièrt
3521
Ene wóuteyke hi droèch
3793
Dat aertsóen hi begreèp
4765
Sinen scílt hi embrachièrt.

Al deze verzen richten zich naar het rhythme - -́ - -̀. Ook naar den inhoud zijn zij eenvormig.

Zoodra het subject onmiddellijk wordt voorafgegaan door een substantief, ontstaat weer het bekende type met twee heffingen: - -́ - -́ -̀:

333
Sijn hánt in sknapen tógel hi sleèt
1966
Geene ánder avontúre hi vànt
5105
Enen scílt ane sinen háls hi droèch

Ook het vers met verzwaarden aanloop komt hier voor (- -́ -́ - -̀)

[p. 55]
332
Sine gróte cólve dat hi bròchte
2330
Enen vásten scílt hi gréep
2501
Met lúder stémmen hi craihièrt
2630
Haer éerste geréchte dat si àten.

Verzen zonder rhythmischen voorslag zijn ook hier zeldzaam:

1786
Hárde tórnech dat hi wàrt.

Twijfelachtig is het rhythme van:

371
Ütermaten sére hi rán
 
Utermáten sére hi rán
 
Ütermáten sére hi rán.

Zware heffing van het verbum finitum schijnt onvermijdelijk te zijn in éen geval:

3686
Blídelike dat si áten.

De zinnen, die een half vers beslaan, leveren weer het bewijs, dat de dichter er bij dit syntactische schema naar streeft, het werkwoord aan het verseinde te plaatsen:

314b
(Die knape versachse) niet sére hi loèch }
378b
(Sijn vader sagene) sére hi loèch }
2528b
(Die dief versaecht) niet sére hi loèch }
2982b
(Keye horde toe) niet sére hi loèch }
2314b
(Die ridder sachse) lúde hi riép }
3766b
(die hi begreep) wel lúde hi seìde }
475b
(Hi greepene) Int geréide hi sprànc.

De groepeering wijst op de eenvormigheid van den inhoud.

 

De zinnen met nominaal subject leveren door onzekerheid van de plaats der zware heffingen het bewijs, dat het pronominale subject een onmisbare omstandigheid is bij de vorming van het typische rhythme:

321
{ Achter die plóech die cnápe làch
 
{ Achter die plóech die cnape làch
2629
{ Ter táflen výftien rídders sàten
 
{ Ter táflen vijftien rídders sàten.
[p. 56]

Beter voegen zich naar het gewone rhythme:

4210
Stáphants dat parlemént scìet
5343
Léttel hem sine wápine verwàgen.

2o. …S.V. … 9 samengest, V. 2 enkelv. V. 7

enkelv. V. 7 1 vs. 1 Nom. S. 1 Pron. S. -
  2 vz. 6 Nom. S. - Pron. S. 6
samengst. V. 2 1 vs. 1 Nom. S. - Pron. S. 1
  2 vz. 1 Nom. S. 1 Pron. S. -

1 enkelv. V. 2 vz. Pron. S.:

122/3
Enen gróten cóp hi nàm / In sine hant van roden goude
550/1
Met béiden hánden dat hi nàm / Sinen scacht
812/3
Sine dóchter hi vernàm / Étende metten jónchere
3364/5
Met béden hánden dat si nàm / Verbolghenlike dat seisenkijn
3548/9
Órs ende gheréide hi smeèt / In tween sticken
4766/7
Ten cóninc wert hi verlachièrt / Die witte ridder.

Al deze zinnen zijn zoo gescheiden, dat het verbum aan het verseinde staat. De rhythmische typen zijn geheel regelmatig. Hetzelfde geldt van den eenen zin met samengest. praedicaat:

3280/1
Up ene héide dat hi sièt / Van verren hoeden scapelkine.

Ook hier gaan de beide gevallen met nominaal subject tegen de regels in:

72
Noit man sach so rikelijc dinc
4193/4
Int here die coninc Galarant / dede houden sijn parlament.

In geen van beide zinnen staat het verbum aan het verseinde. De plaats der zware heffingen is onzeker.

Algemeene slotsom ten opzichte van dezinnen met aanloop zonder inversie.

A. Verband van syntaxis en rhythme:

I. Syntactische vormregelmaat gaat samen met rhythmische overeenkomst. Bewijzen:

[p. 57]
1.
de groepeering der zinsgroepen naar rhythm. typen.
2.
zoodra het regelmatige pronominale subject wordt vervangen door een nominaal, ontstaat een afwijkend rhythmisch type.

 

II. De syntactische bijzonderheid van de achteraanplaatsing van het werkwoord berust op een rhythmischen grond; bewijs: zoowel de zinnen van twee verzen als van een half vers worden zoo gesplitst of geplaatst, dat er verzen ontstaan van het schema …S.… V. (… S.V.).

 

III. Het syntactische verschil tusschen de zinsvormen …S.V. en …S.…V. wordt rhythmisch genivelleerd door de rekbaarheid der daling na de eerste heffing.

 

IV. De syntactisch en rhythmisch bijeenbehoorende zinsgroepen vertoonen nu en dan een groote eenvormigheid van inhoud.

B. Rhythmische verschijnselen:

I. Het verbum finitum draagt slechts bij hooge uitzondering een rhythmische zware heffing.

 

II. Het pronominale subject is door zijn rhythmische toonloosheid uitermate geschikt voor de plaatsing in het zinsmidden, in de rhythmische daling na de zware heffing van den aanloop.

 

III. In de besproken verzen staat een substantief slechts bij hooge uitzondering in een rhythm. daling.

 

IV. De syntactisch omvangrijke en rhythmisch zware aanloop is het alles beheerschende zins- en versdeel.

 

V. Het getal zinnen zonder voorslag is zeer gering.

 

VI. We komen tot de volgende rhythm. typen:

1. - -́ - -̀- -́ -́ - -̀
2. - -́ - -́ -̀- -́ -́ - -́ -̀
3. -́ - -́ -̀-́ - -́ -̀

[p. 58]

II. Zinnen zonder aanloop met oude woordschikking.

Het is nu de vraag, of ook de zinnen met afwijkende woordorde, die niet door den syntactisch en rhythmisch zoo belangrijken aanloop worden gekenmerkt, scherp omlijnde rhythmische typen vertoonen.

 

1o. S.…V. 56 enkelv. V. 52 samengest. V. 4.

enkelv. V. 52 tusschen S. en V. ‘ne’ 13 anders 39

ander tusschenstuk dan ‘ne’ 39

1 vs. 37 Nom. S. 37 Pron. S. -
2 vz. 1 Nom. S. 1 Pron. S. -
½ vs. 1 Nom. S. - Pron. S. 1

Evenals in de vorige zinsgroepen de aanloop, draagt hier het nominale subject de eerste heffing. Maar zijn rhythmisch overwicht is te gering, om het vers te beheerschen. Verzen met éen zware heffing komen niet voor.

Van de 37 zinnen van éen vers met Nom. S. richten zich er 15 zonder moeite naar het rhythm. type - -́ - -́ -̀:

764
Die jóncfrouwe in die cámere scoèt
992
Een mántel hem ane den háls hínc
1801
Dat ijser hem bider síden leèt
2353
Die hélm hem saen op dérde làch
2462
Fergúut vollike dánen réet
2593
Fergúut vollec ‘dánen vòer
3337
Een wáter omme den casteél scòet
3412
Fergúut toten scílde lìep
3547
Die bóem hem bi den hóefde leèt
3550
Fergúut sere vervaért wàs
3611
Twee jóncfrouwen daer ín sàten
3685
Die jóncfrouwen bí hem sàten
4542
Lunétte tote háre quàm
4838
Die rídder doe ván hem scìet

Vier verzen zonder voorslag: -́ - -́ -̀

60
Sélve hi enen hóren nàm
104
Élc doe enen hónt nàm
[p. 59]
1828
Élc doe van hem besíden scoèt
3607
Lókefeer aldus dóet bleèf

De grootste helft der 37 gevallen echter kan men niet volgens een bepaald type lezen. Men neigt tot eenvoudige scansie volgens versvoeten. En wat van groot gewicht is: bij een aantal heeft het verbum finitum een heffing:

423
{ Die dórpre sijn wýf wél verstoét
 
{ Die dórpre sijn wýf wel verstoét
459
{ (Een wítte brónie daer méde wàs
 
{ Een witte brónie daer méde wàs
776
Fergúut hem álgader séide
1003
{ Die knápe wél sinen wért verstoèt
 
{ Die knápe wél sinen wért verstoét
1213
{ Galiéne vóllijc gegréep
 
{ Galiéne vollijc gegréep
1271
{ Die ríddere haer noit wórt en seíde
 
{ Die ríddere haer noit wórt en seìde
1156
{ Een gróet wáter daer ómme scoèt
 
{ Een groet wáter daer omme scoèt
1249
Galiéne sére versúcht
1305
{ Die goede man wél verstoét
 
{ Die g´oede m´n wél verstoét
1653
{ Fergúut een stíc stílle staèt
 
{ Fergüut een stic stílle staèt
1803
{ Die swérte Fergúut wéder stàc
 
{ Die swerte Fergúut wéder stàc
2380
{ Fergúut een twínt hem niet verbóet
 
{ Ferguut een twínt hem niet verbóet
2390
{ Die éen wel ánders sláge kènt
 
{ Die éen wél ánders sláge kènt
2559
{ Fergúut so sére ná hem rýt
 
{ Ferguut so sére ná hem rýt
2563
Fergúut hástelike versách
2393
Élc den ándren oec ontsách
3608
{ Fergúut léttel róuwe dreèf
 
{ Ferguut léttel róuwe dreèf
5520
{ Ártur die cóninc sijn vólc nàm
 
{ Artur die cóninc sijn vólc nàm

De 13 zinnen van het schema S...V. met ‘ne’ als tusschen-

[p. 60]

stuk beslaan, gelijk te verwachten is, slechts een half vers en bieden dus niets opmerkelijks ten opzichte van het rhythme1).

 

2o. S.… V.… 87 enkelv. V. 50 samengest. V. 37

enkelv. V. 50 tusschenstuk ‘ne’ 37 anders 13

tusschenstuk ‘ne’ 37 1 vs. 26 Pron. S. 20 Nom. S. 6
  2 vz. 5 Pron. S. 2 Nom. S. 3
  ½ vs. 6 Pron. S. 6 Nom. S. -

De belangrijkste groep is die der zinnen van 1 vs., met ‘ne’ als scheiding van S. en V., en pronominaal subject. Het kan niet uitblijven, dat deze zinnen een typischen rhythmischen vorm vertoonen. Immers alleen in dezen zinsvorm is scheiding van S. en V. bij pronominaal S. mogelijk gebleven. Dit pronominale subject, verbonden met ‘ne’ en het verbum finitum, vormt een lange rhythmische daling als versopening.

 

Het rhythmische zwaartepunt verschuift naar het verseinde, zoodat er een type ontstaat2): - -́ - -́

278
Hine ontsiet assaú;t no meswénde
526
Hine duchtese álle niet een riét
720
Hine hadde gene dóde chiére
1702
Dit en was Fergúut niet léet
1752
Hine hadde niet wíts dan den tánt
1790
Hine prijst hem niet wért ene pére
2464
Hine vergat niét sinen sc´cht
2609
Hine vant avontúre engéne
2617
Het ne was niet wél te sinen wílle
3026
Hine at él niet dan rachíne
3279
Hine horde vanden scílde níet (= niets)
4297
Hine hadde niet twée en dertich jáer
5184
Hine hilt heme níet over bedrógen

Enkele verzen zijn er, waar men nog een derde zware heffing

[p. 61]

zou kunnen aannemen; maar ook in die gevallen blijft het verbum finitum onbetoond en heeft het rijmwoord een heffing:

1116
{ Hine was nóit te gemáke bát
 
{ Hine was noit te gemáke bát
1426
Sine werdes quíte in ál haer léven
1703
{ Hine was noít eér so blíde
 
{ Hine was noit eér so blíde
2816
{ Hine maecte geén groét gedálsch
 
{ Hine maecte geen groét gedálsch.

Neiging om het verbum finitum te lezen met rhythm. zware heffing, heeft men alleen in:

374
Hine groéten niet een twínt.

Het is van gewicht, aan te toonen, dat ook andere zinnen met ‘ne’ als tusschenstuk en pronominaal subject een voorkeur voor dit eigenaardige rhythme hebben:

1. zinnen van het schema S. ne V.… met den omvang van een half vers vormen met de andere vershelft den zelfden versvorm:

311
Hine voer niet sére (waer den télt) / Quam hi gereden
1612
Hine hadde een lét niet (en swoer hem sére)/
2184
Sine es níet (daer si was te vóren)/
2632
Hine sprac wórd (no en hiesch dwáen)/
3022
Hine waent niet (dat men mocht scóuwen)/

2. de zinnen van den omvang van twee verzen:

3456
Hine gecreech nóit ére/ Op gene wile so grote noot
4927
Die rike coninc Galarant/ Hine wilde rídder no seriánt.

3. ook de zinnen met samengesteld praedicaat:

S.… V.… 37 gev. ‘ne’ 31 grooter tusschenstuk 6

‘ne’ 31 1 vs. 24 Pron. S. 18 Nom. S. 6
  2 vz. 4 Pron. S. 4 Nom. S. -
  ½ vs. 3 Pron. S. 3 Nom. S. -

[p. 62]

We beginnen met de belangrijkste groep, zinnen met ‘ne’ van één vers, met pronominaal subject:

276
Hine wilde daer hebben niémens cómen
1095
Hine mochte niéuwer sijn verwónnen
1181
Sine mochte niet sijn bét dan in háre
1269
Sine dorste hem gewágen níet
1584
Hine canne gebínden ane die sténe
2216
Hine conste noit vínden sijn genóet
2530
Hine hadde niet sulke stéke geléert
2613
Hine hadde géten in drién dágen
3044
Hine hadde gedrónken in twáelf dágen
3461
Hine conste sijn huút niet ontgínnen
4112
Hine conste die swérde niet dorsién
4763
Hine lieten rústen, léttel no véle.

Al deze verzen hebben het type: - -́ - -́ of - -́ - -́ - -́ .

Er zijn een aantal verzen, vooral met een infinitief aan het zinseinde en ‘niet’ als heffing, waar de derde heffing minder zwaar lijkt:

327
Hine consten níet vórt gedrìven
2052
Hine salse níet verdríven cònnen
3480
Hine conster niét wel uút geràken
3597
Hine liet den róse hem niet ná còmen
3740
Hine wilt níet in vérsten lèggen
3764
Hine dorste heme niét náerre gaèn.

Maar vlotter klinkt het vers met ‘niet’ in de daling; het rhythmische type blijft dan in beginsel gehandhaafd.

Zoodra het subject nominaal is, vervalt de eigenaardige inleidende daling:

455
Die dórpre en wilde némmer béiden
557
Die knápe en conste hem níet wáchten
3230
Die díeve en consten hem niét ontwínken
3802
Ferguút en dorst niet nópen.
4856
Die cóninc en wilde hem níet ontcléiden
5475
{ Niéman en dorste jégen hem cómen
 
{ (Niéman en dorste jégen hem còmen)
[p. 63]

Ook in de zinnen met omvangrijker scheiding van S. en V. dan ‘ne’ alleen, is het rhythme heel anders:

1110/1
Een rídder hem doe hálen ginc / Enen seacht…
4037/8
Pénnevare in córter wílen / Hadde gescreden die 7 milen.

Ook bij de zinnen met enkelvoudig verbum blijkt duidelijk, dat het bijzondere rhythmische type beperkt is tot de gevallen met pronominaal subject en ‘ne’ als scheiding van S. en V. We citeeren enkele zinnen met nominaal subject, omdat ook hier weer de eigenaardige splitsing van den zin door de versscheiding valt op te merken; ook hier ontstaat weer het bekende type van het syntactische schema S.… V., nl. - -́ - -́ -̀ :

1141
Ferguút ten cóninc órlof nàm
 
Ende ane alle sine man.
2202
Ferguút vollec d´nen rèet
 
Scilt ane hals speer in die hant.
3431/2
Dat serpént vollijc ópscoèt
 
Verbolghelike.
5110/1
Die rídder biden tógel nàm
 
Dat ors.
5227/8
Mijn her Kéye den rídder stàc
 
Up sinen scilt.

Wanneer het verbum niet het eerste vers afsluit, is het getal der heffingen onbepaald, het rhythme neutraal:

25/6
Twée gheséllen noyt éer / Ne minden mallijc andren meer
1836/7
Scílt no hálsberch méer dan een vél/ Sone halp den ridder niet.

We komen dus ten opzichte van de zinnen zonder aanloop met oude woordschikking tot de volgende slotsom:

 

1. De zinnen met ‘ne’ tusschen S. en V., met pronominaal subject vertoonen een sterk sprekend rhythmisch type. Dit type onderscheidt zich door:

a.
onbetoond verbum finitum.
b.
zwaar betoonde substantiva.
c.
Stijgend rhythme.
d.
zware heffing aan het vers-(zins)einde.
[p. 64]

Zoodra òf S. en V. door een omvangrijker zinsdeel worden gescheiden òf het S. nominaal wordt, verdwijnt dit rhythm. type.

 

2. Bij de zinnen met nominaal subject en omvangrijke scheiding van S. en V. is neiging om het in rijm staande verbum finitum een rhythm. heffing te laten dragen, niet te miskennen. Vele verzen hebben een neutraal rhythme. Andere groepen richten zich naar het verstype - -́ - -́ -̀ , het belangrijkste type van de zinnen met aanloop.

 

3. De zinnen zonder aanloop met oude woordschikking zijn dus rhythmisch veel minder eenvormig dan de zinsgroepen met aanloop.

 

Er is tusschen de verzen van het rhythm. type - -́ - -́ en een der meest geliefde verstypen van den Heliand-dichter een zoo opvallende overeenkomst, dat we niet kunnen nalaten enkele voorbeelden naast elkaar te plaatsen.

Men vergelijke:

Ferg. 1752
Hine hadde niet wíts dan den tánt
2617
Het ne was niet wél te sinen wílle
1702
Dit en was Ferguút niet leét.

met:

Hel. 652b
Si ni habdun thanan gisī́đeas mḗr
785b
he ni was ōđrun mánnun gilī́k
1829b
ne wārun an themu lánde gewú;no.
5302b
ni was im hági twī́fli.

Men vergelijke:

Ferg. 276
Hine wilde daer hebben níemens cómen
1269
Sine dorste hem gewágen níet
3461
Hine consten syn húut niet ontgínnen.

met:

Hel. 1671b
Si ni kunnun ēnig fého wínnan
4977b
He ni welda thes thō géhan éowiht
5541b
Hie ni welda thōh thia dā́d wrékan
5965b
Hie ni welda ina thuo noh kū́đian te ím
[p. 65]

Samenvatting der rhythmische kenmerken van de zinsgroepen met afwijkende woordorde.

1. Voor zoover de zinnen een versregel beslaan, wordt de afwisseling van heffing en daling gekenmerkt door enkele zeer bijzondere rhythmische typen, die verschillen al naar gelang van de syntactische vormen der zinsgroepen.

2. Kenmerken van alle typen zijn:

a.
rhythme zonder voorslag is uitzondering.
b.
éen, twee of drie zware heffingen gescheiden door rekbare rhythmische dalingen. In verzen met drie heffingen worden er twee meestal gedragen door een syntactisch nauw verbonden woordgroep. Verzen met éen heffing zijn alleen mogelijk bij stijgend rhythme in zinnen met aanloop.
c.
het verbum finitum staat niet in zware heffing. De heffingen worden gedragen, bij voorkeur, door substantiva, den zin openende adverbia (niet door ‘doe’ ‘nu’, ‘daer’, ‘dus’), gepraefigeerde adverbia en verbaalnomina.

Hoe verleidelijk het moge zijn, vergelijking van deze uitkomsten met de algemeene beginselen van het oud-germaansche zins- en vers-rhythme moet worden opgeschort, totdat bovenstaande regels van afwijkende zinscontructies met de algemeene kenmerken van het mnl. epische vers zijn vergeleken.

Vragen we ten slotte, welke zinsvormen het meest voor de hand lagen, wanneer een dichter het oude rhythme wilde behouden, maar de verouderde woordschikking vermijden. We komen dan tot een vooral in verband met de omschrijving van het aoristisch praeteritum1) eigenaardige oplossing:

[p. 66]

Stel dat de dichter de oude woordorde wil vermijden in een zin (vers) als:

 
In hare cámere dat si lièp.

Door het gebruik van inversie komt dan het verbum finitum in de daling. De bijtoon in het rijm kan worden gedragen door een aor. adverbium:

 
In haer cámere liep si doé.

Een andere oplossing is het gebruik van het omschreven perfectum:

 
In haer cámere es si gelópen.

Hoe gering is bijv. het verschil tusschen:

 
Mettién si den hért vernàmen
 
en: Mettién hebben si den hért vernòmen.

Ook andere samengestelde praeterita, die in het latere epos veelvuldig worden gebruikt zonder belangrijk syntactisch verschil met het enkelvoudige verbum finitum, kunnen beschouwd worden als een middel ter vermijding van de oude woordschikking:

1834
Haer órsse moesten op dérde kniélen

luidt in antieken zinsvorm:

[p. 67]
 
Haer órsse op dérde knièlen.

Rhythmisch verschil is er alleen in de lengte der daling.

Ook in zinnen zonder aanloop kan, behalve door bovenstaande omschrijving met ‘moeten’, aan den eisch der nieuwe woordschikking worden voldaan door een zinsvorm met rijmend adverbium:

 
Die jóncfrouwe in die cámere liép

is, wat rhythm. heffingen betreft, geheel gelijk aan:

 
Die jónefrouwe liep in die cámere doè.

Zonder ons in uitvoerige vergelijking te begeven, schijnt het toch aannemelijk, dat het verdwijnen der oude woordschikking samen moet gaan met groeiende voorkeur voor rijmende adverbia.

Het verdient de aandacht, dat de Ferguut een der weinige gedichten is met meer aoristische adverbia buiten dan in het rijm1). Ten gevolge van zijn groote vrijheid in het gebruik der oude woordschikking heeft de dichter aan de rijmende adverbia met rhythmischen bijtoon weinig behoefte.

Ook het getal der aoristische perfecta is in den Ferguut grooter dan dat der rijmende adverbia1). Gelijk we zagen, wordt door het gebruik van samengesteld praedicaat de inversie in de hand gewerkt, terwijl tòch de eigenlijke werkwoordskern aan het verseinde behouden blijft.

De volgende aanhalingen toonen, hoe door de syntactische afwisseling van zinnen met oude woordorde en andere met samengesteld praedicaat de rhythmische welluidendheid van het geheel wordt bevorderd:

3579
Toten rídder es hi còmen
3580
Ende heften bi den hálse genòmen
3581
Onder sinen áerm hine sloèch
3582
Dápperlike hine wéch dròech.
[p. 68]

Hoeveel stijver zou hier klinken:

3579
Toten rídder hi doe quám
3580
Biden hálse hine nàm
3581
Onder sinen árme hine sloèch
3582
Dápperlike hine wéchdroèch.

Een geheel gelijke schikking in:

1971
Ten castéle es hi savons còmen
1972
Ende heft den goéden mán vernòmen
1973
Onder die pórte hine vànt
1974
Enen válke haddi op sine hànt.

Samengesteld praedicaat, oude woordschikking en rijmend adverbium wisselen elkaar af in de volgende drie rhythmisch gelijkwaardige zinnen:

364
Te sire plóech quam hi gegàen
365
Sine pérde hi ontspièn
366
Ten castéle liep hi mettièn.

Leysin (Zwitserland).

 

g.s. overdiep.

1)Leesteekens zijn bij het aanhalen van mnl. verzen (althans aan het einde der versregels) een belemmering voor de onbevangen beoordeeling van zinsrhythme en zinsscheiding.
2)Men vgl. de uitkomsten der studie van John Ries in zijn twee boeken:
1.
Die Stellung von Subject und Prädicatsverbum im Heliand, Q. F. 41.
2.
Die Wortstellung im Beowulf (Halle 1907).
en de recensie van het tweede boek door Delbrück, A.fd.A. 31, blz. 65.
1)Twijfelgevallen zijn bijv.:
2490
Die strate hi so lange reet
1
Enen casteel hi voer hem sach
2
Daer over ene brucge lach
3
Die ginc tote over die riviere.
Om te beslissen of 2492 en 2493 relatieve zinnen zijn, moet men eerst weten, in hoeverre in den Ferguut bij gecoördineerde zinnen inversie en bij gesubordineerde zinnen scheiding van Subject en Verbum regel is; vgl. verder bijv. vs. 999, 1580, 3766.
2)Vgl. noot blz. 39.
3)Uitgezonderd zijn, gelijk bij een onderzoek naar de schikking van subject en praedicaat van zelf spreekt:
a. Zinnen zouder grammaticaal subjectswoord:
5318
Die coninc Artur voer te hove.
Ontbeet een lettel. Voer te velde.
Het bewijs dat de interpunctie tusschen deze eigenaardige zinnen gerechtvaardigd is, moet natuurlijk nog geleverd worden.
b. Zinnen zonder grammaticaal praedicaatsverbum:
1186
Haer ansichte lanc ende recht
Wit alse een snee te poente roet.
Verder zijn, om het materiaal gelijkmatig te houden, de volgende bijzondere zinsgroepen niet er in verwerkt:
a. Zinnen die in de oratio obliqua staan.
b. Zinnen met een ‘onpersoonlijk subject’.
c. Zinnen die met andere zijn vervlochten, bijv.
2149
Sijn bliscap die hi hadde gistermorgen
Sal hem gewisselt sijn al in sorgen.
1)‘Zinsaanloop’ noemen we synt. woordgroep vóor subj. of praedicaat, die in de duitsche vaktaal den naam van ‘Spitze’ of ‘Spitzenbestimmung’ draagt.
1)Daar is de inversie zonder aanloop nog niet beperkt tot de vragende en bevelende zinnen.
(Bijv. Eode scealc monig to sele þam hean).
1)Wel te verstaan gelden de gegevens van Beow. en Hel. voor verhaal en Oratio Recta te zamen. De Ferguut in zijn geheel zou een veel minder archaïstisch karakter vertoonen: dit alles eischt echter een uitvoerige statistische vergelijking in verband met andere synt. verschijnselen. Aan den anderen kant zou men voor het eindoordeel moeten weten, hoe in Beow. en Hel. de verhouding is tusschen Oratio Recta en verhalende gedeelten. Hiermede heeft Ries geen rekening gehouden.
1)Hier worden alleen de statistische verhoudingen vergeleken. De bewijsplaatsen der zinnen met afwijkende woordschikking volgen in het tweede gedeelte: blz. 46 en vg.