begin  verderprepost
[p. II]
Aan de nagedachtenis van mijn vader
Voor mijn moeder en mijn vrouw
[p. V]

Voorwoord

Wie lang na het afstuderen zijn proefschrift schrijft, heeft te velen te danken voor wat hij van hen geleerd heeft, dan dat een opsomming mogelijk zou zijn. Enkele uitzonderingen wil ik echter maken.

 

De gedachte dat mijn leermeesters Romein, Niermeyer en Suys niet meer in leven zijn, stemt weemoedig. Op de hun eigen, zo verschillende wijze hebben zij allen mijn houding tegenover wetenschappelijke vraagstukken blijvend beïnvloed.

Het meest mis ik op dit ogenblik de aanwezigheid van Donkersloot, aanvankelijk leermeester, later vriend, en tenslotte vriend èn wetenschappelijk leidsman: het is bij Donkersloot dat ik aanvankelijk gepromoveerd zou zijn. Dat hij ernstig ziek werd en overleed juist in de periode dat ik, als medewerker aan zijn Seminarium, in een geheel nieuwe relatie tot hem gekomen was, is een van de verdrietigste ervaringen van mijn leven geweest.

 

Aan Uw sprankelende colleges, hooggeleerde Presser, bewaar ik de herinnering als waren het gesprekken.

Aan niemand, hooggeleerde Hellinga, heb ik zoveel te danken als aan U waar het gaat om inzicht in het wezen van de literatuur, en in de wijze waarop wij ons daarmee zinvol bezig kunnen houden.

 

Dat ik U, hooggeleerde Kamerbeek, als laatste noem, is slechts om zulks met destemeer nadruk te kunnen doen. Van alle problemen die de verhouding promotor-promovendus schijnt te kunnen oproepen, heb ik niets gemerkt. Dat ik het schrijven van dit boek geen ogenblik als een taak gevoeld heb, doch alleen als een intensief plezier, waarvoor ik óók geopteerd zou hebben wanneer ik zonder praktische overwegingen tussen deze en andere bezigheden had kunnen kiezen, is in de eerste plaats het gevolg van Uw houding als promotor: aandachtig en zakelijk, als de persoonlijk betrokkene die U in alles voor Uw medewerkers weet te zijn.

[p. VI]

Natuurlijk ben ik verder veel dank verschuldigd aan diegenen die bepaalde gedeelten van mijn boek, of zelfs het geheel, hebben willen lezen en van kritische kanttekeningen voorzien, en daarbij denk ik in de eerste plaats aan Drs. J.G. Kooij. De sporen van hun medewerking mogen voor de lezer onzichtbaar gemaakt zijn, zijzelf zullen geen moeite hebben, deze terug te vinden.

Dat Michael Rigelsford bereid bleek te zijn, de Samenvatting te vertalen, is voor mij bijzonder gelukkig geweest; er zullen maar zeer weinigen zijn die een vergelijkbare kennis van de opvattingen van Nederlandse critici hebben, ook in Nederland zelf.

Dat het plezier van wetenschappelijk werk in niet geringe mate afhankelijk is van het apparaat waarover men kan beschikken, weet iedere onderzoeker. Wij Amsterdammers zijn zo fortuinlijk, de Universiteitsbibliotheek met zijn hoffelijke en bereidwillige personeel ter beschikking te hebben. Wie enkele van de grote buitenlandse bibliotheken kent, weet dat de kondities lang niet overal zo gunstig zijn. Dat ik door de bereidwilligheid van mejuffrouw W. Schuhmacher en de heer M. Schuhmacher bovendien nog die boeken en tijdschriften heb kunnen lezen die als - ook in de bibliotheken - onvindbaar gelden, heeft de omstandigheden voor mij nog gunstiger gemaakt.

 

Wat ik aan mijn ouders te danken heb, ook waar het de gelegenheid betreft mij met wetenschappelijke vraagstukken bezig te houden, kan ik niet anders uitdrukken dan door de geboden mogelijkheden zo volledig te verwezenlijken als in mijn vermogen ligt.

 

Tegenover mijn vrouw en kinderen, tenslotte, past niet zozeer een dankwoord als een verontschuldiging, voor de wijze waarop ik, als ik aan het schrijven was, een vreemde eend in hun bijt placht te worden. Aangezien als exkuus zelfs niet het argument aangevoerd kan worden dat de eend zich na afloop als zwaan ontpopt heeft, moet ik maar hopen dat zij mij zullen vergeven en mijn gedrag willen zien als een van die afwijkingen van het gewone menselijke patroon die vaders en echtgenoten nu eenmaal vertonen.

prepost  begin  verder