terug  begin  verderprepost
[p. 185]

V De Vrije Bladen

[p. 187]

15 Algemeen

De Vrije Bladen, het is algemeen bekend, zijn zonder scherpe overgang uit Het Getij voortgekomen. Alleen al de samenstelling van de redaktie van de eerste jaargang, Herman van den Bergh, Werumeus Buning en Van Wessem, toont dat aan: een Getij zonder Groenevelt.1

De Vrije Bladen is alleen in zoverre geen heterogeen tijdschrift geweest, dat vooral de jongeren van die periode zich in zijn kolommen hebben kunnen uitspreken. Maar in de loop der jaren bleek dat niet alleen zij die rond 1900 geboren werden welkom waren. Van tijd tot tijd kan men weliswaar een wat meer programmatische koers konstateren, maar dat is vooral, een gevolg van de openheid van het blad, die maakte dat een sterk dominerende figuur gedurende enige tijd zijn stempel op het geheel kon zetten, zonder dat van een blijvend ‘engagement’ sprake was. Marsman bijvoorbeeld profiteerde twee maal van die mogelijkheid.

De eerste jaargang wordt nog beheerst door het zeer goede, maar niet programmatische, essay van Van den Bergh ‘Over Guillaume Apollinaire’. Het wekt verbazing dat deze studie, de omvangrijkste en breedst opgezette van Van den Bergh tot op dat ogenblik, zo weinig aantoonbare resonantie heeft gewekt. Mogelijk is het juist de opzet geweest die een sterkere werking heeft belet: evenveel nadruk op de figuur en zijn achtergronden als op de poëzie, overwegende aandacht voor de kontinuïteit, zodat de revolutionaire kant van Apollinaire's werk òf als onderdeel van een meer traditioneel geheel gezien wordt, òf zelfs uitdrukkelijk verworpen (Calligrammes!). Voor direkte invloed op de jongeren zou eerder een programmatisch betoog, met alle bijbehorende effektvolle eenzijdigheid, nodig geweest zijn, dan dit evenwichtige opstel.

De andere Franse modernist die in deze eerst jaargang minder expliciet

[p. 188]

maar even onontkenbaar, haast als schutspatroon zelfs, aanwezig is, Cocteau, gaf van nature al geen aanleiding tot theoretische verhandelingen. Kelk en Chasalle (Van Wessem) tonen, metterdaad, een voorkeur voor Cocteau's kultivering van de spel-houding1, en dat betekent tevens: een geringe belangstelling voor literatuurbeschouwing. Het allereerste nummer, onvermijdelijk een visite-kaartje, zet in met 43 pagina's van het fantaisistische toneelstuk De terugkeer van Don Juan (Chasalle - Kelk) en brengt vervolgens, behalve het eerste deel van Van den Berghs Apollinaire-essay: poëzie van Werumeus Buning, Slauerhoff, Hendrik de Vries, een verhaal van Houwink - die de eerste twee jaar een grote rol speelde - en een kort ‘In memoriam’, gewijd aan Radiguet (Van Wessem). Nadruk op het scheppende werk dus.

De hele eerste jaargang is voor ons minder van belang om de gepubliceerde bijdragen (al mag een essay als dat van Slauerhoff over Rimbaud met ere genoemd worden2), dan om wat zich als toekomst aankondigt. Dit komende is vooral zichtbaar in de bijdragen van Marsman die tegen het eind van de jaargang een grotere rol gaat spelen. Zijn positie-bepaling tegenover Wies Moens mag gelden als een gebiedsafbakening tussen humanisme (zoals Marsman het noemt) en Vrije Bladen-vitalisme (zoals dat zich nu in allerlei vormen gaat uitspreken). In dat verband dient de lezer zich te realiseren dat 1924 ook het jaar is van Nieuwe geluiden - de welkome maar aanvechtbare presentatie van de jongeren door een auteur met gevestigde reputatie. In de poëzie van Moens ziet Marsman een vorm-modernisme dat niet door een nieuwe houding tegenover de werkelijkheid bepaald wordt, en op die grond veroordeelt hij het. Dit standpunt ligt dichter bij dat van Herman van den Bergh in diens Apollinaire-essay dan bij dat van de Vlaamse expressionisten, al is er natuurlijk wel aanraking met de opvattingen van Van Ostaijen (50% zou deze zelf gezegd hebben).

Jaargang 1925 mag gelden als de ‘eerste periode Marsman’ van De Vrije Bladen, een kort maar onstuimig tweede bedrijf van het nogal bezadigd begonnen stuk. De redaktie is in handen van Marsman en Houwink; Van den Bergh, Buning, Kelk en Van Wessem vormen de redaktieraad. In dit jaar publiceert Marsman zijn klaroenstoten: ‘De positie van den jongen

[p. 189]

Hollandschen schrijver’, ‘De sprong in het duister’, ‘Thesen’, ‘De tweesprong’. Toch zou het onjuist zijn, deze korte, felle stukken te zien als revolutionair. Op heel beslissende punten kan zelfs het tegendeel volgehouden worden.

De tweede jaargang is trouwens in zijn geheel minder uitgesproken modernistisch (want breder van basis), dan de eerste. Wij treffen als nieuwe medewerkers aan: Pijper, Hammacher, Van Vriesland, Bloem, Nijhoff, Donker, Den Doolaard, Engelman, Ter Braak, - dichters uit de kring der Beweging naast jongeren, en daar weer traditionalisten naast modernisten. Herman van den Bergh blijft, gezien de publikatie van de gehele bundel De spiegel in het blad (ingeleid door Binnendijk), op de erestoel, maar voor het eerst krijgt men het gevoel dat die zetel niet meer helemaal tussen de levenden staat. De nog jaren later voor Binnendijk en anderen moeilijk te verwerken stap naar de achtergrond van Van den Bergh, wordt op dit moment gedaan. Of Marsmans verhevigde aktiviteit mede oorzaak is van het zwijgen van Van den Bergh, of dat het eerste juist eerder gezien moet worden als gevolg van het tweede, als een half-bewust ‘overnemen van de wacht’, laat ik in het midden. Feit is, dat Marsman het hoogste woord voert in de tweede jaargang, maar niet minder dat zijn ophitsende stukken voor de lezer van nu minstens evenzeer zelfophitsing lijken als aanvuren van leeftijdsgenoten.

Toch zijn deze artikelen van beslissend belang voor wat De Vrije Bladen juist op het gebied van de literatuurbeschouwing gaan vertegenwoordigen. De felle, ‘nieuwe’, allure van Marsmans stukken kan het feit niet verdoezelen dat de opvattingen die hij heeft over de aard van het literaire werk zich nauw aansluiten bij die van Nijhoff. In ‘De positie van den jongen Hollandschen schrijver’, waarmee de jaargang opent, wordt dat duidelijk. Hier ook duikt voor het eerst een term op die men de Vrije Bladen-samenvatting mag noemen van Nijhoffs ‘vormtheorie’: kreativiteit. Maar evenzeer vindt men hier de afstand tussen Nijhoff en Marsman vastgelegd, in de nadruk op het vitale element in de omzetting van ‘leven’ in ‘poëzie’. De beroemd geworden beeldspraak is veelzeggend:

‘het moderne leven [...] is een tumult van gevoelens en driften, een brullende chaos. Poëzie daarentegen is stilte, en orde.

Men wil de poëzie als onmiddellijke uiting van modern leven. Men wil [...] een borrel uit de kruik-(des-levens), opgevangen in het glas der: “uiterlijke vorm”. Men vergist zich; het proces is anders: graan wordt omgestookt tot jenever (graan-des-levens tot jenever-der-poëzie).

[p. 190]

Vorm is geen omhulsel; maar organisch bindweefsel. De andere opvatting is anti-creatief. -

Ge wilt, nochtans, direct verband tusschen leven en kunst? ziet hier: creeëren is voor den dichter het vervullen der opperste levensfunctie.’1

Hier krijgen Nijhoffs ‘rustige’ opvattingen de dynamische voordracht, die ze voor de jongeren toegankelijk maakt als eigen waarheden. Vele jaren lang mag men in de bijdragen van vrijwel alle medewerkers de theorie die hier in kort bestek wordt voorgedragen aanwezig achten, op zijn minst als medebepalend element. Wanneer wij bijvoorbeeld het woord ‘kreatief’ ontmoeten, betekent het altijd meer dan ‘scheppend’, ter onderscheiding van betogend etc.

Na deze eerste reeks bijdragen tot het vormen van een literaire ideologie, heeft Marsman voorlopig weer afstand genomen van het ‘veldheerschap’ met een artikel dat kenmerkend is voor zijn neiging om de algemene gang van zaken te zien in het perspektief van zijn persoonlijke ontwikkeling (en aangezien hij nauwelijks werd tegengesproken mag men zich afvragen of hij daarin niet gelijk had!). In ‘De tweesprong’ lezen wij: ‘De eerste jaargang der Vrije Bladen was een verzameling, geen tijdschrift; goed van inhoud, zwak van karakter, zonder krachtige lijn; exclusief (ook exclusief-literair); liever modern dan niet; maar zeer lezenswaard. De tweede werd een reactie daarop: maar blèef, doordat de medewerking nog heterogener werd (terwille van de expansie in anti-exclusieven zin, soms ook in antimodernen, in de richting van “1910”, dus): 'n verzàmeling; levendiger dan eerst, maar niet béter. [...] De eenheid ontbrak; erger: het leven ontbrak.’2 Deze karakteristiek is, ook achteraf, grotendeels juist. Maar de konklusie die er op volgt, lijkt tezeer door Marsmans persoonlijke gevoel van een katastrofe bepaald, om kenmerkend geacht te worden voor de hele groep: ‘de jonge hollandsche letteren [zijn], juist als complex, dor en verloopen. [...] De Stem, De Gemeenschap, De Vrije Bladen ... vrij goede essays en vrij slechte verzen ... maar geen leven, geen straalkracht, geen kern - [...] Laat de enkelen, die nog niet zijn gedoofd - nu alle gemeenschàppelijke grootheid vergaan is, en in geen verste verten in zicht - de kleine eigen vlam brandende houden, voor de nòg eenzamer enkelen van den komenden tijd. -’3 Het belangwekkendste in dit citaat is misschien wel dat Marsman De Stem geheel als jongerentijdschrift beschouwt...

[p. 191]

Naast de programmatische artikelen van Marsman valt in jaargang II vooral de aanwezigheid van Binnendijk op, minder luidruchtig maar voor de komende jaren niet minder belangrijk. Zijn veroordeling van de bijdragen van professor Prinsen aan De Groene brengt een nieuw element in het geding: het belang van een gespecialiseerde literaire kritiek: ‘de kritiek in handen van critici! Dan pas heeft kritiek een ruimer beteekenis, meer waarde, dan te zijn: “de meening van een enkeling”. De kritiek heeft zeker zijn historische, maar in de allereerste plaats zijn psychologische, analytische en artistieke zijde.’1 Hierin ligt reeds een standpunt besloten dat men in verband kan brengen met dat van Marsman in zijn diskussie met P.H. Ritter Jr., die nog ter sprake zal komen (en daarbij zullen de verschillen tussen Binnendijk en Marsman niet minder duidelijk worden).

De derde jaargang van De Vrije Bladen staat onder redaktie van Binnendijk, Werumeus Buning, Kelk, Van Wessem en Houwink. Marsman rol is niet uitgespeeld, maar hij heeft zich naar de achtergrond teruggetrokken, hetgeen al blijkt uit de redaktionele - licht distantiërende - bijschriften bij zijn artikelen. Houwink verdwijnt verder al spoedig van het, althans van dit, toneel. Voor het overige mag echter gesproken worden van een konsolidatie. Interessant is vooral de bijdrage van Ter Braak, ‘Antithesen’, een antwoord op Marsmans ‘Thesen’ uit de vorige jaargang, waarin de toekomstige Forum-man op sommige plaatsen haast letterlijk hetzelfde zegt als Lehning in zijn, eveneens ‘Anti-thesen’ getitelde, stuk in De Stem. Ter Braak schrijft onder meer: ‘Het individualisme, als belijdenis, is absolutisme van den vorm’; en daarmee bedoelt hij het individualisme tegen Marsman in bescherming te nemen. Enkele regels eerder: ‘De Vrije Bladen incorporeeren althans één (zij het een pover) beginsel: dat van den autonomen vorm’.2 Het zou verkeerd zijn, in die woorden een aanval op dat ene beginsel te zien; eerder is sprake van het tegenovergestelde, want wat hier vastgelegd wordt is de superioriteit van De Vrije Bladen t.o.v. de jonge katholieken rondom De Gemeenschap. Dat het beginsel als ‘pover’ gekenmerkt wordt, drukt natuurlijk wel twijfel aan de draagwijdte ervan uit.

In jaargang IV, met onveranderde redaktie, komt Ter Braak zozeer naar voren, in essays waarvan het eigen karakter steeds sterker gemarkeerd

[p. 192]

wordt (‘Het opium der vormen’, ‘Het schoone masker’: de titels zijn onthullend) dat de regelmatige medewerker G.A. van Klinkenberg zich geroepen voelt om te protesteren: ‘Zoo goed als er een Opium-der-Vormen is, is er een Opium-der-Ideeën en dat is een nog héél wat schadelijker vergif.’1 Uit Van Klinkenbergs stuk blijkt, dat de buitenwacht Ter Braak als de ware vertegenwoordiger van de Vrije Bladen groep begint te beschouwen.

In jaargang V (1928, redaktie als voren maar aangevuld met Maurice Roelants, merkwaardige keuze van dezelfde figuur als die de Forum-troïka vol zal maken) kondigt zich een come-back van Marsman aan. In ‘Varia’ schrijft hij zinnen als: ‘Vorm als contour is de uiterlijk waarneembare omgrenzing van het organisme, dat zijn ontstaan dankt aan de scheppende werking van de vorm als kracht’, en: ‘Creativiteit als norm sluit alle andere, lagere, hiërarchisch-geordende normen in.’2 De kategorische toon is niet minder aanwezig dan in vroegere stukken, maar terwijl deze tóen vaak een kompensatie voor een onzeker standpunt leek, treft dit artikel juist door de zelfbewustheid waarmee vitaliteit en kreativiteit gelijk gesteld worden’3, een zelfbewustheid die omineus is voor de toekomst van De Vrije Bladen. Het is niet toevallig dat de medewerking van Ter Braak in deze jaargang minder gemarkeerd wordt. Binnendijk kan zich met Marsmans formuleringen ongetwijfeld vrijwel geheel verenigen, Ter Braak echter heeft er steeds minder aanraking mee. Het is dan ook slechts door bijkomstige omstandigheden dat juist in die periode de Vrije Bladen-groep zich meer dan ooit als een eenheid presenteert, met het tegen het tijdschrift Nu gerichte pamflet aNti-schUnd, waaraan trouwens ook medewerkers van De Gemeenschap, en niet te vergeten de fascist Wichmann, bijdragen leverden.4 Die eenheid is een kwestie van solidariteit onder jongeren tegenover wat zij als terreur-methoden van de Nu-redakteuren beschouwden5, meer niet.

De felheid waarmee de jongeren reageerden op Nu zou kunnen doen veronderstellen dat in dit tijdschrift een houding tegenover de literatuur beleden werd, die voor ons belangwekkend kan zijn. Dit is echter niet het geval. Ondanks de veelbelovende titel van Is. Querido's berucht geworden

[p. 193]

artikel in het eerste nummer ‘Stand en bevoegdheid onzer tegenwoordige literatuur-critiek’, zoekt men tevergeefs naar een heldere opvatting over de verhouding literatuur - maatschappij, in dit tijdschrift dat zich op een principieel socialistisch standpunt beweerde te stellen.1

De volgende jaargang van De Vrije Bladen, de zesde (1929), mag men die van Marsman en Binnendijk noemen, met Van Wessem als derde man. Veel nieuws brengt die zesde jaargang overigens niet. Opvallend is vooral een scherpe redaktionele aanval op Dirk Coster (‘Antwoord aan Dirk Coster’), waarin deze te horen krijgt, dat hij ‘gelijk [wil] krijgen voor de

[p. 194]

tribune’ en ‘verzot is op het spelen van een leidende rol in de ideëele wereld’, maar: ‘ons [lust het niet] door hem ten behoeve van zijn publieke rolletje beherderd en bedaan te worden.’1

Verder lezen wij hier het befaamde artikel van Marsman, ‘De kansen van ons proza’2, dat herinnert aan de ‘manifesten’ van enkele jaren eerder. Het stuk bestaat uit een reeks apodiktische voorschriften, hetgeen het tot één van Marsmans hachelijkste uitlatingen maakt. Men zou het volledig willen negeren, wanneer dit ‘politiefluitje’ niet duidelijk effekt had gesorteerd, en wanneer de nadruk op het proza niet een nieuw element betekende in de ontwikkeling van De Vrije Bladen, - het eerste symptoom van een kentering die overigens niet in de kolommen van het blad zelf zijn beslag zou vinden.

Vermeld moet nog worden dat deze zesde jaargang een groeiend aantal poëzie-kritieken van Anthonie Donker bevat, hetgeen, gezien diens onafhankelijke positie, het blad voor een al te strikte ‘partij-lijn’ (in het teken van de kreativiteit) behoedt. Aan Matthijs Vermeulen, die door Kuyle als de beste der ‘huidige Nederlandsche essayisten’ geprezen werd, is een heel nummer van de zesde jaargang gewijd, een zeldzame eer, die vóór hem slechts aan Herman van den Bergh te beurt gevallen was, maar dat dan ook twee maal. Desondanks moet vastgesteld worden dat Vermeulens artikelen over literaire onderwerpen noch methodisch interessant zijn, noch een bijdrage bevatten tot de diskussie over de aard van literatuur en kritiek.

Een merkwaardig essay is het in vijf gedeelten gepubliceerde stuk van Van Wessem, getiteld ‘Het moderne proza’. Ik wil daar iets uitgebreider op ingaan omdat het één van de weinige studies over de aard van het proza is. In veel opzichten lijkt het een uitwerking van Marsmans ‘De kansen van ons proza’, al was het maar omdat men er niet minder voorschriften in tegenkomt. Toch verdient het afzonderlijk aandacht omdat hier een poging wordt gedaan, het verschil tussen proza en poëzie zodanig vast te stellen dat beide als volwaardige uitingen uit het betoog te voorschijn komen. Het uitgangspunt is, dat ‘door een te exclusieve aandacht voor de poëzie, [het proza] ten onzent wel wat al te zeer verwaarloosd bleef’3, een stelling die Forum een paar jaar later grootscheeps zal uitwerken! Enkele kenmerkende citaten:

‘Ik zou in het verband van mijn uiteenzetting de soort van mededeling in het proza als direct, die van de poëzie als indirect willen aanduiden.’4

[p. 195]

‘De dingen behooren [in het proza] te leven door hun opstelling der feitelijkheden, gemoedstoestanden behooren er in uit te komen door de dingen, waaraan zij aan den dag treden, zonder tusschenpersoon van den schrijver1, die den lezer iets gaat uitleggen, het geheel moet samengevat blijven in de gebeurtenis van het verhaal zonder andere hulpmiddelen dan die het verhaal biedt, zonder “fraaien” stijl, zonder “litteratuur”.’2

Essentieel voor modern proza is: ‘verkenning der werkelijkheid op de wijze van een filmcamera’.3 Deze verwijzing naar een ander medium mag ons eerder vertroebelend dan verhelderend toeschijnen, in de kring van De Vrije Bladen was hij gewoon, - en niet onbegrijpelijk, gezien het jaartal, 1929. De film had vrijwel alle jongeren in zijn ban geslagen. In een stuk van J.F. Otten, kortweg ‘Modern’ getiteld4, wordt eveneens de film gebruikt ter adstruktie van de wijze waarop de moderne schrijver met zijn materiaal dient om te gaan. Wat Otten onder ‘modern’ verstaat, omschrijft hij aldus: ‘Modern is ook het schenken van een eigen leven aan de dingen, een bestaan door eigen wetten beheerscht.’5 Men denke verder aan het verband dat Ter Braak later placht te leggen tussen zijn belangstelling voor de nieuwe film en zijn ‘esthetische periode’, en aan het feit dat ook een auteur als Binnendijk in zijn bundeling van kritische geschriften aan filmbesprekingen een plaats gaf naast de literatuurbeschouwingen. Hoe ver de invloed van de nieuwe filmers op bepaalde literaire theorieën gaat, kan hier niet onderzocht worden; het lijkt mij een dankbaar onderwerp voor een afzonderlijke studie.

Nog één opmerking over het essay van Van Wessem: er bestaat zonder twijfel verwantschap met enkele andere essays uit De Vrije Bladen, het sterkst wel met Van den Berghs Apollinaire-studie in de eerste jaargang, waar wij al lezen: ‘Die levenslust [van Apollinaire] weet alles samen te brengen; ze stelt “fantazieën” volkomen terecht mee als directe werkelijkheden voor, zonder pruderie van een “zooals” of een ander zorgelijk voorbehoud.’6 Men mag zich zelfs afvragen, of hier al niet méér staat dan bij Van Wessem.

[p. 196]

Jaargang VII, onder redaktie van Marsman, Binnendijk en Van Wessem weer, sluit in algemene koers aan bij VI, met één verschil: Ter Braak valt de katholieken zo onomwonden aan dat Helman en Engelman in het geweer komen. Helman stelt dat Ter Braak ten onrechte van een katholiek auteur eist, dat hij in zijn werk zijn geloofsovertuiging uitspreekt. Engelman gaat in het artikel ‘Aveuglement du coeur’ (aflevering ii) tot de tegenaanval over. De scheiding der geesten begint zich dus te voltrekken, en het is duidelijk dat het niet alleen maar om een incidentele botsing tussen een ‘antipapist’ en enkele katholieken gaat, maar eerder om het opnieuw poneren van een oude stelling: de onscheidbaarheid van levensbeschouwing en literaire uiting. Dat Binnendijk in hetzelfde nummer als dat waarin Engelman zijn artikel publiceerde, uitdrukkelijk konstateert dat diens katholicisme niet afdoet aan zijn waarde als dichter, heeft voor Ter Braak zeker tot de bewustwording bijgedragen dat het voor hem anders lag. In nieuwe termen herhaalt zich hier de tegenstelling tussen Kloos en Coster, zoals die zich in 1912 openbaarde.

Beslissend was vooral dat er twijfel ontstaan was aan een fundamentele stelling van de Vrije Bladen-groep: de waarde van een gedicht wordt niet bepaald door de ‘materie’ waaruit het ontstaat. In het eerste nummer van de achtste jaargang (de laatste gewone, want met ingang van het volgende jaar ging het blad over op de kahier-vorm) lanceert Ter Braak zijn front-aanval ‘Prisma of dogma’, waarin de hele poëtica van Binnendijk op losse schroeven gezet wordt. Aan dit artikel, aan Binnendijks antwoord, en aan de diskussie die er uit voortkwam, is een afzonderlijk hoofdstuk van dit boek gewijd (p 261 vlgg), omdat het geheel een radikale verschuiving in de heersende opvattingen over literatuur en kritiek inluidde.

 

Ik heb over de ontwikkeling van De Vrije Bladen langer uitgeweid dan bij andere tijdschriften gebeurde of zal gebeuren. De reden daarvoor is duidelijk: het tijdschrift heeft een minder gemakkelijk te omschrijven algemeen programma dan bijvoorbeeld Forum1, en wordt desondanks gekenmerkt door een zekere communis opinio aangaande de literatuur en (iets minder) de kritiek. Omdat ik in het volgende een uitgebreide bespreking geef van de

[p. 197]

opvattingen van Marsman en Binnendijk (die samen de ene partij vormden bij de ‘Vorm-of-Vent’ diskussie), meende ik dat het juist was, eerst te laten zien welke denkbeelden men als voor de hele groep geldend mag beschouwen. Niet minder was het mijn opzet, aan te tonen hoezeer zich ook één van de twee voormannen van de andere partij, Ter Braak, binnen deze kring ontwikkeld heeft. Er is zelfs één jaargang van De Vrije Bladen geweest, de vierde, waarin zijn essays de toon aangaven, zonder dat men kan zeggen dat het blad in die tijd een scherpe zwenking gemaakt heeft. Het is niet juist om de Prisma-polemiek te zien als een botsing tussen De Vrije Bladen en een nieuwe groepering; eerder moet men hem beschouwen als een splitsing binnen de Vrije Bladen-groep, een splitsing die lang niet voor iedere medewerker tot gevolg had dat hij in één van beide kampen terecht kwam.

1Roel Houwink konstateert (De Vrije Bladen, jg II, p 24) dat ‘de eigenlijke Getijgroep zich in de Vrije Bladen heeft geconsolideerd en dat het restant-Getij (dat door een ongelukkig toeval den naam behield) niets te maken heeft met de z.g. Jongeren’. Zie hierover ook Constant van Wessem, Slauerhoff, p 29-30, en A.C.M. Kurpershoek-Scherft, De episode van ‘Het Getij’.
1Chasalle in ‘De drie sprongen van het heilige ik’, De Vrije Bladen, jg I, p 73 vlgg: ‘Het moderne gelijkt in zijn uiterlijk op het spel als levensfunctie’. (p 75).
2De kritieken van Slauerhoff worden in dit boek niet afzonderlijk behandeld. Weliswaar zijn zij vaak heel interessant, maar dan eerder als ‘zijlicht’ op de dichter Slauerhoff, dan om hun ‘ideologische’ belang of invloed.
1dvb (De Vrije Bladen), jg II, p 2. Wij zullen later zien dat deze uitspraak zeer dicht het standpunt nadert van Van Eyck, dat juist in 1924-'25 met emfase uitgesproken werd.
2dvb, jg II, p 321.
3idem p 322.
1idem p 70.
2dvb, jg III, p 52. Eén van de interessantste kanten aan deze vroege essays van Ter Braak is dat zij zo volledig ‘Vrije Bladen’ zijn. Een ander voorbeeld, eveneens uit de derde jaargang: ‘De ware fataliteit is: rhythme en woord, de secundaire: de aan het leven ontleende aanleiding.’ (1926, p. 173)
1dvb, jg IV, p 190.
2dvb, jg V, p 16.
3ibidem: ‘De eenige norm zoowel voor leven als poëzie is: creativiteit. In levens-zaken heet dat: vitaliteit, in poëtische mijnentwege ook: vitaliteit, poëtische straalkracht.’
4De hele lijst van medewerkers aan aNti-schUnd: Marsman, Ter Braak, Kelk, Lichtveld, Van Wessem, Engelman, Binnendijk, Wichmann, Kuyle, Den Doolaard.
5Dit vooral vanwege de houding van de uitgever (Querido) van zowel dvb als Nu.
1Enkele citaten tonen dit feit zelf, en de oorzaak ervan, voldoende aan: Redakteur A.M. de Jong, in ‘Ter inleiding’: ‘Populair gezegd: het is een zoodje in onze litteratuur. [...] De reden daarvan [namelijk van het feit dat er slechts ééndags-vliegen geproduceerd worden] is zeer eenvoudig: het steeg niet uit het bewustzijn van de tijd, niet uit het volksbewustzijn.’ (jg I, nr 1, p 2). Aan het einde van zijn inleiding verzekert De Jong zijn lezers dat de Nederlandse auteurs ‘een kunstenaarslitteratuur gekweekt hebben, waarvoor “het publiek” slechts matige of in 't geheel geen belangstelling voelen kàn’ (p 9); het eerste deel van deze zin lijkt de kant uit te gaan van een Scheltema-theorie, het tweede echter brengt de enige norm naar voren, die nu en later in het blad als een bewijs voor kwaliteit gehanteerd wordt: de grote oplage. Terecht sprak Dirk Coster van een ‘aesthetiek die in den grond zich onverbiddelijk tot de aesthetiek der best sellers laat reduceeren.’ (De Stem, 8ste jg, 1928, I, p 323).
Querido is wijdlopiger dan De Jong, maar naar proportie ook vager. De nu werkende critici, zegt hij (Jg I, nr 1, p 79), ‘openbaren een eeuwig elkaar tegensprekend, elkaar in waarde-bepaling verwoed opheffend geklets en imbeciel geredeneer’. Het geloof aan een objektieve kritiek, dat in deze bewoordingen opgesloten ligt, blijft voor de lezer een geloof, omdat de eigenschappen van de objektieve criticus zó omschreven worden dat hij er nog minder zichtbaar door wordt: ‘hooggeestelijk-levend en toch algemeen-menschelijk-voelend’ moet hij zijn, en hij behoort tot de ‘gesublimeerde, tot de creatieve naturen met breed-omgrijpend ideëel leven. Door hem gaan álle stroomingen van den tijd.’ (p 79-80). Hoe de objektieve criticus zijn archimedisch punt vindt, vertelt Querido er niet bij. Tenzij men het hieruit mag aflezen: ‘Zoodat één eigenschap alles-overheerschend in zijn wezen naar voor dringt: cosmische objectiviteit en innerlijke vastheid.’ (p 89). In zijn bijdrage tot aNti-schUnd, ‘Stand en bevoegdheid van Is. Querido's litteratuurcritiek’ (vw, deel I, p 311 vlgg), heeft Ter Braak met deze ‘theorie’ afdoend afgerekend. De grote criticus, zegt hij onder meer, is blijkbaar objektief omdat hij zo objektief is.
Querido's standpunt is in feite een echo van dat van De Nieuwe Gids. Men kan, met enige goede wil, slechts één eigen toevoeging ontdekken: de eis dat de criticus zèlf een scheppend schrijver is, een eis die de radikale konsekwentie genoemd mag worden van de meest aanvechtbare stelling van Kloos, namelijk dat de bezigheid van de criticus uiteindelijk neerkomt op een volstrekte identifikatie met de schrijver en zijn bedoelingen. Als om het evenwicht te bewaren paart Querido deze 80-ers eis aan de ‘algemeen-menschelijkheid’ waar Kloos' tegenstander van 1912, Dirk Coster, zijn kaarten op zette. In het ene noch het andere geval zegt hij iets dat voor een verdere behandeling in dit boek in aanmerking komt, - en dit vonnis geldt voor zo goed als alle andere bijdragen op het terrein van de kritiek die in Nu verschenen. Het is allemaal De Dood in de pot.
1dvb, jg VI, p 193 en 194.
2idem p 79 vlgg.
3idem p 391.
4idem p 170.
1In het voorbijgaan wijs ik erop dat dit standpunt al in 1916 door Van Wessem ingenomen werd in de eerste jaargang van Het Getij. Zie daarover ook Brandt Corstius, ‘De Nieuwe Beweging’ (De Gids, 120ste jg, nr 6, juni 1957, p 372-373).
2dvb, jg VI, p 171.
3idem p 389.
4dvb, jg IV (1927), p 119 vlgg. Het nu volgend citaat is te vinden op p 120.
5Tevens onderstreept dit soort opvattingen het ‘dingmatige karakter’ van de (moderne) letterkunde, en vormt daardoor een verbinding tussen Getij en Vrije Bladen.
6dvb, jg I (1924), p 195.
1In de tweede jaargang al, konstateerde Marsman dat De Vrije Bladen niet voldeden aan de eis: ‘Tijdschriften moeten karakter hebben; een beginsel, een idee (willen) incorporeeren en propageeren’. (p 290). Deze ‘goede eenzijdigheid’ miste hij eveneens bij De Stem, terwijl hij De Beweging noemt als een voorbeeld van een in dat opzicht geslaagd tijdschrift, evenals De Gemeenschap (dat echter aan een tekort aan talent leed).
prepostterug  begin  verder