terug  begin  verder
[p. 13]origineel

Vijfde hoofdstuk.
De vlugtende doctor passeert door het tolhek.

Onder de veelvuldige voorzorgen, welken ik gebezigd had, betreklijk mijn vlugt, had ik slegts twee kleinigheeden vergeeten.

De eerste was,

Dat ik mijn voordeur uitliep, zonder te weeten waarheen, in de voorönderstelling, dat ik wel ergens tegen aan zou stuiten.

De tweede was,

Dat ik, voorneemens zijnde, mijn waaren naam te verbergen, geen anderen naam aangenomen, of er zelfs op gedagt had om het te doen; dat ik ook bij mij zelve niet bepaald had, ingevallen men mij vroeg, van waar ik kwam, om een gefungeerde woonplaats op te geeven.

Toen nu het Tolheksmannetje aan mij vroeg, wie zijt gij? - stond ik als van den donder getroffen.

[p. 14]origineel

Wie ik ben? vroeg ik.

Ja! wie gij zijt? hernam hij.

Wanneer iemand voorgenomen heeft, zig volstrekt niet bekend te zullen maaken, dan is dit de allerleelijkste vraag van de waereld.

Wie ik ben? vroeg ik nog eens.

Ja! ja! hernam hij, wie gij zijt?

Maar, zei ik, die zelfde vraag zou ik u ook kunnen doen.

Dat zoud gij ook, was het bescheid, terwijl hij een gelaaden pistool voor den dag haalde, maar hier mede zou ik u mijn antwoord toedonderen, en -

Vermoei u niet, viel ik hem in de reden, ik ben Doctor ...., en ik noemde mijn' regten' naam. - De verhaasting en onverwagtheid deed deeze gulle belijdenis van mijne lippen rollen.

Passeer dan door het Tolhek, zei hij op een minzaamen toon.

Dit deed ik.

terug  begin  verder