Ik spoedde mij voort, om nog bij tijds een Stad of Dorp te kunnen bereiken, waar ik meerder inlichting dagt te zullen vinden.
Eerlang deed zig een toren aan mijn oog op; kort daar na het dak van een Kerk, vervolgens de Kerk zelf en eindlijk een menigte Huizen. Ik verdubbelde mijn schreden en stapte een groot, schoon Dorp binnen.
De Huizen en Winkels waren geslooten, en
uit de diepe stilte, die er heerschte, besloot ik, dat de Bewoonders of een middagslaapje naamen, of in de Kerk waren, of wel beiden te gelijk deeden, om dat ik zeer dikwijls gezien, en zelf ondervonden heb, dat men nooit gemaklijker en aangenaamer slaapt, dan onder een nademiddagspredikatie, het zij dan een vrije text, maar vooral een verklaaring over den Catechismus.
Vermits de Kerkdeur openstond, besloot ik, dat het den tijd van den Godsdienst was. Ik vertoefde er niet op, maar ging in de Kerk.
Ik verwonderde mij niet weinig de Kerk zoo opgepropt vol menschen te zien, dat, gelijk de oude wijven zeggen, men er geen hond met de staart zou hebben kunnen uithaalen, en dat alle deeze menschen zo wakker en zo aandagtig waren, als ze immer in een Schouwburg konden zijn,
Zekerlijk, dagt ik, moet hier een intressante stof verhandeld worden.
Ik vroeg aan iemand, die naast mij stond, wat de text was.
Zie het zelf! was zijn antwoord, terwijl hij mij zijn Bijbeltje overgaf. Bij dat vouwtje moet gij zien.
De Man had het zo druk met luisteren, dat hij mij verder niets zeggen kon.
Dit vouwtje nu was gelegd bij het negende Hoofdstuk van het Boek der Richteren, waarin de Historie van Abimelech verhaald werd.
Vermits ik deeze Historie meer dan eens in 't Vaderland geleezen had, gaf ik den Vriend zijn Bijbeltje te rug, en luisterde met den grootsten aandagt.
Ik denk mijn Leezers geen ondienst te zullen doen, met hen een kleine schets van deeze predikatie voor oogen te houden. Het staat zekerlijk niet aan mij, om te oordeelen, in hoe verre deeze Leeraar al of niet gelijk had. Dit is een teêr stuk, dat voor mij andermaal van lelijke gevolgen zou kunnen weezen, bij de uitgave van dit boek, dewijl in mijn oogen niets gedugter is, dan de haat en vervolging van een Geestlijke, die ten minsten duizendmaal op een jaar welmeenende uitroept: Hebt uwe Vijanden lief! Zegentze die u vervloeken! enz.
Ik zal een afzonderlijk Hoofdstuk voor de predikatie neemen.