terug  begin  verder
[p. 32]origineel

Tiende hoofdstuk
De historie van Abimelech.

De Predikant, (die niet in 't zwart, maar in gekleurde klederen predikte,) zei onder anderen:

 

Gij beschouwd Abimelech uit een verkeerd oogpunt, mijne geliefde Toehoorders! wanneer gij hem van onrechtvaardigheid beschuldigt.

't Is waar, hij riep te Sichem alle de Broeders zijner Moeder, en het gansche geslagt van den huize des Vaders zijner Moeder bij een. Hij sprak tot hen, - en wel, - hij sprak tot hen, overeenkomstig zijne belangen en oogmerken, - maar hier aan misdeed hij niet: - waarom zou men niet tegen zijn Bloedverwanten mogen spreeken? waarom zou men hen niet in den arm mogen neemen, om zig zelve den grootsten dienst te bewijzen?

Abimelech wilde heerschen, - en deeze zugt om te heerschen was billijk, was prijslijk, - want hij gaf reden van zijn zaak. Hij had

[p. 33]origineel

de magt in handen! Hij had Zoldaaten! Hij kon gezegd hebben, hier ben ik, gehoorzaamt! Maar wat doet hij? - Hij pleegt raad met zijne Vrienden, - dat is, met die geenen, die het grootste belang er bij hadden, dat Abimelech groot en rijk werd, - het was dus zeker, dat zij hem getrouw en ten besten raaden zouden.

Wat is beter, zei hij, dat zeventig Mannen, alle Zoonen Jerubbaals, over u heerschen, of dat een eenige Man over u heersche? Gedenkt ook, dat ik uw vleesch en uw been ben, en 't geen er meer volgt.

Hij wilde zeggen:

Gij Mannen, Broeders! wie het enkel en alleen te doen is, om geregeerd te worden, om geregeerd te worden, in dier voegen, dat gij er de rijke vrugten van plukt. Dat gij er bedieningen en amten door verkrijgt. Dat gij, in één verstand met het Hoofd van den Staat staande, onder hem, ja! onbepaaldlijk bukt, maar teffens, dat gij, op uw beurt, over die geenen, welken aan uw bestuur ondergeschikt zijn, onbepaaldlijk te zeggen hebt, en hen naar uwe pijpen leert danzen; op dat ik eens deeze uitdrukking bezige.

Gij, Vaderen des Volks! maar ook Vaderen van

[p. 34]origineel

uw eigen Kinderen! wie het niet genoeg is zelve geregeerd te worden, maar die uwe tedere zorgen ook uitstrekt over de vrugten uwer lendenen, en bij uwen levende lijve, hen hunnen luistervollen staat wil verzekeren, door de opvolgingen, die een Vorst u verleenen kan! - Gij zijt de geschikte voorwerpen tot welke ik mij vervoegen moet, en waardoor ik alleen mijne oogmerken bereiken kan.

Is het niet onëindig beter, dat een enkel Man het onbepaald gebied voere? dat een enkel Man volstrekt meester zij van alle Staatsverheffingen, Gunstbewijzen en Belooningen? - Is het niet beter, dat de beschikking van uw lot, en van het lot uwer Kinderen, van één Man afhange? dat gij, om voorwaards te komen, slegts éénen Man te gewinnen, slegts één Man te verzoeken, te smeeken en te dienen hebt, dan dat gij zeventig Meesters over u stelt, - zeventig Zoonen van Gideon, - die, - hoe zeer ze ook hun braaven Vader mogen gelijken, met alle zekerheid echter, zeventigerlei belangens zullen hebben? Dat de eene u toestaat zal de andere u weigeren. De eene zal uw vriend, de andere zal uw vijand weenen, - en, om dat zij steeds elkander zullen dwarsboomen, zult gij niet, dan bij wijze van wonderwerk, uw

[p. 35]origineel

zin krijgen, tot hooger staat geraaken, of een voordeelig amt bekoomen.

Dat meer is:

Deeze zeventig Mannen hebben wiskunstig zeventig behoeften, die zij niet zullen nalaaten, in de eerste plaatsen te vervullen; dus mist gij reeds zeventig kansen, om voordeel te doen. - Dit was nog weinig en nog om overtekomen, - maar deeze zeventig Mannen hebben Kinderen of zullen ze krijgen, en wanneer er iet te deelen valt, zullen deeze Kinderen zekerlijk aan u worden voorgetrokken, dus gij gemaklijk kunt begrijpen, dat er niets voor u zal overschieten.

Daarenboven:

Gedenkt ook, dat ik uw vleesch en uw been ben.

Doch alvoorens wij hier toe overgaan, heb ik uwer aandagt, enz.

Onder het recommandeeren van den Armen nam ik, zo als duizenden met mij deeden, de vrijheid om mijn neus te snuiten.

terug  begin  verder