De gekleurde Dominé, zijn zweet hebbende afgeveegd, begon weder als volgt.
Gedenkt ook, dat ik uw vleesçh en uw been ben.
Mijne zeer aandagtige Toehoorders! dat wil zeggen:
Overweegt bij dit alles, dat reeds zeer veel is, dat ik geen Vreemde, geen Onbekende, geen Uitheemsche, geen Buitenlander ben! - Neen! Ik ben een uwer Land- en Geloofsgenooten. Ik ben een Sichemieter, die onder u is opgevoed, die onder u woont. Ik heb zelf de naauwste betrekkingen op u. - Ik ben uw Bloedverwant. Gij zijt, (zouden wij nu zeggen,) mijn Ooms en mijn Neeven.
Dit mijne Toehoorders! was eene uittermaaten sterke aandrang;
Want:
Nimmer heeft men die betrekkingen, die liefde en geneegenheid, voor Vreemden, welken men voor zijne Vrienden en Naastbestaanden heeft.
Gaat van u zelve af, Toehoorders! Zoud gij niet alles doen voor uw Zoon, voor uw Dogter, voor uw Oom, uw Meui, uw Neef of uw Nigt? - en moet, - moet de liefde niet het eerst van ons zelve, of van die geenen, welken ons het naaste zijn, beginnen?
Uit dit alles blijkt, dat Abimelech niet anders deed, dan het geen daaglijks gedaan werd, en het geen wij allen, in die geleegenheid zijnde, doen zouden, en derhalven dat hij niets onrechtvaardigs deed.
Laaten wij nu zien wat er verder gebeurde.
De Broeders zijner Moeder ende het gansche geslagt van den huize des Vaders zijner Moeder hadden Abimelech zeer wel begreepen.
Hij had niet gezegd, wat is u beter, dat zeventig Mannen, alle Zoonen Zerubbaals, (dat is Gideons, zie Judicum, capittel 7. vers 1.) of, dat ik over u heersche? hier toe was hij te nederig. - Neen! maar hij vroeg: wat is u beter, dat zeventig Mannen, en het geen er volgt, of, dat een Man over u heersche?
Hij had dus zig zelve geenzins als Heerscher voorgesteld of aangepreezen. Hij hield hen een
vraag voor, welke, in de toenmaalige omstandigheeden van Israëls gebied, eene onwederspreeklijke waarheid in zig sloot. Ja! moest elk een zeggen, die zijn Vaderland beminde, 't is beter door Een dan door Zeventig geregeerd te worden.
Ik erken, mijne zeer geliefde Toehoorders! dat Abimelech er bijvoegde:
Gedenkt ook, dat ik uw vleesch en uw been ben.
Maar mogt hij dat niet doen?
Was dit geene waarheid?
Was hij ook niet voorverordend tot de koninglijke waardigheid.
En als er niemand is, die ons recommandeerd, moeten wij het ons zelve dan niet doen?
Wat was nu het gevolg van dit voorstel?
Het gevolg was:
Dat de Broeders zijner Moeder de getrouwe Tolken werden van alle zijne woorden. Dat zij alle deeze woorden spraken voor de ooren aller Burgeren van Sichem. Dat is, zij kwamen er openlijk voor uit. - Ter kwaader trouw beschuldigt men Abimelech, wanneer men zegt, dat zijne vrienden het Volk opstookten, dat zij het Gemeen wijsmaakten, dat het Land niet wel bestuurd, de Constitutie niet wel bewaard kon blijven, bij aldien men Abimelech niet tot Ko-
ning verklaarde. - Neen! dergelijke kunstgreepen zijn te laag, te schandlijk voor de Grooten deezer aarde. - Zijne Vrienden gingen den koninglijken weg, en de Sichemieten hoorden naar hen; hun harte neigde zich naar Abimelech, -
Waarom?
Want, zeiden zij; hij is onze Broeder.
Abimelech, dit begrijpt gij, Toehoorders! had al de Ingezetenen van Sichem niet tot zijne eigenlijk gezegde Broeders.
Zij noemden hem echter Broeder.
En wat wilden zij daar door zeggen?
Niet anders dan:
Abimelech is een Man, dien wij kennen.
Wanneer het Gemeen een Koning moet kiezen, dan is het overvloedig genoeg, dat zij den Man slegts oppervlakkig kennen, die hen als Koning gegeeven word. - Waartoe toch zou eene grootere kennis hen kunnen baaten?
Het Volk moet zich met geene regeeringszaaken bemoeïen, - uitgezonderd in eenige gevallen.
Bij voorbeeld.
Wanneer Abimelech Koning wil worden, en hij geen Koning kan worden, zonder het Volk, en zo voorts.
Koster! haal dat gordijn wat toe, het licht van de zon schijnt mij te sterk in de oogen.
De geheele Gemeente keek naar het gordijn en naar den Koster. Bij deeze geleegenheid leerde ik den Koster kennen; hij kwam mij voor als een Man zeer bekwaam, om de Kerk te verduisteren.