terug  begin  verder

Veertiende hoofdstuk.
De historie van Abimelech.
(vierde vervolg.)

De gekleurde Prediker vervolgde toen:

De Staatkundige Abimelech bereikte echter zijn oogmerk niet volkomen.

Hij was er op uit om zijne zeventig Broeders te dooden, maar ziet, een van die zeventig, Jotham, Gideons jongste Zoon, weet het te ontsnappen.

't Is zeer mooglijk, mijne Toehoorders! (en niemand uwer, die eenige ervaaring heeft, zal

[p. 51]origineel

het in twijffel trekken,) dat de ijdele en ligtvaardige Mannen, welken door Abimelech in dit geval gebruikt werden, te werk gingen, volgens het geen zij waren, dat is, ijdel en ligtvaardig.

Misschien hebben zij maar in den blinde weg toegegreepen! Misschien hebben zij maar alles aangepakt wat hen maar eenigzings verdagt voorkwam! Misschien hebben zij deezen en geenen, waaröp zij bijzonderen wrok hadden, ook maar bij den kop genomen, en in 't voorbijgaan wat afgerost! 't Is dus niet te verwonderen, dat in deeze verwarring, een van die geenen ontkwam, op welken het eigenlijk gemunt was. Jotham kan zig op een turfzolder, in een schuur, in een kas, koffer of dergelijken verborgen hebben, toen zij aankwamen; hij kan ook van huis geweest zijn; of iets dergelijks, - althans, hij ontkwam het.

In dit geval ziet men eene bijzondere bestuuring; want van de zeventig schuldigen, die door de Vorstlijke wraak agtervolgd worden, ontkomt er maar één, niettegenstaande het ijdele en ligtvaardige Mannen, (woest, dom en driftig gemeen, waren, die hier de handhavers) der heilige Justitie moesten zijn.

Denklijk is op die zeventig Mannen een al-

[p. 52]origineel

gemeenen schrik gevallen, toen die ijdele, ligtvaardige Mannen, op hoog gezag, als losgelaaten, baarlijke Duivels op hen aanvloogen; hen bij de borst greepen; bij de hairen zeulden; naar den steen sleepten; hunne messen trokken; staaken, sneeden, kerfden; met bijlen op hen hakten; met wroetende vuisten hunne ingewanden uithaalden; dezelven hen in 't aanzigt slingerden, en eindlijk de negenenzestig Broeders onder een kapten. Denklijk is er bij deeze gebeurtenis, zeggen wij, een algemeenen schrik op de zeventig Mannen gevallen, van waar het dan ook gekomen zal zijn, dat niet meer dan één aan de woede der ijdele en ligtvaardige Mannen heeft kunnen ontkomen.

Van deezen eenig overgebleevenen, van deezen Jotham, zullen wij eerlang nader spreeken.

Laaten wij, mijne Toehoorders! nu verder den draad der geschiedenis volgen.

Toen Abimelech deeze staatkundige omhalsbrenging verrigt had, wat was toen het gevolg?

Wij leezen in het zesde vers.

Doe vergaderden zig alle Burgeren van Sichem, ende het gansche huis van Millo, ende gingen heenen, ende maakten Abimelech ten Koning, bij de hooge Eike, die bij Sichem is.

[p. 53]origineel

Laaten wij hier onderzoek doen:

In de eerste plaats.

Wie zij waren, die zig bijéén vergaderden.

In de tweede plaats.

Wat deeze bijéénvergaderden verrigteden, toen zij heengegaan waren.

Hier geniesde de Prediker, en hield voor eenige oogenblikken stil.

terug  begin  verder