terug  begin  verder

Zeven en twintigste hoofdstuk.
De reiziger en een jonge jufvrouw bij het rustbed.

Zagtlijk, door een tedere, malsche, streelende Vrouweärm werd mijn hoofd opgebeurd. Een aandoenlijk zugtje, even als dat van eene Actrice, die onverwagt haar minnaar ontmoet, bezwijkt en eindlijk weder bijkomt, om in vollen gloed hem op de borst te vliegen, waazemde er over mijne strakke kaakebeenen. Een fleschje met sterkruikende spiritus vatte post onder mijn neus, en herstelde, of liever, herriep mijn geest,

[p. 105]origineel

die zo gereed stond, om deezen Madenzak, dit zondige lighaam te verlaaten.

Jothamist! werd er op den lieftalligsten en tedersten toon tegen mij gezegd, vrees niet! Gij zijt in goede handen. Ik ben een Jothamistin.

Ik opende mijn oogen en zag een engelägtig schoon Jufvrouwtje, in haar nagtgewaad, en mijn hoofd zorgvuldig tegen haaren bevalligen boezem houdende.

De schielijke overgang van het akelige tot het wenschlijke, van de hel tot den hemel, deed mij zekerlijk sterk aan: evenwel vertoefde ik niet, met schielijk opterijzen en deeze hemelsche Bekoorlijkheid, uit loutere erkentenis, te omhelzen en te kusschen.

Ze ontving deeze mijne dankbaarheid, met eene gulhartigheid, die men nergens anders dan bij twee smoorlijk Verliefden kan aantreffen, en beäntwoorde elke kusch met een vuurige wederkusch.

Laat ons van hier gaan! zei zij, mij bij de hand vattende.

Maar waar heen? vroeg ik.

Dat is mijn zaak. Gaf zij ten antwoord.

Zij verzogt mij, geduurende zij mij geleidde, van niet te willen spreeken.

Ik volgde, zo goed en zo kwaad als ik kon;

[p. 106]origineel

zoo ben ik, dagt ik bij mij zelve, dan voorgeschikt om nog verscheiden boeken te schrijven, dus zal ik in den maalstroom des leevens, wel bewaard worden.

Mijn Beschermëngel bragt mij door een agterdeur, een naauw gangetje door, tot aan een steektrapje.

De eerbaarheid, zei ze tegen mij, zou vereischen dat gij voortgingt, -

Ik viel haar in de reden en zwoer, dat ik in mijne tegenwoordige omstandigheden, geen de minste onkuische gedagten had.

Zij lachte vriendlijk en drukte mij de hand, zeggende: Wij zullen wel nader kennïs maaken.

Toen wij boven kwamen, -

Doch, zal de Leezer mooglijk vraagen, geschiede dit alles in den donker.

Neen! - mijn lieve Geleidster had een klein zaklantaarntje bij zig.

Toen wij boven kwamen, opende zij een deur. Wij traden in een fraai gemeubileerd vertrek, van daar gingen wij, door een andere deur, op een groote Boekenkamer, die, uit alle omstandigheeden te oordeelen, een Studeerkanier scheen te weezen.

Op een der stoelen lag een mantel en bef. Ik ontroerde op het zien van deeze ingredienten.

[p. 107]origineel

Zij kneep mij nu vaster de hand, even als of zij bang was, dat ik het op een vlugten zou zetten.

Zij bragt mij naar een hoek van de kamer, waar een rustbank stond; sloeg haar hagelblanke arm om mij heenen, en noodperste mij zagtjes en tedertjes om eenige schreeden naar dien kant te doen.

Zij keek mij aan met een oog, - dat - ik niet beschrijven kan.

De arm, die zij om mij heen geslagen had, was zo ingerigt, dat haar lieve hand op mijn heup kwam te leggen.

Met deeze hand gaf zij mij eenige veelbetekenende drukjes.

Eindlijk gaf zij een zugtje, -

En, -

terug  begin  verder