terug  begin  verder

Twee en dertigste hoofdstuk.
De reiziger trouwt zijn tweede vrouw.

De Domine pruttelde niet weinig binnens monds, want de hiel van mijn laars, was, onder 't vallen, hem juist tusschen de tanden geschooten. Dit werd ik gewaar toen ik mijn been wilde naar mij trekken, 't welk hij aldus met zijne tanden vast hield, want even gelijk een kwaadäartige Hond, dien men een stok voorhoud, beet hij in mijn agterlap.

[p. 120]origineel
de schoone .

Hebt gij u bezeert, mijn Vriend?

ik .

Niet in 't allerminst. Hebt gij ook eenig letzel gekregen.

de schoone .

In 't geheel niet. In tegendeel ik leg hier zeer op mijn gemak, - en gij?

ik .

De Dominé bijt in mijn laars!

de schoone .

Geef hem een frissche schop, dan zal hij wel los laaten, - en kom dan bij mij leggen.

ik .

Maar ik zal hem de tanden uit de bek schoppen.

de schoone .

Hij kan zonder tanden wel prediken.

(Ik rukte mijn been los, en de Dominé grinnikte zeer lelijk.)
de schoone .

Zijt gij los?

ik .

Met alle zekerheid.

de schoone .

Kom dan bij mij. Wat behoeven wij zo veel ongemak te lijden.

(Ik strekte mij naast haar uit.)
ik .

Gelies nu voorttegaan.

[p. 121]origineel
de schoone , vleiende.

Waar mede, mijn waarde?

ik , bedremmeld.

Met uw verhaal.

de schoone , mij omhelzende.

Dat is uit. -

ik .

Gij had een ontwerp gemaakt, zeidet gij!

de schoone , flaauwtjes.

Ja! van dat ontwerp moest ik u nog eerst spreeken. - Maar legt gij wel gemaklijk, wilt gij u niet eens omkeeren?

ik .

o Neen! ik leg zeer wel.

de schoone .

Nu dan mijn ontwerp, -

ik .

Ja! als 't u gelieft.

de schoone .

Dit bestond hier in, - om u, -

(Zij omhelsde mij vuuriglijk.)

Tot mijn Man te maaken.

(Toen ik met de sluitmande van de hoogste zolder dien gedugten val deed, verschrikte ik op verre na zo veel niet, als op deeze woorden.)
ik .

Uwe geneegenheid gaat mijne verwagting on-

[p. 122]origineel

eindig te boven, - maar er zijn eenige zwaarigheeden, deeze Dominé, -

de schoone .

Is mijn Man; - maar wat betekend dat?

ik .

Hoe! eene Vrouw met twee Mannen?

de schoone .

Wij zullen den Dominé eerst opruimen.

ik .

Zoud gij hem dan?

de schoone .

Uwe klederen aantrekken, hem in de sluitmande pakken, waarin gij gelegen hebt, en hem dan verder aan zijn noodlot over laaten.

ik , oprijzende.

Nooit of in eeuwigheid, -

de schoone , ook oprijzende.

Nooit of in eeuwigheid?

ik .

Neen! -

de schoone .

Dan zal ik den Dominé wakker maaken. Ik heb een kunstgreep waardoor hij daadlijk tot zijn zinnen komt. - Gij moet sterven of mijn Man worden! Ik wil het zo.

ik .
(Deeze woorden sloegen geweldig door mijn
[p. 123]origineel
hart heen. Ik zweeg, - ik dagt, - en besloot half om den dood te kiezen.)
de schoone .

Gij zwijgt? - wilt gij dan, dat ik den Dominé opwek? -

ik .

Neen! laat hem slaapen,

de schoone , zeer lieftallig.

Dan zijt gij mijn Man?

ik , stamerende.

Ja! -

terug  begin  verder