Tegen den gewoonen tijd stapte de Reiziger, met een geestlijken tred en geestlijke houding kanzelwaards, om er zijne gaven te toonen.
Ik predikte.
Eenigen mijner Leezers zullen zekerlijk nieuwsgierig naar deeze mijne Predikatie zijn, en ten gevallen van deezen zal ik dezelve gedeeltlijk laaten volgen.
Vooraf moet ik aanmerken.
Dat er in den text verscheiden zaaken voorkwamen, welken, om juist te verklaaren, een grondige kennis van de aardrijkskunde, de zeden en gewoonten der oude Volkeren vorderen, en van dit alles, - het zij openhartig beleeden, - bezit de Reiziger niets hoe genaamd.
Ik zou dus verscheiden dingen naar mijn grilligheid hebben moeten fatzoeneeren en den Toehoorder het een en ander hebben moeten wijsmaaken, 't welk ik zelfs niet wist, en dat, vee-
le Geleerden beneffens mij ook niet wisten, of weeten konden.
Maar hier toe is de Reiziger veel te eerlijk.
Veel liever liet ik, al wat ik niet verklaaren kon, aan zijn plaats, met die voorzigtigheid echter, dat ik mijne onkunde op alle mooglijke wijzen bepleisterde, zo dat mijne Toehoorders er niet door geërgerd konden worden. Nu volgt mijn Predikatie.