terug  begin  verderprepost
[p. 64]

6.
Receptie

In 1792, toen het boek verscheen, is er door de uitgevers geadverteerd. De eerste advertentie voor Mijne vrolijke wijsgeerte is aangetroffen in de Oprechte Haarlemsche Courant van 15 november 1792.110 Daarbij zou het dan ook meteen al om de tweede druk gaan. De aankondiging van de herdruk - ‘wordt heden (voor de tweede maal gedrukt)’ - plaatst het boek van Paape in de reuk van succes. Vermoedelijk wisten De Leeuw en Krap dat succes de beste reclame is.

In de advertentie werd het boek van Paape gepresenteerd als ‘de voornaamste levensbyzonderheden van gerrit paape, doorhem zelfs beschreven, onder den tijtel: mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap’. Het boek moest 30 stuivers kosten. Wat in deze presentatie frappeert, is dat de wijsgerige façade weggevallen is. Het boek was nog slechts autobiografie. Advertenties kunnen een sturende functie hebben en zo de receptie beïnvloeden.

 

Van een omvangrijke receptie van Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap kan moeilijk gesproken worden. In de Vaderlandsche Letteroefeningen werd Mijne vrolijke wijsgeerte aan het einde van 1792 gerecenseerd en gereduceerd tot het levensverhaal van Paape.111 De recensie is louter samenvatting. In vijf pagina's presenteert het tijdschrift de ‘zaakelyke inhoud’ van de autobiografie. De ‘vrolijke wijsgeerte’ komt in de recensie nauwelijks aan bod. Twijfel aan de authenticiteit van het levensverhaal wordt niet uitgesproken. Terloops taxeert het tijdschrift Paape als broodschrijver: lezers wordt voorgehouden dat zij de nijvere schrijver niet mogen verachten omdat hij er zijn bestaan in vindt.

 

Het lijkt erop dat Paape zelf van Mijne vrolijke wijsgeerte gecharmeerd was, want in 1795 publiceerde hij in twee delen een vervolg onder de titel Republi-

[p. 65]

keinsch Speelreisje, van Vrankryk naar Holland. In de inleiding laat de schrijver weten dat Mijne vrolijke wijsgeerte door het publiek met genoegen was ontvangen. In het Speelreisje volgt de schrijver in brieven de opmars van de Fransen. Met nauw verholen trots staat hij stil bij zijn eigen rol. Van ‘wijsgeerte’ is geen spoor te vinden. Zijn succes als revolutieheld wakkerde de vraag naar zijn oude levensverhaal kennelijk aan, want in het jaar dat het Speelreisje verscheen, werd andermaal aandacht gevraagd voor de filosofische voorloper. In de Dordrechtsche Courant van zaterdag 1 augustus 1795 werd geadverteerd voor ‘De Voornaamste Levensbyzonderheden van Gerrit Paape, door hem zelfs beschreven, onder den tytel myne vrolyke wysgeerte in myne ballingschap’.112 Volgens de advertentie zou het boek ‘heden (voor de tweede maal gedrukt) uitgegeven’ worden door De Leeuw en Krap. De prijs bedroeg 30 stuivers. Deze advertentie was identiek aan de advertenties die in 1792 verschenen waren. Wat in 1792 heden is, is in 1795 nog steeds vandaag. Of vergisten de uitgevers zich en publiceerden zij per ongeluk de tekst van de oude advertentie? Dat ligt niet voor de hand. Het was belangrijk om de uitgave te associëren met succes. Van kieskeurigheid hadden de uitgevers daarbij niet veel last.

Het heeft er alle schijn van dat de zogenaamde tweede druk van 1792 niet zo snel verkocht en in 1795 nog steeds leverbaar was. Het is duidelijk dat de advertentie in de Dordrechtsche Courant hoopte te profiteren van de bekendheid die de auteur intussen in revolutionair Dordrecht genoot. Het is onzeker of zijn optreden in de sociëteit bijzonder stimuleerde tot lectuur van diens autobiografie. Zeker is wel dat de ‘wijsgeerte’ in het boek met de patriotse zege aan betekenis had ingeboet. Aan crisisfilosofie was in de maanden van revolutionaire opwinding even geen behoefte.

Dat die wijsgeerte weer van pas kon komen, was misschien de aanleiding voor de Dordtse uitgever A. van den Kieboom om de autobiografie uit de boedel van De Leeuw en Krap op te vissen. In juni 1796 had de Dordtse uitgever Blussé de verkoop van dat fonds geleid. De autobiografie was nog niet uitverkocht. Enige maanden na de boedelverkoop, in oktober en november, bood Van den Kieboom vanwege ‘het klein getal’ resterende exemplaren ‘de Levensschets van den Burger gerrit paape’ voor de halve prijs aan.113 In plaats van de normale 30 stuivers was er nu ‘den extra laagen Prijs’ van 15 stuivers. Uit vergelijkend exemplarenonderzoek blijkt dat Van den Kieboom de door hem verworven exemplaren van Mijne vrolijke wijsgeerte in een nieuw jasje

[p. 66]

naam van de uitgever en 1796 als jaar van uitgave. Op die titelpagina volgt de tekst in het vertrouwde zetsel. Een bestseller kon Mijne vrolijke wijsgeerte voor Van den Kieboom moeilijk worden. De omstandigheden waarin de autobiografie geschreven was, verschilden zo sterk van de omstandigheden in 1796 dat lezing welhaast ongerijmd werd.

Maar misschien vond de wijsbegeerte van Paape toch enige weerklank. Op 31 januari 1796 werd Gerrit Paape gehuldigd ‘in de vergadering van het stemgerechtigde volk van Delft’. Men vereerde hem met het presidium van de kiezersvergadering. Alexander Oltmans, die met Paape in de onderzoekscommissie zat, sprak hem bij die gelegenheid toe. Hij noemde Paape ‘de geessel (...) van alles wat de dweepery genaamd kon worden’. Belangrijker zijn de woorden die Oltmans wijdde aan het werk van Paape:

Uwe wysgeerige geschriften, in uw ballingschap geschreeven, deeden uw geest onder ons woonen, terwyl gy zelf op het wreedste van ons waart afgescheurd.114

Deze woorden maakten deel uit van een lofzang. Ze geven heel goed aan hoe Paape zijn werk graag gelezen zag. Of Mijne vrolijke wijsgeerte in werkelijkheid de harten van de Delftse patriotten verwarmde, blijft ongewis.

In het kleine Haagse Letterkundig Gezelschap ‘Oculus in Metam’ vergastte Jan Mossel van Stralen zijn ‘fraters’ omstreeks 1797 op een reeks verhandelingen onder de titel ‘De Vrolijke Wijsgeer’. Het gehoor van Van Stralen bestond uit enkele Haagse patriciërszonen. Afgaande op de lijst met de titels van de verhandelingen was politiek taboe. Liefst zeven maal troostte Van Stralen zijn luisteraars met de vrolijke wijsbegeerte.115 De titel van de serie verhandelingen herinnert wel heel sterk aan de autobiografie van Paape. Of hier van Paape-receptie sprake is, is echter onzeker.

 

In de negentiende eeuw werd de achttiende met schaamte herdacht. De politieke meningsverschillen, culminerend in heuse revoluties, werden het liefst uit de geschiedboeken verwijderd. De arme Paape werd als een smerige patriot bij het grof vuil gezet. De enkeling die belang stelde in Paape greep naar de autobiografie. Als biografische bron werd Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap tamelijk kritiekloos geaccepteerd. In biografische woordenboeken, maar ook in de paar monografietjes zijn de sporen van de autobiografie gemakkelijk waarneembaar.

In de laatste jaren is de belangstelling voor Paape onmiskenbaar gegroeid.

[p. 67]

Grote boeken over Paape zijn wel voorbereid, maar nimmer voltooid. Tragisch is de onvoltooidheid en ook onpubliceerbaarheid van het enorme typoscript van Henri A. Ett. Omdat het werk van Ett nimmer gepubliceerd is, kon het niet de gewenste invloed uitoefenen. Paape zou anders al lang te boek staan als een van de beste schrijvers van de late achttiende eeuw. Dat werd pas duidelijk met Buijnsters' heruitgave van de satirische roman Het leven en sterven van een hedendaags aristocraat.116 Sindsdien is het onderzoek naar leven en werk van Paape belangrijk geïntensiveerd. De autobiografie is in dat onderzoek uiteraard betrokken.

In 1994 publiceerde K. Michel, die in het tijdschrift Raster al gepleit had voor Paape, de bundel Boem de nacht.117 In het gedicht ‘Aangaande uw verzoek om een zelfportret’ laat de ik-figuur weten dat hij na ‘de stofstorm van nieuwsfeiten’ en hem schokkende gebeurtenissen ‘er helemaal geen gat meer in zag’. In de winter las hij op zijn kamertje:

 
Ik sloeg de school der poëzie van Gorter op
 
de hoekposten van Michaux, de wijsbegeerte van Paape
 
het logboek van Albion Moonlight
 
en het huwelijk van hemel en hel van Blake

Het mocht vanzelfsprekend niet baten, maar opvallend is het optreden van Paape als wijsgeer wel. Van de wijsbegeerte van Paape, vermoedelijk aangetroffen in Mijne vrolijke wijsgeerte, wordt hulp verwacht in de strijd tegen de wanhoop. Zo vatte Michel de filosofie van Paape - treffend juist - op als crisisfilosofie.

 

Als de schamele receptie één conclusie toelaat dan wellicht deze: Mijne vrolijke wijsgeerte is meestal eenzijdig gelezen als autobiografie en soms eenzijdig als wijsgerige inleiding. Met de wonderlijke vermenging hadden lezers grote moeite. Voor lezers die het boek na 1792 lazen is dat goed te begrijpen, omdat de zin van de vermenging immers alles van doen had met de bijzondere omstandigheden van Paape in 1792.

110Oprechte Haarlemsche Courant 137 (15 nov.) 1792; Rotterdamsche Courant 138 (17 nov.) 1792; Schoonhovensche Courant no 150 (14 dec.) 1792. Verwijzingen dank ik aan: Susanne Gabriëls, Lijst van publikaties gedrukt in de periode voor 1800, berustend in het Nederlands Persmuseum. Amsterdam 1992.
111Vaderlandsche Letteroefeningen 1792 I, p. 435-439.
112Dordrechtsche Courant 48 (1 aug.) 1795.
113Dordrechtsche Courant 129 (27 okt. 1796): eerste advertentie van Van den Kieboom voor Mijne vrolijke wijsgeerte. Herhaling van de advertentie in nrs 130 (29 okt.) en 132 (3 nov.).
114A. Oltmans en G. Paape, Aanspraaken, gedaan in de vergadering van het stemgerechtigde volk van Delft, op den 31. January 1796. Delft 1796, pp. 4-5.
115GA Den Haag, Archief Letterkundig Gezelschap ‘Oculus in Metam’, nr 48, inv. nr 1, p. 160 e.v.: ‘Lijste der verhandelingen’.
116Gerrit Paape, Het leven en sterven van een hedendaags aristocraat. Ed. P.J. Buijnsters. Amsterdam 1985.
117K. Michel, ‘Gerrit Paape en Reize door het Aapenland’. In: Raster nr 68 (1994), pp. 86-93; K. Michel, ‘Aangaande uw verzoek om een zelfportret.’ In: Boem de nacht. Amsterdam 1994, p. 51.
prepostterug  begin  verder