Op uwe aanraading, mijn Vriend! heb ik voorgenomen, om eens van mij zelve te spreeken. - Wanneer deeze brieven in 't licht verschijnen, dan kan mijn Lezer, wien ik zo veele boeken reeds in de hand gestopt heb, het niet kwalijk duiden, dat ik hem eenmaal over mij zelve onderhoude. - Langwijligheid zal echter de straf voor deeze uwe nieuwsgierigheid niet zijn, ten ware dan in dat eenige geval, dat ik, eene vrolijke bui19, u de zotheid der waereld, in mijn eigen geschiedenis, zal tragten afteschilderen, - ter uwer waarschuuwing en leering echter!
Gij hebt mij doen lachen over uwe aanmerking; over deeze naamlijk, dat ik, zo wel als Simon de Vries, na mijn dood, een prijsvraag zal verschaffen, om mijn levensgeschiedenis te beschrijven! - Hoe is deeze berugte Simon de Vries20 u toch in de gedagten gekomen? - Deeze Man, en dit mooglijk is alles wat men van hem zeggen kan, heeft ongemeen veel boeken geschreeven! - Maakt gij ook deeze toepassing op mij? dan bedank ik er u hartlijk voor.
In mijn jeugd had ik, met meer moeite en zorgen, dan Alexander besteedde om de toenmaals bekende Waereld te overwinnen, mij alle de werken van dien volijverigen Schrijver, (welken op de laagste markt zijn,) aangeschaft. - Dikwerf had ik ze geleezen en herleezen, en eindlijk kwam het mij in 't hoofd, om ze in een mande te pakken, en te beproeven of ik ze draagen kon. Wat ik deed of niet, het was mij onmooglijk, de mande, van wegens haar zwaarte, op mijn schouder te kunnen krijgen. Dit veroorzaakte mij een onuitspreeklijk verdriet. Neen! neen! riep ik: nooit zal ik zulk een groot Man worden als Simon de Vries geweest is; in het best van mijn jeugd ben ik nog niet eens in staat, om zijne boeken te kunnen draagen.
Ik heb thans wel dezelfde mande niet; maar met een van gelijke grootte heb ik onlangs de nieuwsgierigheid gehad, om die met mijn eigen Lettermaakzel
te vullen, en er ontbreekt slechts nog een jaar schrijvens aan, om hem even zo vol te kunnen pakken, als die van onzen goeden de Vries. - In zo verre zou uwe aanmerking een drangreden voor mij kunnen worden; - schoon ik er tegen zou kunnen inbrengen, dat de Vries, op dezelfde hoeveelheid papier, ten minsten driemaal zo veel geschreeven heeft; - doch, in dit geval, adres aan mijne Boekverkoopers.
Ik weet met zekerheid, dat gij schamper lacht, en bij u zelve denkt: welke grillen? - maar herinner u, mijn Vriend! dat de zotheid den sterveling nog meer eigen is, dan de pokstof! - Zij moet er uit! en de verstandigste heeft zo wel zijne belachlijke buijen, als die welken men in de verbeterhuizen moest opsluiten. Het voornaame onderscheid bestaat slechts daar in, dat een daaglijksch Mensch minder geheim is met zijn kuuren, dan de Wijsgeer, die er de eenzaamheid toe verkiest.
Ik zal, in weerwil van uw lachen en uwe verwondering, openhartig zijn, en, al waar het te pas komt, van mij zelve spreeken, even als of ik eene vreemde geschiedenis las.
Wij zullen een weinig vroeger beginnen, dan gij wel van mij te vorderen schijnt. Vertel ik u geen zaaken van belang, het is mijn schuld niet; het bestuur der gebeurtenissen stond niet aan mij.
Ik ben gebooren te Delft, op den vierden van Februarij 1752, juist op het zelfde oogenblik, toen men Prins Willem den vierden, in het Vorstelijke graf, ter dezer stede, liet nederzinken.21 Mijn Moeder had de lijkstaatsie even de stad zien binnen treeden, toen ik het haar te bang begon te maaken, en zij zig naar huis moest begeeven, om mij der waereld in te stuuren. Genoegzaam zonder hulp, (vermits alles zig met den prinslijken Dooden onledig hield,) verscheen ik op het aardsch Toneel. Mijn Vader pleeg te zeggen, dat het niet anders wezen kon, of dit moest ten eenigen tijde kwaad bloed bij mij zetten.
De naam van mijn Vader was Gerrit Pape, die mijner Moeder Adriana van Gameren. Zij was de tweede Vrouw van mijn Vader; bij welke twee Vrouwen de goede braave Man negentien levende kinderen overwon. Toen ik er was, zaten er elf monden alle dagen aan zijn tafel, terwijl zijn geheel inkomen weeklijks niet meer was, dan zeven gulden vier stuivers. - Echter heeft die eerlijke Man, die beste Vader, ons altoos wel gevoed, wel gekleed en eene goede opvoeding gegeeven. Hij had met eene menigte huislijke tegenspoeden te worstelen, en echter liet hij geene schulden, maar zijne derde Vrouw, (nog in leven,) en zijne vijf kinderen een kleine erfenis agter. De tederminnende Egtgenoot en kinderlievende Vader ging dikwijls met mij, in mijne vroege jeugd, over het
kerkhof; als dan schooten hem menigwerven de traanen in de oogen: Hier, zei hij dan tegen mij: liggen twee waardige Moeders en veertien dierbaare kinders.
Mijn Moeder stierf omtrent een jaar na mijne geboorte. Mijn Vader vond zig, (met negen kinderen belast) genoodzaakt eene derde Vrouw te neemen. Deeze werd dus mijne Stiefmoeder; maar zij werd het, met dezelfde bezorgdheid en tederheid, als of zij mij onder haar hart gedraagen had.
Mijne kindsche jaaren verliepen, zonder eenige bijzonderheeden van belang opteleveren. Mijn lieve Vader wilde niet dulden, dat ik langs straat liep speelen; hij hield steeds het zorgvuldig waakzaame oog op mij, en weetende, dat de jeugd onmooglijk zig zo ernstig kan houden, als de meer gevorderde jaaren, werd hij veelal zelf mijn speelmakker. - Keizers, zei hij tegen mijn Moeder, hebben zig wel verledigd, om blindemannetje en stokpaardje met hunne kinderen te speelen, waarom zou ik het dan niet doen? Zij zullen geen Keizerrijk van mij erven. Eene goede opvoeding is alles, wat ik hen geven kan.
Reeds van mijn eerste jongkheid af, had ik eene overheerschende lust tot tekenen en lezen. Aan het eerste voldeed mijn Vader ten overvloede, zonder mij echter een Tekenmeester te kunnen bezorgen. Ten opzigte van het tweede; de waardige Man bezat slechts zes boeken. Hij had er zeven gehad, doch dit zevende, zijnde het leven van Willem den Vierden, of den Derden, (dat mij ontschooten is,) in digtmaat22, verdween, (zekerlijk door zijn bestel), zo dra ik er voor de eerstemaal mijne oogen had ingeslagen.
Dit klein getal boeken was op verre naa niet toereikende genoeg voor mijne onverzaadlijke leeslust. Eenige jaaren had ik er mij reeds mede beholpen, toen ik gelukkig met mijn Buurman Maarten, zijnde een Bakker, in kennis geraakte. Deeze Man had agt kinderen en een klein inkomen. Om aan de kost te geraaken deed hij veel werk voor half geld, (een gunst, die de rijken, wel meer zeer genadiglijk aan den eerlijken doch ongelukkigen armen bewijzen,) en dus werkte hij zwaar voor geringe winst. Dit benam hem den tijd tot een gemaklijk onderzoek, waarvan hij een groot liefhebber was; - maar nooit heb ik den leesgierigen en eerlijken Maarten builende23, kneedende of bakkende gevonden, of er lag een boek bij den buidel, op den trog, of op den ovenbank, waarin hij onvermoeid de oogen sloeg, zo dikwijls zijne bezigheeden hem één oogenblik rust vergunden. - Eenmaal slechts, en dit zij zijne weetgraagte ter eere gezegd - heeft hij zijne brooden te hard laaten bakken, terwijl hij bezig was met in de reizen van den berugten Bontekoe24 te lezen.
Mijn vriend Maarten had omtrent twee honderd stuks boeken, meestal reisbeschrijvingen, en dezen vielen het meest in mijn smaak. Godgeleerde werken, buiten die van Bunjan25, had hij in 't geheel niet. - Hiervan, zei hij, kan ik in de kerk meer hooren, dan ik noodig heb. - Ik las en herlas, met het innigst vermaak, deeze zijne Boekverzameling. - Als nog herdenk ik, met een streelend en terugwenschend vergenoegen, die oogenblikken, dat ik naast den werkzaamen en beleezen Bakker stond, en zoetvoerig26 met hem over den inhoud zijner geliefdkoosde boeken koutte. - De braave Man is voorlang tot zielen. Onder mijne Digtverzaamelingen vind ik nog een vaarsje, 't welk een mijner eerstelingen in die kunst is. Ik zal het u zo als het is, met een kleine verandering in de spelling, mededeelen
Verscheiden sterfgevallen, vrij kort op elkander volgende, waren de oorzaak dat ik een soort van algemeen Lijkdigt ontwierp. - Ik zal het hier bijvoegen, met de plegtige beloften evenwel, dat ik u in 't vervolg, met mijne vaarzen niet veel pijnigen zal. Het tijdstip, waarin ik het opstelde, is mij vergeeten, doch dit doet weinig ter zaak: wanneer gij dit vaars gelezen hebt, zal ik, zo veel noodig is, tot de tijdorder wederkeeren.
* * *
Dit Lijkdigt zij u een voor allen genoeg! - Steeds hebben mij die Digters doodlijk verveeld, zij mogen zo beroemd zijn als ze willen, welken tot berstens toe, hunne geëerde Bundels met Geleegenheidszangen hebben opgevuld. - De Lezer immers, die alle die Dooden, Getrouwden, Geboorenen en Verjaarden niet kent, heeft overvloedig genoeg, wanneer hij het geduld oeffent, om van honderd soortgelijke vaarzen er slechts een te lezen.