terug  begin  verderprepost
[p. 109]

Zevende brief.
Groote standsverwisselingen. Lijst der vertaalwerken van den schrijver.

Ik moet al weder mijn zaligen vriend Thomas aanhaalen. Wanneer gij, zei hij mij eens, de Hansworst, de Lofredenaar of de Slaaf der Grooten wilt worden, dan zult gij hunne gunst gewinnen, op dezelfde wijs, naamlijk, als de honden zig in de gratie hunner Meesters wikkelen, - en men zal u eenige brokken toewerpen, waarvoor gij op uw agterste pootjes zult moeten staan; kammen, danzen, snuitvangen, schildwagthouden, enz.

In veele opzigten was dit de waarheid. - Evenwel zou men al te gestreng vonnissen, wanneer men zulks algemeen toepaslijk wilde maaken. Ik althans zag, dat er een kleine uitzondering op was.

De bekrompen omstandigheden, waarin ik mij bevond, hadden mij nu en dan eenige klagten, bij voornaame, aanzienlijke en schatrijke lieden doen ontglippen. - Allen hadden zij deernis met mijn lot, - maar, enz.

Eenige jaaren naderhand deeden deze mijne Vrienden, (en ik zeg er hen nog plegtig dank voor,) - hunne uitterste poogingen, zonder mijn weten, en toen ik het kort daarna vernam, zelf tegen mijn genoegen, om mij een Ambt te bezorgen, dat alle weken, - zesendertig stuivers opbragt, - behalven eenige andere kleinigheeden 's jaarlijks.

Deeze post, voor welken ik mijn plegtigen eed in 1781 heb afgelegd, bestond in BEDIENDE TE ZIJN VAN DE KAMER VAN CHARITAATEN der Stad Delft.52

Het tweede artikel mijner instructie luidde woordlijk aldus:

2e.
‘Hij, [Naamlijk ik,] zal ook moeten, telkens als de Regenten vergaderd zijn, zo ordinair als extraordinair, voor derzelver Vergaderkamer oppassen, en verder alzulke boodschappen, als hem door de Regenten geordonneerd zullen worden, doen: en zal hij verpligt zijn, wanneer hij in de kamer komt, de Regenten daar zijnde, zig ongedekt

[p. 110]

te moeten houden, en zo lang hij in de kamer blijft, den hoed niet vermogen op te zetten. Voor welke opgemelde diensten hij 's weeklijks, des zaturdags, zal trekken zes en dertig stuivers.’

Ik doemde mijne dichterlijke trotschheid tot zwijgen, aanvaarde dit ambt en bedankte er mijne veelmogende53 Weldoenders voor.

Tot lof der Regenten van dit Godshuis, moet ik er bijvoegen, dat zij altoos, ten mijnen opzigten, meer geweest zijn, dan mijne schatrijke Vrienden! - Hunne behandeling kon ik niet beter wenschen, al had ik hen in rang geëvenaard. Dit was ook de reden, dat ik, geduurende omtrent vijf jaaren, mij bij die ambtsbediening hield.

In dat tijdperk won ik aanmerklijk in menschenkennis. - Vooral leerde ik het Gemeen kennen. Weeklijks had ik zomtijds eene openhartige verkeering met omtrent zeventien à agttienhonderd arme menschen, zo groot als klein. - Ik had gelegenheid, om hen in hunne doodlijke armoede te zien; om grondig van hunne ellenden onderrigt te worden, - en, van mijne zes en dertig stuivers schoot zeer weinig overig!

Nooit, mijn lieve Vriend! heb ik, met zo veel nadruk geweeten, dat er zo veel Ongelukkigen en Eerlijken op Gods aardbodem waren! - Aan het Graauw hebben de weldenkenden, zo als gij bij bevinding weet, weinig verpligting! - maar, onderzoek eens onpartijdig, waarom het Graauw is zo als het is, - en uw gramschap zal op hooger rangen losbersten.

Van dit tijdperk af, tot 1785 toe, heb ik weinig of niets van belang geschreeven. Ik hield mij voornaamlijk bezig met lezen en menschen te leeren kennen, waartoe ik overvloedig gelegenheid had.

In al dien tijd stelde ik slechts eenige Toneelstukjes op; een daarvan onder den Tijtel,

SPHRODIAS EN OLIJNTHIA; OF HET VADERLAND EN DE LIEFDE. Treurspel,

Dit is eerst in 1788 in 't licht gekomen. Nog eenige soortgelijken had ik ten zelven tijde vervaardigd, doch waar de Handschriften vervaaren zijn, weet ik tot op dit oogenblik niet. - In het verzorgen mijner schriften, ik beken het tot mijn schande, heb ik altoos zeer onagtzaam geweest.

Het Patriottismus kwam toen ter baan. Behalven dat het wonder wel in mijn smaak viel, werd ik er ook ten sterksten toe aangezet, door een mijner toenmaals vertrouwdste Vrienden, die thans het meeste tot mijn bannissement54 heeft toegebragt.

[p. 111]

Deeze Vaderlandsche omstandigheid opende een onoverzienlijk veld voor mijn schrijflust, die, na zulk een lange sluimering, toen weder, met versche kragten, begon te ontwaaken.

Om gewigtige redenen zal ik, daar deeze brieven, in mijn gewezen Vaderland, in het licht moeten verschijnen, u geen geschiedenis van mijn Patriottismus leveren. Ik heb er elders, zo 't mij slechts gelust, de overvloedigste gelegenheid toe. Om die zelfde redenen zal ik u ook geene opgave doen mijner patriottische Werken, waar van er eenigen, voor de Omwenteling, in de Republiek; maar de meesten na dat tijdstip, te Antwerpen, Mechelen, Brussel, Rijssel, Duinkerken, Parijs, Kleef en elders, ingevolge de uitwijzing hunner tijtels, zijn uitgekomen. In zevenendertig boekdeelen, zo grooten als kleinen, heb ik, wegens dit artikel, alles gezegd, wat mij, als een eerlijk Man en onverschrokken Patriot, betaamde. Ik heb de striktste voorschriften der Wijsgeerte gevolgd, en mijne Vrienden zo wel als mijne Vijanden, al schertsende, of in ernst, de gewigtigste waarheeden onder 't oog gebragt en geene feilen verschoond, al had ik ze zelf begaan. - Ik heb ondervonden, dat de Prediker van soortgelijke waarheden, een dikwijls verdrietigen en altoos onaangenaamen taak heeft! - Niets echter is in staat, om mij te doen zwijgen, of de knijzerij op het lijf te jaagen. Elk zijn smaak!

Voor 1786 won ik dus, al schilderende, of dienende, de kost! - en, hoe ongelukkig ware ik geweest, had ik dien lastigen slenter55 moeten blijven volgen.

Dan, de goede Hemel, die het onweer voorzag, 't welk reeds boven mijn hoofd saamentrok, en dat eerlang over mij stond lostebersten, ontfermde zig over mijne zwakke kragten, die er gewislijk niet tegen bestand zouden geweest zijn. Hij deed mij in den Heer WIJBO FIJNJE56 een mijner beste, welmeenendste, ijverigste en getrouwste Vrienden ontmoeten. Zijne kundigheeden zijn u ten overvloede bekend, en zijne menschlievendheid evenaarde dezelven.

[p. 112]

Toen hij mij, voor de eerstemaal, een bezoek gaf, vond hij mij druk bezig met schilderen. Daadlijk vormde hij een Plan, dat mij in eens van alle mijne lastige en verveelende bezigheden, - (schilderen en dienen voor sober loon naamlijk, -) ontslaan; mij een veel ruimer inkomen bezorgen; mij volmaakt overéénkomstig mijne heerschende lust tot de letteroeffening, doen werken; en eindlijk mij geheel onafhanglijk maaken zou, zo dat ik, werwaards ik door de Waereld zwerven mogt, allerwegen een genoeglijk en toereikend bestaan kon vinden!

Met welke woorden zal ik u de aandoeningen van mijn hart schilderen! Hoe zal ik u de blijdschap uitdrukken en de greetigheid, waarmede ik zijn voorstel aannam! O mijn lieve Vriend! het was niet anders dan of er een Engel verscheen, die mij, met een zaligende hand, opnam, en uit den poel mijner kwellende beslommeringen in een Paradijs overvoerde.

Zekerlijk zult gij naar dat Plan nieuwsgierig weezen? - Indedaad de opgenoemde voordeelen zijn geen kleinigheden, en vooral waren zij zulks voor mij niet, in mijne toenmaalige omstandigheeden.

En, zei mijn beste Vriend: Gij schildert nog?

Wat zou ik anders doen, mijn Heer?

Welk een vraag! - Vertaalen.

Vertaalen? -

Wel ja! boeken vertaalen! -

En dat, zonder eenige andere taal te kennen dan mijn moedertaal en een weinigje fransch?

Wat zegt dat? - Dat gij niet kent, kunt gij immers leeren.

Gij hebt gelijk. - Daadlijk aan 't vertaalen.57

Hij schetste mij daarop alle de voordeelen, aan deeze edele bezigheid vast; ontdekte er mij den gewoonen handel, (betreklijk de Heeren Boekverkoopers,) van, - en, bezorgde mij al aanstonds een hoogduitsch Werk, om het, tegen het gewoone honorarium, in het nederduitsch te brengen.

Zo dra was mijn grootste Weldoender niet vertrokken, of ik pakte al mijn schildertuig saamen, smeet het in een hoek, en, wat mijne dienstbaarheid be-

[p. 113]

treft - niet lang daarna bedankte ik welmeenend de Heeren Regenten van Charitaaten voor het goede dat ik genooten, en voor het ambt waarmede men mij verwaardigd had.58

Nu was ik vrij, en duizende zorgen te boven! Maar nu lag het hoogduitsche Boek voor mij, waar van ik zelf de meeste letters niet kende.

Ik nam een Meester, om mij in die taal te onderwijzen: - maar deeze goede Man verschrikte geweldig, toen ik hem, bij de eerste les, verhaalde, dat ik daadlijk aan het vertaalen dagt te gaan, van een Werk van een der beste hoogduitsche Schrijvers. Wanneer gij, riep hij even als een geemlijke Schoolvos uit: twee jaaren geleerd zult hebben, denk er dan pas aan, om dat Werk, niet te vertaalen, maar eenvoudig te lezen.

Zulk een Onderwijzer zou mij, - ware ik minder vuurig geweest, om mijn plan doortezetten, - zekerlijk den moed benomen hebben. Nu lachte ik eens. Leer mij het hoogduitsch maar lezen! zei ik: en de rest is mijn zaak.

Ik nam vijf lessen bij den goeden Man en, - liet hem vertrekken.

Met goede Woordenboeken zettede ik mij, van den vroegen morgen tot den laaten avond, neder. Onvermoeid en met aanwending van alle de vermogens, die de goede Hemel mij gegeeven had, volhardde ik, met dagen agter een, genoegzaam woord voor woord optezoeken. Mijn moedgevende vriend FIJNJE corrigeerde mijn arbeid, en eindlijk kwam ik den hoek te boven59, en het hoogduitsch werd mij, wat het lezen en verstaan aangaat, zo eigen als mijn moedertaal.

Ik zal hier, agter elkander, u opgeven, welke Werken door mij, uit het hoogduitsch en fransch, vertaald zijn. Loop ik mijne Geschiedenis vooruit, het kost ons niets, om eindlijk eenige stappen te rug te doen.

DE ABDERITEN. eene staatkundige Roman. Uit het hoogduitsch vertaald. Twee deelen. 1786.
DE HEEREN VAN WALDHEIM. Uit het hoogduitsch60 vertaald. Twee deelen. 1786.
SIEGFRIED VAN LINDENBERG. UIt het hoogduitsch vertaald. Twee deelen. 1787.
GARGANTUA EN PANTAGRUEL. een geheel nieuwe Roman; Uit het hoogduitsch vertaald. Behelzende dit deel het leven en de daden van den grooten GARGANTUA. 1787.
[p. 114]

EN DEEZE HUWELIJKEN ZIJN ZEKERLIJK NIET IN DEN HEMEL GESLOOTEN. eene origineele Roman. Uit het hoogduitsch. Twee deelen. 1788.
Het derde stukje van de VOLLEDIGE BESCHRIJVING van alle Konsten, Ambagten, Handwerken, Fabrieken, Trafieken enz. behelzende dit stukje: DE PORCELEIN-FABRIEK. vrijelijk het fransch gevolgd. 1789.
HET LEVEN VAN EEN LICHTMIS, Caracterkundig geschilderd, naar HOGHART en CHODOWICKI. Uit het hoogduitsch. Drie deelen. 1789, en vervolgens.
ALCIBIADES, door A.G. MEISZNER. Op een vrijen trant in 't nederduitsch gevolgd. Vier deelen, waar van drie reeds vertaald. 1789, en vervolgens.

De volgende Vertaalingen zijn thans, (in het laatst van 1791,) op de pers.

TWEE HOROLOGIEN EN GEEN GELD IN DE ZAK. Toneelspel. Volgens het hoogduitsch.
PETER PAARS, in vijftien boeken, door LODEWIJK, BARON VAN HOLBERG. Op een zeer vrijen trant het hoogduitsch gevolgd. Twee deelen.
EWALDS ROZEMOND. Uit het hoogduitsch.

* * *

 

Er zijn nog eenige kleine vertaalingen van stukken, welken in andere Werken, of ingelascht zijn, of ingelascht zullen worden, hier mede echter zal ik uw geduld niet vermoeijen.

Wat mijne origineele Werken betreft, bij gelegenheid zal ik er u de lijst van zenden, wel te verstaan, voor zo verre het Werken van smaak zijn, of er gevoeglijk onder gebragt kunnen worden.

52Lokale instelling voor armenzorg, waarbij de verantwoordelijkheid gedeeld werd door het stadsbestuur en het kerkbestuur. GA Delft, Arch. Diaconie Kamer van Charitaaten (nr 447), 34 (notulen 1776-1796), f. 60r-61-r: ‘Acte van aanstelling van (hem) Gerrit Pa(a)pe’. Besluit tot benoeming ‘met meerderheyd van stemmen’, d.d. 2 mei 1781. Aanstelling ging in 2 juni 1781 en gold tot 1 juni 1786. Aanstellingsacte bevatte ook uitgebreide ‘Instructie’, waaruit Paape hier citeert. Over de Delftse Kamer: C.D. Goudappel, E.J. Marico e.a. (red.), Genealogische en historische encyclopedie van Delft. Delft 1984, pp. 55-56.
53veelvermogende, invloedrijke.
54Verbanning uit Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht, die op vrijdag 3 april 1789 door het Hof van Holland uitgesproken is. Voordien had de ‘hervormde’ stadsregering van Delft Paape al de toegang tot Delft ontzegd.
55sleur
56Wybo Fijnje (1750-1809), oorspronkelijk doopsgezind predikant te Deventer, door zijn huwelijk met Emilie Luzac in een journalistenmilieu beland. Fijnje werd uitgever-redacteur van de stadscourant van Delft, de Hollandsche Historische Courant. Fijnje en zijn krant ontwikkelden zich omstreks 1784 zo zeer in radicaal-patriotse richting dat zij mikpunt van Orangistische haat werden. Na de omwenteling werd Fijnje zoals Paape getroffen door verbanning. In de politiek van de Bataafse Revolutie speelde Fijnje korte tijd een vooraanstaande rol: in januari 1798 gaf hij leiding aan de radicale staatsgreep. Vele gematigden zagen het bewind van Fijnje, Pieter Vreede c.s. als een Schrikbewind. Aan dat gevreesde bewind kwam snel een einde: in juni 1798 volgde een tweede staatsgreep, Fijnje werd gearresteerd en beschuldigd van corruptie. Zie: Chr. Kroes-Ligtenberg, Dr Wybo Fijnje (1750-1809). Belevenissen van een journalist in de patriottentijd. Assen 1957. De geestverwant Vreede kwam in zijn autobiografie niet verder dan 1796. Zie Pieter Vreede, Mijn Levensloop. Ed. M.W. van Boven e.a. Hilversum 1994. Al eerder had Vreede zich in een Verandwoording (1798) verdedigd.
57Het vertalen stond in de laatste decennia van de achttiende eeuw niet in een goede reuk. De vertalingen heten van slechte kwaliteit te zijn en zij zijn te populair bij het publiek. Na 1780, na de opleving in nationalisme, worden vertalingen min of meer als volksvijandig beschouwd. Een aantal vooroordelen over het vertalen wordt door Paape op provocerende wijze bevestigd: aan kennis van moderne vreemde talen ontbreekt het vertalers, vanwege het (ordinaire) geld wordt vertaald. Vooraanstaande schrijvers als Wolff en Deken laten nadrukkelijk weten dat hun werk ‘niet vertaald’ is, terwijl Paape het nadien presteert zelfs oorspronkelijk werk als vertaling te presenteren. Over de vertaalpraktijk: Adèle Nieuweboer, ‘De populariteit van het vertaalde verhalend proza in 18e-eeuws Nederland en de rol van de boekhandel bij de praktijk van het vertalen.’ In: Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw 15 (1982), [53-54], pp. 119-141.
58Paape vroeg en kreeg ontslag bij de Kamer van Charitaaten in oktober 1785. Zie: GA Delft, Arch. Diaconie Kamer van Charitaaten (447), 34 (notulen 1776-1796), f. 83v
59overwon ik de moeilijkheden, had ik het ergste achter de rug.
60In editie 1792: hoogduitscg.
prepostterug  begin  verder