uit, dan wordt het begrip zin identiek met ‘ww-patroon’. Een hoofdzin is nu een ww-patroon dat zelf geen patroondeel is (geen deel dus van een groter patroon), een bijzin een ww-patroon dat zelf wel patroondeel is1). Het is duidelijk dat de buitenbouw hier indelingskriterium geweest is.
Maar is een ww-patroondéél (dus een zinsdeel) indelingskriterium voor ww-patronen, dan gaan we uit van een eigenaardigheid in de binnenbouw. Als ww-patroondeel kiezen we de pv, en dan krijgen we zoals bekend, in eerste instantie twee zinstypes: dat met voor- en dat met achterplaatsing van die pv.
Verreweg de meeste hoofdzinnen vertonen voorplaatsing, verreweg de meeste bijzinnen achterplaatsing, maar een klein aantal uitzonderingen dwingt ons tot een scherp onderscheid tussen binnen- en buitenbouw-kriteria. - Een voorbeeld:
| als ie toch maar z'n trein (haalt) |
Dit is een hoofdzin met achterplaatsing.
Een tweede voorbeeld vormt het schuingedrukte deel van de zin:
| hij zegt: ik (geloof) er niks van |
Dit is een bijzin met voorplaatsing. (De traditie gebruikt voor deze twee voorbeelden de termen hoofdzin met bijzinsvolgorde en bijzin met hoofdzinsvolgorde, maar termen die zó'n tegenspraak bevatten zijn wetenschappelijk noch didaktisch bruikbaar. Daarom zie ik geen mogelijkheid om ze te handhaven, hoe vervelend een termverandering in de spraakkunst ook is).
Bij voorplaatsing zijn zoals bekend twee mogelijkheden: de pv is eerste of tweede zinsdeel. En het eerste type, het niet-konstaterende2) heeft nu onze speciale aandacht in verband met de vergelijking met het vw. Het heeft ermee gemeen dat het eerste zinsdeel is.