terug  begin  verder
[p. 72]

2.4. Het gecommuniceerde: de thematiek

De reeds in de eerste tien brieven naar voren gekomen motieven (vergankelijkheid, voorbereiding, vriendschap, deugd, natuur en Voorzienigheid) blijken bij lezing van het gehele verhaal belangrijke elementen van de thematiek uit te maken. Later gepresenteerde motieven, zoals liefde, huwelijk, opvoeding, goede wilde, slavernij en vrijheid, zijn daarvan ook wezenlijke constituenten. Ik zal deze motieven in hun thematische samenhang behandelen. Aan slavernij en vrijheid zal ik in dit hoofdstuk slechts beperkte aandacht besteden, maar daarop kom ik in het volgende hoofdstuk terug.

2.4.1. Vergankelijkheid en voorbereiding

Volgens Reinhart heeft de mens een onsterfelijke ziel. Het leven op aarde is voorbereiding op het eeuwige leven. In de ogen van Reinhart zijn de meeste aardse waarden dan ook nietig tenzij ze bijdragen aan deze voorbereiding. De waarden van de meeste kolonisten bijvoorbeeld, bezit, macht, aanzien en vermaak, zijn ijdel; vergankelijk en van geen belang in het licht van de eeuwigheid. Reinhart is zich bij al zijn drukke bezigheden als planter, bedoeld om bezit te verwerven, ervan bewust

dat dit geheele leven, om welks onderhouding men zoo angstig wroet en slaaft, maar een enkel onmerkbaar stipjen van ons aanzijn is, en dat al ons woelen en zwoegen, wanneer wij onder het zelve niet geschikter worden voor de eeuwigheid, waarvoor wij bestemd zijn, ijdel is, dat in onze jongste oogenblikken, de meeste onzer bedrijven, hoe gewigtig zij ons nu mogen voorkomen, niet dan enkele beuzelingen zullen worden! (II, 56)

Hij houdt zich zelf dan ook steeds voor het ‘hart te verbeteren’ door de beoefening van godsdienst en deugd. Zijn aardse goederen en zelfs zijn vrouw wil hij ‘bezitten als niet bezittende’ (III, 31).

De vergankelijkheid van het aardse wordt in de Reinhart voortdurend tot uitdrukking gebracht, soms naar aanleiding van menselijke lotgevallen, soms naar aanleiding van waarnemingen in de natuur, waarbij niet zelden gebruik wordt gemaakt van traditionele symbolen. Vanaf het begin van de zeereis wanneer Reinhart bij het zien van de overblijfselen van een kasteel op de kust bij Dover moet denken aan de ‘broosheid van den sterveling’, tot aan het eind van zijn Guianese verblijf wanneer hij vanité-bloempjes zaait bij het graf van Nannie, verwoordt hij vanitasgedachten. Het leven wordt daarbij een stofje (I, 35, 36), een damp (I, 124), een droom (II, 118), een beuzeling (III, 78), of een schaduw (III, 78) genoemd, en uiteraard worden verschillende vanitasteksten uit de Bijbel geciteerd, zoals Psalm 39:6, 7, Psalm 103:15, 16 en Spreuken 31:30. In de tropische natuur herinneren allerlei voorwerpen Reinhart aan de vergankelijkheid van alles wat leeft: een vermolmde cocosstam, een afgeslagen boomkruin, rottende vruchten, kwijnende struiken, uitgebloeide planten. Het geloof dat de mens evenwel voor de onsterfelijkheid geschapen is, troost hem. De lotgevallen van Reinharts en Nannies ouders en, ten slotte, van Reinhart en Nannie zelf, demonstreren hoe vergankelijk aards geluk is. Boek 6, waarin na allerlei kleinere tegenspoeden Nannie sterft, draagt dan ook als titel: ‘'t Veranderd al wat is.’

Reinharts leven ontwikkelt zich vanuit een dieptepunt (de rampen van het ouderlijk gezin als gevolg waarvan hij het vaderland moet verlaten) via een hoogtepunt (hij is een geslaagd en welvarend planter, gelukkig gehuwd man en vader) opnieuw naar een dieptepunt (misoogsten, de dood van Nannie). Reinhart klaagt:

o wereld! hoe bedriegelijk is uwe beste vreugde! gij verheft den armen mensch tot het toppunt van geluk, om hem in eenen diepen bodemloozen afgrond nedertestorten [...]. (III, 269)

Alleen in de ‘andere wereld’ zal het geluk volmaakt en bestendig zijn; op aarde is het

[p. 73]

onvolmaakt en vergankelijk. Door afwisseling van voor- en tegenspoeden in zijn leven wordt de mens hieraan herinnerd. Het zijn vooral de tegenspoeden die het proces van voorbereiding stimuleren: lijden maakt ‘rijp’ voor de betere wereld. Dit laat overigens Reinharts geloof in de ‘beste aller werelden’ te leven onverlet: kwaad en lijden vinden ook in de beste wereld plaats, zijn door God beschikt voor het uiteindelijk heil van de schepselen.

Hoewel Reinhart dikwijls van zijn rijpingsproces getuigt, valt het hem na Nannies dood zwaar om haar sterven in dit licht te bezien:

konde ik gelooven, dat juist dit lijden mij moet rijpmaaken voor de betere wereld! dan zou ik het geduldig zoeken te draagen, en mij gerust aan die liefderijke zorg overgeeven; maar dit kan ik niet: mijn verstand zegt het mij wel, doch mijn hart neemt het niet aan. (III, 295)

Het aardse leven van voorbereiding door middel van beproevingen wordt in de Reinhart door de traditionele metaforen aangeduid: de levensweg of het levenspad, het voorportaal, de reis, de pelgrimstocht.86 Afhankelijk van zijn gemoedsstemming of van de mate van het toebedeelde geluk, ervaart Reinhart zijn leven als een weg ‘door bloemvelden, en vruchtbaare dalen’ (I, 292), dan wel als een steile, ruwe, met distelen bezaaide weg; de tocht voert door ‘een dal der traanen, een dorre woestijn, een huilende wildernis’ (I, 321), of door een Eden (III, 312). Om de levensweg als positief te ervaren en om een grotere kans te maken de gewenste eindbestemming te bereiken, is een reisgezel onontbeerlijk: een vriend of een geliefde.

2.4.2. Vriendschap en liefde87

De vriendschap heeft een tweeledige functie: ten eerste schenkt zij steun (dubbele vreugd en gedeelde smart) tijdens het leven op aarde; ten tweede bevordert zij de deugd en bereidt daardoor mede voor op het eeuwige leven. Voor de liefde geldt hetzelfde, als die tenminste niet enkel zinnelijk is: ware liefde moet op vriendschap gebaseerd zijn. Vriendschap en op vriendschap gebaseerde liefde zijn aldus van het allergrootste existentiële belang. Vrienden en geliefden delen elkaar niet alleen hun ervaringen, gedachten en gevoelens als confessies mee, maar bespreken en evalueren die. Ze trachten elkaar op de rechte weg, het pad der deugd, te houden. De beloning is het weerzien en een vervolmaking van hun relatie in het hiernamaals.

Deze intieme communicatie is voor Reinhart een bestaansvoorwaarde. Voortdurend is hij op zoek naar een zielsverwante gesprekspartner; de mensen die hij op reis en in de kolonie ontmoet, worden dan ook op hun waarde als communicatiepartner geschat. Zijn vriend Karel vervult deze functie sinds Reinharts vertrek alleen nog op afstand; pas na lange tijd ontmoet hij een directe, nabije partner in de persoon van Nannie.

Ware vriendschap en liefde ontstaat tussen verwante, sympathetische of zusterlijke zielen. Niet altijd vinden deze echter elkaar op aarde; soms waant men een verwante ziel te treffen en komt men bedrogen uit. Nannie is daarom voorzichtig: veel minder dan bijvoorbeeld Julia in Feiths gelijknamige roman geeft ze toe aan liefde op het eerste gezicht, d.w.z. ze staat argwanend tegenover de onmiddellijke herkenning van verwante zielen. Ook het unieke van de liefdesrelatie wordt minder beklemtoond dan in Feiths romans. Ooit had Reinhart een zekere Louiza lief, maar ze werd gedwongen met een ander te trouwen die meer geld bezat dan Reinhart, maar die haar ‘eerste liefde’ niet bezat (II, 255). Dit belet Reinhart niet naar een andere lotgenote uit te zien en uiteindelijk met Nannie te huwen.

Reinhart heeft zijn vroegste jeugd ‘in vriendenlooze eenzaamheid’ (I, 205) doorgebracht. Zijn vriendschap met Karel (en naderhand met diens vrouw Charlotte) maakte een eind aan dit gemis. Voor zijn vertrek uit het vaderland zweren Reinhart en Karel elkaar plechtig ‘eene eeuwige vriendschap’, wat niet letterlijk genoeg opgevat kan worden:

een vriendschap die in verren lande zou voordduuren, en eens, boven zon en maan,
[p. 74]
vaster, en zonder traanen zou bevestigd worden; wij beloofden elkander ons voor den anderen waardiger te maaken, ten einde ons niet eenmaal voor onze hemelsche broederen te schaamen [...]. (I, 25)

God en de engelen waren getuige, aldus Reinhart. Deze vriendschapseed heeft dan ook nauwelijks een andere ‘status’ dan de eed van eeuwige trouw die Reinhart en Nannie elkaar, met de Hemel als getuige zweren ter gelegenheid van hun huwelijk (III, 1).

De betekenis van de liefde wordt door Reinhart ook in het perspectief van de eeuwigheid beschouwd en heet bedoeld om ‘elkanders rijpheid voor de wereld der volmaaktheid te bevorderen’ (II, 367), om ‘elkander rijper (te) maaken voor de onstervelijkheid’ (III, 169). Hoewel Reinhart tijdens zijn huwelijksperiode wat minder tijd en aandacht aan Karel kan besteden, bedreigt de liefde hun vriendschap niet. Reinhart maakt zijn vriend deelgenoot van zijn huwelijksgeluk. Hij beijvert zich om Nannies karakter zo gunstig mogelijk te doen overkomen en twijfelt er niet aan, of Karel en Charlotte zouden Nannie ook hun vriendschap waardig keuren. Mochten zij elkaar op aarde niet ontmoeten, dan zullen zij de vriendschaps-relatie in het hiernamaals verwezenlijken (III, 156-157).

Het feit dat Reinhart na Nannies overlijden totaal ontredderd raakt en niet tot berusting kan komen, wijst erop dat zijn rijpingsproces nog niet ver genoeg is. Hij heeft de beproeving van zijn geloofszekerheden bepaald niet vlekkeloos doorstaan. Had ik mijn levensgezellin langer mogen bezitten, zo merkt hij op, ‘ik zelf ware beter en edeler geworden, en meer geschikt om haar eens te missen’ (III, 294-295).

Behalve door vriend en geliefde kan de mens door literatuur gesteund worden op zijn levenspad, en wel door die literatuur die deugd en godsdienst bevordert. Voor Reinhart heeft de literatuur zo'n communicatieve functie. Een schrijver is een vriend; ook zìjn vriendschap leidt tot de onsterfelijkheid. Wanneer Reinhart zich geïsoleerd voelt in de koloniale samenleving, als eenling weigert mee te doen aan een levensgedrag dat hij als zedeloos beschouwt, daarom en vanwege zijn godsdienstigheid als dweper gekwalificeerd wordt, leest hij behalve in de Bijbel, in Chr. F. Gellerts Zedekundige lessen88 om het moeilijke pad der deugd te kunnen blijven bewandelen, zoals hij Karel meedeelt:

verder zal mijn lieve Gellert, de vriend en de leidsman van mijne eerste jongelings-jaaren, hier vooral mijn vriend blijven, en zijne Zedelessen zullen altijd mijn getrouw handboek weezen [...]. (I, 234)

Gellert heeft door zijn schildering van deugden en ondeugden vele tot dwaling geneigde jongelingen gered, aldus Reinhart, die hem daarvoor voor Gods troon zullen bedanken. Aandacht voor de esthetische waarde van literatuur ontbreekt niet, maar de grote nadruk valt op de ethische aspecten. Voor Reinhart brengen literaire teksten een ‘boodschap’ van de auteur over, die zijn werking ontleent aan de toepasselijkheid en toepasbaarheid van de boodschap op de situatie van de ontvanger. In de zedeloze samenleving van de kolonisten leest Reinhart dus Gellert; wanneer hij nadenkt over de wijze waarop zijn leven zich in vooren tegenspoeden voltrekt, leest hij L.F.G. von Göcking, de dichter van de tevredenheid. Imposante landschappen worden bewonderd met Ossian of Hirschfeld. Als hij naar een geliefde verlangt, leest hij Hölty of Klopstock (‘Zukunftige Geliebten’). Het eenvoudige, landelijke of pastorale leven dat Reinhart leidt, wordt verheerlijkt aan de hand van Gessner, Florian en Poot. Feith en Klopstock bevestigen de waarde van zielsschoonheid en zielsliefde boven de lichamelijke schoonheid en liefde; Lavater en Klopstock worden geciteerd om hun ideeën over dood en onsterfelijkheid.89

Dat literatuur vooral een vertroostende en hartversterkende functie heeft, deelt Reinhart aan Karel mee wanneer hij hem een interieurbeschrijving geeft van zijn ‘Retraite’, een afgelegen hut op de plantage bestemd voor godsdienstoefening:

Nu kent gij ook de inwendige gedaante, van mijne hut van afzondering, Karel! Want dat gij daar ook een tafel, op welke, behalven de Bijbel, verscheidene boeken liggen, plaatsen moet, dit spreekt wel van zelf: en dat, onder deeze boeken, de
[p. 75]
Moralische Vorlesungen en Geistliche Liedern, van Gellert; de Messiade, van Klopstok; de Philosophe Cretien, van Formei; de Leerredenen van van Loo, en de Gedichten van Voet, en van Alphen, te vinden zijn, zal u zeker niet verwonderen;90 hoe veel onderricht en aanmoediging, vertroosting en vreugde, heeft mijn ziel hier en elders uit deeze menschelijke schriften gehaald, om dat zij bevestigd worden, door dat boek, dat alle waare wijsheid en troost voor stervelingen in zig sluit! (II, 205)

Korte maar krachtige literaire en bijbelse citaten, door Reinhart aangebracht in de natuur op boomstammen en stenen, herinneren hem dagelijks aan deugd en godsdienst.

2.4.3. Natuur en godsdienst

2.4.3.1. Natuur91

Ook het leven in en volgens de natuur kan de mens opleiden tot deugd en godsdienst. Natuurbeschrijvingen, natuurbeschouwingen en natuurbelevingen nemen, zoals de ondertitel van de roman reeds voorzegt, een zeer grote plaats in dit werk in. De natuur is geen decor, maar een ‘functionele ruimte’, want ten nauwste samenhangend met Reinharts doen, denken en geloven.

Reinhart is een scherp waarnemer: uitvoerig en gedetailleerd beschrijft hij de indrukwekkende zeegezichten, de imposante tropische natuur, en, in retrospectie, de vaderlandse natuur, vooral die op en rondom het Gelders landgoed waar Karel verblijft. Op zee biologeren hem het golvend wateroppervlak bij rustig weer en bij storm, de kustgezichten van Engeland en van allerlei eilanden in de Atlantische Oceaan, en de sterrenhemel. Soms overschrijdt hij de grenzen van het waarneembare en speculeert hij, bijvoorbeeld over de wereld onder water:

Hier zijn diepe valeien, en effene vlakten, vruchtbaar in schoone en nuttige gewassen, met welken de bevolkers der zee hun voordeel doen: hier zijn grazige velden, waar welligt de zeekalven, zeekoejen, zeepaarden, en meer dieren die hun gelijken, weiden vinden - mogelijk zijn 'er ook woeste bosschen, waar de zeeleeuwen, en andere wezens van hunnen aart, hunnen prooi bejaagen; ook wel dorre onvruchtbaare oorden waar geen gevoelig leven ademt, daar geen plantjen groeit; welligt ook akelige spelonken, waar eene menigte vervolgde dieren, de verslindende vraatzucht hunner vijanden ontvlugten. (I, 55)

In Guiana beschrijft hij de natuur van het kustgebied waar zijn plantage gesitueerd is, de natuur en landschappen langs de rivieren, van de savannen en van het oerwoud met de indianennederzettingen. Vooral op de 14-daagse tocht naar het binnenland, bedoeld om timmerhout te verkrijgen, wordt van de gevarieerde natuur en landschappen indringend verslag gedaan (boek 3, br. 18-19). Van de Guianese flora en fauna wordt bij voortduring melding gemaakt.92 Toch is het niet Reinharts bedoeling een natuurlijke historie van Guiana te geven; hij zegt de natuur te willen beschrijven inzoverre deze invloed heeft op zijn hart (I, 269-270).

Door Reinharts ontvankelijkheid is deze invloed zeer groot. De natuurbeschouwing gaat over in natuurbeleving. Het meest pregnant wordt dit geformuleerd in de slotzin van een brief over de colibri, waarin Reinhart in verwondering de pracht van dit vogeltje beschreven heeft:

Gij ziet wel, Karel! mijn geheele ziel is Colibriet; en op dit oogenblik kan ik u over niets anders schrijven. (III, 96)

Veelvuldig brengen natuurtaferelen hem in een bepaalde gemoedsstemming: ze maken hem opgewekt of somber, rustig of angstig, soms ootmoedig en bijna altijd reflectief. Dikwijls zoekt Reinhart een bepaald plekje op om een bepaalde stemming te bevestigen en te versterken.

Natuursymboliek speelt bij een en ander een belangrijke rol.93 Het pijnbos heet aan ‘naden-

[p. 76]

ken’ toegewijd (I, 20), het eikenbos aan vriendschap (I, 22); klimop rond een boomstam wordt het zinnebeeld van de vriendschap genoemd (I, 21). Het aanschouwen van de maan voert de gedachten naar de ver verwijderde vrienden en geliefden: Reinhart noemt de maan de ‘schoone band van vereeniging voor gevoelige wezens’ (I, 68-69). De zee is het zinnebeeld van het woelige leven (I, 92); de sterrenhemel doet de mens zijn nietigheid gevoelen (I, 128). Het vergankelijk leven wordt gesymboliseerd door de roos (III, 312); het sterven van het lichaam en het voortleven van de geest door de overgang van rups naar vlinder - door Reinhart resp. ‘worm’ en ‘capel’ genoemd (III, 315). Soms geeft de natuur een symbolische weerspiegeling van Reinharts leven: na de dood van Nannie blijkt ook het ‘gaaiken’ van de tortelduif op de plantage dood te zijn gegaan (III, 324); zowel Reinhart als de tortel klagen hun verdriet zonder antwoord te krijgen. Soms voorspelt de natuur: korte tijd voor Nannies overlijden vinden de kinderen een dode moedervogel en enkele verlaten jongen (III, 250-254).

Evenals in andere gevoelige literatuur uit de tweede helft van de 18e eeuw, beïnvloedt de gemoedsstemming ook wel eens de natuur, d.w.z. de waarneming en/of de beleving ervan.94 Na Nannies overlijden noemt hij in een van zijn ‘Elegien bij het graf van mijne Nannie’ een donkere avond een ‘droevige’ avond; de in nevel gehulde maan lijkt volgens hem te ‘wenen’. De sterren zijn door ‘akelige’ wolkenflarden nauwelijks te zien. Hij verklaart deze projectie van zijn innerlijk zelf:

die hemel is een beeld van mijne ziel: woest en droevig, eenzaam en donker is mijne ziel; gemis en verlaatenheid, ledigheid en nacht woonen daar; de enkele straalen van hoop, die de godsdienst deed flikkeren, zijn beneveld door droefheid dierbaare Nannie! voorheen kondet gij mij troosten als het noodlot mijne traanen deed vloejen; doch gij werd mij ontnomen, en het heelal werd mij zwarte, ledige nacht. (III, 310)

Anders dan de mannelijke hoofdpersonen uit Feiths Julia en Ferdinand en Constantia wijst Reinhart op het metaforische karakter van de ‘landschappen van de ziel’.

Omdat hij als schepsel deel uitmaakt van de schepping voelt Reinhart zich sterk verbonden met al het geschapene, in het bijzonder met de levende natuur. Hij beschouwt zich zelf als een ‘burger in 't Rijk der Schepping’ (I, 66) en is begaan met het wel en wee van zijn medeschepselen. Evenals Werther in Goethes roman raakt hij geëmotioneerd als hij hoort dat een boom waaraan hij gehecht was, omgehakt is. De betrekkingen tussen de schepselen ziet hij belichaamd in de ‘Keten der Wezens’, ‘die den verhevensten engel aan den onzienlijken bewooner van een zandkorreltjen verbindt’ (I, 66), en die ook Reinharts onbetekenende lotgevallen aan de ‘voordduuring van 't heelal’ lieert.95

Het leven in de natuur en volgens de natuur stimuleert de deugd en maakt gelukkig. Eenvoud, soberheid, natuurlijkheid en zedigheid kenmerken het leven van de negers in Afrika en van de indianen in Amerika.96 De goede wilde in Guiana kent weliswaar de ware godsdienst niet, maar Reinhart waardeert de deugdzaamheid van de indianen die het verlichte Europa tot voorbeeld kan strekken.

 

Ook Reinhart streeft er naar ‘natuurlijk’ te leven en laat de enigszins decadente kolonistensamenleving links liggen. Met Nannie probeert hij het aartsvaderlijke ‘herdersleven’ in de praktijk te brengen, een ernstig spel waarin ook de slaven en de dieren op de plantage een rol toebedeeld is.97 Nannie waardeert

die ligtvoldaane, eenvoudige behoeften, die ongekunstelde Natuur, die kuische deugd, die betoverende edelmoedigheid, en het vreedzaam geluk [...]

van dit leven, maar realiseert zich

dat de geheele herder-wereld nergens onder verdorvene menschen te vinden is, en dat zij niet bestaat dan in de vruchtbaare hersens van naar geluk zoekende menschen [...]. (III, 62)
[p. 77]


illustratie
De idylle in het oerwoud (Reinhart, dl. 3).

[p. 78]

Niettemin streven zij naar zo'n samenleving en Nannie meent dat hun leefwijze de pastorale toch benadert:

al is onze wooning geen herdershut, onze eenvoudige naar de Natuur gevormde levenswijs, onze tedere liefde en voldaanheid met elkander, en de Natuur, die ons omringt, hebben zoo veel van het benijd herdergeluk, dat mij bijna geen wenschen overig blijven [...]. (III, 63)

Hun kinderen worden ‘natuurlijk’ opgevoed. Anders dan in Europa in de betere kringen gebruikelijk is, voedt Nannie de baby's zelf (III, 151-152). De kinderen krijgen geen knellende kleding aan (zoals luiers en zwachtels) en kunnen zich vrij bewegen. Ze slapen niet in een wieg maar in een hangmat; ze gaan twee maal per dag in bad en mogen zich daarna op een kleed in de zon laten opdrogen (III, 144-145). Hun geestelijke vorming wordt aan hun leeftijd aangepast; de eerste denkbeelden van God en het goede worden aangebracht aan de hand van de natuur die ze waarnemen (III, 229-236).

 

De natuur is Gods schepping en draagt het stempel van Zijn volmaaktheid: schoonheid, orde en goedheid (I, 60-61). Onder orde wordt in dit verband het exacte en perfecte functioneren van de schepping verstaan, bijvoorbeeld van de kosmos (III, 89), en niet de ‘orde’ van de tuinen landschapsarchitectuur. Reinhart vindt dat de menselijke hand de natuur veraangenamen kan, zoals in de Engelse tuin die hij op de plantage voor Nannie aanlegt, maar bewondert minstens evenzeer de geheel vrije en ongecultiveerde natuur (II, 131-132).

In Reinharts visie leidt natuurbeschouwing tot God, omdat de natuur zowel in het grote als in het kleine Gods almacht, wijsheid en goedheid demonstreert:

de schoone Natuur leidt mij immers oogenbliklijk tot haare oorzaak op; een enkeld van haare oneindig veele verschijnselen werd mij dikwijls een rijke bron van godsdienstige vreugde [...]. (II, 57)

Daarom ziet hij in de natuur Gods tempel (II, 135), waar hij Hem aanbidden kan. Boven de natuurbeleving uit stijgen de door de natuur opgewekte godsdienstige gevoelens die de mens ‘de vreugde der Engelen’ doet genieten (II, 144).

Reinhart, die soms speculeert over de kosmos, gelooft dat de mens na de dood als geest de gehele schepping zal kunnen bewonderen en begrijpen, en aldus God in al Zijn werken zal kunnen eren.

2.4.3.2. Godsdienst

Behalve door de hiervoor genoemde fysicotheologische ideeën zijn Reinharts godsdienstige opvattingen gekenmerkt door een sterke en concrete hiernamaalsverwachting en door een bijzondere nadruk op het geloof in de Goddelijke Voorzienigheid.98

Het hiernamaals is volgens Reinhart een ‘rijk der vergelding’ waarin de één eeuwigdurend geluk en vreugde, de ander eindeloze ellende en berouw te wachten staat (I, 42, 43, 92). Deugd en godsdienst worden gewogen, aards lijden gecompenseerd. In het eeuwige leven heerst de rechtvaardigheid die in het tijdelijke leven meestal ontbreekt. Ook de deugdzame heiden, zoals de neger, zal er waarschijnlijk beloond worden in een mate die opweegt tegen het geleden onrecht (I, 253).

De zielen van de overledenen, de z.g. afgescheiden geesten, komen in de ‘wereld der Geesten’ binnen om geoordeeld te worden. Vindt er een ‘voorselectie’ plaats? Reinhart hoopt tenminste op de oordeelsdag, wanneer de wereld vergaan zal en als een nieuwe wereld herboren zal worden, ‘reeds eeuwen lang een bewooner van dat zalig Rijk’ te zijn (I, 38). Tijdens het Oordeel, wanneer aarde en zee hun doden zullen hebben opgegeven, zal de geest opnieuw bekleed worden met het lichaam, en als ‘geestlijk ligchaam’ (III, 106) voortbestaan. Reinhart gelooft dat de afgescheiden geesten evenals de hogere geesten, zoals engelen, getuige kunnen zijn van het menselijk doen en laten (III, 124); zij kunnen hun vrienden en

[p. 79]

verwanten gadeslaan, mogelijk troosten, inspireren en beschermen. Hij stelt zich voor dat als hij mocht sterven, zijn ziel zeker Karel zou bezoeken: ‘dan zal mijn geest om u zweeven, u troosten, u moed instorten....’, schrijft hij zijn vriend (I, 288). Na Nannies overlijden hoopt Reinhart dat Nannies geest de beschermengel van haar kinderen zal zijn en hem troost en steun zal geven (III, 317-319). Hij is zich overigens bewust van het feit dat hij ‘gissingen’ maakt wanneer hij over afgescheiden geesten schrijft of spreekt.

In de wereld der geesten zal de mens pas de gehele schepping kunnen leren kennen en bovendien inzicht krijgen in de op aarde onbegrepen bedoelingen Gods. Reinhart neemt zich voor samen met Karel de schepping rond te reizen ‘met ligchaamen, zoo snel als het licht’ (II, 144) en hem vooral de bijzondere plekjes van Guiana te laten zien. Interstellaire reizen zullen dan de geheimen van de kosmos ontsluiten.

Vrienden, verwanten en geliefden zullen elkaar in het hiernamaals ‘wederzien’ (III, 80); ze zullen niet meer gescheiden worden en hun relatie vervolmaken. Waar iemand sterft en begraven wordt is daarbij niet van belang. Reinhart verwacht dat, wanneer hij niet bij Nannie in Guiana maar in Europa begraven zal worden, hij bij ‘den jongsten morgen’ (III, 334) Nannie zal wederzien. Ze zullen elkaar met de lichtsnelheid tegemoet ijlen (III, 330), en hij zal haar temidden van miljoenen herkennen als zijn geluk op aarde en zijn vreugde in de eeuwigheid (III, 334).

 

Het lot van de mens is als dat van alle schepselen voorbeschikt door de wijze Voorzienigheid Gods. Er geschiedt niets in de immense schepping, aldus Reinhart, dat niet door God gewild is: geen vogeltje stort ter aarde, geen haar groeit op iemands schedel, of God weet het en wil het (I, 143); er zweeft zelfs geen stofje door de lucht ‘of de Almagtige heeft daar zijn oogmerk mede, en bestuurt deszelfs wending’ (I, 280). De opdracht van de mens op aarde is te vertrouwen op de Voorzienigheid, te berusten in de Voorzienigheid, mee te werken met de Voorzienigheid - tegen alle andere neigingen in (II, 56). Dit is ware godsdienst en ware deugd. De kortzichtige mens begrijpt Gods regering dikwijls niet, vraagt zich het waarom af van de gebeurtenissen, rebelleert soms, maar

de genoegzaame reden, van alles wat wij op de wereld zien gebeuren, is altijd, die wijze en goede wil, die zeker de beste is. (II, 160)

Vooral in tegenspoeden is het moeilijk te berusten, maar God laat deze plaatsvinden terwille van het uiteindelijk heil van mens en schepping. Hoeveel troost kan de mens juist niet putten uit het geloof dat geen blind toeval, maar Gods wijsheid zijn leven bestuurt. Reinhart overtuigt zich zelf daarvan telkens opnieuw wanneer hij ontevreden is met zijn lot of bang is voor de toekomst. Hij tracht zijn (soms wankelend) geloof in de Providentia voortdurend te versterken en is er soms zeer stellig, en zelfs niet zonder vermetelheid, van overtuigd de eventuele slagen van het lot blijmoedig te kunnen aanvaarden:

Alle gedachten, alle beelden die mij in het zalig geloof van eene alregeerende Voorzienigheid bevestigen kunnen, kweek ik zorgvuldiglijk aan; en hoe onvergelijkelijk veel aangenaamer is het mij, mijn geheele lot, de kleinste toevalligheden die het verzwaaren, of ligt maaken, niet uitgezonderd, aan haare bestuuring toetekennen, dan dezelve aan een willekeurig toeval te danken! - voor dit toeval, vliedt mijne ziel, als voor een wreed en dreigend nachtverschijnzel te rug; en ik zou met hetzelve, zelfs den grootsten voorspoed, met eene troostelooze kwijning genieten; maar het denkbeeld dat God alles regeert, alles doet verschijnen en verijdelen; dat Hij zoo wel het lijden van den worm, die zig onder mijnen onbedachtzaamen voet kromt, als de kwellingen van mijn hart heeft afgemeeten, dit denkbeeld doet mij juichen, zelfs in den tegenspoed. (I, 145)

Omdat God het lot van alle mensen en volken beschikt, kan Reinhart berusten in de in zijn ogen onrechtvaardige slavernij: God wil het kennelijk zo.

De Voorzienigheid wil dat het schip ‘De Hoop’ behouden door het noodweer komt, dat

[p. 80]

Reinhart geneest van een levensgevaarlijke tropische ziekte, dat hij niet gekwetst of gedood wordt door gevaarlijke reptielen en insekten. De Voorzienigheid doet Reinhart zelfs verdwalen en als bij toeval op de plantage ‘La Recompense’ belanden waar hij Nannie ontmoet. De Voorzienigheid bediende zich van Reinharts onvoorzichtigheid om zijn kompas te vergeten, waardoor hij verdwalen moest. In al deze gevallen zijn berusting en dankbaarheid natuurlijk niet moeilijk, maar wanneer zijn oogsten mislukken en ten slotte Nannie sterft, wordt zijn Voorzienigheidsgeloof op bijna Jobsiaanse wijze op de proef gesteld en gelukt het Reinhart niet om twijfel en gemor te vermijden.

Zolang Nannie leeft kan zij hem steunen in zijn worsteling met het geloof. Zij wijst hem dikwijls op het ‘nut der tegenspoeden’: God heeft ook dan zijn geluk op het oog wanneer hij hem niet zegent met voorspoed. Ze citeert een bijbelspreuk (Rom. 8:28) op een van de stenen bij zijn ‘Retraite’: ‘alle dingen moeten den geenen, die God lief hebben, medewerken ten goede’ (III, 185). Na haar dood kost het hem maanden om tot een zekere berusting te komen, maar danken kan hij de Voorzienigheid niet - ondanks zijn eerdere verzekering ‘ontneem mij alles, en nog zal ik U danken’ (III, 184). Van ‘juichen’ in deze tegenspoed (I, 145) is natuurlijk ook in het geheel geen sprake. De natuur is sterker dan de leer. Reinhart twijfelt langdurig aan Gods goedheid. Bij zijn afscheid van de plantage dankt hij God voor alle goede dingen die hij op ‘L'heureuse Solitude’ ondervonden heeft, maar, schrijft hij,

Hem voor mijn lijden te danken, Karel! dit kon ik niet; dit hoop ik daar te doen, daar alle lijden ophoudt [...]. (III, 336)

Wat hem in zijn ontreddering overblijft, is de hoop op een beter lot, hetzij op aarde (hoop om aan Karels borst uit te huilen, er vertroosting te vinden en alsnog tot volledige berusting te komen), hetzij in het hiernamaals (hoop om God ook voor het lijden te kunnen danken en de relatie met Nannie en andere dierbaren ‘ongestoord’ te kunnen voortzetten).

Het zal geen toeval zijn maar een kompositorische beschikking, dat het schip waarmee de tot vertwijfeling gebrachte Reinhart naar zijn vaderland terugkeert ‘De Hoop’ heet (III, 341) evenals het schip waarmee hij bijna tien jaar eerder zijn vaderland had verlaten. Reinharts leven is een voorbereidingsproces d.m.v. zegeningen en beproevingen van de Voorzienigheid, geplaatst in het kader van de hoop.99 In de roman wordt de lof van de hoop als gave Gods door Reinhart onder meer als volgt verkondigd:

dierbaare hoop! gij zijt het edelst goed, dat de weldaadige Godheid, in dit kommervol leven den sterveling gaf, tot een tegengift der rampen, die hem bestemd zijn [...]; neemen wij de hoop uit het leven der menschen weg, dan is het niet meer dan geduurig sterven, dan smachtende ellenden; de hoop is ook mijn dierbaarst goed, en brengt mij somwijl eens in uwe [Gods] armen weder [...]. (II, 174-175)

Niet zozeer van ramp tot ramp als wel van hoop tot hoop spoedt zich Reinharts leven. De hoop op een gunstiger uitwerking van de Voorzienigheid wordt, gezien de gebleken vergankelijkheid van aards geluk, vooral hoop op een volmaakt leven na de dood. Reinhart houdt in de laatste brieven aan Karel rekening met een spoedige dood en vraagt zijn vriend in dat geval zijn kinderen te willen opvoeden en zijn moeder te ondersteunen. Zo ontwikkelt Reinharts gerichtheid zich van de hoop op aards geluk tot hoop op hemels en dus eeuwig geluk.

2.4.4. Thema en titel

De geschiedenis van Reinhart is de geschiedenis van een deugdzaam en gelovig mens die door God beproefd wordt: is zijn onthechtheid van het aardse en is zijn vertrouwen in Gods bestuur zo groot als hij bij voortduring beweerd heeft? Wanneer daadwerkelijk blijkt dat al zijn handelen en streven niet meer is dan menselijk ‘wikken’ en dat God uiteindelijk beschikt, heeft hij een zware innerlijke strijd te voeren, waarbij hij aanvankelijk vooral de wanhoop, de wens om met Nannie te sterven, moet overwinnen. Het thema van de roman weergeven als ‘de mens wikt, God beschikt’ zou onvoldoende recht doen aan de ‘hoop’ - de laatste, door God

[p. 81]



illustratie
Het schip ‘De Hoop’ (Reinhart, dl. 1).

[p. 82]

gegeven troost aan de mens in nood. Mijns inziens zou het thema dan ook geformuleerd moeten worden als: de mens wikt, God beschikt; wat de mens in tegenspoeden overblijft is de hoop op een gunstiger beschikking.

 

Door de ondertitel ‘natuur en godsdienst’ is de lezer al direct gewezen op de hechte relatie tussen deze beide belangrijke motieven. Overal in de roman blijkt dat de natuur de mens tot deugd en godsdienst ‘opleidt’. De band tussen schepping en schepper is onmiskenbaar en alom waarneembaar. Reinharts leven is aldus door natuur en godsdienst bepaald, waarin godsdienst vooral staat voor vertrouwen in Gods bestuur van schepping en schepselen. Toch wordt ook de indruk gewekt dat natuur en godsdienst tegenover elkaar kunnen staan, namelijk als de menselijke natuur in strijd komt met Gods Voorzienigheid, wanneer hij zijn eigen weg wil gaan in vrijheid en onafhankelijkheid van God, wanneer de menselijke natuur rebelleert. In het geval van Reinhart komt de aanvaarding van Gods wil uiteindelijk toch tot stand, zij het meer op grond van de rede dan van het hart (III, 295). Pas door het belijden van de hoop wordt de vertrouwensband met God hersteld. Natuur en godsdienst hebben zich dan weer verzoend.

De programmatische naam van de titelheld releveert ten slotte niet alleen zijn ethisch-, vooral religieus-psychologische kwaliteiten, maar duidt mijns inziens bovendien op de mogelijkheid het Reinhart-verhaal allegorisch te interpreteren: zijn reis, ballingschap en worsteling kunnen als de levensreis, de ballingschap op aarde, en de strijd om het geloof van ieder mens geïnterpreteerd worden.

2.4.5. De presentatie van de thematiek

Het lijkt gewettigd om te stellen dat de thematiek van de Reinhart adequaat gepresenteerd wordt. De onbekende toekomst van de mens Reinhart krijgt in de fictie structureel gestalte doordat er niet-teleologisch verteld wordt. Iedere volgende brief kan een belangrijke wending te zien geven ten goede of ten kwade, evenals iedere volgende dag in een mensenleven. Omdat de brief een document uit het werkelijke leven is, kan briefsgewijs vertellen en het benadrukken van de epistolariteit, de illusie van authenticiteit versterken. Reinharts geschiedenis komt mede daardoor als levensecht over.100

Door het ontbreken van een overkoepelende vertelinstantie c.q. fictionele editeur, beschikt de auteursvoorzienigheid over het personage Reinhart, zoals (binnen de fictie) de Goddelijke Voorzienigheid beschikt over de mens Reinhart. Het providentieel denken dat centraal staat in de thematiek, krijgt aldus ook gestalte in de vormgeving. Het plan Gods met de mens Reinhart vindt zijn parallel in het auteursplan, de kompositie, voor het personage Reinhart.101 Op beide niveaus wordt geworsteld met het plan; ook het personage Reinhart schijnt zich amper te kunnen voegen naar de auteursintentie: uit te dragen dat de godsdienst in de rampen des levens de ‘eenigen genoegzaamen troost’ (I, *4R; curs. van mij) schenkt.

Reinharts veranderlijk bestaan wordt door de presentatie a.h.w. van binnenuit mee-beleefbaar gemaakt voor de reële lezer, die meeleest over de schouder van de fictionele lezer. De gemeenzame brief aan een zielsvriend maakt een grote openheid ten aanzien van het innerlijk mogelijk. Door de korte vertelafstand (‘to the moment’) en de vervlechting van schrijversheden en verteld verleden, worden de directe, spontane gevoelens, gedachten en reflecties overgedragen. Ideeën en ideologieën zijn epistolair of dialogisch geïntegreerd waardoor er grotere betrokkenheid kan ontstaan bij de ideeënwereld van de roman. De belevingen krijgen aldus meer nadruk dan de belevenissen, die eerder aanleiding zijn tot reflecteren.

Door uit de verschillende correspondentiemogelijkheden alleen de brieven van Reinhart aan Karel weer te geven, worden zijn isolement en ballingschap beklemtoond.102 De in de brieven opgenomen dialogen tonen de levensfase waarin het communicatieve isolement is opgeheven. De schrijffrequentie en omvang van de brieven zijn op waarschijnlijke wijze gerelateerd aan

[p. 83]

Reinharts communicatieve behoefte. In zijn sociaal-communicatieve leven is geen sprake van een netwerk van allerlei meer of minder toegewijde relaties, een Reinhart is geen Burgerhart. Alles draait om slechts enkele relaties: de vriendschapsrelatie met Karel en de daarin ingekaderde liefdesrelatie met Nannie. De schriftelijke communicatie met Karel en de mondelinge met Nannie zijn dan ook essentieel in Reinharts voorbereidingsproces. Wanneer die communicatie ophoudt of niet meer functioneert, staat Reinhart wanhopig alleen op de weg naar de onsterfelijkheid; zijn strijd wordt tenslotte beslecht ten gunste van de (ook kompositorisch gereleveerde): hoop!

86Rhijnvis Feith hanteert in de Julia omschrijvingen als ‘dit traanendal’, een ‘hobbeligen weg’, ‘de zaaitijd’, ‘deeze akelige wildernis’, ‘deeze rampwoestijn’, een ‘rampspoedigen doortocht’, ‘een van bitterheid en vreugde gemengde afmattende droom’, ‘deeze beneden waereld’, ‘deeze valleie der ellende’ en ‘deeze korte zandwoestijn’ (Feith 1982, 23-24).

87Er bestaat een groot aantal studies over liefde en vriendschap in de 18e eeuw (zowel de literatuur betreffende als de werkelijkheid). Ik zal met enkele titels volstaan: Langbroek 1933, gaat uitvoerig in op liefde en vriendschap in de romans van Feith en Post; verder zie men Thaer 1917, Kluckhohn 1922; Rasch 1936. Over vrouwenliefdes en -vriendschappen: Faderman 1981; Meijer 1983.
88Gellerts Zedekundige lessen zijn een vertaling door J. Lublink de Jonge van de posthuum verschenen Moralische Vorlesungen (1770). De eerste Ned. editie is van 1773, de tweede van 1775 (Noordhoek 1928, 126-147, 149-150). Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769) was een populair, moralistisch schrijver van Fabeln und Erzählungen (1746-1748), Geistliche Oden und Lieder (1757), van blijspelen, verhandelingen, brieven, waaronder de reeds genoemde Briefe, nebst einer praktischen Abhandlung von dem guten Geschmacke in Briefen (1751), en van de roman Das Leben der Schwedischen Gräfin G... (1747-1748). Zie over hem Aufklärung 1974, 276-292. De Ned. vertalingen van zijn werken, alsmede zijn invloed op de Ned. literatuur, worden besproken in Noordhoek 1928; zie ook Spoelstra 1931.
89Leopold Friedrich Göckingk (1748-1828), gevoelig-moralistisch dichter uit de Göttinger Hainbund; aanhanger van populaire Verlichtingsfilosofie. Hij schreef Episteln en Lieder zweier Liebenden (1777). Zijn Gedichte werden in 1780-1782 uitgegeven. Hij verzorgde de heruitgave van de Göttinger Musenalmanach en de uitg. van het Journal von und für Deutschland (zie Deutsche Schriftsteller 1980, 66-67). Reinhart citeert hem (II, 53-54) en noemt hem ‘mijn leerzaame vriend’ en ‘meester in de groote, en zoo weinig geoefende kunst van edele tevredenheid’ (III, 58); ‘Göcking is mijn zakboek als ik, in een uur van uitspanning, waare grootheid leeren wil’, aldus Reinhart. Ossian zou een blinde Schotse dichter geweest zijn uit de 4e of 5e eeuw. De Schot James Macpherson (1736-1796) gaf in ritmisch proza een aantal naar zijn zeggen in het Engels vertaalde teksten van Ossian uit: de Songs of Ossian (1760). Hoewel men al spoedig aan de authenciteit twijfelde, werden ze zeer populair in West-Europa, ook in Nederland (zie Daas 1961). Reinhart vergelijkt het woeste en lege savannenlandschap met ‘eene Schotlandsche bergachtige heide’ (II, 115-116).
Christian Cajus Laurenz Hirschfeld (1742-1792) schreef n.a.v. zijn verblijf in Zwitzerland een lofprijzing van de imposante schoonheden der natuur, de gelukkige buitenmensen en de christelijke deugden aldaar: Das Landleben (1768). Hij werd een bekend tuinestheticus die o.a. een Theorie der Gartenkunst schreef (1775-1780). Van Hamel 1915/1916 toonde aan dat Post zich in Het land mede op Das Landleben geïnspireerd heeft. Reinhart leest Hirschfeld in Guiana; hij noemt Zwitserland een heerlijk land ‘waar vrede en onschuld nog woonen’ (II, 66). Hij wenst zijn plantage temidden van de Zwitserse natuur met watervallen, rivieren, meren, rotsen, bergen en dalen, en hoopt na de dood ook dat deel van Gods schepping te mogen bewonderen.
Ludwig Heinrich Christoph Hölty (1748-1776) behoorde tot de Göttinger Dichterbund. In het besef niet oud te zullen worden, schreef hij dikwijls met een weemoedige ondertoon. Zijn idyllen, liederen, oden en hymnen gaan o.a. over de onschuldige genoegens van de natuur, de vriendschap en de liefde. Zijn Gedichte waaronder ‘Die künftige Geliebte’ werden posthuum uitgegeven (1782-1783). Zie: Deutsche Schriftsteller 1980, 102-103; over Hölty's liederen in Nederland schreef De Haan 1953. Als Reinhart naar een zielsvriendin verlangt, citeert hij ‘de zielvolle, maar vroeggestorvene Höltij’ (II, 270-271).
Friedrich Gottlieb Klopstock (1724-1803), dichter van Geistliche Lieder (1758-1769), Oden und Elegien (1771). Werd vooral beroemd door zijn bijbels epos in hexameters Der Messias (1748-1773). Hij schreef verder o.a. toneelspelen en verhandelingen. Hij schiep een gevoelige poëtische taal die, evenals zijn thematiek, ook in de Ned. literatuur bewondering en navolging kreeg, o.a. bij R. Feith en E.M. Post (Langbroek 1933, Aufklärung 1974, 415-467). Reinhart zegt die ‘zukunftige Geliebten’ te vertalen (II, 267-268): vs. 5-29 van ‘Die künftige Geliebte’ (1747) (zie Klopstock 1968, 68). Nannie citeert Klopstock ‘An Fanny’ (1748), (III, 48) over het samen sterven en samen begraven worden; Reinhart leest Nannie een van de 20 zangen voor uit ‘de Messiade van Klopstock’ die hij als ‘die schoone dichter’ aanduidt (III, 102).
Salomon Gessner (1730-1788) populair Zwitsers schrijver en schilder. Vooral bekend door zijn Idyllen en Neue Idyllen (resp. 1756 en 1772) waarin een antiek-pastorale wereld van natuurlijkheid, deugd, tevredenheid en geluk geschetst wordt. Van zijn overige werken zijn de herderroman Daphnis (1754), de proza-zangen Der erste Schiffer en Der Tod Abels (1758), en zijn Brief über die Landschaftsmahlerey (1770) van belang (zie Van Tieghem 1924-1930, II, 204-311; Prinsen 1934, 290-297, 307; Gessner 1973; Aufklärung 1974, 363, 368). Zijn idylle ‘Der Wunsch’ heeft de enscenering van Posts eerste briefroman Het land beïnvloed; in de Reinhart is Nannie vooral de Gessner-lezer (zie afb. t.o.p. 44 van dl. 3). Zij leest zowel ‘Gessner's eerste Schipper’ (II, 357) als De dood van Abel (III, 44-46). Zie ook: II, 359; III, 62, 66. E.M. Post vertaalde tijdens haar Noordwijkse periode Gessners Werken (Gessner 1804).
Jean-Pierre Claris de Florian (1755-1794), schrijver van gedichten, romances, verhalen en novellen. Van zijn blijspelen is Les billets doux (1779) bekend, van zijn pastorale werken de romans Galatée (1783) en Estelle (1787). Grote populariteit verwierf hij door zijn Fables (1792). E.M. Post maakte mogelijk de Ned. vertaling (1790) van Estelle (zie Paasman 1974, 48 en 112). In de Reinhart wordt een lied van de herder Remistan geciteerd (uit de Estelle); Reinhart speelt de melodie van dit ‘lieve zangstukjen van Florian’ op zijn dwarsfluit (III, 59-60).
Uit het oeuvre van Hubert Korneliszoon Poot (1684-1733) citeert Reinhart (II, 260-261) de verzen 7-18 van ‘Akkerleven’ uit Gedichten I (1722). Zie Poot 1969, 42.
Uit het oeuvre van Rhijnvis Feith (1753-1824) citeert Reinhart de 7e strofe uit ‘Aan ongelukkige gelieven’ (III, 107) en hij noemt Feith zijn ‘geliefden dichter’ wanneer hij Nannie voor het eerst ontmoet schieten hem ‘twee coupletjens’ van Fanny (1787) te binnen (II, 322-323); resp. Feith 1982, 220; Feith 1787, 4-5.
Johann Kaspar Lavater (1741-1801), Züricher predikant die behalve om zijn fysiognomische activiteiten (zie aant. 24) bekend werd als dagboekschrijver, Geheimes Tagebuch (1772-1773), de irrationele Aussichten in die Ewigkeit (1768-1778), en de geestelijke liederen. (Over zijn betekenis voor de Ned. literatuur zie men Noordhoek 1925; Buijnsters 1973, 80-89; Vrouwe van Schaffelaar 1981, 9-10, 38-39.) Reinhart zingt op zee enige ‘Coupletten van Lavaters lied op den dood’ (I, 163-65), dat is ‘Wider die Furcht des Todes’ (Lavater 1817, 428-430).
90Zie voor Gellert en Klopstock aant. 89.
Jean Henri Samuel Formey (1711-1797), schrijver van Franstalige filosofische, theologische en historische werken. Hij stamt uit een familie van hugenoten en was werkzaam als Frans predikant en later als hoogleraar in Berlijn. Bekend werden Le philosophe chrétien (1750-1756) en zijn Anti-Emile (1763) en franstalige encyclopedieën, tijdschriften en series in Duitsland.
Jacobus van Loo (1743-1797), pred. te Ootmarsum. Schrijver van theologische Leerredenen (1784-1789) en van een Dagboek dat posthuum werd uitgegeven (1814). Zie Stouten 1975/1976 en 1976/1977. Hij behoorde tot de vriendenkring rondom Margriet van Essen (zie aant. 24). In een brief van E.M. Post aan Charlotte Louise van der Capellen raadt zij deze de Lerredenen ter lezing aan (Paasman 1974/1975, 619-620).
Johannes Eusebius Voet (1705-1778) schrijver van Stichtelijke gedichten en gezangen en Twee verhandelingen van den staat der afgescheiden geesten voor den dag der opstanding (1773). Zijn Proeve van psalmberijming (1763) is deels gebruikt voor de psalmberijming van 1774. Het Haagse dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’ gaf zijn Nagelaten stichtelijke gezangen en mengeldichten uit (1780) (NNBW, 1911-1937, X, k. 1127-1128). Reinhart citeert (I, 248-249) de 9e strofe van het ‘Morgenlied’ (Voet 1746, 222).
De gedichten van Hieronymus van Alphen (1746-1803) waarover Reinhart schrijft zouden de met Pieter Leonard van de Kasteele geschreven Stigtelijke Mengelpoëzij (1782) kunnen zijn, de Gedigten en overdenkingen (1777), de Mengelingen in proze en poëzy (1783), of de Stigtelyke dichtstukjes (1788) (zie Buijnsters 1973). De ‘schoone ode aan Christus’ die Reinhart citeert (I, 310-311) is te vinden in de Gedigten en overdenkingen (Van Alphen 1777, 22-25).

91Over de 18e-eeuwse kennis der natuur, natuurbeschouwing en -beleving zijn talrijke studies verschenen. Ik zal met enkele algemene verwijzingen volstaan: Mornet 1907; Mornet 1911; Van Tieghem 1924-1930; Prinsen 1934; Brandt Corstius 1951; Brandt Corstius 1955; Van Tieghem 1960; Willey 1962; William Powel Jones 1966; Gusdorf 1972; Bots 1972. Vooral Van Tieghem 1960 geeft een uitvoerige behandeling van de ontwikkeling van de natuurbeschrijving tot natuurbeleving in de Westeuropese 18e-eeuwse literatuur.
92Flora en fauna van de Guiana's zijn aan het eind van de 17e en in de 18e eeuw o.a. beschreven door Warren 1669, Van Berkel 1695, Herlein 1718, Pistorius 1763, Fermin 1770, Hartsinck 1770, Bankroft 1782 en Stedman 1799-1800.
93Zie Brandt Corstius 1960.
94Verg. Feith 1982, 38-39; zie ook Brandt Corstius 1955, 106-108.
95Zie over de ‘Keten der wezens’ Lovejoy 1960, chap. 6-9. E.M. Post moet dit concept vooral gekend hebben uit de Katechismus der natuur (1777-1779) van de Zutphense predikant J.F. Martinet die bij uitbreiding over de ‘keten der Scheppinge’ sprak (zie Brandt Corstius 1955, 76-77; Paasman 1970, 11-12 en Paasman 1971, 55-56). Een studie over de ‘grote keten’ in Nederland, in het bijz. in het Ned. denken en in de Ned. literatuur is nog een desideratum.
96Een eerste verkenning naar het goede-wilde motief in de Ned. literatuur (vooral onder invloed van Rousseau) deed Gobbers 1963, 187-208; aanvullingen vindt men in: Zo blank 1982, 57-73 en 243-299. Een grondig onderzoek ontbreekt nog. Van de talrijke buitenlandse studies wil ik er slechts enkele noemen waaronder het verouderde standaardwerk over ‘the noble savage’ door H.N. Fairchild uit 1928, ongewijzigd herdrukt in 1961: Fairchild 1961; Chinard 1911; Bissell 1925; Gonnard 1946; Frenzel 1980, 793-807; Bitterli 1982. Dat de neger dikwijls werd gezien als een ‘ignoble savage’ laten Constantine 1966 en Barnett 1975 zien.
97Verg. Prinsen 1934, 14, 227, 307, 313-316; Brandt Corstius 1955, 55-62; Gobbers 1963, 155-159, 196-200.

98Over de godsdienstige denkbeelden schreven o.a. Brandt Corstius 1951; Becker 1970 en Gusdorf 1972. Zie over de fysicotheologie in Nederland: Bots 1972; verder Paasman 1970; Paasman 1971. Over de theodicee: Buijnsters 1963, 170-181. Over het occultisme: Viatte 1928.
Over hiernamaalsverwachtingen, afgescheiden geesten en hoop op wederzien, schrijft Post in haar gehele oeuvre, het meest expliciet in Mijne kinderlijke traanen, geschreven na de dood van haar moeder (Post 1792) en in ‘De Hoop’ (Post 1789, 144-157).
99De hoop is een belangrijk motief in Posts oeuvre; ook elders in de Reinhart wordt de hoop op ‘een beter, geheel kommerloos leven, aan de overzijde des grafs’ tot uitdrukking gebracht (III, 182-183). In ‘De Hoop’ (Post 1789, 144-157) wordt de ‘strelende hoop’ op een leven na de dood uitgesproken waarin de mens de schepping zal kunnen bewonderen en Gods plan zal kunnen doorgronden. Veelzeggend is wat E.M. Post in de winter van 1791/1792 schreef aan haar vriendin Charlotte Louise van der Capellen: ‘Hoop is doch de ziel van t leven’; ze doelde daarbij zowel op een beter lot in het aardse leven, o.a. hoop op vriendschap, als in ‘de andere wereld’ (Paasman 1974/1975; citaat op p. 623).
De overigens traditionele vergelijking van de levensreis met een zeereis trof ik ook aan in het Weekblad voor Neêrlands jongelingschap, dl. 3, no. 1 (6 jan. 1785); opvallend is dat hier de Hoop als reisgezel optreedt.

100Becker 1964, 170, legt een direct verband tussen de niet-teleologische vertelwijze en de levensechtheid: ‘Die Zukunftsungewissheit der Briefschreiber entspricht dem wirklichen Leben; das macht ihre Reaktionen um so interessanter, ihre Zweifel und Anfechtungen um so glaubwürdiger, ihre Überwindung um so verdienstvoller. Was ein Erzähler, der das gute Ende der Geschichte im voraus weisz, vom tugendhaften Verhalten der Personen berichtet, wirkt sehr viel weniger nachahmbar als die im Moment der Prüfung geschriebenen Briefe der Betroffenen, die selbst ihr zukünftiges Schicksal nicht besser kennen als der Leser sein eigenes und dennoch der Vorsehung vertrauen.’ Ook anderen wijzen op de ‘techniques of illusion’ waarvan de belangrijkste zijn: het documentair karakter van de brief, de niet-teleologische verteltrant, het ontbreken van een overkoepelende vertel-instantie binnen de fictie, het ontbreken van het besef bij de lezer van een ‘Gesamt-Komposition’, het writing-to-the-moment-procédé, de uitvoerige aandacht voor details en de nadrukkelijke beschrijving van de epische situatie (zie o.a. Romberg 1962, 230, 234; Mylne 1970 en Picard 1971 behandelen resp. de ‘techniques of illusion’ in de 18e-eeuwse roman en ‘Die Illusion der Wirklichkeit’ in de 18e-eeuwse briefroman).
101Verg. Becker 1964, 171: ‘Die verborgene Konstruktion der Gesamthandlung im Briefroman erscheint als das Eingreifen der Vorsehung’.
102Versini 1979, 168-181, wijst erop dat een groot deel van de briefromans waarin uitsluitend (of bijna uitsluitend) de brieven van één persoon worden weergegeven ‘romans d'exil’ zijn, romans over vrijwillige of gedwongen ballingschap (op individueel-psychologische, sociale, politieke of godsdienstige gronden). Reeds in wat hij noemt, de prehistorie van het genre, in de Heroïdes van Ovidius, vindt men de ballingschap als schrijfsituatie en schrijfmotivatie. De brief is dan een communicatiemedium om het isolement van de balling te doorbreken, niet zelden een middel om contact te blijven houden met de leef- en denkwijze van de samenleving die men verlaten heeft en die in schrille tegenstelling kan staan tot die van het ballingoord. Ook Reinhart is een balling - slechts tot op zekere hoogte een vrijwillige balling: hij vertrekt immers omdat hij de enige is die zijn moeder de sociale status kan teruggeven die zij gewend was. Epistolaire correspondentie is ook voor hem een voorwaarde om zijn ballingschap aan te kunnen. In zijn brieven vergelijkt hij dikwijls de nieuwe levensomstandigheden in Guiana met de oude in de Republiek (in de nabijheid van zijn moeder en van Karels gezin).
terug  begin  verder