terug  begin  verder

3.2. Verantwoording van het onderzoek

Om te bepalen hoe de eind-achttiende-eeuwse lezer over Reinharts doen en denken in relatie tot slaven en slavernij geoordeeld zal hebben, dienen we te reconstrueren wat deze lezer aan kennis en leeservaring en dus aan verwachtingen gehad zou kunnen hebben omtrent teksten over slavenhandel en slavernij en de daarin verwerkte ideeën. Ik tracht daarom te achterhalen welke literaire en niet-literaire teksten er geschreven zijn op dit gebied en welke ideeën ze bevatten, om zodoende te bepalen welke meningsvorming plaatsgevonden zou kunnen hebben ten tijde van de publikatie van de Reinhart. De negerslavernij in het octrooigebied van de West-Indische Compagnie zal hierbij centraal staan; op de Oostindische en Barbarijse slavernij zal ik niet ingaan.1

Aangezien de Reinhart in 1791-1792 gepubliceerd is, zou het onderzoek naar de meningsvorming over slavernij omstreeks die tijd afgesloten kunnen worden. Een groot bezwaar zou dan zijn dat een onderzoek naar een historisch proces op een in het licht van dat proces willekeurig moment zou worden beëindigd. Het doortrekken van de historische lijn tot en met het eerste kwart van de 19e eeuw verdient de voorkeur omdat er zich dan binnen de geschiedenis van de slavenhandel en slavernij enkele belangrijke ontwikkelingen hebben voorgedaan: in het Britse imperium is de slavenhandel afgeschaft (1808), andere koloniale mogendheden waaronder Nederland (1814) hebben zich daaraan geheel of gedeeltelijk geconformeerd; het einde van de Napoleontische tijd heeft grote wijzigingen gebracht in de koloniaal-territoriale verhoudingen (Wiener Kongress 1815); nieuwe ontwikkelingen in landbouw, handel en industrie en de verschuiving van koloniale activiteiten naar Azië en Afrika, hebben het einde van de Westindische plantage-economie ingeluid.2

Bijkomende voordelen van de keuze van 1825 als einddatum zijn, dat er, ten eerste, een betere aansluiting tot stand komt op andere studies over de publieke meningsvorming waarin pas voor de loop van de 19e eeuw naar een zekere mate van volledigheid gestreefd wordt; dat er, ten tweede, een parallellie ontstaat met het hoofdstuk over H.H. Post in Guiana, dat besluit met de gebeurtenissen in de jaren 1823-1825; en dat, ten derde, eventuele reacties op en navolgingen van de Reinhart aan het licht kunnen komen.

 

Aan de geschiedenis van de slavernij is de laatste jaren zeer veel aandacht geschonken, zowel op academisch niveau als op gepopulariseerde wijze voor een breed publiek (de t.v.-serie Roots).3 Legio is het aantal publikaties over dit onderwerp: de internationale stand van het onderzoek bij te houden, is een schier onmogelijke opgave. Ook over het Nederlands aandeel in de slavenhandel en slavernij en over abolitie en emancipatie zijn informatieve studies verschenen,4 maar daarin wordt slechts weinig plaats ingeruimd voor de geschiedenis van de publieke meningsvorming inde 17e, 18e en begin 19e eeuw - juist de tijd dat Nederland als een van de machtige koloniale mogendheden volop in de praktijken van de slavenhandel en slavernij geïnvolveerd was. In feite zijn er slechts enkele studies voorhanden: 1o. de uit 1959 daterende dissertatie van E. Th. Waaldijk, Die Rolle der niederländischen Publizistik bei der Meinungsbildung hinsichtlich der Aufhebung der Sklaverei in den westindischen Kolonien5; 2o. het hierop als aanvulling bedoelde artikel uit 1972 van C. de Jong (‘The Dutch press campaign against negro slave trade and slavery’);6 3o. de paragraaf ‘De opvattingen over de slavenhandel tijdens de Verlichting’ in de dissertatie van P.C. Emmer, Engeland, Nederland, Afrika en

[p. 97]

de slavenhandel in de negentiende eeuw (1974);7 en 4o. een in 1978 gehouden voordracht van G.J. Schutte (‘Zedelijke verplichting en gezonde staatkunde. Denken en doen rondom slavernij in Nederland en koloniën eind 18e eeuw’).8

Het artikel uit 1953 van J.M. van Winter, in het ‘Emancipatienummer’ van de West-Indische gids (‘De openbare mening in Nederland over de afschaffing der slavernij’)9 behandelt de periode vanaf 1840 en gaat slechts terloops in op enkele vroegere publikaties over slavernij. J.M. van der Linde ten slotte, bespreekt in zijn studies over de zending in Suriname verscheidene geschriften over slavernij, in het bijzonder in zijn dissertatie Het visioen van Hernhut (1956), in Heren, slaven, broeders (1963) en in Surinaamse suikerheren en hun kerk (1966).10 Het zou onjuist zijn uit het vrijwel ontbreken van studies over de meningsvorming in de Republiek van de 17e en 18e eeuw, af te leiden dat die meningsvorming niet of nauwelijks zou hebben plaatsgevonden. Marijke Gijswijt constateert in haar vergelijkend onderzoek naar de ‘abolities door Engeland, Frankrijk en Nederland’ (gepubliceerd in 1975) terecht dat het bronnenmateriaal over slavernij en abolitie nog niet toegankelijk gemaakt was. Haar mening echter dat slavernij en slavenhandel in de Republiek nauwelijks als probleem gesignaleerd zijn - en dan nog heel laat -, dat de publieke belangstelling in vergelijking met die in andere landen uiterst gering is geweest, en dat er nauwelijks geluiden van protest gehoord zijn,11 is aanvechtbaar gebleken. Reeds in de 17e eeuw werd de slavernij als moreel en sociaal probleem gesignaleerd en bediscussieerd; het aantal schrijvers dat in de 18e eeuw over slavernij publiceerde, blijkt een veelvoud van het aantal dat zij noemt. G.J. Schutte toonde reeds aan dat er in de loop van de 18e euw een toenemende publicitaire aandacht geweest is.12 Eén en ander laat onverlet dat er in de Republiek, voorzover thans valt na te gaan, geen abolitionistische genootschappen gesticht zijn en dat er hier in de Verlichte eeuw geen georganiseerde anti-slavernijbeweging op gang kwam, zoals Gijswijt reeds constateerde.13

 

Het aantal 17e-, 18e- en begin 19e-eeuwse geschriften over slavenhandel en slavernij dat langs systematisch-bibliografische weg gevonden kan worden, is tamelijk beperkt.14 De fase waarin men teruggeworpen wordt op intuïtie, toeval en hulp van anderen wordt spoedig bereikt. Enige illusie van volledigheid kan dan ook niet gekoesterd worden. De meningsvorming over slavernij valt uit allerlei soorten publikaties te reconstrueren. Geschriften voor een breder publiek zoals pamfletten, preken, periodieken, verhandelingen, encyclopedieën, reisverslagen, land- en volkenkundige beschrijvingen en literaire werken; en specialistische geschriften vooral op het gebied van het recht, de staatkunde, de economie, filosofie, theologie en antropologie. Binnen het kader van deze studie heb ik alleen wat de literaire teksten betreft naar een zekere mate van volledigheid kunnen streven, bij de andere categorieën heb ik me moeten beperken tot een aantal van de destijds bekendste teksten, in het bijzonder die teksten waarnaar door contemporaine auteurs verwezen wordt.

De betekenis van iedere tekst binnen het proces van de meningsvorming kan in het kader van deze studie niet worden bepaald, het verzamelen en interpreteren van gegevens over verspreiding en werking zou per tekst apart onderzoek vergen. De literaire teksten zullen alleen om hun ideeënhistorische aspecten aan de orde gesteld worden, niet om hun vormgeving. Op bio-bibliografische aspecten zal evenmin kunnen worden ingegaan. In principe worden alleen Nederlandstalige teksten (oorspronkelijke of vertaalde) in het onderzoek betrokken.

Gezien al deze beperkingen zal het duidelijk zijn dat ik niet meer pretendeer te geven dan een oriëntatie: wat zou een Reinhart-lezer mogelijkerwijs in het Nederlands hebben kunnen lezen over slavenhandel en slavernij, welke meningsvorming zou er op grond van die geschriften plaatsgevonden hebben, en hoe zouden daarom zijn verwachtingen geweest kunnen zijn. Ik tracht de lezersverwachtingen te reconstrueren voor de verdedigingsgronden van slavenhandel en slavernij en het recht op vrijheid (3.3), en voor enkele opvallende items in de Reinhart: het begrip voor slavenopstanden en ontvluchtingen (3.4); de rechtvaardiging van slavernij met een beroep op de Voorzienigheid (3.5); de aanvaardbaarheid van slavernij

[p. 98]

onder een ‘goede meester’ (3.6); de vergoelijking van slavernij door te wijzen op sociale misstanden in Europa (3.7); de kerstening van de slaven (3.8).

 

In de omvangrijke paragraaf 3.3 behandel ik niet-literaire en literaire teksten afzonderlijk; in de kortere paragrafen 3.4-3.8 doe ik dat niet om de beeldvorming niet te zeer te versnipperen. De grens tussen literaire en niet-literaire teksten is overigens dikwijls moeilijk te trekken. Lang niet alle teksten zijn of zuiver zakelijk-referentieel, of zuiver literair-expressief. De meeste teksten hebben een persuasieve functie, willen de lezer behalve informeren vooral ook beïnvloeden en nemen daartoe meer of minder literaire en/of retorische middelen te baat. In het grensgebied bevinden zich bijvoorbeeld spectatoriale vertogen, waarvan ik die van De Denker, De Philosooph en De Vaderlander vanwege hun fictionele inkleding bij de literaire, en die van De Koopman vanwege het hoge referentiële gehalte bij de niet-literaire teksten bespreek.

Het in één samenhang behandelen van ongelijke grootheden als literaire en niet-literaire teksten kan mijns inziens plaatsvinden onder de ideeënhistorische noemer: door te bepalen welke ideeën over slavernij c.a. in deze teksten naar voren worden gebracht. Het spreekt vanzelf dat in literaire teksten de mate van referentialiteit sterk verschillen kan. Per tekst zou daarom een analyse van de presentatie van de ideeën gemaakt moeten worden; wie spreekt zich in welke context en situatie over een en ander uit.15 Binnen het kader van mijn onderzoek heb ik geen uitputtende analyses kunnen maken. Het is vooral op grond van leeservaring en kennis van het onderwerp dat ik het niettemin waag uitspraken te doen over de wijze waarop ‘een tekst’ een standpunt representeert inzake slavenhandel en slavernij. Het spreekt daarbij vanzelf dat de ideeën van een fictionele figuur niet met die van de auteur hoeven samen te vallen. In paragraaf 5.3 kom ik op de verschillen in beeldvorming tussen niet-literaire en literaire teksten nog kort terug.

 

Ten slotte nog iets over ‘de lezer’. Dè lezer van de Reinhart bestaat natuurlijk niet, er zijn allerlei, onderling verschillende lezers. De auteur heeft een aanduiding gegeven van enkele groepen geïntendeerde lezers (2.1): gescheiden boezemvrienden, jongelingen, meer of minder bevooroordeelde godsdienstige lezers. Het is duidelijk dat zowel voor deze als voor alle overige lezers de verwachtingshorizon sterk verschillen kan. Behalve literatuurbeschouwing en leeservaring (van zedekundige, epistolaire en koloniale teksten, in het bijzonder van teksten over slavernij) zullen levensbeschouwing en -ervaring (eventuele betrokkenheid bij slavenhandel en slavenarbeid, of koloniale ervaringen) van cardinaal belang zijn in de normen en verwachtingen van de lezers. Wanneer ik niettemin over ‘de’ contemporaine lezer van de Reinhart spreek, doe ik dat gemakshalve - welbewust van de complexiteit van het lezersbegrip. In paragraaf 3.9 zal ik de lezers voor zover mogelijk differentiëren.

1Over de Oostindische slavernij zou men ter oriëntatie kunnen lezen het artikel ‘Slavernij’ in de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (Encyclopaedie 1917-1939, III, 800-808); over de Zuidafrikaanse slavernij: De Kock 1950 en Böeseken 1977. Over de Barbarijse slavernij: Clissold 1979.
2Emmer 1974, I, 150-152; II, 126-133 (zie aant. 7); Van Dantzig 1968, 120-127. Emmer 1974, II, 130-133, wijst op de verschuivingen in de import van koffie en suiker: hierin werd steeds minder voorzien door de Nederlandse Westindische koloniën, maar steeds meer door resp. de Franse koloniën, door Cuba en Brazilië, en ten slotte, door Oost-Indië. Emmer 1974, I, 180, betoogt dat de rol van de Westeuropese bietsuiker bij de abolitie niet of nauwelijks van belang was (zoals o.a. was gesteld door Van Dantzig 1968, 122), beetwortelsuikerfabricage was van belang ten tijde van het Continentaal Stelsel, na beëindiging ervan verdwenen de fabrieken. Pas omstreeds 1860 werd de bietsuiker concurrerend voor de rietsuiker. Een standbeeld voor de suikerbiet als bevrijder van de zwarte mensheid acht Emmer dan ook niet op zijn plaats. Emmer keert zich als vele anderen tegen E. Williams (Capitalism and slavery, 1944) die een te sterke en eenzijdige nadruk gelegd heeft op de ‘economische argumentatie’ bij de abolitie (Emmer 1974, II, 126-133).
3Alex Haley, Roots (1976).
4De belangrijkste zijn: Hudig 1926, Vrijman 1937; Menkman 1953; Unger 1956-1961; Van Dantzig 1968; Emmer 1974; Postma 1975; Kuitenbrouwer 1975 (ook verschenen als: Kuitenbrouwer 1978); Siwpersad 1979; Emmer 1980 a en b.
5Waaldijk 1959. Het werk is slordig w.b. de feitelijke gegevens. Het is bovendien duidelijk dat de auteur niet alle in de tekst genoemde werken onder ogen gehad heeft.
6De Jong 1972 behandelt voornamelijk enkele latijntalige academische geschriften van Cornelis Spencer (1779), Johan Theodoor Nedermeyer von Rosenthal (1816) en Jacobus de Neufville (1840) over slavenhandel en slavernij. Gezien de beperkingen die ik mij gesteld heb, zullen deze werken buiten beschouwing blijven. Wel ga ik in op het door De Jong aan Jan van Geuns toegeschreven Nederlandstalige werk: ‘Philaletes Eleutherus on the situation of slaves’ (Van Geuns/De Vos 1797).
7Emmer 1974 bestaat uit twee samengevoegde bijdragen aan het Economisch-Historisch jaarboek, resp. 36 (1973), p. 146-215 en 37 (1974), p. 44-144; door mij aan te duiden als resp. Emmer 1974, I en Emmer 1974, II. ‘De opvatting over de slavenhandel tijdens de Verlichting’ vindt men in Emmer 1974, I, 180-183. Aanvullingen erop in Emmer 1974, II, 133-134. Ook in Emmer 1980b wordt enige aandacht aan de Ned. publieke opinie geschonken.
8Deze voordracht werd een jaar later gepubliceerd: Schutte 1979. Ook in zijn diss. getiteld De Nederlandse Patriotten en de koloniën gaat Schutte hier en daar op de polemiek pro- en contra-slavernij in (o.a. Schutte 1974, 145-149).
9Van Winter 1953 a; 1953 b.
10Van der Linde 1956, hfdst. 1 (‘Suriname en het Caraïbisch gebied’), 1-59; Van der Linde 1963, hfdst. 8 (‘De emancipatie der negerslaven in de negentiende eeuw’), 109-121; Van der Linde 1966, in het bijzonder hfdst. 5 (‘Slavernij in de zeventiende eeuw’), 78-97.
11Gijswijt 1975, 7-10, 27-28.
12Schutte 1979.
13Gijswijt 1975, 23-27. Zie ook: Kuitenbrouwer 1975.
14De volgende bibliografische hulpmiddelen kunnen als startpunt dienen:
a. voor de niet-literaire studies:
Coolhaas/Schutte 1980 (waar men de belangrijkste bibliografieën, naslagwerken en monografieën op het gebied van de Nederlandse koloniale geschiedenis vindt); De Buck 1968 (voor de belangrijkste bibliografieën, naslagwerken en monografieën op het gebied van de vaderlandse geschiedenis); Repertorium (lopende bibliografie op het gebied van de vaderlandse geschiedenis); de ‘Bibliografie’ van Overzee 1982;
b. voor literaire studies:
Van Buuren/Gerritsen/Paasman 1983 (de belangrijkste bibliografieën, bibliotheken en naslagwerken op het gebied van de Nederlandse Letterkunde); Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap (lopende bibliografie).
c. voor studies op het gebied van de 18e eeuw:
Eighteenth century (een lopende bibliografie).
De primaire teksten kunnen opgespoord worden via naslagwerken, monografieën en bibliografieën en d.m.v. systematische catalogi.
15Voortreffelijk gedemonstreerd door Kloek 1978, in het bijz. p. 93-99, 103-104.
terug  begin  verder