terug  begin  verder

3.4. Zijn slavenopstanden gerechtvaardigd?

Mag men de slaven veroordelen wanneer ze trachten het juk van de slavernij af te werpen en hun vrijheid te hernemen? Met andere woorden zijn slavenverzet, vluchtpogingen, opstanden e.d. gerechtvaardigd?

3.4.1. Teksten tot 1791-1792

Hugo de Groot (1625) blijft over deze vraag nog tamelijk vaag: slaven die krijgsgevangenen werden in een rechtvaardige oorlog mogen waarschijnlijk niet vluchten; slaven uit een niet-rechtvaardige oorlog waarschijnlijk wel, maar ze mogen door hun meester teruggeëist worden. Wanneer slaven een wrede, onmenselijke meester hebben, mogen ze waarschijnlijk ook vluchten, maar dit moet niet aangemoedigd worden. Augustinus, die het volk onder strenge vorsten en dienstknechten onder strenge meesters tot lijdzaamheid aanspoort, wordt met instemming geciteerd: men moet liever aan het tijdelijke voorbijzien en op het eeuwige hopen.159

Dominee Udemans (1638) is veel duidelijker: wanneer slaven mishandeld of getyranniseerd worden geeft God hun verlof om weg te lopen en Hij wil niet dat iemand de vluchtelingen verraadt of naar hun meester terugbrengt.160 De Engelse filosoof Thomas Hobbes (1675) ontkent daarentegen dat slaven mogen vluchten of hun meester doden; deze meester was immers de redder van het leven van de slaaf-krijgsgevangene.161

In de koloniale praktijk vonden vluchtpogingen en opstanden overigens ook reeds in de 17e eeuw plaats. Pierre Moreau (1652) noemt de onmenselijke behandeling van de slaven in Brazilië de aanleiding tot vluchten en rebelleren; de negers wreken zich navenant.162 In Suriname, schrijft George Warren (1669), is de behandeling van de slaven zo minderwaardig dat deze uit wanhoop proberen te vluchten; worden ze gepakt dan rest hun wrede foltering of zelfdoding. Omdat de negerslaven geen eenheid vormen, is er weinig kans op een georganiseerde opstand.163 De in Suriname spelende roman van Aphra Behn, Oroonoko: or the royal slave (1688), lijkt een illustratie van Warrens woorden.

De omstreden gouverneur-generaal van Suriname, Joan Jakob Mauricius (1753), bestreed in de jaren 1747-1751 groepen marrons (of bosnegers) die in deze kolonie plantages overvielen om zich te wreken en om vrouwen, voedsel en gebruiksvoorwerpen te bemachtigen. Hij deed dit met hulp van ‘bevreedigde Negers’. Dit waren marrons met wie vrede gesloten was die

[p. 133]

hun een zekere mate van autonomie garandeerde, maar die hun verbood om andere vluchtelingen op te nemen of te helpen.164 Hij noemt de opstandige negers weliswaar ‘zwarte moorders’, maar zoekt de oorzaken in het gedrag van de blanken; de opstanden ontstaan

 
Meest door der blanken schuld, die door gevloek, misbaar,
 
Onmenschelyke straf, en ontucht met de wyven,
 
De Negers tergen, en tot woede en wanhoop dryven [...].165

Tien jaar voor Mauricius, stond de niet minder omstreden Joannes Guiljelmus Kals als predikant in Suriname. Hij was zeer bewogen met het lot van indianen, negers en marrons, wilde hen kerstenen en hun onderwijs geven, maar kon door een gedwongen vertrek zijn plannen niet uitvoeren.166 Marronage is volgens zijn boekwerk Neerlands hooft- en wortelsonde (1756) zonder meer toegestaan: mensen die van hun vrijheid beroofd zijn, hebben het recht deze terug te veroveren zonder dat ze daarvoor gestraft mogen worden. Hun wraakoefeningen zijn begrijpelijk - wat zou een blanke doen in zo'n geval? Als oorzaken van marronage noemt Kals de ‘wreede en onmenschelyke Behandelingen’ en hij vraagt zich af:

Is 't wel te verwonderen, dat deese Menschen hunne Vryheid, onder de Handen van hunne Beulen soekende, weg loopen? en dan in de Bosschen by malkanderen komen, daar Vermeenigvuldigen en aangroeyen, in stille Ruste, allerley Overlegginge maaken; om U ter eener Tyd te komen betaalt setten, wat gy of aan hun selfs of aan hunne Voorsaaten gedaan hebt?167

Weglopen werd evenwel streng gestraft, dikwijls met verminking van de slaaf. In Voltaires roman De gevallen van Candide (1759) treft de gelijknamige hoofdpersoon in Suriname een slaaf van een Nederlandse meester aan, die zijn linkerbeen mist omdat hij gepoogd had te vluchten.168

In de anoniem verschenen roman De Middelburgsche avanturier (1760)169 komen de slaven niet in opstand om hun vrijheid te heroveren, maar om zich te ontdoen van een wrede zwarte opzichter. Na hem gedood te hebben spreekt een leider de eigenaars toe om hen enerzijds gerust te stellen, ze hebben geen oproer in zin, en hen anderzijds onomwonden de waarheid te vertellen over het gruwelijke slavenbestaan onder blanke tyrannen en hun zwarte handlangers. De woordvoerder wijst op de mogelijkheid om naar het bos te ontvluchten, maar geeft de voorkeur aan een fatsoenlijke behandeling - waarbij hij zelfs een verdubbelde opbrengst van de plantage in het vooruitzicht stelt.170

Wat massale slavenopstanden in werkelijkheid inhielden, tot welke krachtenbundeling de slaven in staat bleken, hoe bevreesd en onmachtig de kolonisten waren, hoe bloedig de zwarte wraakoefeningen en de blanke represailles konden uitvallen, leerde de Berbice-opstand van 1763 (zie 4.2.1). In allerlei pamfletten werd er verslag van gedaan, terwijl J.J. Hartsinck in 1770 uitvoerig het verloop van de revolte beschreef met vermelding van alle gruwelijke details, zoals de wrede straffen die na de onderdrukking van de opstand voltrokken werden.171

Een jaar na deze opstand wordt in de fictionele brief van de ex-negerslaaf, Kakera Akotie, in De Denker ook melding gemaakt van meedogenloze straffen die slaven ten deel vallen als ze trachten in opstand te komen of te vluchten.172 Toch hebben in Suriname mishandelde negerslaven kans gezien zich op hun meesters te wreken en hun woningen en plantages laten afbranden. Deze weglopers wonen in de bossen en vallen van daar uit zo nu en dan de blanken aan. Omdat ze zo moeilijk te bestrijden zijn, hebben sommige groepen bereikt dat ze met rust gelaten worden, aldus Kakera Akotie zinspelend op de ‘bevredigde bosnegers’. Door de handelwijze van de blanken daartoe gedwongen, zullen de negers met hun verzet doorgaan, wat op een massale opstand kan uitlopen waarbij ze alle dwingelanden zullen vermoorden en zich voor altijd meester maken van hun bezittingen. Een soortgelijke voorspelling wordt in de roman Rhapsodiën (1775) van W.E. de Perponcher gedaan.173

De andere spectator, De Koopman (1768-1776), lijkt eveneens enig begrip op te brengen voor opstanden en marronage. In deel 4 stelt de anonieme schrijver, die Mauricius citeert, dat

[p. 134]



illustratie
Een roman waarin men leren kan hoe in Suriname fortuin te maken (uba).

[p. 135]

revoltes begrijpelijk zijn; de slaven zijn immers vrij geboren en verlangen hun vrijheid terug. Evenals ds. Kals vraagt hij zich af wat christenen zelf zouden doen als ze zich in een soortgelijke situatie zouden bevinden, beroofd van de vrijheid, gescheiden van alles wat hun dierbaar is en bovendien onmenselijk behandeld. Eigenlijk, stelt de ‘Koopman’, zijn opstanden wel eens goed om de blanken hun onchristelijk gedrag af te leren. Goede meesters en hun plantages worden soms gespaard.174 Wanneer echter de ‘Koopman’ naderhand een hervormingsplan voor de koloniën voorlegt, blijkt het begrip sterk te zijn verminderd. Men moet de bosnegers beter beteugelen, hen zo mogelijk uitroeien, want deze stropende vluchtelingen zijn altijd gevaarlijk voor de plantages, stelt hij dan.175

Volgens de koopman-dichter Nicolaas Simon van Winter zou hij zijn toneelspel Monzongo, of de koninklyke slaaf (1774) geschreven hebben naar aanleiding van de slavenopstand in Berbice (1763), met de bedoeling de ‘onbetaamlykheid der slavernye’ aan te tonen.176 In dit spel komt een slavenopstand voor, veroorzaakt door het gedrag van de slechte slavenmeester Alvarado; als hij gedood is, wordt de strijd gestaakt. Evenals in De Middelburgsche avonturier wordt er niet gestreden om de vrijheid van de slaven; onder de slavenmeester Cortez hebben zij het goed. Enige overeenkomst met de Berbice-opstand vertoont Monzongo dan ook niet, ook al omdat het hier niet gaat over negerslaven in een Nederlandse kolonie in de tweede helft van de 18e eeuw, maar over indiaanse slaven in de Spaanse kolonie Mexico in het begin der 16e eeuw (ten tijde van de conquistador Fernando Cortez).177

Volgens G. Th. Raynal (1776) kan men het recht zijn vrijheid te verdedigen aan de natuur ontlenen. Wanneer de Europeanen er niet spoedig in slagen om verandering in het slavenlot aan te brengen, zal de natuur zelf de slaven aan een onoverwinnelijke leider helpen om de vrijheid te heroveren, een zwarte Spartacus tegen wie geen Crassus opgewassen zal zijn. Indien de overwinnaars wraakzuchtig zouden zijn, zullen er vreselijke wetten voor blanken komen. Een profetie die niet nagelaten heeft indruk te maken en die onder meer als opruiïng uitgelegd is.178 Raynal kent alle vroegere slavenverzet (vooral moord, marronage, vergiftiging, zelfdoding) een plaats toe in het kader van deze grote opstand, het zijn de voorboden:

Reeds hebben etlyke vermoorde Blanken voor een gedeelte onzer misdaaden geboet; reeds zyn 'er twee Volkplantingen opgerecht van weggeloopene Negers, welke de onderlinge verbintenissen en het geweld tegen uwe aanslagen beveiligen. Het vergif heeft, van tyd tot tyd, eenige slagtöffers gewroken. Veelen hebben, door een vrywilligen dood, zich uwer onderdrukkinge onttrokken. Diergelyke ondernemingen zyn zo veele flikkeringen van licht, die het onweder voorspellen; het mangelt den Negeren slegts aan een Opperhoofd, dat moeds genoeg bezit, om hen ter wraakoeffeninge en slagtinge aan te voeren. Waar leeft deeze groote man, dien de Natuur misschien, verschuldigd is aan de eere van 't menschlyk geslagt? Waar onthoudt zich deeze nieuwe Spartacus, die geenen Crassus zal vinden? Alsdan zal het zwarte Wetboek [code Noire] verdwynen; en hoe verschrikkelyk zal het witte Wetboek zyn, indien de Overwinnaar met het regt van wedervergeldinge alleen te raade gaa?179

Raynal kent als een van de eersten een politieke betekenis toe aan het slavenverzet: niet langer heet een opstand alleen bedoeld om uiting te geven aan grieven, om misstanden te doen verbeteren (zoals in De Middelburgsche avanturier), maar tevens om een daad te stellen in een vrijheidsstrijd.

Het toneelspel Zamor en Zoraide (1780) uit het Duits van F.G. Freiherr von Nesselrode,180 vertoont een opstand op Jamaica onder leiding van een vorstelijke neger Zamor (met de slavennaam Jones). Hij wreekt het onrecht hemzelf en andere negers aangedaan, en strijdt voor de vrijheid waarop volgens hem alle mensen, dus ook de negers recht hebben. De goede meester Sir Germain wordt gespaard. Deze geeft zijn slaven, die bereid waren hem te verdedigen, de vrijheid. Zamor ontdekt onder de slaven van Sir Germain zijn vrouw die door

[p. 136]

slavenhandelaren van hem gescheiden was. Van de Engelse gouverneur krijgt hij nadat hij gevangen genomen is, gratie.

Dit toneelspel was een bewerking van het Ziméo-verhaal door Saint-Lambert (1769).181 G. Brender à Brandis publiceerde in 1784 een prozaversie van dit verhaal, onder de titel ‘Simeo. Eene waare geschiedenis’ in het Taal-dicht- en letterkundig kabinet.181a Simeo is hier de opstandelingenleider met de slavennaam John, de goede planter heet Wilmouth. Het verhaal wordt in een brief verteld door een vriend van Wilmouth, George Filmer. De wraak op de slechte planters wordt tamelijk breed uitgemeten; deze is verschrikkelijk: slachtingen worden aangericht onder de blanken, huizen en plantages gaan in vlammen op. Desondanks heeft George Filmer begrip voor de daden van de opstandelingen en worden Simeo's deugd en verheven denkbeelden geprezen.

Paul François Roos kan een dergelijk begrip zeker niet opbrengen, in zijn dichtwerken wordt marronage ten krachtigste veroordeeld. Planters zijn in Suriname hun leven niet zeker zolang zich daar opstandige negers (nakomelingen van Cham) ophouden:

 
De zwarte Chamaîeth, gewoon te rooven, steelen
 
En moorden, doet u steeds den dood voor oogen zien,
 
Waar in het giftig kruid hem hulp schynt aan te biên.182

Elders typeert hij opstandige slaven als:

 
Een drom van monsters, van vervloekte Negerschaaren
 
Weêrstreevers van Natuur en van het Redenlicht,
 
Bezitters van een ziel, die niet dan gruuwlen sticht;183

hij vreest vooral de Boni-aanhangers,

 
Een bende, die, verhit en tuk op 's blanken bloed,
 
Ons, op haar' enklen naam, van woede siddren doet.184

Hoewel vrijheid en vrijheidsstrijd in Europa en Noord-Amerika bij hem hoog aangeschreven staan, vermag Roos de slavenopstanden en bosnegerguerrilla's niet als vrijheidsstrijd te erkennen.

Het recht van opstand wordt in 1790 verdedigd door de anonieme tegenspeler van Barrau: een slavenopstand is weliswaar gevaarlijk, maar wanneer het om een poging gaat de vrijheid te herwinnen is deze niet ‘onwettig of strafwaardig’.185

In de voetsporen van Raynal erkent ook B. Frossard (1790) het recht van de slaven om de ontstolen vrijheid terug te veroveren; ook hij wijst op de mogelijkheid dat er in Amerika een zwarte leider geboren wordt, ‘een Spartanus’ (sic), die Afrika zal wreken wegens de misdaden van Europa.186 Ook Mercier heeft een dergelijke voorspelling gedaan in l'An deux milles quatre cent quarante (1770), aldus een voetnoot van de Frossard-vertaler (Betje Wolff); volgens deze toekomstdroom zal de door de natuur geschapen ‘wreeker der nieuwe wereld’ een standbeeld krijgen. Hij wordt een instrument der gerechtigheid en Voorzienigheid genoemd die maakt dat de negers en indianen hun ‘onvervreemdbaare rechten, die de Natuur hun gaf’ kunnen hernemen.187

De Nederlandse vertaling van Merciers werk volgde overigens spoedig na de Frossard-vertaling, onder de titel Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom (1792-1793). In de reeds genoemde voorspelling van de rechtvaardige wreker van de onderdrukte negers, worden de Quakers uit Pennsylvania, die hun slaven reeds in 1776 de vrijheid gaven, met nadruk uitgezonderd van de te duchten wraak:

Wijze Philadelphenaars! gij hebt niets te vreezen van de wraak, welke Afrika bereidt, gij zijt geene Europeaanen, gij zijt menschen.187a

3.4.2. De meningsvorming in 1791-1792 en de teksten 1793-1825

Voor diegenen die omstreeks 1791-1792 slavernij als een vorm van vrijheidsroof zien, is een slavenopstand gewettigd; zelfs wordt deze voorspeld om verdedigers en gedogers van slaver-

[p. 137]

nij onder abolitionistische druk te zetten. Tegelijkertijd zal men een uitspraak zoals Reinhart die doet, namelijk dat men de slaven niet veroordelen kan als ze hun vrijheid willen heroveren, als bijzonder gevaarlijk ervaren hebben: zowel in berichtgeving over reële opstanden als in de literatuur worden de vreselijkste bloedbaden, brandstichtingen en andere wraakoefeningen beschreven. De revolte op Sto. Domingo in het begin van de jaren negentig (zie 4.2.2) bevestigde dit beeld en is jarenlang als waarschuwing gehanteerd tegen blank idealisme, vooral tegen het streven naar snelle vrijmaking van de slaven. Een en ander overwegend houden Jan van Geuns en Willem de Vos, alias Philalethes Eleutherus, de ‘heersers’ toch opnieuw voor (1797) dat het een onbetwistbaar recht is van de slaven om zich uit hun onderdrukking te bevrijden.188

De mogelijke gevolgen van ‘blank begrip’ voor slavenopstanden worden vertoond in het treurspel De negerslaven (1794) door Carel, vrijheer van Reitzenstein.189 De blanke idealist Donald werkt met de vrije neger Tado samen om de slaven in een Britse Westindische kolonie te bevrijden. Hij doet dit omdat het Britse parlement niet heeft kunnen besluiten de slavenhandel af te schaffen. Wandaden van slechte meesters, onder wie de wrede planter Barkly, verklaren de noodzaak van zo'n opstand. Wanneer deze eenmaal op gang gekomen is, kan Donald de negerslaven niet meer onder controle houden, ook niet als inmiddels bericht uit Londen gekomen is, dat de Britse regering alsnog tot een geleidelijke abolitie besloten heeft. De negers beschuldigen hem nu van verraad. Een algemeen bloedbad wordt aangericht waarbij ook moeders en zuigelingen omkomen. Donald distantieert zich van de muitende slaven en wordt gedood. Een gematigd planter, Silly, wijt deze ‘schriktoonelen’ zowel aan de onderdrukking door de planters als aan de ‘dweeperij’ van Donald.189a

Voor de voormalige Demerariaanse planter (1795) zijn de slavenopstanden van Berbice, Suriname, Demerary en Sto. Domingo een bewijs hoe gevaarlijk het is om negerslaven vrij te maken, ja daarover zelfs maar te schrijven zoals Des Villates deed. Hij verwijt Des Villates dat deze het kennelijk niet erg vindt als de planters vermoord zouden worden.190

Dat de kolonisten in voortdurende angst voor opstanden leven, blijkt uit verschillende literaire en niet-literaire reisbeschrijvingen. De Schotse beroepsmilitair in Nederlandse dienst, John Gabriël Stedman, die in de jaren 1773-1777 onder kolonel L.H. Fourgeoud deelnam aan expedities tegen gevluchte en opstandige negers, schrijft in zijn Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana (1799-1800), dat de kolonisten in Suriname wel heel dikwijls het slavenverzet te duchten hadden:

Alle landen, alwaar de huisselyke slavernye gevestigd is, leggen dikwerf bloot voor opstanden en onlusten, vooral wanneer de slaven het grootste deel der inwoonders uitmaken; maar de Hollandsche volkplanting Surinamen is op dit stuk byzonder ongelukkig geweest. Het zy dat de eindelooze bosschen, die het aanzienlykst gedeelte deezer landstreek bedekken, aan de vluchtenden eene gemakkelyke schuilplaats verschaffen, het zy dat het Bestuur aldaar eenig ingeworteld gebrek heeft, dit is zeker, dat de Europeanen aldaar aanhoudend aan de snoodste verongelykingen, en hunne bezittingen aan de geweldadigste verwoestingen zyn bloot gesteld.191

Stedman spreekt bij voortduring zijn afkeer uit over slavenmishandeling en wrede straffen door de planters, maar is geen voorstander van vrijmaking van de slaven, zelfs niet van een zachtzinnige behandeling, omdat die grote risico's met zich brengt. Toch zal zijn boek de publieke opinie beïnvloed hebben als pleidooi voor een humaner behandeling van de slaven - niet in het minst door de erin opgenomen gravures, waaronder enkele schokkende afbeeldingen van slavenmishandelingen.

Begrip voor marronage wordt ook in de roman Simon Blaauwkool (1813) door Chr. G. Salzmann niet opgebracht: uitgerekend twee misdadige negers willen zich bij de marrons aansluiten.192 De vertaler, W.A. Ockerse, noemt hen in een noot: horden van oproerige, voortvluchtige negers die van tijd tot tijd vreselijke tonelen van verwoesting, roof en moord

[p. 138]

aanrichten.193 In de utopistische roman Aardenburg (1817) door Petronella Moens worden er met de bosnegers juist goede contacten onderhouden: de idealistische hoofdpersoon Tavernier probeert hun wantrouwen te overwinnen door hun onderricht te laten geven in landbouw en in het maken van woningen, kleding en andere voorwerpen.194 Hij handelt daarmee in hoge mate in de geest van ds. Kals.

In Da Costa's Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) worden nog steeds de opstanden en vrijheidsoorlogen in Sto. Domingo als teken aan de wand genoemd: de verwoestingen, dood en chaos zijn het gevolg van onbekookte abolitionistische denkbeelden van mensen die het beter menen te weten dan God.195

159De Groot 1705, 708-709.
160Udemans 1650, 317.
161Hobbes 1675, 202.
162Moreau 1652, 17-18.
163Warren 1669, 15-16.
164Zie over de ‘zaak Mauricius’: Van Sijpesteijn 1858; Wolbers 1861, 161-225; Van der Meiden 1977; en over marronage en slavenopstanden: Kesler 1940; Müller 1973; Price (ed.) 1973; Genovese 1979; De Groot 1982; Hira 1982; De Groot 1983. Een uitvoerige bibliografie over de marrons geeft Price 1976.
165Mauricius 1753, 156. De geciteerde tekst staat aldaar tussen haakjes.
166Zie over de ‘zaak Kals’: Van Schelven 1922/1923; Van der Linde 1956, 32-45; Ort 1963, 89-90, 126-127, 136-138.
167Kals 1756, [313-314]; ‘Nuttige en noodige bekeeringe’, 48.
168Voltaire 1759, 106-107. Het verhaal van de ontmoeting van de verminkte slaaf door Candide en zijn reisgenoot Cacambo wordt aldus verteld: ‘De Stad naderende vonden zy een Neger ter Aarde leggen, met de helft van zyn kleeding, dat is een blaauwe linne broek; deeze arme man was zyn linker been en zyn rechter hand kwyt. Ei myn G..! zei Candide tegen hem in 't Neêrduitsch, wat doed gy daar, myn Vriend, in den ysselyken staat waarin ik u zie? Ik wagt myn Meester de Heer Vanderdendur een vermaard Koopman, antwoordde de Neger. Is 't Myn Heer Vanderdendur, zei Candide, die u dus toegesteld heeft? Ja Myn Heer, zei de Neger, dit is gebruikelyk. Men geeft ons tweemaal jaars een linne broek. Als wy in de Zuiker arbeiden, en als 'er een onzer vinger tusschen de molen raakt, dan kapt men ons de hand af: als wy weglopen willen, dan zet men ons een been af: ik ben in deeze beide gevallen geweest. Tot die prys eet gy de Zuiker in Europa.’ Candide ervaart weinig goeds in het Surinaamse deel van de ‘beste aller werelden’, temeer omdat de koopman-planter behalve wreed ook oneerlijk blijkt (Candide wordt door hem opgelicht), en de rechter corrupt. Zijn geloof in de door Pangloss onderwezen levensfilosofie krijgt in Suriname dan ook - opnieuw - een gevoelige knauw. Zie over ‘Voltaire in Nederland’: Vercruysse 1966 (over Candide p. 137-138, 161, 175).
169Het vierde boek speelt in Suriname (Middelb. avanturier 1760, 163-218). Het werk is herdrukt (1978) en door P.J. Buijnsters van afzonderlijk uitgegeven ‘Kanttekeningen’ voorzien (1980b).
170De negerwoordvoerder houdt ‘Eene heerlyke en stoute redenvoering’ in een opmerkelijk onberispelijk Nederlands (Middelb. avanturier 1760, 186-189).
171Hartsinck 1770, I, 505, 506, 510, 515. Zie verder Velzing 1979.
172Denker 1764-1775, II, 244,
173De Perponcher 1775, 217-218.
174Koopman 1768-1776, IV, 249-252.
175Koopman 1768-1776, IV, 254.
176Van Winter 1774, *2recto. Van Winter noemt in zijn bewerking van The seasons door James Thomson de slavenhandelaar een tiran (Van Winter 1769, 99-100). De dichter P.F. Roos nam Van Winter deze passage persoonlijk kwalijk (Roos 1804, 116).
177De Nederlandse, calvinistische kolonisten van de 18e eeuw zijn aldus vervangen door de Spaanse, rooms-katholieke kolonisten van de 16e. Het lijkt alsof de angel aldus uit het spel was weggenomen.
178De bewerker van Raynal schreef reeds in het ‘Voorberigt’ dat het totale werk bewonderd èn verguisd werd. Sommigen vonden het ‘geschikt om het volk tegen het wettig gezag opterokkenen’ (Raynal 1784, i); zie ook Seeber 1937, 152-153, die vermeldt dat ook tegenstanders van slavernij door de Spartacus-voorspelling geschokt waren.
179Raynal 1775-1783, IV, 239. Deze voorspelling komt niet voor in de aan Van Woensel toegeschreven samenvatting Raynal 1784.
180De Duitse titel luidt: Zamor und Zoraide. Offenburg 1778. De vertaling is opgenomen in dl. 4 (p. 165-266) van de 9-delige serie: Het zedelyk tooneel, bevattende eenige der beste zedelyke tooneelspelen. Uit verscheidene taalen byeengebragt (Zedel. tooneel 1778-1792). Met dank aan Majola Hochscheid-Mabesoone die me op dit spel wees.
181Slavenopstanden en marronage op Jamaica in de eerste helft van de 18e eeuw inspireerden tot het Ziméo-verhaal en de navolgingen (Davis 1970, 479, 514, 515).
181aIn de inl. wijst Brender op een gedicht van J. de Kruijff, getitel ‘De slaavenhandel’, dat deze in Leiden voorgedragen zou hebben (Brender à Brandis 1784, 32). De Kruijff wijst de mensenhandel (die ook door christenen bedreven wordt) verontwaardigd van de hand.
182Roos 1783-1789, I, 20.
183Roos 1783-1789, I, 81. Roos bedoelt hier waarschijnlijk niet de marrons in het algemeen, maar de rebellerende negers op de plantage ‘De jonge Byekorf’ (Hollanders 1984, 269).
184Roos 1804, 188. Zie over de Boni-marrons: Abbenhuis 1964; De Groot 1975; De Groot 1981; Hoogbergen 1984; De Beet 1984.
185Proeve 1790, 63.
186Frassard 1790, II, 114.
187Frossard 1790, II, 115-116.
187aMercier 1792-1793, I, 106-107; III, 39-43 (citaat: III, 42).

188Van Geuns/De Vos 1797, 72-73.
189De Duitse titel luidt: Die Negersklaven. Ein Trauerspiel in fünf Aufzügen. Augsburg 1788. Deutsche Schaubühne, Bd. 61.
189aVan Reitzenstein 1794, 213.
190Vrym. gedachten 1795, 68-70, 102-105.
191Stedman 1799-1800, I, x-xi en 3 (citaat). De Engelse titel luidt: Narrative of a five years' expedition against the revolted negroes of Surinam, in Guiana, on the Wild Coast of South America (2 dln. London 1796). Voor een overzicht van de vertalingen, bewerkingen en heredities zie men de ‘Inleiding’ en ‘Bibliografische aantekeningen’ door R. van Lier bij de editie Stedman 1974.
192De Duitse titel luidt: Geschichte Simon Blaukohls. De Ned. vertaling beleefde een 2e dr.: Rotterdam 1830.
193Salzmann 1813, 107-108. Over Ockerse als vertaler van Salzmann: Stouten 1982, 210-212.
194Moens 1817, 235-236. De marrons kregen het onderricht van ‘beschaafde Zwarten’. Voorzichtigheid gebood dat de verbeteringen niet te veel in het oog mochten springen, om slaven niet aan te moedigen ook te vluchten en zich bij de marrons te voegen.
195Da Costa 1823, 27.
terug  begin  verder