terug  begin  verder

3.6. Slavernij onder een goede meester

Wanneer is slavernij onder een goede meester zo licht dat de slaaf zijn onvrijheid nauwelijks meer ervaart? En is dat een reden om slavernij te gedogen?

3.6.1. Teksten tot 1791-1792

Aangezien een slaveneigenaar een absolute macht krijgt over zijn slaven, is het slavenlot in hoge mate afhankelijk van het karakter en de instelling van de meester. Hugo de Groot zet uitvoerig uiteen hoe volgens hem die instelling zou moeten zijn. Met verwijzingen naar bijbelse en klassieke uitspraken onderstreept hij dat de meester zijn slaaf moet zien als mens en als broeder. Van de meester zal eens rekenschap gevraagd worden hoe hij zijn slaven behandeld heeft, zegt De Groot, en hij verwijst naar de vermaning van de apostel Paulus: ‘Gy Heeren doet uwe dienstknegten gelijk, wetende dat gy ook een' Heere in de hemelen hebt.’214 Deze bijbeltekst, Col. 4:1, is met de aanverwante Paulustekst Ef. 6:9, een van de belangrijkste en meest geciteerde richtsnoeren geworden voor de gelovige meester: hij moet zo met zijn slaven omgaan dat hij God onder ogen kan komen. In de praktijk betekent dat volgens De Groot dat de meester zijn rechten in rechtvaardigheid en redelijkheid uitoefent. Hij moet de slaven zeker niet strenger behandelen dan de ‘stomme beesten’; zijn straffen dienen behalve rechtvaardig ook zachtmoedig te zijn. Hij mag de slaven geen overdreven zware arbeid laten verrichten en moet hun regelmatig rust en verkwikking toestaan. Uiteraard moet hij in het levensonderhoud van de slaven voorzien. Volgens de klassieken moet hij zijn slaven besturen zoals een vader zijn huisgezin.215

Ook ds. Udemans stelt dat een meester zijn slaven ‘christelijk’ moet behandelen: ‘in alle redelickheydt ende vriendelickheydt, gelijck onse Christelicke Religie mede-brenght’.216 Dat houdt voor hem in dat de slaven in de eerste plaats tot het ware geloof bekeerd worden en in de tweede plaats dat ze in hun fysieke bestaan goed verzorgd worden. Wreedheid betaamt Nederlanders niet, deze zijn van nature immers vriendelijk. Naast de regel van Paulus, noemt Udemans een andere bijbelse regel van liefde en gerechtigheid als richtsnoer voor de meester: ‘Al / dat ghy wilt, dat u de menschen doen sullen, doet ghy lieden hem dat oock.’ Deze z.g. Gulden regel van Mattheus (7:12) blijft men tot in de 19e eeuw aantreffen in vrijwel alle teksten waarin de meester-slaafrelatie aan de orde komt.

Dat in de praktijk de evangelische regels in de verdrukking raakten, valt op te maken uit vrijwel alle land- en volkenkundige en reisbeschrijvingen in de 17e en 18e eeuw. De Westindische meester, van welke nationaliteit dan ook, kreeg een bijzonder slechte naam. De Surinaamse rechter A.F. Lammens die in het begin van de 19e eeuw de Surinaamse planters van deze blaam trachtte te zuiveren, meende dat vooral J.G. Stedman de oorzaak van het

[p. 142]



illustratie
J.G. Stedmans visie op de planter in Suriname (uba), is zeer toepasselijk op Roos' ‘Schets van het plantaadje leeven’.

[p. 143]

slechte imago was.217 Deze beroepsmilitair die in Suriname enkele expedities tegen de marrons had meegemaakt, geeft namelijk in zijn reisverslag vele voorbeelden van het wreed gedrag van de kolonisten. Maar Lammens vergiste zich: reeds in de 17e en 18e eeuw had de Surinaamse planter een bedenkelijke faam.218 George Warren (1669) sneert al in de Engelse beginjaren van de kolonie over de abominabele verzorging van de slaven; hun slaapuitrusting is minder dan minimaal en voor hun voeding moeten ze zelf zorgen, want anders hebben ze niets om van te leven

behalven dat hare Meesters haer eens ofte tweemael 's Jaers / met wat stinckende soute Visch begunstigen / ofte haer wat ghebraets gheven van een Koey ofte Paert die van haer selven zijn komen te sterven; haer huysvestingh is een harde planck / en haer deecken / haer eygen zwarte vel.219

Alleen aan arbeid en straffen ontbreekt het hun nooit.

Het vroegste werk van J.G. Kals (1733), die korte tijd predikant van Pirica en Cottica was, geeft een scherpe hekeling van het immorele blanke gedrag - ook dat van de wereldlijke en kerkelijke ‘voorgangeren’ in Suriname. Men spot er met de Justitia, Pietas en Fides die men in het wapen voert.220 Behalve dat zij de negers mishandelen, geven de kolonisten zich over aan dronkenschap en aan de zonde van ‘Hoerereije ende egtbreuk’ met negerinnen en indiaanse vrouwen. Ook de dominee krijgt het advies een bijvrouw te nemen - wat hij kuisheidshalve maar in het Latijn meedeelt (in een voetnoot).221 De wijze waarop en het oogmerk waarmee blanke mannen negermeisjes uitzoeken op de slavenmarkt, noemt Kals stuitend. Van kerstening is geen sprake. Een groot deel van de kolonisten was naar de koloniën gekomen om in Europa galg en rad te ontlopen; wat kan men van zulke mensen anders verwachten dan goddeloos gedrag? Kals bevestigt hiermee het beeld van de Surinaamse kolonist dat in de literatuur al bekend was, namelijk in de roman Oroonoko (1688) van Aphra Behn. De nobele negerslaaf Caesar (de slavennaam van Oroonoko) typeert de kolonisten als

rogues and runagades, that have abandoned their own countries for rapine, murders, theft and villainies.222

Zoals ik elders betoogd heb,223 blijft dit ongunstige beeld in de literatuur tot in de 19e eeuw bestaan, en ook in andere geschriften valt de typering van de kolonist niet vleiend uit: hij wordt in zijn relatie tot de slaven getekend als gierig, hard, wreed en wellustig.

Kals (1756) tracht de kolonisten te motiveren tot een betere behandeling van de negerslaven, marrons en indianen, door hun te wijzen op het eigenbelang dat ze daarbij hebben. Kerstening en onderwijs zijn een eerste vereiste om een betere verstandhouding te bewerkstelligen - wat de vrede en veiligheid in de kolonie ten goede zal komen. De slaven moeten op een eventuele vrijmaking voorbereid worden. Christen-negers zou men een stuk grond moeten geven waarvan de opbrengst deels voor hen zelf zou zijn. Op die manier kan men meer land in cultuur brengen en zullen er nieuwe dorpen en kleine steden ontstaan. Met indianen zou men vriendschappen en gemengde huwelijken moeten sluiten, zodat hun gronden op legale wijze in blank bezit komen en de hun bekende bodemschatten geëxploiteerd kunnen worden. De kolonie zal door een en ander gaan bloeien, er zullen prachtige huizen, zelfs kastelen, gebouwd worden en de blanke meesters zullen de status van de vaderlandse landjonkers en baronnen krijgen.224 Aldus propageert Kals een koloniaal gedrag dat niet alleen aan de blanken, maar ook - zij het in bescheiden mate - aan de negers en indianen ten goede zou moeten komen.

Volgens Montesquieu wordt het slechte gedrag van de slavenmeester bevorderd door de aard van de slavernij. Meester en slaaf gaan er beiden in zedelijke zin op achteruit; de slaaf kan niets doen uit deugd (omdat dat vrijheid veronderstelt), de meester went aan allerlei ondeugden: hij wordt trots, driftig, wellustig en wreed.225 Volgens hem zijn goede slavenwetten nodig om misbruik en mishandeling door de meesters te voorkomen; slaven moeten zich ook kunnen beklagen bij het gerecht over slechte meesters.

[p. 144]

De literatuur vertoont enerzijds de ‘zegeningen’ van het goede-meesterschap uit eigenbelang, terwijl anderzijds de slechte meesters aan de kaak gesteld worden. De Surinaamse negerslaaf in Candide (1759) klaagt de wreedheid en gierigheid van meester Vanderdendur aan; de ex-slaaf Kakera Akoti in het vertoog van De Denker (1764) de godsdienstige hypocrisie, het sexuele wangedrag en de wreedheid van de blanke meesters. In Van Winters toneelstuk Monzongo (1774) loopt het met de slechte meester navenant af; hij wordt bij een opstand gedood. In de roman Paulus en Virginia (1791) door J.H. Bernardin de St. Pierre is de planter niet alleen wreed, maar ook onbetrouwbaar: hij komt zijn belofte aan Virginia om de weggelopen slavin die zij terugbrengt niet te straffen, niet na.226

De slechtste van de slechte meesters zijn volgens alle getuigenissen: de directeurs. Het toenemend absenteïsme in de 18e eeuw, wat inhield dat de eigenaren niet meer op de plantages woonden, dikwijls niet meer in de kolonie, gaf hun zaakwaarnemers (administrateurs) en hun plantagebeheerders (directeurs) grote, oncontroleerbare macht die gemakkelijk misbruikt kon worden.227 Volgens het toneelspel Het Surinaamsche leeven (1771) door Don Experientia, spelen directeurs en administrateurs dikwijls onder één hoedje om de absente eigenaren te bedriegen. Ze zijn lui en corrupt, dom en onbetrouwbaar en verdoen hun tijd met drinken en spelen.228 In de tweetalige samenspraak ‘Het Leeven en Bedryf van een Surinaamsze Directeur, met de Slaaven, op een Koffi-Plantagie’ (±1780), door Pieter van Dyk opgenomen in een van de vroegste leerboekjes van het ‘Neeger Engels’,229 wordt gedemonstreerd dat directeurs door hun onverschilligheid en wreedheid de plantages ruïneren; door hun optreden sterven slaven en lopen er slaven weg.

Een amusante hekeling van een directeur die alleen zijn eigen belang nastreeft, niet dat van de plantage-eigenaar en nog minder dat van de slaven, geeft De West-Indische klapper, of het leven van sommige directeuren op de plantagien in de colonien der Nederlandsche West-Indien. Het enig mij bekende exemplaar van dit gedicht vermeldt geen auteursnaam, noch uitgever, of plaats en jaar van uitgave.230 Ik meen dat het gedateerd moet worden na de verschijning van het eerste deel van de Eerstelingen van Surinaamsche mengelpoëzy (1783) door Paul François Roos, omdat het gedicht er alle schijn van heeft een parodie te zijn op het hierin opgenomen dichtwerk ‘Schets van het plantaadje leeven’. Door Roos wordt namelijk beschreven hoe genoeglijk een dag uit het leven van een planter verloopt: hij controleert het werk, onderzoekt de zieken, gaat op jacht of op bezoek, leest, dicht of studeert en wisselt deze aktiviteiten voortdurend af met eten, drinken en pijproken. Een stoet zwarte bedienden staat hem ter beschikking en 's avonds wacht hem een ‘Venus’ in zijn hangmat. Kortom, de planter leeft als een vorst.231 De vormgeving van De West-Indische klapper komt in hoge mate met die van Roos' ‘Schets’ overeen.232 Bij Roos wordt de planter als een bon-vivant voorgesteld, in de ‘Klapper’ is sprake van een wrede, oneerlijke, wellustige tyran - bedoeld om het beeld van Roos te corrigeren?

Zo'n directeur doet zich tegenover de plantage-eigenaar als ijverig en plichtsgetrouw voor, maar is in feite iemand

 
Die als een onnut zwyn vast in zyn hangmat legt,
 
En om zyn wellust denkt, of, hoe hy best zal plagen
 
Den Dienaer en den Slaef, voor wien hy zorg moest dragen!233

Anders dan de planter in Roos' gedicht, staat de directeur, die heer Slimhoofd genoemd wordt, laat op:

 
Des morgens, als de zon reeds lange heeft geblonken,
 
Dan legt deez' Koning nog gerust op 't dons te ronken
 
Vermoeit, wyl heel de nacht, zoo dapper braef en sterk
 
Door hem besteed is in het zwarte Venus werk,
 
Waer voor een Sodom zelfs zou yzen en verschrikken!234

Vloekend en tierend begint hij de dag. Links en rechts deelt hij bevelen en straffen uit, waarbij reeds spoedig iemand het leven laat. De slavinnen worden voortdurend met ‘Hoer’

[p. 145]

aangesproken. Als er een collega, de heer Grootshoek, op bezoek is, schiet hij, trots omdat hij een geweer kan hanteren, een koe dood, en vertelt dat hij enige tijd geleden zo ook een neger had neergeschoten - wat in de administratie verantwoord is als ‘doodgegaan’. Tijdens de middagmaaltijd is een gevallen kopje aanleiding tot een forse strafpleging. Wanneer de bezoeker vraagt waarom de slaven de slagen niet proberen te ontwijken, antwoordt Slimhoofd:

 
Dat d'eerste die dan liep en slagen wilde myen,
 
Ik hem de swaerste pyn des waerelds zou doen lyen;
 
Ja halen hem de blaes nog levend uit den buik,
 
Tot een tabakzak voor myn dagelyks gebruik.
 
Dit weten zy ook wel, en dat doet haer zoo vreezen,
 
Want niemand hunner wil graeg opgesneden wezen.235

In de avondkoelte drinkt hij in ‘nachtrok’ een glaasje bier, beveelt de timmerman hem een groot bed te timmeren en schrijft in verband daarmee aan zijn verloofde, juffrouw Graeg Geport (die zich ‘op 't Fort’ bevindt), dat ze nu spoedig zullen kunnen trouwen. Naar adviezen van de opzichters en de plantageklerk luistert hij niet. Hij verbiedt dat er een nieuwe ‘trens’ (afwateringssloot) gegraven wordt; dat sommige slaven daardoor op ongezonde wijze in het water moeten werken interesseert hem niet. Ten slotte gaat meneer naar zijn hangmat, vergezeld van zijn Princes die de borrelfles draagt. Deze parodie heet overigens geschreven uit bewogenheid met de bedrogen eigenaars - niet met de getyranniseerde negers.

De bewogenheid met het lot van de negerslaven wordt in de goede-meesterliteratuur geleidelijk manifest. Wanneer op een van zijn avonturen de hoofdpersoon van de roman De Middelburgsche avanturier (1760) planter in Suriname wordt, worden hij en zijn compagnon goede meesters, puur uit eigen belang. De slaven stellen na een oproer zelf dit compromis voor: de heren zorgen voor een menslievend beheer, de slaven voor een hoge opbrengst van de plantage en een grotere vruchtbaarheid van de slavinnen. Er wordt dan nauwelijks meer gestraft, echte ‘dwarsliggers’ worden verkocht, weglopers zijn er niet. Al na korte tijd betekent dat een grote waardevermeerdering van de plantage. Bij de verkoop van de plantage enige tijd later, verneemt de lezer echter niet of er ten gunste of ter bescherming van de negers enige voorziening getroffen is.236

In de anoniem verschenen roman Geschiedenis van een neger, zijn reize met de heer N.... van Surinamen naar Holland (± 1770)237 wordt het verhaal verteld van een Hugenoot N.... die met zijn vrouw, dochter en een begaafde neger van Suriname naar Amsterdam reist, en onderweg een eiland aandoet waar een andere Hugenoot een heilstaat heeft gesticht. Bij het uitwisselen van hun lotgevallen vertelt N.... ook over zijn goede-meesterschap. In tegenstelling tot andere meesters in Suriname strafte hij niet streng omdat hij ‘met goede woorden’ meer gedaan kreeg dan met slagen. Zijn slaven hielden dan ook veel van hem en bij zijn afscheid waren ze zeer bedroefd:

Ach mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u te verliezen! Waar krygen wy 'er zoo een weer als gy geweest zyt!238

De roman is overigens vooral interessant vanwege zijn opmerkelijk einde: in Amsterdam wordt tussen de dochter Agnes en de (inmiddels bekeerde) neger Thomas een gemengd huwelijk gesloten.239

Een uitgewerkt beeld van een goede meester die èn bewogen is met het onrecht de negers aangedaan èn zijn eigenbelang dient, vindt men in de roman Rhapsodiën of het leven van Altamont (1775) door De Perponcher. De hoofdpersoon Altamont leidt als schipbreukeling op een ‘onbewoond eiland’ een primitief bestaan in de natuur. Een nieuwe schipbreukeling, Amelia, wordt zijn vrouw. Naderhand ontstaat er een kleine gemeenschap waarin men probeert allerlei verlichte ideeën over vrijheid en gelijkheid, over opvoeding, onderwijs, kunsten en wetenschappen in praktijk te brengen. De opvattingen over slavernij gaan aan deze utopische fase van het verhaal vooraf: het zijn de ideeën en ervaringen van Amelia's

[p. 146]



illustratie
Titelpagina Geschiedenis van een neger (ubu).

[p. 147]

vader die zij na aankomst op het eiland aan Altamont meedeelt in het verhaal van haar leven.240

Amelia's vader was een hoogstaand Engels koopman die buiten zijn schuld failliet ging. Met een klein bedrag dat de schuldeisers hem lieten, vertrok hij naar Jamaica om een nieuw bestaan op te bouwen. Door een spaarzaam leven als employé kon hij na enige jaren een plantage kopen. Hij werd slavenmeester, hoewel hij van mening was dat er aan slavernij geen ander recht ten grondslag lag dan dat van de struikrover Cartouche. Hij verwonderde zich erover dat slavernij in de verlichte eeuwen, onder beschaafde christenen nog steeds bestond, en vreesde dat op den duur een massaal bloedbad onder de gehate blanken zou worden aangericht.

Als slavenmeester stond hij desondanks geen spoedige abolitie voor, maar een heel voorzichtige, trapsgewijze afschaffing. Onder een goede meester zouden de slaven langzaam voorbereid worden op zelfbestuur. Hij vergeleek zijn plantagesamenleving met een kleine ‘burgerstaat’ waarin zowel meester als slaven hun rechten en plichten hebben. De slaven namen daarom ook deel aan het bestuur en de rechtspraak van de plantage om hun specifieke belangen te verdedigen. Rechten en plichten, straffen en beloningen waren vastgelegd in een ‘kort samenstel van wetten en regelen’ dat vertaald was in de negertalen, zodat ieder wist waar hij aan toe was.241 Als tegenprestatie voor hun arbeid hadden slaven recht op een eigen hut, een tuin, een akker en een weide, om groente en graan te verbouwen en vee te houden, zowel voor eigen gebruik als voor ruilhandel. Kinderen hoefden tot een bepaalde leeftijd niet op de plantage te werken, maar konden hun ouders behulpzaam zijn.

Amelia's vader voerde een vijfdaagse werkweek in: op zaterdag konden de slaven hun eigen grond bewerken en op zondag konden ze zich wijden aan godsdienstoefening en ontspanning. De negers moesten gekerstend worden omdat God dit naar zijn mening van de blanken eiste en hen hierover ter verantwoording zou roepen. Bovendien was er een groot (blank) belang mee gediend: de godsdienst maakt de mensen tevreden met hun lot, ook als dat onaangenaam is; immers, in het hiernamaals zal het aardse leven gecompenseerd worden en de verwachting van straf of beloning zal veel beter dan wreedheden geschikt zijn om de negers ‘handelbaer te maeken, in toom te houden’.242 Amelia's vader had de Evangeliën in de negertalen laten overzetten en er een eenvoudige uitleg over de christelijke leer en moraal aan toegevoegd. Het godsdienstonderwijs, het gebed en de preek, werden gehouden in de negertalen.

Slavenhuwelijken en gezinsuitbreiding werden aangemoedigd. In de periode van de zwangerschap en van het zogen kregen de vrouwen een taakverlichting. Voedsel, kleding e.d. werden in overeenstemming met de gezinsgrootte uitgedeeld. Als een ouderpaar minimaal vier kinderen tot hun zestiende jaar had grootgebracht, werd dat ouderpaar vrij gemaakt! De kinderen bleven evenwel slaaf. Dat menslievendheid hier wel heel sterk met eigenbelang gepaard ging, bewijst Amelia's nuchtere constatering:

Langs deezen weg bespaerde myn vader 't grootste gedeelte der penningen, die men anders tot het geduurig aenkoopen, van nieuwe slaeven uitschiet.243

De vrijgemaakten kregen grond in gebruik in ruil voor een deel van de opbrengst, het andere deel werd door de plantage van hen gekocht.

Amelia's vader vroeg zich af waarom niet alle koloniale mogendheden soortgelijke wetten en regels zouden invoeren - het zou vaderland, kolonisten en slaven veel voordeel brengen. Nooit kwam een plantage in korter tijd tot bloei, nooit werd een meester zo bemind door zijn slaven, die nooit anders over hem spraken als over ‘den goeden meester, den vader der slaeven’.244 Zijn dood bracht grote droefheid onder de negers teweeg.

Het goede meesterschap van Amelia's vader doet tot in details sterk denken aan dat wat G. Th. Raynal bepleit in zijn Wysgeerige en staatkundige geschiedenis. Behalve goede materiële voorzieningen maken serieuze kerstening en een aanzet tot vrijmaking er deel van uit. Ook Raynal oppert de mogelijkheid dat de slaven zich vrij vrijen.

Betje Wolff schetst de slavenmeester in haar rijmbrieven Beemster-winter-buitenleven (1778)

[p. 148]

als een door hebzucht gedreven monster, ongevoelig voor het leed dat hij veroorzaakt. Dat er in Pennsylvania goede meesters zijn die door evangelische mensenliefde gedreven worden, is een troostrijke gedachte. Daar beschreit geen slaaf zijn lot,

 
Maar in zyn Heer ziet [hy] zynen Vriend,
 
Die hy getrouw en yvrig dient;245

Betje refereert hier aan de Quakers (‘Society of Friends’) die hun slaven niet alleen goed behandelden, maar in 1774 besloten dat geen enkele Quaker betrokken mocht zijn bij de slavenhandel en in 1776 dat Quakers geen slaven meer mochten houden.246

Sir Germain, de Jamaicaanse planter uit het toneelstuk Zamor en Zoraide (1780) door F.G. Freiherr von Nesselrode, is een goede meester. Hij huisvest en voedt zijn slaven goed en maakt zo nu en dan iemand van hen vrij.247 Alleen de kerstening van slaven krijgt nauwelijks aandacht. Germain is tegenstander van de slavenhandel. Met zijn vrouw voedt hij de jonge negerin Zoraide op alsof zij hun dochter was en ze dwingen haar niet haar trouwbelofte te verbreken als een blanke bezoeker zich tot haar aangetrokken voelt. Wanneer op het eiland een slavenoproer uitbreekt, worden Germain c.s. gespaard. Na vele onthullingen en verwikkelingen (waarbij de negerleider Zamor de man van Zoraide blijkt te zijn, een andere negerleider de verdwenen zoon van Germain blijkt te hebben opgevoed, en waarbij Zamor gevangen genomen wordt maar van de gouverneur gratie krijgt) schenkt meester Germain alle slaven de vrijheid.

Het Simeo-verhaal van Brender à Brandis (1784) geeft over het plantageleven onder een goede meester meer details. De slaven zijn in kleine huisgezinnen opgedeeld. Ze hebben een stukje grond ter beschikking waarop ze twee dagen per week voor zichzelf mogen werken. Een neger die zich tien jaar goed gedragen heeft, krijgt zijn vrijheid terug. Er heerst vrolijkheid en eendracht op de plantage; na het werk wordt er gemusiceerd en gedanst. Zelden zijn er gevallen van ziekte; luiheid, diefstal, samenzweringen en zelfdodingen komen nooit voor.

Een roman waarin een plantage-eigenaar de slavernij niet alleen afwijst, maar ook uitsluitend vrije mensen in dienst neemt, onder wie negers en indianen, is Florentin van Fahlendorn (1789-1790) door J.H. Jung Stilling. De paradijslijke nederzetting waar het om gaat heet Pilgersheim en ligt aan de Marowijne in Suriname. Het verblijf van de Duitse hoofdpersoon in deze merkwaardige landbouwcoöperatie betreft overigens slechts een episode uit diens door de Voorzienigheid beschikte omzwervingen.248

 

Het spectatoriale tijdschrift De Koopman (1768-1776) houdt zich uitvoerig met de Westindische koloniale landbouw en handel bezig. Door een slecht beheer van de plantages, door te weinig of verkeerde investeringen, en door een te weelderig leven van de planter, is de kolonie Suriname aan de rand van de afgrond gebracht. De spectator schetst twee profielen, één van een goede en één van een slechte planter. De goede zal deskundig te werk gaan bij aanleg en onderhoud van de plantage; de slaven naar hun capaciteiten laten werken; de kinderen van werkende moeders laten verzorgen, evenals de bejaarde en zieke slaven; hij zal zondags vrijaf geven; en alleen bij ernstige vergrijpen streng, maar rechtvaardig laten straffen:

Zulk een Regeering houd een Plantagie in staat, en den Directeur werd gevreesd als een Koning en bemind als een Vader, en is een Voedsterheer der Plantagie.249

Een slechte directeur daarentegen weet niets van de landbouw:

Deze zyn grootste bezigheid bestaat in onweetend kommandeeren, nu met de één en dan met de andere zwarte Meid, of Mulatin, zig wat te amuzeeren, en buiten eeten, drinken, of rooken, (in opvolging van de bokken of Indiäanen) in de hangmat te leggen, of zig te diverteeren, met de onnozelen daaglyks te slaan [...].250

Hij verwaarloost bejaarden en kinderen, wordt gevreesd als een ezel die achteruit trapt, bemind als een handvol schorpioenen en is een vernielend monster van de plantage. Er zijn vele van zulke slechte planters omdat er te veel ‘losbandige, zedenlooze en woeste jonge

[p. 149]

Knaapen’ naar de koloniën gestuurd worden, en als er zich onder de nieuwkomers fatsoenlijke mensen bevinden, worden die spoedig bedorven door de kolonisten die reeds aan ontucht en wreedheid gewend zijn. Vaak trokken ze naar West-Indië, omdat ze in het vaderland mislukt waren of niet wilden deugen. Omdat de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem in diezelfde tijd een prijsvraag uitgeschreven had over het verbreiden van het Evangelie onder de gekoloniseerden, spot de ‘Koopman’: ‘fraaie modellen! niet waar? voor de Heidenen, voor de Onchristenen’.251 Een andere schets van de leefwijze van de slechte meester (drank, vrouwen, ziekten) bevestigt opnieuw het beeld zoals we dat uit de literatuur kennen.252 In een plan ter verbetering van deze situatie en ter voorkoming van revoltes stelt de ‘Koopman’ behalve een menselijker behandeling, ook de mogelijkheid voor om over te schakelen op vrije arbeid.253 Een principieel tegenstander van slavernij is hij echter niet. Raynal is wel abolitionist en voor hem geldt slavernij onder een goede meester dan ook als eerste fase van geleidelijke vrijmaking. Hij stelt dat er door ziekten, strafplegingen en zelfdodingen jaarlijks vele slaven omkomen en geeft daarom een soort handleiding voor de goede slavenbehandeling.254 Het eigenbelang van de planter wordt niet vergeten: het is het belang van de meester dat de slaaf het leven liefheeft; zodra deze de dood niet meer schroomt, hoeft men niets meer van hem te verwachten. Daarom moeten de eigenaars zich zelf met de plantage bemoeien en niet te veel aan waarnemers overlaten. De slaaf moet plezier in zijn leven hebben. Hij dient goed gehuisvest, gekleed en gevoed te worden, hij moet wat bezit kunnen verwerven en gelegenheid tot ontspanning hebben. Raynal weidt hierbij uit over de opvallende aanleg voor muziek, zang en dans. Door een betere behandeling zouden de negers ook meer genegen zijn zich te vermenigvuldigen. Het paren zal hun bovendien wat vertier brengen in het zware bestaan. Extra vruchtbare moeders zou men als beloning de vrijheid moeten geven, aldus Raynal, die vervolgens de slavernij op principiëlere gronden gaat bestrijden.

De schrijvers van de Brieven over het bestuur der colonien Essequebo en Demerary (1785-1788), Aristodemus en Sincerus, halen fel uit naar Raynal, niet naar diens ‘handleiding’ voor goede meesters, maar naar de beschrijvingen van de koloniale misstanden en het streven naar abolitie. Raynal zou het helemaal verkeerd zien omdat... ‘hij er niet geweest is’. Zou hij de Guianese plantages van de briefschrijvers bezocht hebben, dan zou hij wel beter weten: de negers hebben het goed in slavernij.255

De uitgever van de brieven stelt zich de vraag of slavernij overeenkomt met de ‘rechten van de menschlykheid’ en met de grondbeginselen van de christelijke godsdienst. Zijn antwoord is ontkennend. Maar, meent hij, in de koloniën van ‘Christen-Natien’ zoals de Republiek, zou men zodanige maatregelen kunnen treffen

dat de slaverny niet alleen naauwlyks gevoeld wierd, maar zelfs dat aan de Slaaven zo veel menschlykheid zou kunnen worden betoond, dat zy zichzelven onder de banden gelukkiger bevonden, dan toen zy noch vry waren.256

Na een uiteenzetting wat een goede behandeling precies zou moeten inhouden, komt deze editeur tot een wel heel rooskleurige conclusie:

wanneer men in 't algemeen, in alles, de stem der menschlykheid ten hunnen aanzien gehoor geeft; dan rekent zich een Neger onder de slaverny zo gelukkig als een Koning op zynen Throon.257

Hij is zijn goede meester dankbaar en geeft blijken van liefde en trouw waarvan men in Europa nauwelijks een afschaduwing zal vinden. Hoewel de slavernij principieel niet te verdedigen valt, kan deze volgens de uitgever van de Brieven onder goede meesters gedoogd worden.

Sincerus en Aristodemus werken hun visie op het meesterschap verder uit. Ook zij stellen de goede en de slechte behandeling tegenover elkaar. Slecht is het huns inziens de slaven door te verkopen of onder een ‘ondermeester’ te laten werken. Absenteïsme is helemaal funest: wanneer een in Holland verblijvende eigenaar meer opbrengst van zijn plantage wenst, zal hij

[p. 150]

zijn administrateur in de kolonie aanmanen; deze zal de directeur onder druk zetten en uiteindelijk krijgt de neger de klappen. De briefschrijvers concluderen dat zo'n Hollandse eigenaar ‘de allergrootste vyand der Negers’ is.258 Tot de goede behandeling wordt niet de kerstening gerekend omdat dit gezien de aard der negers een onbegonnen werk zou zijn. De materiële voorzieningen blijken al spoedig voldoende. Weinig kleding schaadt de slaven niet, hun huid is hard en dik en in tropische regenbuien kan men beter geen kleren dragen dan natte (omdat dat ongezond is). Bovendien maken een fraai huis, kostbare meubels en kleren, een zacht bed en dure spijzen een mens niet gelukkig als hij er door zijn opvoeding niet op ingesteld is.259 Ten slotte wordt gewaarschuwd tegen al te goede meesters: die lokken door hun slapheid vergrijpen uit.

De vrijgeworden neger Olaudah Equiano (1790) schrijft in zijn autobiografie dat hij zelf over het algemeen onder goede meesters gewerkt heeft, onder wie een Quaker, maar hij heeft wel waargenomen hoe andere slaven mishandeld en uitgebuit zijn, vooral in West-Indië en in het bijzonder op Jamaica. Hij is er getuige geweest van wrede strafplegingen zoals het levend verbranden van slaven en het hen vastgebonden laten doodbijten door insekten.260 In de geest van Montesquieu merkt hij op dat slavernij de geesten verloedert.

Volgens A. Barrau (1790) munt de slavenbehandeling in de Nederlandse koloniën uit boven die van andere naties. Er zijn dan ook voornamelijk goede meesters. Het komt volgens hem niet zelden voor dat wanneer een zoutwaterneger* de kapitein van het slavenschip nog eens ontmoet, hij of zij

hem met verrukking om den hals valt, kust, en bedankt voor de weldaad van overvoering, aan hem of haar bewezen, dewijl zij zich, volgends haar eigen zeggen, in hunne tegenwoordige omstandigheden aanmerken als vrije lieden, in vergelijking van het gene zij in hun geboorteland waren.261

Doordat er een goede wetgeving is in de Nederlandse koloniën en politie en justitie volgens Barrau diligent optreden tegen beledigingen en mishandelingen de slaven aangedaan, is het slavenbestaan niet onaanvaardbaar zwaar. Er zijn hem slechts enkele gevallen bekend van mishandeling. Hij vermeldt er twee die bedreven werden door vrouwen.261a Over het algemeen is de meester echter zo humaan dat slaven die geld gespaard hebben er niet naar talen zich vrij te kopen; zelfs komt het soms voor dat vrijgemaakten hun meesters vragen weer terug te mogen keren in slavernij.262 Beter dan naar abolitie te streven, wat tot verwaarlozing van de koloniën en tot verlies van welvaart van de Republiek zou leiden, kunnen mensenvrienden een goede slavenbehandeling propageren. Kerstening van de slaven maakt daarvan voor Barrau geen noodzakelijk onderdeel uit - dit zal meestal paarlen voor de zwijnen zijn.

Barrau's opponent (1790) vindt dat zelfs die paar gevallen van slechte slavenmeesters die Barrau opnoemt, al reden genoeg zijn om de slavernij af te schaffen. Maar ook slavernij onder een goede meester acht hij onaanvaardbaar:

zelfs de zagtste behandeling van menschlievende Meesters en Vrouwen kan dan nooit tot eene vergoeding verstrekken voor den moedwil, waarmede men de wetten van den Godsdienst en het heilig Natuur-recht vertreedt [...].263

Goede meesters doen aan dierenvrienden denken en behandelen de negerslaven zoals dierenvrienden hun honden, katten en papegaaien behandelen. Een gevangene wordt echter niet vrij wanneer een genadig, goedaardig meester hem zo nu en dan gunsten bewijst. En houdt iemand die zijn naasten een dierbaar goed ontrooft en vervolgens probeert dat gemis door vriendelijkheden te vergoeden, op een rover te zijn? De enige goede meester die deze anonieme schrijver wil ‘erkennen’ is de meester die slaven koopt om hen direct voor te bereiden op vrijmaking en hen vervolgens als vrije werklieden in dienst neemt.264 Exit de goede meester!

[p. 151]

Evenals Montesquieu is B. Frossard (1790) van mening dat slechte meesters en ontaarde slaven inherent zijn aan het systeem: slavernij ‘bederft den meester en verbeest de slaaven’.265 Hij kent aan het goede-meesterschap wel een funktie toe, vergelijkbaar met die van Raynal, het is een noodzakelijk startpunt voor een geleidelijke afschaffing van de slavernij. Alleen bij een goede behandeling zullen slaven voorbereid kunnen worden op hun vrijheid en bovendien naderhand bereid zijn om als vrije werklieden hun meesters te blijven dienen. De slaven moeten gekerstend worden en door opvoeding en onderwijs met hun burgerplichten vertrouwd worden gemaakt. Als vrucht van arbeid en spaarzaamheid kan de slaaf uiteindelijk de vrijheid ontvangen. Als de slavenhandel eerst afgeschaft zou worden, wat Frossard hoopt, zou dat de meesters noodzaken tot zo'n goede behandeling omdat er dan voor gedode, weggelopen en verminkte slaven geen vervangers gekocht kunnen worden.266

3.6.2. De meningsvorming in 1791-1792 en de teksten 1793-1825

In het begin van de jaren negentig van de 18e eeuw wordt het goede-meesterschap op drie manieren in het geding gebracht: 1o. voor verdedigers van de slavernij houdt het begrip vooral goede fysieke verzorging in, milde straffen, maar nauwelijks kerstening; 2o. gematigde abolitionisten zien het als een voorfase van de vrijmaking, voor hen zijn verlichting van de arbeid (vijfdaagse werkweek), ontspanning, kerstening en onderwijs en opvoeding van wezenlijk belang; 3o. een radicale abolitionist wil ook onder het beste meesterschap de slavernij niet gedogen, maar karakteriseert deze vernietigend: ook een goedaardig rover is een rover.

De eerste visie op de goede meester wordt gecontinueerd in de geschriften van de voormalige Demerariaanse planter en van mr. Lammens. De ex-planter (1795) zet zich aftegen het beeld van de slechte kolonist zoals Des Villates en anderen dat schetsen. Hij ontkent niet dat er slechte planters zijn, maar men mag volgens hem zeker niet generaliseren. Iemand die niet in de koloniën geweest is, zoals Des Villates, zal zijn kennis ontleend hebben aan reisbeschrijvingen en deze staan boordevol onwaarheden. Vele schrijvers draaien bijv. oorzaak en gevolg om: een harde behandeling maakt de slaven niet lui en onverschillig, maar hun luiheid en onverschilligheid noopt de planters tot een strenge behandeling. Ook kaatst de ex-planter de Europese kritiek terug: wanneer er slechte kolonisten zijn heeft Europa de verkeerde mensen naar de koloniën gestuurd.267 Als men in het moederland meent dat de situatie slecht is, laat men dan voor een beter bestuur en een betere wetgeving zorgen. Wanneer men echter de materiële voorzieningen voor de slaven met die voor de werklieden in Europa vergelijkt, vallen deze voortdurend in het voordeel van de kolonie uit. De ex-planter ontkent niet dat directeurs strenger zijn dan eigenaars, maar in Essequebo en Demerary speelt absenteïsme, anders dan in Suriname, nauwelijks enige rol.268 Huisvesting, kleding en voeding zijn voldoende, tenzij men meent dat de slaven met ‘Rost beef, blumpudding, ragouts, hors d'oeuvres, entremets’ gevoed moeten worden.268a Hier en daar heeft men slaven naast de zondag nog een tweede vrije dag gegeven om hun grond te bewerken, maar deze proef mislukte. De slaven gingen slapen, vissen of wandelen en verwaarloosden hun landjes. Het is een onbegonnen zaak om de slaven te kerstenen en te onderwijzen, beter ware het om scholen voor blanke kinderen te stichten zodat ouders niet genoodzaakt zijn hun kinderen naar Europa te zenden. Over een spoedige abolitie valt alleen te praten wanneer het moederland de planters volledige schadeloosstelling kan geven - hoewel volgens de ex-planter niemand de illusie moet hebben dat de negers als vrije mensen zullen willen of kunnen blijven werken. Ze zullen liever drinken, feestvieren en stelen.269

Mr. Lammens (1818) verdedigt zich eveneens tegen aantijgingen dat de planters slechte meesters zouden zijn. Hij reageert vooral op de reisbeschrijving van Stedman. Deze laat volgens Lammens geen mogelijkheid onbenut om de Surinaamse planters in een hatelijk daglicht te plaatsen. Voorzover de door hem gesignaleerde wreedheden op waarheid berusten, zijn het uitzonderingen geweest. Zijn gehele werk is een aaneenschakeling van vermoe-

[p. 152]



illustratie
Titelpagina van Simon Blaauwkool (uba): een tweede Reinhart?

[p. 153]

dens en verdachtmakingen die nergens op berusten. Hij zal dat gedaan hebben omdat hij zich als Engelsman boven de Hollanders wilde plaatsen, en in het bijzonder doordat hij verliefd was op de mulattin Johanna: liefde maakt blind.270 Lammens beijvert zich om aan te tonen dat de slaven het wel degelijk goed hebben - beter althans dan de arbeiders in Nederland - en dat het afnemen van de slavenbevolking aan andere oorzaken moet worden toegeschreven dan aan mishandelingen.

 

In Kotzebues toneelspel De negers (1796) wordt in de lijn van Candide, De Denker, Monzongo en De West-Indische klapper, de slechte meester aan de kaak gesteld. Deze meester, John, laat te hard werken en te streng straffen. Op zijn plantage doodt een negerin haar kind omdat ze het de ellende van een slavenbestaan wil besparen en omdat ze het niet voeden kan: ze moest dadelijk na de bevalling werken, kon dat niet en werd afgeranseld; in plaats van melk kwam er bloed uit haar borsten.271 John wil dat een jonge slavin, Ada, zijn maîtresse wordt, maar zij weigert omdat ze reeds een trouwbelofte heeft gedaan. Hij geeft haar enige dagen bedenktijd en dreigt haar dan zo nodig met geweld te zullen nemen, zoals hij al vaker gedaan zegt te hebben. Tegenover John staat diens broer William, die een goed mens is; hij gaat vriendelijk met de slaven om en koopt zo nu en dan door John bedreigde slaven vrij. Wanneer Ada haar man Zameo terugvindt, kost het William tenslotte zijn halve vermogen om Zameo van de marteldood en Ada van verkrachting (òf zelfdoding) te redden.

Voorbeelden van goede meesters en van slechte, worden gegeven in het anoniem verschenen reisverslag in brieven: Korte reize in de West-Indiën (1799). De briefschrijver laat de tegenstelling in het bijzonder in twee verhalen uitkomen. De neger Akreah leefde onder een slechte meester en zag zich zelf en zijn gezin te gronde gaan; de negerin Afra daarentegen heeft een goede meester, en leeft vergenoegd met haar kinderen in een aangename plantagenederzetting.272 Het slavenlot hangt dus volgens de schrijver voornamelijk van de meesters af. Het is gemakkelijk om in de koloniale, tropische situatie toe te geven aan slechte neigingen en gewoontes, slechts weinigen verloederen niet:

En laat ons bedenken dat, sints de slavernij in de West-Indiën ingevoerd is,'er menschen geweest zijn, die moeds en deugds genoeg bezaten, om het juk der slavernij ligt, en den arbeid draaglijk te maken.273

De tweede visie op het goede-meesterschap vindt men bij Van Geuns en De Vos (1797) terug. Een goede behandeling van de slaven, kerstening en onderwijs inbegrepen, is ook voor hen de randvoorwaarde voor geleidelijke abolitie. Evenals ds. Kals wijzen zij op het belang om de negertalen te leren.274

Een dergelijk goede-meesterschap wordt in de literatuur vertolkt in twee romans. Simon Blaauwkool, hoofdpersoon van De geschiedenis van Simon Blaauwkool (1813) door Christian Gotthilf Salzmann, komt in Suriname omdat hij van huis (in Duitsland) wegloopt en zich onnadenkend aan boord van een schip begeeft dat naar deze kolonie blijkt te gaan. Hij wordt uit financiële noodzaak blank officier op een plantage. Wanneer hij vanuit zijn godsdienstige opvattingen de slavernij probeert draaglijk te maken, waarschuwen de eigenaar en andere opzichters hem: negerslaven zijn geen mensen maar honden, en als ze niet genoeg geranseld worden, zijn zij onhandelbaar. Simon ranselt hen echter niet, maar beloont hen voor extra prestaties. Daardoor produceren zij meer, wat de naijver van de collega's oproept. Dezen beramen een aanslag op zijn leven, maar de slaven redden hem. Na de dood van de eigenaar trouwt Simon met diens weduwe. De opzichters worden nu voor de keus gesteld: het humane systeem van Simon overnemen of ontslag krijgen. Simon stelt de slaven in de gelegenheid om door extra werk geld te sparen om zich vrij te kopen. Als ze een bepaald bedrag gespaard hebben en een hut gebouwd, mogen ze als vrije loonarbeiders op de plantage wonen.275 Hij ontdekt dat enkele negers hem bedriegen; één vlucht daarom naar de marrons, de ander zal bij wijze van straf verkocht worden aan een Nederlandse planter: de heer Trekschuit. Deze blijkt een wreedaard te zijn. Op zijn plantage lopen bebloede slaven rond; een slaaf is om een

[p. 154]

licht vergrijp in een kooi opgesloten, door de tralies heen pikken gieren hem stukken uit zijn lichaam.276 De te verkopen slaaf vraagt Simon ontsteld om genade en krijgt die. Terug op de eigen plantage getuigt hij hoe goed meester Simon is vergeleken met de Nederlander Trekschuit.

Na het overlijden van zijn vrouw en zijn dochtertje keert Simon naar Duitsland terug. Evenals Reinhart treft hij voorzieningen ter bescherming van zijn slaven die hij als ‘kinderen en broeders’ heeft bemind. Zijn opvolgers durven echter het vrijkoopsysteem niet te handhaven. Bij zijn afscheid zijn de slaven bedroefd. De Hollandse predikant houdt een afscheidspreek over Mattheus 4: 19 en 20: ‘Verzamel u geene schatten op de aarde [...]. Maar vergader u schatten in den hemel [...].’277 Simon vindt deze tekst zeer toepasselijk op de meeste Surinaamse planters:

Want onder al de ondeugden, waaraan zij zijn overgegeven, is de hebzucht, de heete drift om geld te winnen, wel de voornaamste. Deze vervoert hen om de negers te mishandelen, hun onmatigen arbeid op te leggen, en alle levensvreugde te ontzeggen. Dit is oorzaak, dat zij zoo zelden huwen, maar hunne slavinnen misbruiken, en de bij haar verwekte kinderen wederom tot slaven maken; dit is de reden, waarom de Europeërs in Suriname en in geheel Westindië tot ontëering der menschheid, zich aan zulke ongehoorde wandaden en wreedheden schuldig maken.278

De vertaler van de roman, de predikant-politicus Willem Anthony Ockerse, stelt in een voetnoot dat dit ongunstige beeld niet voor àlle Hollandse planters geldt en niet alléén voor Hollandse planters.279

De plantagesamenleving in de utopistische roman Aardenburg, of de onbekende volkplanting in Zuid-Amerika (1817) door Petronella Moens vertoont trekken van overeenkomst met die in Rhapsodiën of het leeven van Altamont van De Perponcher. Ook hier kent men een eenvoudig wetboek en een ‘Volksbestuur’. De dagelijkse leiding van de volksplanting, die gesitueerd is nabij Quito (in Ecuador), is in handen van Adolf Tavernier en Stottgart. Omdat het niet anders kan, hebben zij slaven gekocht op de ‘menschheid onteerende Slavenmarkt’.280 Op grond van hun kennis van gelaatkunde hebben zij negers uitgekozen van wie ze aannamen dat ze een edele ziel bezaten. Ze hebben ervoor gezorgd dat een liefdespaar en een moeder met haar kind, die gescheiden verkocht zouden worden, bij elkaar konden blijven. Op de plantage worden de slaven als mensen behandeld. Tavernier leert de negertalen en houdt zijn slaven voor dat ze door ijverig en vreedzaam gedrag de vrijheid kunnen verdienen. Voor extra prestaties krijgen zij extra beloningen. Zij ontvangen onderwijs in allerlei kundigheden. Er zijn leerboekjes in neger- en indianentalen. Gehuwden hebben recht op een grotere hut en een stukje land. Wat ze voor eigen gebruik niet nodig hebben, wordt door de plantage gekocht. Ook voor handwerkprodukten van negerinnen wordt betaald. Vrijgekochten kunnen als loonarbeider in dienst blijven, of naar hun vaderland terugkeren. Soms keren ze terug met enkele Afrikaanse familieleden die ook in Aardenburg willen werken.

Tavernier onderhoudt goede contacten met indianen en marrons, aan wie hij ook onderwijs laat geven. Opvallend in deze roman is dat het goede-meesterschap alleen gemotiveerd wordt met menslievendheid en niet meer met de combinatie van menslievendheid en eigenbelang (zoals o.a. in Rhapsodiën en Simon Blaauwkool).

214De Groot 1705, 782.
215De Groot 1705, 784-785.
216Udemans 1655, 317.
217Lammens 1823, 11-13; Stedman 1799.
218Paasman 1982.
219Warren 1669, 15. De Engelse titel luidt: An impartial description of Surinam [...]. London 1667.
220Kals 1733, 4.
221Kals 1733, 22; ook Kals 1756, [352-353]; ‘Nuttige en noodige bekeeringe’ 86-87.
222Behn 1953, 67.
223Paasman 1982. Behalve in de aldaar genoemde werken vindt men de negatieve visie op de Surinaamse kolonist (hebzuchtig, wreed, wellustig) ook bij Jean le Francq van Berkhey 1781, 88. De kolonist P.F. Roos voelde zich hierdoor persoonlijk gekwetst (Roos 1804, 116).
224Kals 1756, [338-339]; ‘Nuttige en noodige bekeeringe’, 72-73.
225Montesquieu 1771-1773, II, 93.
226Bernardin de St. Pierre 1790, 226-236. Deze roman speelt weliswaar niet in West-Indië, maar op het Ile de France ten zuiden van Afrika. Aangezien Post deze roman in de eerste Ned. vertaling gekend zal hebben en er in de Reinhart enige reminiscenties te vinden zijn aan deze exotische idylle (Prinsen 1934, 315; Brandt Corstius 1955, 82-84) en het werk bovendien een rol heeft gespeeld in de Ned. publieke opinie over slavernij (Van der Tuin 1975), heb ik het werk toch in dit kader willen vermelden.
227Teenstra 1842, 11-33; Van Lier 1977, 30-31.
228Het is niet bekend welke ‘ervarene’ zich achter het pseudoniem verbergt (Paasman 1982, 50-51). Het gaat niet alleen over Nederlandse directeurs en administrateurs, maar ook over de in Suriname woonachtige Duitsers en Fransen. Het spel is gedateerd ‘Surinamen den Primo January 1771’. De Hedendaagsche vaderlandsche letter-oefeningen bespreken het werk in 1774 (I, 643). Het is dus mogelijk dat het werkje in dat jaar of in het jaar ervoor in Nederland uitgegeven is.
229De informatieve titel van het leerboekje luidt: Nieuwe en nooit bevoorens geziene onderwijzinge in het Bastert Engels, of Neeger Engels, zoo als het zelve in de Hollandsze Colonien gebruikt word. Dienstig voor alle koop-luiden, die daar op handelen, eigenaaren en directeuren der plantagien, timmer-luiden, smits en anderen, die op dezelven zyn; om in korten tyd de slaaven te konnen verstaan en van dezelven verstaan te worden. Met volkoomene onderrigting, by maniere van t' zaamen-spraaken, hoe en op wat wyze zig ontzien en bemind te maaken, zonder over te gaan tot zoodaanige onmenslyke wreedheedens, als daar zomtyds in het werk worden gesteld; die volstrekt nergens anders toe kunnen dienen dan om, van goede, kwaade slaaven te maaken, tot onvermydelyk nadeel der geinteresseerdens. Alles, na veel jaarige beproeving en ondervinding, opgesteld en in het ligt gebragt door Pieter van Dyk.
De datering van dit werk is problematisch. Lichtveld/Voorhoeve 1958, 205, geven twee aanwijzingen: 1. na 1761, 2. tussen 1778-1787. Het is mij gebleken dat deze data ontleend zijn aan resp. het ‘Apparaat-Enschedé’ in de Bibliotheek van de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels (UB A'dam), en Ledeboer 1876, 51. Omdat ik geen recensies heb gevonden, houd ik de gegevens van Ledeboer 1876 aan en dateer de tekst op ± 1780.
230UB Leiden: 1015 F 8 Mij. Ned. letterk.
231Roos 1783-1789, I, 36-46.
232Beide gedichten hebben gepaard rijm, afwisselend slepend en staand; aan beide ligt een zelfde metrisch patroon ten grondslag: de zesvoetige jambe. Daarnaast zijn er verschillende parallelle (of anti-parallelle) versregels, bijv. Roos 1783-1789, I, 37:
Des morgens, eer de zon, aan Suriname's stranden,
De nugtre dauw ontrukt aan loof en bloemwaranden,
Ontwaak ik, en geniet het zoet der dageraad;
W.I. Klapper ± 1783, 4:
Des morgens, als de zon reeds lange heeft geblonken,
Dan legt deez' Koning nog gerust op 't dons te ronken
Vermoeit, wyl heel de nacht, zoo dapper braef en sterk
Door hem besteed is in het zwarte Venus werk [...].
Roos I, 43:
Gegeeten, tracht dit volk om op hunn' pligt te passen:
De een geeft my 't bekken om de vingren af te wassen,
Terwyl een ander, met de handdoek voor de borst,
Op zy' staat: ja, myn Vriend! ik leef gelyk een Vorst:
De Slaaf past op myn wenk; myn woorden zyn bevelen.
W.I. Klapper, 14:
Daer zit myn Prins nu, en onthaelt zyn waerde gast,
Terwyl vast een Slavin vyf zes op 't wenken past,
Die uit benauwtheit staen te trillen en te beven,
Vermits zy, zoo zy niet gestadig acht en geven
En letten op hun vorst, wanneer hy spreekt of wenkt,
Dat zy hem geven 't geen hy eischt of wenscht of denkt [...].
Roos 1, 46:
Zo dra het negental is door de klok geslaagen,
Gebied ik om een kaars in 't slaapvertrek te draagen,
Daar my een Venus in de koele hangmat wagt.
W.I. Klapper, 26:
Nu trouwens het word tyd, Mynheer gaet ook afzakken
Naer 't vliegend hangebed; zyn negerin, Princes,
Volgt in zyn kamer hem met glas en borrelfles
En maekt haer vaerdig om haer Heer in slaep te streelen.
De naam Prinses kom ook voor in Roos' testament: zij was zijn maitresse bij wie hij twee kinderen verwekte (Hollanders 1984, 227).
Het plantersbeeld van Roos is terug te vinden in Stedman 1799-1800, II, 280-287 en in Wolbers 1861, 189-192, maar reëler, want daar worden ook de minder fraaie eigenschappen (zoals spilzucht en wreedheid bij het straffen) beschreven. Volgens Stedman zijn achtenswaardige planters in Suriname uitzonderingen. Zijn negatieve beeld heeft internationale bekendheid gekregen.
Het enig bekende satirisch talent in Suriname aan het eind van de 18e eeuw was Hendrik Schouten (1745-1801), maar verder onderzoek is nodig om vast te stellen of hij de auteur zou kunnen zijn van deze satire. Wat de strekking van beide werken betreft, zou de anonieme schrijver ook met Don Experientia geïdentificeerd kunnen worden (Surin. leeven 1771).
233West-Ind. Klapper ± 1783, 3.
234West-Ind. Klapper ± 1783, 4.
235West-Ind. Klapper ± 1783, 15.
236Middelb. avanturier 1760, 190-191.
237De Gesch. van een neger wordt door Buisman 1960, 117-118, gedateerd op ± 1775 en door de Short-title catalogus 1981, 108, op 1770. De Nieuwe vaderlandsche letter-oefeningen bespreken het werk in 1770 (I, 284), vandaar dat ik de datering van de Short-title catalogus volg.
238Gesch. van een neger ± 1770, 85.
239Gesch. van een neger ± 1770, 136-148. De verteller geeft aldus commentaar op het huwelijk: ‘Het quam de Wereld wonderlijk voor dat een man die onder een van de fatzoenlijke lieden kon gerekent worden, zyn Dogter liet trouwen met een Neger, die voor dezen zyn slaaf was geweest; maar de heer N.... redeneerde daar anders by zig zelven over, die wel wetende dat alle menschen een en dezelve oorspronk hebbende, de geboorte of de uiterlijke omstandigheden daar geen verandering in konden brengen; maar dat de goede hoedanigheden die iemand van natuur bezat, hem eer boven zyn evenmensch verheffen.’ (Gesch. van een neger ± 1770, 148).
240De Perponcher 1775, I, 212-236.
241De Perponcher 1775, I, 221.
242De Perponcher 1775, I, 225.
243De Perponcher 1775, I, 230.
244De Perponcher 1775, I, 232.
245Wolff 1778, 45, De passage over slavernij staat in de Eerste brief, p. 43-45. Enigszins paradoxaal kan de in dezelfde rijmbrief opgenomen lofzang op Vlissingen geklonken hebben. Betjes geboorteplaats, die ze later niet meer wenste te bezoeken vanwege de grote betrokkenheid bij de mensenhandel:
O Stad, o aangenaame Stad,
Door fiere Vryheid hoog geschat.
O Stad, daar schrand're Zeevaardy,
Aan myn geliefde Burgery,
In milden welvaart aandeel geeft; (p. 47).
Besefte Betje anno 1775 nog niet dat deze welvaart voor een groot deel uit de slavenhandel afkomstig was? Dat ze later in deze stad niet meer wilde logeren, blijkt uit een brief d.d. aug. 1798 van Betje aan Coosje Busken (Buijnsters 1984a, 288; de brief is als no. 164 opgenomen in Dyserinck 1904, 293); ‘ik heb een natuurlyken afkeer van slavenkoopers’ schreef Betje onder meer. Zie ook de opm. bij Wolff/Deken 1802 (3.3.2.3).
Er zijn geen tekst-interne of -externe redenen om aan te nemen dat de in de rijmbrief verkondigde denkbeelden niet die van de auteur zouden zijn. Buijnsters 1984a, 145, spreekt over ‘berijmde confidenties’: ‘Geen Nederlands dichter uit de achttiende eeuw heeft zo openhartig eigen denken en doen tot onderwerp van poëzie gemaakt als Betje Wolff’, aldus Buijnsters, in het bijzonder doelend op Aan mynen geest en Beemster-Winter-Buitenleven (gedateerd 1775, gepubliceerd 1778).
246Zie aant. 93.
247Germain zegt de slaven ‘geenszins als Lyfeigenen, maar als Dienaars’ behandeld te hebben. Sommige slaven die hij vrijgelaten heeft, noemen hem nog altijd hun meester (Von Nesselrode 1780, 196).
248Jung Stilling 1789-1790, II, 1-86; III, 1-74. De Duitse titel luidt: Die Geschichte Florentins von Fahlendorn. Mannheim 1781-1783. 3 dln.
249Koopman 1768-1776, IV, 126.
250Koopman 1768-1776, IV, 126.
251Koopman 1768-1776, V, 192.
252Koopman 1768-1776, V, 194.
253Koopman 1768-1776, IV, 254-258.
254Raynal 1775-1783, IV, 219-227 (Afd. XXX: ‘Hoe men den staat der slaaven draaglyker zou kunnen maaken’).
255Brieven 1785-1788, VII, 94.
256Brieven 1785-1788, VI, 35.
257Brieven 1785-1788, VI, 38.
258Brieven 1785-1788, VII, 92.
259Brieven 1785-1788, VII, 96.
260Equiano 1790, 254-256. Andere wreedheden waarvan Equiano getuige was, waren verkrachtingen van negerinnen (onder wie soms zeer jonge meisjes) niet zelden gepaard gaande met perversiteiten; wrede straffen en martelingen door ‘Opzieners’ (het kerven met messen in het lichaam van slaven, het bewerken van de huid met brandende zegellak, het opsluiten in een te nauwe kooi); het aanbrengen van zwart metalen halsbanden, kettingen, muilbanden en duimschroeven; het afnemen van kleine bezittingen; het scheiden van familieleden of partners bij verkoop (Equiano 1790, 137-149).
*Zoutwaterneger: neger die niet in de kolonie, maar in Afrika geboren is (en dus de zeereis naar Amerika meegemaakt heeft).
261Barrau 1790, 354.
261aBarrau 1790, 374-375. Barrau zegt van deze vrouwen dat ze behoren tot ‘eene Sexe, die anders, door haare zachtaardige, tedere en vriendelijke lieftaaligheden, onze oprechte liefde, achting en bewondering verdient’. Ik zal de voorbeelden samenvatten: 1o. Zekere mevrouw voer met een tentboot op de rivier en had in haar gevolg een slavin met een langdurig huilend kind. Mevrouw gebiedt de moeder het kind te laten zwijgen, als dat niet lukt rukt de meesteres het uit de armen van de moeder en werpt het in de rivier - waar het verdrinkt. 2o. Een andere vrouw kwam op de plantage een negerin met haar kind tegen die niet snel genoeg of niet ver genoeg aan de kant ging. Zij beklaagt zich bij haar man die in woede de slavin en het kind dood schiet. Als de negervader thuiskomt, begeeft hij zich naar de meester om opheldering te vragen. Als hij niet snel genoeg zijn mond houdt, laat de meester hem door de bastiaan met gewichten aan de tenen aan een paal ophijsen en vervolgens geselen tot de dood erop volgde. Barrau's commentaar luidt: ‘Ziet daar, welke schriklijke gevolgen de laatdunkende trotsheid van één vrouwmensch uitwerkt, daar zij haaren man, bij drie moorden, eene schaade van bijna 2000 guldens veroorzaakt!’
262Barrau 1790, 378-379. Ook Equiano 1790, 169, vermeldt dat vrijgemaakten soms terugkeren in slavernij, maar de reden daarvoor is dat vrijgemaakten nog minder bescherming genieten dan de slaven, en volstrekt vogelvrij zijn.
263Proeve 1790, 51.
264Proeve 1790, 85-87.
265Frossard 1790, II, 95.
266Frossard 1790, II, 213-237 (‘Middelen om de slavernij te verzachten, in de Coloniën, door de vernietiging van den slavenhandel’).

267Vrym. gedachten 1795, 7-8. Verg. Lammens 1823, 24-25.
268Vrym. gedachten 1795, 28.
268aVrym. gedachten 1795, 27. De ex-planter voegt eraan toe dat ieder kan weten dat een knecht die ‘grove spyzen’ eet veel sterker wordt dan een stedeling die zich aan ‘fyne schoteltjes’ te goed doet.
269Vrym. gedachten 1795, 101-102.
270Lammens 1823, 11.
271Kotzebue 1796, 49-54.
272Korte reize 1799, 51-58 (het verhaal van de neger Akreah die onder een slechte meester leeft), 63-64 (het verhaal van negerin Afra die onder een goede meester leeft).
273Korte reize 1799, 61-62.
274Van Geuns/De Vos 1797, 86-90.
275Salzmann 1813, 103-105.
276Salzmann 1813, 130-131. Verg. Hector St. John 1784, 242-244.
277Salzmann 1813, 180-181.
278Salzmann 1813, 181-182.
279Salzmann 1813, 182: ‘Het geen de heer S.[alzmann] hier van de ondeugden der Hollandse planters in Westindië zegt, is, indien al niet, gelijk wij hopen, zeer vergroot; altoos te ruim van alle, en te bepaald alleen van de Hollandsche planters gezegd. Zoo gaat het, wanneer men zich aan boeken of omloopende vertelsels houden moet.’
280Moens 1817, 114.
terug  begin  verder