terug  begin  verder

3.9. De planter Reinhart en de verwachtingen van de lezers

3.9.1. De hypothetische receptie

Door de lezers van E.M. Posts koloniale roman moeten Reinharts aanvankelijke opvattingen omtrent slavernij en vrijheid als ‘verlicht’ ervaren zijn. Reinhart erkent géén gronden van slavernij, hij noemt of bestrijdt ze zelfs niet. Vrijheid beschouwt hij als een onvervreemdbaar, elementair natuurrecht dat voor alle mensen geldt. Slavenhandel en slavernij zijn voor hem zonder meer: mensenroof en vrijheidsberoving. De traditionele christelijke identificatie van de negers met het gevloekte Chamsgeslacht ontbreekt bij hem. Evenals Frossard verwijt hij de christenen in bewogen termen hun collaboratie aan de slavenhandel en slavernij. De dag

[p. 166]

waarop de negerslaven de vrijheid zullen herkrijgen, noemt hij een gezegende dag en aldus presenteert hij zich als een voorstander van abolite, - zij het dat hij die niet op korte termijn verwacht, in tegenstelling tot Frossard, die zegt dat de tijd er rijp voor is.

Omdat vrijheid een natuurrecht is, kan Reinhart het, althans in theorie, billijken dat slaven door middel van opstand of ontvluchting trachten het hun ontstolen recht te hernemen. In de praktijk acht hij een goede tucht onder de negerslaven noodzakelijk om dergelijke pogingen, die hij dan wraakoefeningen noemt, te voorkomen. Zijns inziens is het wreken van het onrecht de slaven aangedaan, aan God voorbehouden. Toch zal de lezer Reinharts uitspraak als riskant ervaren kunnen hebben. Uit literatuur en werkelijkheid was maar al te goed bekend hoe bloedig het slavenverzet kon zijn. Uit de mond van een planter moet een dergelijke stellingname des te opvallender geweest zijn, omdat uit literaire teksten (Roos' gedichten bijvoorbeeld) en uit niet-literaire teksten (land- en volkenkundige en reisbeschrijvingen) bekend was dat planters vrijwel altijd in angst voor opstanden en marronage leefden. Reinhart gaat echter niet zo ver als Raynal en Frossard, of als - in de literatuur - Kakera Akotie (De Denker) en Amelia's vader (Rhapsodiën), door een massale slavenopstand te voorspellen die een eind zal maken aan de blanke koloniale macht.

In de aanvankelijke principiële stellingname inzake slavernij, vrijheid en verzet kan de lezer Reinhart een zekere geavanceerdheid niet ontzegd hebben, moet hij hem verwant geacht hebben met Frossard, uitgezonderd op het punt van de abolitie die voor Reinhart in een veel verder verschiet lag dan voor de Fransman.

Wanneer Reinhart al heel snel een beroep op de Voorzienigheid doet om het bestaan van slavernij te rechtvaardigen, zal hij in de ogen van sommige lezers ver achtergebleven zijn bij de verlicht-christelijke opvattingen van Frossard. Volgens Frossard is immers een spoedige abolitie het oogmerk van de Providentia. Reinhart stelt zich in dit opzicht eerder op als Barrau, een overtuigd verdediger van slavenhandel en slavernij. Gezien echter zijn totale levensbeschouwing waarin de Voorzienigheid een centrale rol speelt, geloof ik dat Reinhart zijn integriteit c.q. zijn reine hart voor de meeste lezers niet verloren zal hebben: zijn geloof in de Voorzienigheid maakt een geïntegreerd deel uit van zijn integriteit.

Reinhart stemt met de behoudende Barrau ook overeen in het vergoelijkend gebruik dat hij maakt van de vergelijking tussen het ‘geheel verzorgd’ slavenbestaan en het kommervolle bestaan van de vrije Europese dagloners en arme boeren. Frossard wijst dit soort tendentieuze vergelijkingen verontwaardigd af.

De lezer zal het beeld van de goede meester vooral uit de literatuur gekend hebben - met als repoussoir dat van de slechte meester. Dit laatste beeld was ook uit andere teksten bekend. Het imago van de slechte meester, zoals Kakera Akotie het schetst (De Denker) of zoals het in de persoon van directeur Slimhoofd uitgebeeld wordt (West-Indische klapper), overheerst in teksten. De slechte meester is wellustig, wreed, hebzuchtig en hypocriet. Montesquieu en anderen verklaren dit als inherent aan het systeem van de slavernij.

Reinhart ontkomt aan deze doem van het systeem. Hoewel hij in zijn vrijgezellentijd soms in verwarring raakt bij het zien van een knappe negerin, geeft hij niet aan de opwellingen van wellust toe. Als hij moet straffen, straft hij nooit wreed; soms ziet hij er op voorspraak van Nannie van af. Ondanks het feit dat het doel van zijn Guianese verblijf geld verdienen is, wordt hij niet zo hebzuchtig dat hij tegenover zijn slaven gierig is; zij krijgen een verzorging die beter is dan die van het gros van zijn medeplanters. Tegen de achtergrond van de dubieuze koloniale praktijken, zal Reinhart lezersverwachtingen doorbroken hebben.

Toch bereikt hij niet het goede-meesterschap zoals Raynal dat propageert en zoals dat in de literatuur vooral verwoord is door de vader van Amelia in de roman Rhapsodiën. Deze goede meester werkt serieus aan de kerstening en het onderricht van de slaven; hij heeft het Evangelie en enkele stichtelijke werkjes in de negertaal doen overzetten. Hij geeft de slaven twee dagen per week vrij: de zaterdag om voor hen zelf te werken, de zondag voor godsdienstoefening en ontspanning. Slaven kunnen na een aantal jaren van toegewijde dienst vrijge-

[p. 167]

maakt worden. Vruchtbare ouderparen kunnen eveneens de vrijheid ‘verdienen’. De slaven nemen deel aan het bestuur en de rechtspraak van de plantagegemeenschap.

Reinhart daarentegen denkt wel aan toekomstige abolitie, op gang te brengen door vooraanstaande Europeanen, maar komt niet op het idee om op bescheiden schaal zelf met vrijmaking te beginnen. Alleen wanneer hij ziek is belooft hij zijn dan nog enige slaaf Violet de vrijheid voor het geval dat hij niet zou genezen. Maar de latere slavenmeester peinst niet meer over manumissie. Bij de dood van een van de negers spreekt hij over de vrijheid die hij hem tijdens zijn leven niet heeft kunnen geven, maar hij verklaart niet waarom. Ook bij Reinharts terugkeer naar het vaderland zou men vrijmaking hebben kunnen verwachten van bijv. zijn meest toegewijde en gekerstende slaven Violet en Narcis, maar hiervan is geen sprake.

Omdat Reinhart zijn slaven ondanks zijn goede-meesterschap de vrijheid niet teruggeeft, zou hij in de ogen van de opponent van Barrau, en dus mogelijk in de ogen van sommige lezers, gediskwalificeerd zijn tot iemand die de negers behandelt zoals een dierenvriend zijn huisdieren. Of als een weliswaar goedaardige rover, maar een rover. Het feit dat Reinhart stelt dat hij de negers niet zèlf geroofd heeft, zou daaraan niets afdoen.331

Vooral als christenmeester zal Reinhart in de ogen van vele lezers tekort geschoten zijn: kerstening en zedekundig onderricht behoren tot de gewenste activiteiten van een goede meester. Dat Reinhart slechts twee van de ruim 40 slaven bekeert, is opvallend in strijd met de verwachtingen. Hij geeft zijn slaven ook geen tweede vrije dag, ze moeten dus hun grondje op zondag bewerken wat impliceert dat er van zondagsheiliging geen sprake kan zijn. Zijn opvatting dat er voor de heidense neger toch een hiernamaals zal zijn, waarin deze (mogelijk in mindere mate dan een christen) zal delen in de goddelijke zaligheid, kan niet als ontlasting van zijn christelijke geweten gezien zijn. Het ziet er naar uit dat Reinhart het merendeel van de slaven als ongeschikt tot kerstening beschouwt. In het licht van het christelijk abolitiestreven zal Reinhart bepaalde lezers in hun verwachtingen teleurgesteld hebben.

Reinhart blijft als goede meester achter bij de slavenmeester die ter sprake komt in de Rhapsodiën, maar dat is dan ook een meester in een roman met een utopistisch karakter. Van de Reinhart wist de lezer uit het voorwoord dat er een directe historische aanleiding aan ten grondslag lag: het verblijf van H.H. Post in Guiana. Misschien is het niet zo toevallig dat Reinharts gedrag als slavenmeester en zijn opvattingen over kerstening behalve met die van Barrau goeddeels overeenkomen met die van schrijvende kolonisten: A. Blom uit Suriname, Aristodemus en Sincerus uit Demerary en Essequibo (en met die van latere schrijvers, zoals de ex-planter uit Demerary en mr. Lammens uit Suriname). De beste meesters stonden aan de Europese wal.

 

De contemporaine lezer heeft de ontwikkelingen van Reinhart als kolonist kunnen ervaren als die van een waarnemer van de slavernij met voor zijn tijd tamelijk geavanceerde ideeën, naar een betrokkene bij slavernij, die er in vergelijking met andere betrokkenen gunstig uitspringt, maar die geen idealen koestert die veel verder reiken dan de slaven fysiek goed te verzorgen. Zijn goede-meesterschap zal zeker als respectabel beschouwd zijn, maar niet als revolutionair.

Voor de meer verlichte en filosofische lezer zal de roman weinig nieuws te bieden hebben gehad; zeker zullen er geen verwachtingen doorbroken zijn. Voor de lezer met kennis van en ervaring met de koloniale praktijken zal de Reinhart de verwachtingen voornamelijk doorbroken hebben op het punt van het gedrag als kolonist, in het bijzonder als slavenmeester: Reinhart was deugdzamer dan de doorsnee kolonist en menslievender dan de doorsnee slavenmeester - zoals die uit literatuur en werkelijkheid in de publieke opinie bekend waren.

3.9.2. De reële receptie

De schaarse reële-receptiegegevens bevestigen het beeld van de hypothetische receptie. De

[p. 168]

recensent van de gematigd-verlichte Vaderlandsche letter-oefeningen vindt Reinharts koloniale gedrag ook voor anderen het overwegen waard:

Zyn omgang met de Negers, of Slaaven; zyn gedrag als Planter; zelfs zyne Minnaryen en Huwelyk [...], draagen alle de kenmerken van eene edele deugd en zuiver gevoel, wel waardig om van veelen overwoogen te worden.332

Het is mijns inziens veelzeggend dat van de twee in de Letter-oefeningen opgenomen fragmenten er één over de Voorzienigheid en één over Reinhart als slavenmeester gaat.333 De afscheidspassage uit het laatste deel wordt geciteerd, waarin Reinhart zijn directeur nogmaals de vaderlijke zorg voor de negers op het hart bindt en waarin vervolgens de negers afscheid nemen van de goede meester en diens kinderen (‘sommigen weenden luid, anderen knielden voor my, en dankten my dat ik een goed meester geweest was’).334

Duidelijke gevallen van produktieve receptie, in de zin van bewerkingen en navolgingen van de Reinhart, zijn mij niet bekend. In bepaalde opzichten doet de roman van Salzmann, Die Geschichte Simon Blaukohls, aan de Reinhart denken. Salzmann zou de roman van Post inderdaad gekend kunnen hebben in de Duitse vertaling. Punten van overeenkomst zijn vooral het religieus geïnspireerde goede-meesterschap, het Voorzienigheidsgeloof en de ‘staatverandering’: ook in het voorspoedige kolonistenbestaan van planter Simon vindt een omslag van het lot plaats; zijn vrouw sterft en hij keert naar zijn vaderland terug. Daarnaast zijn er talrijke verschillen, waarvan een van de opvallendste is dat Simon zijn slaven de mogelijheid biedt hun manumissie te verdienen. Al met al zijn de overeenkomsten niet klemmend genoeg om tot produktieve receptie te besluiten - ook al omdat romans met lotsverandering waarbij de hoofdpersoon moet strijden om tot aanvaarding van de Voorzienigheid te komen, geen zeldzaamheid zijn aan het eind van de 18e eeuw; in de Duitse literatuurgeschiedenis wordt dit sub-genre wel als ‘Prüfungsroman’ aangeduid.335

Het verraste mij voorts te bemerken dat bepaalde elementen uit de Reinhart verwerkt lijken te zijn in Albert Helmans roman De stille plantage (1930).336

Interessant zou het ten slotte zijn de receptie te kennen van de speciale, geïntendeerde lezer van de roman, H.H. Post. In 5.1 zal ik mijn veronderstellingen dienaangaande meedelen.

3.9.3. De functie van de Reinhart als koloniale roman

De functie van de Reinhart als koloniale roman, in het bijzonder als roman over slavernij, is mijns inziens in de eerste plaats het propageren van het goede-meesterschap geweest, d.w.z. van een humaan meesterschap dat in de koloniale werkelijkheid realiseerbaar zou kunnen zijn. De wenselijkheid, of zelfs de noodzaak van abolitie wordt weliswaar ook tot uitdrukking gebracht, maar de verwezenlijking ervan in een nabije toekomst wordt niet verwacht (en zeker niet nagestreefd door de kolonisten). Deze situatie wordt als aanvaardbaar gepresenteerd - ook al omdat ze in overeenstemming wordt geacht te zijn met de beschikkingen Gods. Het haalbare goede-meesterschap houdt in deze roman, zoals reeds gezegd, vooral een goede fysieke verzorging van de slaven in. Een goede geestelijke verzorging, zoals het op grote schaal kerstenen en onderwijs geven, en een voorbereiding op vrijmaking, worden kennelijk gezien als utopistische wensen en althans in deze op H.H. Posts realiteit geïnspireerde roman niet vermeld - laat staan aangeprezen.

De roman staat een ‘fatsoenlijk kolonialisme’ voor: een deugdzaam plantersgedrag, respect voor de (heidense) indianen, waardering voor de natuur en haar voortbrengselen. Reinhart is trots op de produkten die hij verbouwt en schrijft in het bijzonder een ‘lof van de koffie’ (boek 5, br. 28). Een aansporing tot een consumentenstaking voor d.m.v. slavernij verkregen artikelen is van hem niet te verwachten.

De roman bevestigt het kolonialisme, in het bijzonder de slavernij: deze zou in theorie verwerpelijk, maar in de praktijk acceptabel zijn mits de slaven goed behandeld worden. Is deze ‘boodschap’ vanuit een verlicht Westeuropees perspectief bezien wat aan de magere

[p. 169]

kant, vanuit koloniaal perspectief bezien gaat de strekking ervan toch nog heel ver. De Reinhart propageert in feite een haalbaar compromis tussen het theoretiseren van de Oude en het praktizeren van de Nieuwe Wereld. Want dat dit goede-meesterschap in de Nieuwe Wereld zeker niet gewoon was, moge uit het volgende hoofdstuk over H.H. Post in Guiana blijken.

331Reinhart spreekt over ‘het juk hunner slaavernije, dat hun tog niet om mijnen wille werd opgelegd’ (I, 246). In de Vrym. gedachten 1795, 32, door een ex-planter uit Demerary, wordt de verontschuldiging van de plantersten koste van de slavenhandelaars - nog nadrukkelijker geuit: ‘wie zyn de grootste wreedaarts, die, welke de Negers van hunne vaderlyke grond vervoert, of wy [planters], die ze gekogt hebben, hen kleeden, voeden en onderhouden, en hen als menschen behandelen? Hebben de kooplieden van slaaven, de Planters, of de Planters de kooplieden tot slaavenhandelaar gemaakt?’. Booth ± 1792, 8, had dit type verontschuldigingen reeds verontwaardigd van de hand gewezen: zonder helers geen stelers.

332Vad. Letter-oef. 1793, I, 508.
333Resp. Vad. Letter-oef. 1793, I, 508-512, en 1795, I, 135-136.
334Vad. Letter-oef. 1795, I, 136.
335Becker 1964, 43-51 (‘Der empfindsam-didaktischer Prüfungsroman’), 169-172 (over de briefroman als ‘Prüfungsroman’).
336Ook Albert Helman schildert de ondergang van hooggestemde idealen van de eind-17e-eeuwse kolonist Raoul op de plantage ‘Bel Exil’ en geeft daarvoor oorzaken en omstandigheden aan die duidelijke parallellie vertonen met die van Reinharts inkapseling op ‘l'Heureuse Solitude’. Beide planters reizen met het schip ‘De Hoop’; beiden maken een opklimming naar geluk mee, gevolgd door een neergang vanwege kleinere en grotere rampen (waaronder de dood van een van hun naasten). Er zijn overigens nog meer parallellen tussen Helman 1931 en 17e-en 18e-eeuwse teksten: Behns Oroonoko (1688); Kals' Klagte (1733) en de anonieme Geschiedenis van een neger (± 1770); ook op de geschiedenis van de Labadisten op de plantage ‘La Providence’ en van de Hugenoten in de Guiana's moet hij zich geïnspireerd hebben (zie Voorhoeve 1966; Van Dijk 1982 en Paasman 1982).

terug  begin  verder