De Russische revolutie werd gestreden onder de vaan van het marxisme. In de propagandajaren voor de eerste wereldoorlog kwam de bolsjewistische partij als de kampioen van de marxistische ideeën en taktiek naar voren. Hij werkte samen met de radikale stromingen in de socialistische partijen van West-Europa, die zich ook baseerden op de marxistische theorie, terwijl de mensjewistische partij eerder overeenkwam met de reformistische partijen hier. In theoretische strijdvragen kwamen de bolsjewistische auteurs, naast de z.g. Oostenrijkse en Hollandse school van het marxisme, als de verdedigers van de strenge marxistische leer naar voren. In de revolutie konden de bolsjewiki (die nu de naam kommunistische partij hadden aangenomen) winnen, doordat zij de klassenstrijd van de arbeidersmassa's tegen de bourgeoisie tot leidend beginsel voor hun strijd verhieven. Zo golden Lenin en zijn partij, in theorie en praktijk, als de beste en meest succesvolle vertegenwoordigers van het marxisme.
Toen kwam er echter een kontradiktie aan het licht. In Rusland nam een systeem van staatskapitalisme vaste vorm aan, niet door af te wijken van Lenins ideeën (b.v. in zijn ‘Staat en Revolutie’), maar juist door deze te volgen. Boven de arbeidersklasse ontwikkelde zich een nieuwe heersende en uitbuitende klasse. Maar terzelfdertijd werd het marxisme gekultiveerd, en uitgeroepen tot fundament van de Russische staat. In Moskou werd een ‘Marx-Engels Instituut’ gesticht, dat met zorg en toewijding al de bijna verloren en vergeten werken en manuskripten van de meesters verzamelde en in uitstekende uitgaven publiceerde. Terwijl de kommunistische partijen, geleid door de Moskouse Komintern, zich op het marxisme als hun leidend beginsel beriepen, ontmoetten zij meer en meer tegenstand van de meest ontwikkelde arbeiders in West-Europa en Amerika, en het meest konsekwent uit de rijen van het raden-kommunisme. Deze tegenstellingen, die zich in alle belangrijke problemen van het leven en de sociale strijd voordeden, kunnen slechts worden verklaard als wij doordringen in de diepste, d.w.z. de filosofische beginselen van wat in deze verschillende stromingen marxisme wordt genoemd.
Lenin gaf een uiteenzetting van zijn filosofische ideeën in zijn werk ‘Materialism and Empirio-criticism’, dat in 1908 in het Russisch verscheen en in 1927 in Duitse en Engelse vertalingen werd gepubliceerd. Sommige Russische socialistische intellektuelen hadden omstreeks 1904 belangstel-
ling gekregen voor de moderne Westerse natuurfilosofie, in het bijzonder voor de ideeën van Ernst Mach, en trachtten deze te verbinden met het marxisme. Een soort ‘Machisme’, met Bogdanov, Lenins naaste medewerker, en Lunatcharski als woordvoerders ontwikkelde zich tot een invloedrijke stroming in de socialistische partij. Na de eerste revolutie vlamde de strijd weer op, daar hij verband hield met alle taktische en praktische verschillen in de socialistische beweging. Toen trad Lenin vastbesloten op tegen deze afwijkingen, en geholpen door Plechanov, de bekwaamste vertegenwoordiger van de marxistische theorie onder de Russen, slaagde hij er spoedig in de invloed van het Machisme in de socialistische partij te niet te doen.
In de inleiding bij de Duitse en Engelse uitgaven van Lenins boek roemt Deborin - toen de officiële vertolker van het leninisme, maar later uit de gratie geraakt - het belang van de samenwerking van de twee meest vooraanstaande theoretische leiders voor de definitieve overwinning van het ware marxisme op alle anti-marxistische, reformistische stromingen.
‘Lenins boek is niet alleen een belangrijke bijdrage tot de filosofie, maar het is ook een opmerkelijk dokument van een strijd binnen de partij, die van het grootste belang was voor de versterking van de algemene filosofische grondslagen van het marxisme en het leninisme; het heeft in belangrijke mate de daarop volgende groei van het filosofische denken onder de Russische marxisten bepaald... Jammer genoeg liggen de zaken anders buiten de grenzen van de Sovjet-Unie... waar Kantiaanse scholastiek en positivistisch idealisme in volle bloei zijn.’
Omdat het belang van Lenins boek hier zozeer wordt onderstreept, is het noodzakelijk het aan een ernstige kritische studie te onderwerpen. De leer van het partij-kommunisme van de Derde Internationale kan niet goed worden beoordeeld tenzij zijn filosofische grondslag zorgvuldig wordt bestudeerd.
Marx' studies over de maatschappij, die nu een eeuw lang de arbeidersbeweging in toenemende mate hebben gevormd, kregen hun vorm van de Duitse filosofie. Zij kunnen niet worden begrepen zonder een studie van de geestelijke en politieke ontwikkelingen van de Europese wereld. Zo staat het ook met andere maatschappelijke en filosofische stromingen en met andere scholen van het materialisme die zich naast het marxisme hebben ontwikkeld. Dit geldt ook voor de theorieën die aan de Russische revolutie ten grondslag liggen. Alleen door de maatschappelijke oorsprong
en de filosofische inhoud van deze verschillende systemen te vergelijken kunnen wij tot een goed gefundeerd oordeel komen.