terug  begin  verderprepost

Dietzgen

Toen het burgerlijk materialisme in West-Europa als begeleider van de strijd voor emancipatie van de bourgeoisie opkwam was het een praktische noodzaak; maar het was als theorie een stap terug vergeleken met het historisch materialisme. Marx en Engels waren hun tijd zo ver vooruit dat zij het alleen als een terugval tot de verouderde ideeën van de 18de eeuwse ‘verlichting’ beschouwden. Omdat zij zo duidelijk de zwakte van de politieke strijd van de bourgeoisie in Duitsland zagen, maar daarbij ook de kracht van het kapitalisme onderschatten, besteedden zij weinig aandacht aan de bijbehorende theorie. Alleen incidenteel wijdden zij er een paar minachtende woorden aan, om iedere eventuele gelijkstelling van de twee soorten materialisme uit te sluiten. Hun hele leven lang was hun aandacht

[p. 31]

gekoncentreerd op de tegenstelling tussen hun theorie en die van de idealistische systemen van de Duitse filosofie, speciaal dat van Hegel. Het burgerlijk materialisme was echter iets meer dan alleen een herhaling van de 18de eeuwse ideeën; de geweldige vooruitgang van de natuurwetenschappen in de 19de eeuw was zijn basis, en daaraan ontleende het zijn kracht. Een kritiek op zijn grondslagen moest heel andere problemen aanvatten dan die van de na-Hegelse filosofie. Nodig was een kritisch onderzoek van de grondslagen en axioma's die algemeen werden aanvaard als het resultaat van de natuurwetenschappen, en die ook Marx en Engels ten dele accepteerden.

 

Hier ligt het belang van de geschriften van Joseph Dietzgen. Dietzgen was een ‘self-made’ filosoof van het socialisme en schrijver. Oorspronkelijk was hij leerlooier, afkomstig uit het Rijnland; later ging hij naar Amerika en nam daar ook deel aan de arbeidersbeweging. In de maatschappijleer en ekonomie beschouwde hij zich als een leerling van Marx, wiens theorie over de waarde en het kapitaal hij geheel aanvaardde. In de filosofie was hij echter een onafhankelijk en origineel denker, die de filosofische konsekwenties van de nieuwe wereldbeschouwing uitwerkte. Marx en Engels gaven hem de erenaam ‘De wijsgeer van het proletariaat’, ofschoon zij het niet met alles wat hij schreef eens waren. Zij hekelden zijn herhalingen, vonden hem vaak verward, en het valt te betwijfelen of zij zijn redeneringen wel werkelijk begrepen, omdat ze zo ver aflagen van hun eigen manier van denken. Het is inderdaad waar dat Marx zijn nieuwe inzichten in nauwkeurige formuleringen kleedt en scherpe redeneringen geeft, terwijl Dietzgen er zich voornamelijk op toelegt zijn lezers te stimuleren zelf na te denken over het probleem van het denken. Daartoe herhaalt hij zijn redeneringen in velerlei vorm, toont ook het tegendeel van wat hij eerder stelde, en geeft bij iedere waarheid de grenzen van geldigheid aan, uit vrees dat de lezer een uitspraak als dogma zou gaan aanvaarden. Zo geeft hij dus praktijklessen in dialektiek. In zijn latere publikaties is hij soms wat vaag, maar zijn eerste werk: ‘Het wezen van de menselijke hoofdarbeid’ (1869) en het latere ‘Zwerftochten van een socialist in het land van de kennisleer’ (1877) en een paar kleinere artikelen zijn briljante bijdragen tot de kennistheorie. Zij vormen een wezenlijk bestanddeel van de wereldbeschouwing die wij marxisme noemen.

 

De eerste vraag van de kennistheorie, n.l. naar het ontstaan van de gedachten, heeft Marx beantwoord door aan te tonen dat zij door de omrin-

[p. 32]

gende wereld ontstaan. De tweede, verwante, vraag, n.l. hoe de indrukken van de omringende wereld tot gedachten worden, heeft Dietzgen beantwoord. Marx stelde vast welke realiteiten de gedachten bepalen; Dietzgen legde het verband tussen de realiteit en de gedachten. Of, in de woorden van Herman Gorter: Marx maakte de werking van de maatschappij op de geest duidelijk, Dietzgen de werking van de geest op zichzelf.

 

Dietzgen ging uit van de ervaring van het dagelijks leven, en in het bijzonder van de praktijk van de natuurwetenschappen. ‘Systematisering is het wezen van de wetenschap, de algemene uitdrukking voor alles wat de wetenschap doet. De wetenschap wil niets anders doen dan voor ons begrip de objekten van de wereld ordenen en in systemen onderbrengen’. Het menselijke denken kiest uit een groep verschijnselen dat wat ze gemeenschappelijk hebben (b.v. van een roos, een kers, een zonsondergang hun kleur) ziet af van hun bijzonderheden, en legt hun algemene eigenschap (rood) vast in een begrip; of hij drukt zich herhalende verschijnselen in een wet uit (b.v. stenen vallen naar de aarde). Het objekt is konkreet, het begrip abstrakt.

‘Door ons denken bezitten wij in potentie de wereld in tweevoud: buiten ons als de werkelijkheid, binnen ons, in gedachten, ideeën, als afbeelding. Ons brein vat niet de dingen zelf, maar alleen hun begrip, hun algemeen beeld. Voor de eindeloze verscheidenheid der dingen, de oneindige rijkdom van hun eigenschappen is geen plaats in ons hoofd’. Inderdaad hebben wij, om in het dagelijks leven gebeurtenissen te kunnen voorspellen, niet alle speciale gevallen nodig, maar alleen de algemene regels. De tegenstelling: geest en stof, gedachte en werkelijkheid, geestelijk en stoffelijk, is dus ook de tegenstelling tussen abstrakt en konkreet, tussen het algemene en het bijzondere.

Dit is echter niet een absolute tegenstelling. De hele wereld is onderwerp van onze gedachten, de geestelijke zo goed als de zichbare, tastbare wereld. De dingen des geestes bestaan evenzeer, en zijn ook zelf aanleiding tot begripsvorming. De geestelijke en stoffelijke verschijnselen samen, geest en stof vormen de gehele reële wereld. In dit samenhangend geheel bepaalt de stof de geest en de geest bepaalt, door het menselijk ingrijpen, de stof. Dat wij van een eenheid spreken betekent dat ieder onderdeel slechts als deel van het geheel kan bestaan, en ten volle door de werking van het geheel wordt bepaald; zijn speciale eigenschappen bestaan uit zijn betrekkingen tot de rest van de wereld. Zo is dus ook de geest, d.w.z. de gehele gedachtenwereld, een deel van het universum, en zijn eigen aard

[p. 33]

bestaat uit het geheel van zijn betrekkingen tot de totaliteit; deze totaliteit, die het objekt is van het denken, stellen wij dan tegenover de geest als de stoffelijke, uitwendige of reële wereld. Als wij dus zeggen dat de stoffelijke wereld primair is en de geest afgeleid, dan betekent dat voor Dietzgen dat de totaliteit primair is ten opzichte van het deel. Hier is dus sprake van een werkelijk monisme, waarin het geestelijke en het stoffelijke elkaar wederzijds bepalen en één wereld vormen.

 

Dit onderscheid tussen de reële wereld der verschijnselen en de geestelijke wereld der door ons denken gevormde begrippen is bijzonder geschikt om de wetenschappelijke begripsvorming duidelijk te maken. De natuurkunde heeft ontdekt dat de verschijnselen van het licht kunnen worden verklaard als snelle trillingen, die zich [met een snelheid van 300.000 km/sec.] door de ruimte voortplanten, of, zoals de natuurkundigen zeggen, door de alom aanwezige wereld-ether. Dietzgen citeert een natuurkundige die beweert dat deze golven de ware aard van het licht zijn, en dat alles wat wij als licht en kleur waarnemen slechts een verschijningsvorm is.

‘Het bijgeloof van de filosofische spekulatie’, betoogt Dietzgen, ‘doet hem hier de wetenschappelijke induktieve methode verloochenen, als hij golven die zich met een snelheid van 40.000 (Duitse) mijl per sekonde door de ether voortplanten als de ware aard van het licht poneert tegenover de echte verschijnselen van kleur en licht. Het is heel duidelijk een verdraaiing: wat de ogen lichamelijk waarnemen wordt “geestesprodukt” genoemd, en de ethertrillingen die door het vernuft van de scherpste denkers zijn ontdekt, gelden als lijfelijke realiteit. Het is precies omgekeerd’, vervolgt Dietzgen, ‘de kleurige wereld der verschijnselen is de werkelijke wereld, terwijl de ethergolven slechts het beeld zijn dat de menselijk geest uit deze verschijnselen heeft gekonstrueerd.’

Het is duidelijk dat het bij deze tegenstelling gaat om verschillende interpretaties van de woorden waarheid en werkelijkheid. De enige maatstaf waaraan wij kunnen nagaan of wij juist denken is het experiment, de praktijk, de ervaring. De meest direkte ervaring is de ervaring zelf; de waargenomen wereld der verschijnselen is de zekerste, de meest onaanvechtbare werkelijkheid. Wij kennen uiteraard verschijnselen die slechts schijn zijn. Dat betekent dat de informaties van de verschillende zintuigen niet overeenstemmen en op een andere manier aan elkaar moeten worden gepast om een harmonisch wereldbeeld te krijgen. Als wij b.v. aannemen

[p. 34]

dat het beeld dat wij ‘achter’ de spiegel zien en dat wij niet kunnen betasten, ‘werkelijk’ is, dan zou een zo verward wereldbeeld in de praktijk tot fouten leiden. Het idee dat de hele wereld der verschijnselen slechts schijn is heeft alleen zin als wij een andere bron van kennis aannemen - b.v. een innerlijke stem Gods -, die wij dan met de andere ervaringen in harmonie moeten brengen.

Als wij nu bij de natuurkundige dezelfde maatstaf aanleggen, dan zien wij dat zijn denkwijze ook juist is. Door zijn trillende ether heeft hij niet alleen bekende verschijnselen verklaard, maar ook een aantal onvermoede nieuwe verschijnselen korrekt voorspeld. Dus is zijn theorie een juiste, ware theorie. Hij is waar, omdat hij in een korte formule alles samenvat wat deze ervaringen gemeen hebben, en zich daaruit ook gemakkelijk hun eindeloze verscheidenheid laat afleiden. Daarom moeten de ethergolven als een waar beeld van de werkelijkheid worden beschouwd. De ether zelf valt uiteraard buiten de waarneming; alleen lichtverschijnselen worden waargenomen.

Hoe kunnen de natuurkundigen dan over de ether en zijn trillingen spreken als over realiteiten? In eerste instantie als een model, ingegeven door analogie. Uit de ervaring kennen wij golven in water en in de lucht. Als wij nu zulke golven ook in een andere, fijnere stof aannemen, die de wereldruimte vult, dan kunnen wij daarop een aantal bekende golfverschijnselen overdragen, en wij zien dat zij worden bevestigd. Zodoende zien wij de wereld der werkelijkheid groeien. Met ons geestesoog zien wij nieuwe stoffen, nieuwe bewegende deeltjes, onzichtbaar omdat zij buiten het vermogen van onze beste mikroskopen vallen, maar die wij naar het model van onze zichtbare grovere materiedeeltjes kunnen begrijpen.

 

De natuurkundigen raakten echter in moeilijkheden met de ether als nieuwe onzichtbare werkelijkheid. De analogie was niet volkomen, men moest aan de wereldether allerlei eigenschappen toekennen die totaal verschilden van die van water en lucht. Ofschoon het een stof heette, verschilde het zo volkomen van alle bekende stoffen, dat een Engelse natuurkundige hem eens met pek heeft vergeleken. Toen men ontdekte dat lichtgolven elektromagnetische trillingen waren, moest men aannemen dat de ether ook elektrische en magnetische golven overbracht. Daartoe moest men zich een ingewikkelde struktuur voorstellen met bedenksels die konden bewegen, spanning uitoefenen en ronddraaien; dit kon wel als ruw model gelden, maar niemand zou dat de ware werkelijkheid van deze allerfijnste vloeistof noemen, die ook de ruimte tussen de atomen vulde.

[p. 35]

De zaak werd lastiger toen in het begin van de 20ste eeuw de relativiteitstheorie werd ontwikkeld, die het bestaan van de ether geheel verwierp. De natuurkundigen wenden er toen aan, om met een ledige ruimte te werken, waaraan echter eigenschappen werden toegekend, die zich in wiskundige formules en vergelijkingen lieten uitdrukken. Met de formules konden de verschijnselen korrekt worden berekend; het enige wat overbleef waren de wiskundige symbolen. De modellen en voorstellingen waren onbelangrijk, en de waarheid van een theorie betekent niets anders dan dat zijn formules juist zijn.

Nog erger werd het toen er verschijnselen werden ontdekt waarbij het licht alleen kon worden beschreven als een stroom van z.g. kwanten, afzonderlijke deeltjes die door de ruimte ijlen. Tegelijkertijd hield ook de trillingstheorie stand, zodat men, als naar gelang de behoefte, de ene of de andere theorie moest toepassen. Zo waren dus twee volkomen tegenstrijdige theorieën beide waar, ieder voor een bepaalde groep verschijnselen. Toen pas begonnen de natuurkundigen te vermoeden dat hun natuurkundige grootheden, die ze eerst als de werkelijkheid achter de verschijnselen hadden opgevat, slechts beelden en abstrakte ideeën waren, modellen waardoor de verschijnselen gemakkelijker te begrijpen waren. Toen Dietzgen een halve eeuw eerder zijn ideeën neerschreef, die eenvoudig uit het historisch materialisme volgden, was er geen natuurkundige die niet vast in de werkelijkheid van de wereldether geloofde. De stem van een socialistische ambachtsman drong niet tot de kollegezalen door. Tegenwoordig zijn het juist de natuurkundigen die stellen dat zij slechts met modellen en beelden werken; zij diskussiëren voortdurend over de filosofische grondslagen van hun wetenschap en zij leggen er de nadruk op dat de wetenschap er slechts naar streeft door betrekkingen en formules nieuwe verschijnselen uit eerdere te voorspellen.

 

In het woord ‘verschijnselen’ ligt een tegenstelling met [‘het wezen’] de realiteit, besloten. Als wij spreken van ‘verschijnsel’, dan moet er iets anders zijn dat ‘schijnt’. Helemaal niet, zegt Dietzgen, verschijnselen treden op (of verschijnen), dat is alles. Bij dit woordenspel moeten wij natuurlijk niet denken aan wat mij of een andere waarnemer verschijnt. Alles wat gebeurt, of de mens het ziet of niet, is een verschijnsel, en al deze gebeurtenissen samen vormen het geheel van de wereld, de reële wereld der verschijnselen.

‘De zintuigelijke waarneming toont ons een eindeloze transformatie
[p. 36]
van de stof... De zintuigelijke wereld, het heelal, is op ieder punt en op iedere tijd iets nieuws dat tevoren niet bestond. Het ontstaat en vergaat, vergaat en onstaat onder onze handen. Niets blijft gelijk, en het enige bestendige is de verandering, maar zelfs de verandering varieert... Zeker, de (burgerlijke) materialist beweert dat de stof onveranderlijk, eeuwig en onvernietigbaar is... Waar vinden wij zulke eeuwige, onveranderlijke vormloze stof? In de werkelijke wereld der verschijnselen vinden wij alleen gevormde, vergankelijke materie. Bestendige en onvergankelijke materie bestaat in de praktijk, in de werkelijkheid, slechts als de som van zijn vergankelijke verschijnselen’. (2)

Kortom, materie is een abstraktie.

De filosofen spraken over het wezen der dingen, maar de natuurkundigen hadden het over de materie, de permanente achtergrond van de veranderlijke verschijnselen. De materie, zeggen zij, is de werkelijkheid, de wereld is het geheel van de materie. Deze materie bestaat uit atomen, die uiteindelijk de onveranderlijke bouwstenen van het heelal zijn, en door hun wisselende verbindingen de indruk wekken van eindeloze verandering.

Uitgaande van het model van de ons omringende harde voorwerpen, breidden zij de zichtbare wereld van stenen, gruis en stof uit en namen aan dat deze nog kleinere deeltjes de bouwstenen waren van de hele wereld, van het vloeibare water en van de vormloze lucht. Dat de atoomtheorie waar is, is een eeuw lang door de ervaring bevestigd, met een eindeloos aantal goede verklaringen en geslaagde voorspellingen. Atomen zijn uiteraard zelf geen waargenomen verschijnselen: hun bestaan is door ons denken afgeleid. Als zodanig zijn zij van dezelfde aard als alle denkmaaksels: scherp begrensd, duidelijk ((naar soort)) verscheiden, ((binnen de soort)) precies gelijk; het zijn alle abstrakte eigenschappen. Als abstrakties drukken zij het algemene en gemeenschappelijke in de verschijnselen uit, zoals dat voor voorspellingen nodig is.

 

Voor de natuurkundigen waren de atomen geen abstrakties, maar echte onzichtbare deeltjes, scherp begrensd, precies gelijk voor ieder chemisch element, en met precies omschreven eigenschappen en massa. Maar de moderne wetenschap heeft ook deze illusie verstoord. In de eerste plaats zijn atomen ontleed in nog kleinere delen, elektronen, protonen en neutronen; deze vormen ingewikkelde systemen, waarvan sommige met geen enkel experiment te benaderen zijn, en eigenlijk alleen door logisch redeneren zijn afgeleid. En verder mag men deze kleinste onderdelen van de we-

[p. 37]

reld niet beschouwen als scherp begrensde lichamen die zich op een bepaalde plaats in de ruimte bevinden. Volgens de moderne natuurkunde hebben zij het karakter van een golfbeweging, die zich tot in het oneindige in de ruimte uitstrekt. Als men de natuurkundigen vraagt wat er in zulke golven beweegt, dan wijst hij ten antwoord naar een wiskundige vergelijking. De golven zijn uiteraard geen materiële golven; datgene wat beweegt kan men niet eens een substantie noemen, maar wordt het best weergegeven door het begrip waarschijnlijkheid; elektronen zijn waarschijnlijkheidsgolven.

Vroeger had een materiedeeltje met zijn onveranderlijk gewicht een precies bepaalde grootheid, zijn massa. Tegenwoordig verandert de massa met de bewegingstoestand en kan niet scherp van de energie worden onderscheiden; energie en massa gaan in elkaar over. Vroeger waren deze begrippen scherp gescheiden en de wereld van de natuurkunde was een duidelijke systeem zonder tegenstrijdigheden, dat men vol trots de werkelijke wereld noemde. Als de natuurkundige echter tegenwoordig de fundamentele begrippen materie, massa en energie als vaste, goed onderscheiden grootheden opvat, belandt hij in een menigte onoplosbare tegenstrijdigheden. Deze tegenstrijdigheden verdwijnen echter als we ze eenvoudig beschouwen als wat zij zijn: abstrakties die dienen om de zich steeds uitbreidende wereld van verschijnselen weer te geven.

 

Hetzelfde geldt voor de krachten en de natuurwetten. Dietzgens uiteenzettingen zijn hier niet adequaat en enigszins verward, waarschijnlijk doordat toendertijd de Duitse natuurkundigen het woord ‘Kraft’ ongenuanceerd zowel voor kracht als voor energie gebruikten. Een eenvoudig geval uit de praktijk, n.l. de zwaartekracht, kan dit verduidelijken. De zwaartekracht is volgens de natuurkundigen de oorzaak van het vallen. Oorzaak is hier niet iets dat aan de uitwerking voorafgaat en er van verschilt; oorzaak en gevolg treden tegelijk op en zij zijn hetzelfde, in verschillende woorden uitgedrukt. Zwaartekracht is een naam die niet meer inhoudt dan het verschijnsel zelf; het woord duidt het algemene, gemeenschappelijke karakter aan van alle verschijnselen van vallende lichamen. Van meer belang dan de naam is de wetmatigheid: alle vrij bewegende lichamen op aarde ondervinden een eenparige neerwaartse versnelling. Als wij deze wet in een wiskundige formule uitdrukken, kunnen wij de bewegingen van alle vallende of opgeworpen lichamen berekenen. Het is niet nodig dat wij alle verschijnselen onthouden; om te weten hoe een val in de toekomst zal verlopen is het voldoende de formule te onthouden. De wet

[p. 38]

is de abstrakte idee die ons verstand uit de verschijnselen heeft opgemaakt. Als wet is het een precieze uitspraak, die geacht wordt absoluut en algemeen te gelden. De verschijnselen zijn echter veelsoortig en vertonen altijd afwijkingen, die wij aan andere, bijkomstige, oorzaken toeschrijven. Newton heeft de wet van de zwaartekracht uitgebreid tot de beweging van de hemellichamen. Hij ‘verklaarde’ de baan van de maan door aan te tonen dat hij door dezelfde kracht werd aangetrokken die stenen naar de aarde doet vallen; en daarmee was iets onbekends tot iets bekends teruggebracht. Zijn wet van de algemene zwaartekracht wordt in een wiskundige formule uitgedrukt, die sterrenkundigen in staat stelt de bewegingen der hemellichamen te berekenen en te voorspellen; de uitkomst van talloze voorspellingen bewijst de waarheid van de wet.

 

De geleerden gingen nu de zwaartekracht de ‘oorzaak’ noemen van al deze bewegingen. Zij zagen als het ware iets reëels in de ruimte zweven, een soort geheimzinnig spook, een geest, ‘kracht’ geheten, die de planeten in hun banen bestuurde. De wet was een gebod dat op de een of andere wijze in de natuur aanwezig was en waaraan de lichamen moesten gehoorzamen. In werkelijkheid bestaat er niets dergelijks; ‘oorzaak’ is een korte samenvatting der verschijnselen, ‘gevolg’ hun veelsoortige verscheidenheid. De formule die de versnelling van ieder deel aan zijn afstanden tot alle andere relateert, geeft in het kort precies dezelfde loop der dingen aan als een uitvoerige beschrijving van de werkelijke bewegingen. De zwaartekracht, als iets afzonderlijks dat de lichamen trekt en bestuurt bestaat niet in de natuur, maar alleen in ons hoofd. Hij bestaat niet als een geheimzinnig gebod dat overal in de ruimte aanwezig is, evenmin als de wet van Snellius over de straalbreking een gebod aan de lichtstralen is over hoe zij moeten gaan. De gang van de lichtstralen volgt wiskundig direkt uit het verschil in snelheid in verschillende stoffen. De lichtweg kan, evengoed als door het gebod van een wet, worden weergegeven door het principe, dat het licht de kortste weg naar zijn doel kiest, als ware het een intelligent wezen. Analoog beschrijft de moderne wetenschap in de relativiteitstheorie de bewegingen in de ruimte niet met behulp van de zwaartekracht, maar door de voorwaarde dat zij de kortste weg, (de ‘geodetische lijn’) volgen in de gekromde vier-dimensionale tijd-ruimte. En weer gingen de natuurkundigen deze gekromde ruimte als de realiteit achter de verschijnselen beschouwen. En weer moeten wij vaststellen dat deze, evenals Newtons zwaartekracht, slechts een verstandelijke abstraktie is, een stel formules, beter, want waarheidsgetrouwer, dan de oude, omdat zij

[p. 39]

ook verschijnselen weergeven die de vroegere wet niet kon verklaren.

Dat wat men de causaliteit in de natuur noemt, n.l. dat er natuurwetten heersen, komt er eenvoudig op neer dat de regelmatigheden die wij in de verschijnselen waarnemen, kunnen worden uitgedrukt in regels die strikt gelden. Men spreekt zelfs wel van de ‘causaliteitswet’, d.w.z. in de natuur geldt de wet dat er wetten gelden!

Als er beperkingen, uitzonderingen, voorwaarden zijn, dan worden die nadrukkelijk aangegeven, en wij proberen ze in de wet op te nemen door hem te modificeren; hieruit volgt dat wij die wet algemeen geldig willen maken. Wij vertrouwen er op dat hij ook in de toekomst blijft gelden, en als hij, zoals vaak, niet of niet precies uitkomt, dan verdiskonteren wij dat in bijkomende ‘oorzaken’.

Wij spreken vaak over de onverbiddelijke loop der gebeurtenissen, of over de noodzakelijkheid in de natuur. Wij spreken ook van ‘determinisme’, alsof iemand deze loop van te voren had bepaald en vastgelegd. Al deze menselijke benamingen, waarin een soort dwang ligt opgesloten, worden gebruikt om de tegenstelling met de willekeur en vrije keuze van het menselijk handelen uit te drukken. Zij zijn een bron van verwarring, en kunnen de aard van de natuur niet precies weergeven. Wij zeggen liever dat de gehele natuur op dit moment afhangt van wat er een ogenblik tevoren was. Of misschien nog beter: dat de hele natuur en zijn geschiedenis een eenheid vormen, die zichzelf gelijk blijft in al zijn veranderingen. Alle onderdelen zijn met elkaar verbonden als delen van één geheel, en de natuurwetten zijn de menselijk onvolmaakte uitdrukking van deze relaties. Men kan ze maar zeer gedeeltelijk noodwendig noemen; een absoluut ‘moeten’ kan men alleen voor de natuur als geheel vaststellen. De verschijnselen worden misschien onvolledig door onze wetten weergegeven, maar wij zijn er van overtuigd dat de wijze waarop zij plaatsvinden uiteindelijk tot een eenvoudige beschrijving kan worden herleid, en dat zij niet anders zouden kunnen zijn dan zij zijn.

 

De betekenis van het marxisme wordt vaak zo uitgedrukt, dat het voor het eerst de natuurwetenschap van de maatschappij formuleert.

Daaruit volgt dat de maatschappij, evenals de natuur, door natuurwetten wordt bepaald. De maatschappij ontwikkelt zich niet willekeurig of toevallig, maar volgens een alles omvattende noodwendigheid. En aangezien de maatschappij een menselijk handelen is, zijn ook menselijk handelen, keuze en wil niet willekeurig, toevallig, maar door maatschappelijke oorzaken bepaald. Het zal nu wel duidelijk zijn wat dit betekent. De totaliteit

[p. 40]

van de wereld, bestaande uit de natuur en de maatschappij, zijn één eenheid, op ieder ogenblik bepaald door zijn vroegere toestand, en ieder deel is ten volle bepaald door de inwerking van de rest. Het blijft altijd precies dezelfde wereld, waarin de lotgevallen van een onderdeel, ook van een deel van de mensheid, geheel afhangen van de omringende wereld, natuur en maatschappij samen. Ook hier proberen wij regelmatigheden, regels en wetten te vinden, en wij bedenken namen en begrippen, maar wij kennen daaraan zelden een zelfstandige realiteit toe. Terwijl de natuurkundige gemakkelijk in de zwaartekracht gelooft als iets dat in de ruimte rond de zon en de planeten drijft, is het moeilijker om te geloven dat ‘vooruitgang’ of ‘vrijheid’ om ons heen zweven en over de samenleving drijven als echte wezens die de mens als noodlot beheersen en besturen. Ook dit zijn abstrakties die het verstand uit partiële relaties en afhankelijkheden heeft gevormd. Met hun ‘noodzakelijkheid’ staat het net zoals met alle noodzakelijkheid in de natuur. Zijn grondslag is de noodzaak dat de mens moet eten om te leven. In dit algemeen bekende gezegde wordt de fundamentele relatie tussen de mens en het heelal uitgedrukt. Doordat de maatschappelijke betrekkingen zo mateloos ingewikkeld zijn, kunnen maatschappelijke ‘wetten’ veel moeilijker worden doorzien, en wij kunnen ze nog niet in de vorm van exacte formules gieten. Nog sterker dan bij de natuur, geldt voor hen dat ze niet de toekomst, maar onze verwachtingen van de toekomst uitdrukken. Het is al een heel ding dat er nu enkele hoofdlijnen in de ontwikkeling zijn ontdekt; vroegere onderzoekers tastten geheel in het duister. Het belang van het marxisme als maatschappijwetenschap ligt niet zozeer in de waarheid van de regels en verwachtingen die het heeft geformuleerd, als wel in zijn methode: de fundamentele overtuiging dat alles in de mensenwereld samenhangt met al het andere. Daarom moeten wij voor ieder maatschappelijk verschijnsel zoeken naar de werkelijke materiële en maatschappelijke factoren waarvan het afhangt.

prepostterug  begin  verder