terug  begin  verderprepost
[p. 18]



illustratie
Souvenir de Gand, houtsnede, 1956

[p. 19]

Aan de voet van het Belfort
(1894-1904)

I

In Bulles bleues1 vertelt Maurice Maeterlinck hoe het er toegaat in de kleuterklas van de Soeurs du Nouveau Bois in Gent, waar hij zijn eerste schooljaren slijt tussen witgekalkte muren en prenten met taferelen uit het Oude en het Nieuwe Testament. Terwijl Soeur Julia - grijsblauw habijt, geselkoord en paternoster aan de ceintuur, de gevleugelde witte kap balancerend op haar hoofd - wijze lessen en strenge vermaningen aan de bijbelse prenten vastknoopt, zit de kleine Maeterlinck zich af te vragen hoe de tekenaar het voor mekaar heeft gekregen om de kleuren binnen de contourlijnen te houden.

Wat Frans Masereel in de katholieke kleuterklas te horen krijgt, verschilt niet of nauwelijks van het onderricht dat Maeterlinck een generatie eerder heeft gekregen en dat voornamelijk bestaat in het leren opdreunen van gebeden en antwoorden uit de catechismus. Een paar jaar later, in de eerste lessen Vaderlandse Geschiedenis op de lagere school, leert Frans dat zijn voorvaderen zich overgaven ‘aan het spel en de dronkenschap’, maar zich onderscheidden ‘door hunne dapperheid, hunne liefde voor den geboortegrond en de herbergzaamheid die zij jegens de vreemden uitoefenden.’ Helaas, vertelt het Gentse schoolboekje2 uit 1893, ‘de oude Belgen hadden niet, gelijk wij, het geluk van den waren God te kennen.’

Bij Frans wordt het ware geloof erin gehamerd met de Catechismus der beginnenden3: ‘Ziet God alles? Ja, ook de gepeinzen van ons hart. - Weet God alles? Ja, ook de toekomende dingen. - Wat doet God in den hemel? Hij loont er de gelukzaligen. - Is God ook in de hel? Ja. - Wat doet God in de hel? Hij straft er de verdoemden.’ Het alziende Oog in de driehoek die de Heilige Drievuldigheid symboliseert, met het opschrift ‘God ziet U’ of ‘God ziet ons. Hier vloekt men niet’, is een prent die in katholiek Vlaanderen overal, tot in de cafés, aan de muur hangt. Dat Oog moet Frans bijzonder intrigeren, want later duikt het in zijn werk herhaaldelijk op - tot twee keer toe zelfs levensgroot op de voorgrond, in Souvenirs de mon pays (‘l'Estaminet’) en de variant daar-

[p. 20]

van in Mijn land: twee houtsneden die de groteske hypocrisie hekelen waarmee, letterlijk onder het Oog van God, alles gebeurt wat in de Tien Geboden op straffe van eeuwige verdoemenis verboden wordt. Masereels werk wemelt trouwens van de verwijzingen naar het wereldbeeld dat hem als kleine jongen is ingeprent: de strijd tussen goed en kwaad als een soort poppenkast met God en de Duivel als hoofdfiguren. In l'Oeuvre sleurt de kolos die uit het atelier van de beeldhouwer is ontsnapt, god aan zijn baard uit de hemel en de duivel uit de hel, om de twee voor zijn plezier hun oude vete te laten uitvechten.

Net zoals Maeterlinck komt Frans in handen van opvoeders met een obsessionele aandacht voor ‘wat zij “la belle vertu” noemden, dat wil zeggen, de volmaakte, onwaarschijnlijke zuiverheid en kuisheid. Er was alleen maar sprake van verleidingen en zonden van het vlees. Als zij er niet over hadden gesproken, hadden wij er nooit aan gedacht’4 Maar omdat hij daarna op de Rijksmiddelbare school, de Ecole moyenne, terechtkomt, blijft hem de beproeving bespaard van de katholieker-dan-de-paus-discipline in het jezuïetencollege St.-Barbara, waar behalve Maeterlinck ook Verhaeren, Van Lerberghe en Georges Rodenbach hun puberteit hebben uitgezweet. Niettemin is het na de jarenlange onderdompeling in dogma's en taboes niet verwonderlijk dat de geest van vrijzinnigheid die zijn stiefvader Louis Lava in huis zal brengen, voor Frans even verwarrend als bevrijdend werkt. In 1922 schrijft hij aan Thea Sternheim dat hij zich ‘als de dag van gisteren’ de religieuze crises herinnert die hij tussen zijn tiende en vijftiende heeft doorgemaakt.5

Louis Lava is in 1865 in Kortrijk geboren als zoon van een Westvlaamse vlasfabrikant die Jean-Jacques Rousseau en Marx las en met een boerendochter trouwde om nieuw bloed in de familie te brengen - ‘pour régénérer le sang’. Zijn officiële eerste voornaam Emile is trouwens een souvenir van zijn vaders bewondering voor Rousseaus Emile, ou de l'éducation. Aangezien hij ook zelf voorstander is van een opvoeding zonder dwang, is dat ongetwijfeld één verklaring waarom zijn oudste stiefzoon allergisch wordt voor elke vorm van discipline waarvoor hij niet zelf heeft gekozen. Lava studeert gynaecologie in Gent, is van 1895 tot 1899 assistent bij de universitaire dienst voor operatieve geneeskunde en leert in die jaren de jonge weduwe Louise Masereel kennen. Na hun huwelijk, op 25 februari 1897, verhuist Louise met de drie kinderen van Zandberg 8, een pleintje vlak bij het stadhuis, naar het pand aan de Visserij waar Lava woont. Omdat

[p. 21]

zijn opvattingen als Franssprekende flamingant en progressieve liberaal een benoeming tot ‘werkleider’ in de weg staan, legt de vrouwenarts zich vanaf 1900 toe op zijn privé-praktijk, die een van de bekendste van de stad wordt. Aan Friderike Zweig vertelt Louise later dat hij er nog rechten bij studeerde om haar te kunnen adviseren in de tot 1906 aanslepende erfeniszaak waarin ze na de dood van haar eerste man, haar schoonbroer en haar stiefzoon verwikkeld was geraakt.6 Lava is allesbehalve een kamergeleerde, maar toch heeft hij een verstrooide-professorkant. Op een avond komt hij thuis, rijdt zijn auto - de eerste T-Ford in Gent - tot voor de garagepoort, loopt om de hoek door de voordeur naar binnen om de poort aan de binnenkant open te maken, vergeet dat prompt en wordt 's ochtends door buren wakker gebeld omdat de auto nog altijd met draaiende motor en alle lichten aan op straat staat.

II

Op 19 juni 1899, een maand voor zijn tiende verjaardag, poseert Frans met broer en zus voor een typische studiofoto uit la belle époque. Het idyllische tableau vivant met het trio in de onvermijdelijke matrozenkraag dateert van een paar weken na de grote demonstratie voor algemeen stemrecht in Gent. Stakingen voor dezelfde eis zijn zes jaar tevoren op bloedige botsingen met het leger uitgelopen, en mogelijk heeft Frans daarover op die 28ste mei verhalen gehoord die hem voor het eerst aan het nadenken hebben gezet. De vraag is, of de knaap van tien de reacties heeft die Masereel zichzelf later toeschrijft: ‘... ik herinner me bijvoorbeeld de oorlog in Transvaal, die op mij een diepe indruk heeft gemaakt. Hoe oud ik toen was? Tien, twaalf jaar, elf misschien? Op dat moment ben ik begonnen tekeningen tegen de oorlog te maken, kindertekeningen natuurlijk, en ik denk dat mijn afkeer van oorlogen uit die tijd dateert.’7

De ‘oorlog in Transvaal’ is de tweede Boerenoorlog, die in oktober 1899 uitbreekt. Hoe sterk de fantasie van de tienjarige door de oorlogsprenten in de illustraties van die dagen geprikkeld wordt, blijkt uit het tekenboekje dat hij in november voltekent met militaire colonnes, kanonnen, pantserschepen. Een aanval op een geblindeerde trein en de slag bij Ladysmith, compleet met een chargerende compagnie en met gevangenen en gewonden die worden afgevoerd. Tekeningen tegen de oorlog? Alles wijst erop

[p. 22]



illustratie
Uit het tekenboekje van de tienjarige Frans Masereel (1899): de slag bij Ladysmith tijdens de Boerenoorlog



illustratie



illustratie
Frans (m.), Robert (l.) en Marie-Louise Masereel in juni 1899; rechts Frans met cello, ca. 1905

[p. 23]

dat Frans vooral wordt geïntrigeerd door de exotische menselijke fauna van het verre Zuid-Afrika. Minutieus tekent hij met zijn kleurpotloden een ‘Transvaal’ en een Brits soldaat na, een ‘anglet’, en over twee bladzijden marcheren zes keurig genummerde regimenten. Misschien heeft Masereel het boekje nooit meer teruggezien en is het de herinnering aan de algemene verontwaardiging over de ongelijke strijd tussen Boeren en Britten die hem doet zeggen dat hij toen zijn eerste tekeningen tegen de oorlog heeft gemaakt. Van afkeer van ‘das Militär’ is hier in ieder geval nog niets te bespeuren. Behalve oorlogstaferelen bevat het kleine cahier ook nog kostelijke tekeningen van alles wat hem verder zoal fascineert: apen, clowns, knipmessen, windmolens, de eerste vélocipèdes. Sommige tekeningen zijn, waarschijnlijk door zijn moeder, gedateerd en van bijschriften voorzien. Drie acrobaten vormen een ‘Souvenir de la soirée artistique au grand théâtre’ (22 november). Er is een tableau met het bijschrift ‘Le prince Albert partant pour les manoeuvres, fait ses adieux à sa tante, la Reine des Belges’ (23 november). En een tafereeltje waarop broer Robert voor zijn zesjarig zusje Marie-Louise de eerste beginselen van de schrijfkunst demonstreert.

De verhuizing naar Gent, de dood van zijn vader, de eerste school, de vreemde man die zijn nieuwe vader wordt, de geboorte van halfzus Lucie (1898) en halfbroer Felix (1900) - voor Frans vormt de periode van 1894 tot 1900 een opeenvolging van ingrijpende veranderingen in zijn kleine wereld. Toch is de behoefte aan geborgenheid niet de enige reden waarom in die jaren de bijzondere band met zijn moeder ontstaat. Aan haar schrijft hij later zijn artistieke begaafdheid toe en vooral dank zij haar leert hij muziek ervaren als een onvergelijkelijke bron van troost en energie.

Hoewel Louise Lava geen conservatoriumopleiding heeft gekregen, dwingt ze als pianiste zelfs de bewondering van professionele musici af. Als ze na concerten thuiskomt, speelt ze hele passages na, en zodra haar kinderen oud genoeg zijn, zorgt ze ervoor dat ze leren zingen en een instrument bespelen. Frans volgt cellolessen aan het Gentse muziekconservatorium, en voor de som van 2,50 fr zal hij zich op 5 oktober 1908 laten inschrijven voor een zangcursus en een parallelle cursus ‘solfège individuel’.8 Voor vrienden en kennissen organiseert zijn moeder elke donderdagavond huisconcerten met een kwartet waarin zij zelf piano en Frans cello speelt, terwijl Felix9 en - met aanzienlijk minder enthousiasme - Robert de vioolpartij voor hun rekening nemen.

[p. 24]

Muziek blijft een van de heilzame invloeden die Masereel aan zijn moeder dankt. Tijdens zijn vierdaagse verblijf in Villeneuve begin 1919 maakt de pianomuziek die Romain Rolland speelt, herinnering na herinnering in hem wakker. ‘Hij vertelt me,’ schrijft Rolland in zijn dagboek10, ‘dat hij met de muziek van Haendel is opgegroeid. Zijn moeder speelde voor hem tot 's avonds laat, lang nadat hij naar boven was gegaan. En het kind bleef rechtop in bed zitten, voorovergebogen, om niets te missen van de klanken van het harmonium of het orgeltje die van de benedenétage opstegen.’

Masereels tien jaar jongere stadsgenoot Leo Remouchamps herinnert zich als kind ‘aan de straatkant van ons huis in de Kortrijkse straat wakker te zijn gemaakt, in volle winter, om vijf uur 's morgens, door de klompen van het werkvolk, zo talrijk opgezogen uit de verarmde buitenstreek, en in snelle marsch optrekkend naar de verre, stoffige en onmeedogende spinnerijen en weverijen waarop Gent haar roem gevestigd heeft.’11 Ook Masereel zal de herinnering aan dat straatbeeld bijblijven. Elke ochtend ziet hij die naamloze massa mensen voorbijtrekken naar de fabriek, waar ze dag in dag uit van zes uur 's ochtends tot zeven uur 's avonds aan de weefgetouwen werken ‘voor een hongerloon van 2,50 fr per dag. Dat revolteerde mij.’12

De man die zijn opstandigheid belichaamt, is Eduard Anseele, boegbeeld van het Gentse socialisme. In 1877 heeft Anseele de Vlaamse Socialistische Partij, in 1885 de Belgische Werkliedenpartij helpen oprichten. Hij maakt in 1889 deel uit van de Belgische delegatie op het stichtingscongres van de Tweede Internationale en is voorzitter van het tweede congres, dat in 1891 in Brussel wordt gehouden. Op de houtsnede ‘Gents Grootheid leidt haar toekomst’ beeldt Masereel hem af als de volkstribuun die, zoals Artevelde in de veertiende eeuw, de Gentenaren tegen onderdrukkers in bescherming neemt en de weg wijst naar een betere toekomst. De houtsnede wordt later opgenomen in Aan de voet van het Belfort, het boek van Achilles Mussche over de ellende die de industriële revolutie in de textielstad Gent veroorzaakt. ‘De Vlaamse hel,’ noemt Mussche de vlasfabrieken:

[p. 25]
Het is er zo laag als in een hol en de spinmolens staan opeengeperst, geen zestig centimeter vaneen; het is er laag en broeiend heet en vochtig van het kokende water, waarin de vlaswieken liggen te stinken en waar onophoudelijk dampen uit walmen, dat men elkaar op een drie meter afstand niet meer ziet. En midden in al die verhitte nattigheid en 't lawaai van de razende machines en de walgelijke stank en de dikke mist, daar lopen waarachtig wezens heen en weer. Zijn dat wel mensen? Het zijn vrouwen en kinders, meest vrouwen en kinders, de vrouwen en kinders van de natte spinnerij. Zij werken daar blootvoets, druipend nat.13

Terwijl hij Mussches boek illustreert, komt Masereel bijna op iedere bladzijde beelden uit zijn jeugd tegen. Naamloze ellende in de blinde stegen die ‘beluiken’ worden genoemd, arbeidersdemonstraties, confrontaties tussen stakers en bereden gendarmerie, Anseele tijdens een van zijn gespierde toespraken: ‘een klein, ineengedrongen man, maar zoals hij letterlijk overeind rijst, wordt hij ineens heel groot en staat hij daar, breedgeschouderd, fors gehouwen, als een blok graniet, uit één stuk.’14 Anseeles pleidooien voor sociale rechtvaardigheid en zijn aanklachten tegen de schaamteloze uitbuiting zijn de jonge Masereel uit het hart gegrepen. Vandaar dat hij meeloopt in de grote demonstraties van die jaren, voor algemeen stemrecht en tegen kinderarbeid - hij vertelt er niet bij of hij, zoals Richard Minne, bij het doorkruisen van een rijke buurt de carmagnole meezong: ‘tous les bourgeois à la lanterne!’ Dat de socialistische sympathieën van de oudste zoon thuis geen wrijvingen veroorzaken, is typerend voor de open sfeer in het liberale gezin Lava. De houtsnedensuite Idée - zijn versie van ‘Die Gedanken sind frei’ - zal Masereel in 1920 opdragen aan de vrijdenker die Lava van huis uit is.

Via tante Fanny, geboren Florence Hélène Maertens, ondergaat Frans nog een invloed die zijn sociale bewustwording in de jaren na 1900 sterk stimuleert. Tante Fanny is een halfzuster van Lava en de vrouw van Julius Mac Leod15, hoogleraar aan de Gentse universiteit. Niet alleen assisteert ze haar man bij zijn wetenschappelijk onderzoek, ze heeft ook ‘verscheidene boeken van Russische anarchisten in het Vlaams vertaald en die heb ik als jonge vent allemaal gelezen.’16 De boeken waarnaar Masereel met enige overdrijving verwijst, zijn twee studies van de Rus Peter Kropotkin, Wederkeerig dienstbetoon. Een factor der evolutie (1904) en Idealen en werkelijkheid in de Russische literatuur (1907), beide ‘met toestemming van den schrijver uit het Engelsch ver-

[p. 26]

taald door Fanny Mac Leod-Maertens’. Misschien leest hij in die jaren ook de eerste, in 1902 verschenen Nederlandse vertaling van Memoirs of a revolutionist, waarin Kropotkin het verhaal doet van zijn optreden op het ‘Socialistisch Wereldcongres’ van 1877 in Gent. De Duitse sociaal-democraten willen van het congres gebruik maken om de Europese arbeidersbeweging opnieuw te centraliseren17, maar dat mislukt door de aanwezigheid van Kropotkin, die België onder een valse naam is binnengekomen. ‘Hoewel we maar met negen anarchisten in Gent vertegenwoordigd waren,’ schrijft Kropotkin, ‘slaagden we er toch in het centralisatieplan te verijdelen.’18 Omdat de politie intussen heeft ontdekt wie meneer Levasjov eigenlijk is, zorgen Gentse socialisten ervoor dat hij onderdak vindt bij een van hun kameraden - die ‘ontving me op uiterst roerende wijze als was ik zijn broeder, hoewel ik toch anarchist was’19 - en 's anderendaags via Antwerpen naar Londen kan ontkomen.

Wederkeerig dienstbetoon maakt op de jonge neef van de vertaalster een diepe indruk. Volgens Kropotkin heeft Darwin met ‘the struggle for life’ iets totaal anders bedoeld dan de wet van de jungle en het recht van de sterkste. Uit een uitvoerig gedocumenteerde vergelijking van de sociale verhoudingen bij een aantal diersoorten, in primitieve samenlevingen, in de middeleeuwse steden en ‘in onze dagen’, concludeert Kropotkin dat ‘de zedelijke vooruitgang der menschheid geleid werd door onderlingen steun - niet door onderlingen strijd’.20 Masereels oom Mac Leod moet de voorpublikaties in The Nineteenth Century gelezen hebben, want in september 1901, nog voor de studie in Londen in boekvorm21 verschijnt, houdt hij op het Vlaams Natuur- en Geneeskundig Congres in Brugge de lezing Strijd voor het bestaan en wederkeerig dienstbetoon, die drie jaar later als inleiding in de Amsterdamse editie wordt opgenomen.

De radicale vrijheids- en solidariteitsopvatting waarmee verlichte liberalen als de Mac Leods en Lava dwepen, wordt in Vlaanderen uitgedragen door het baanbrekende kunsttijdschrift Van Nu en Straks, dat in 1892 door onder anderen August Vermeylen en Henry Van de Velde is opgericht. ‘Onder de vrienden, door wier zorg Van Nu en Straks uitgegeven werd,’ zegt Vermeylen, ‘waren haast allen het anarchistisch ideaal toegedaan... Uitgaande van de beschouwingen van Walter Crane en William Morris droomde Henry Van de Velde van een nieuwe gemeenschapskunst rijzend in het teken van een al-bevrijdend communisme.’22 Weliswaar koesteren progressieve liberalen, socialisten,

[p. 27]

anarchisten en communisten niet bepaald dezelfde toekomstidealen, maar ze hebben wel dezelfde erfvijand: de geprivilegieerde klasse van orthodoxe liberalen en katholieken die haar machtsmonopolie in het parlement systematisch misbruikt om een sociaal systeem in stand te houden waarin de meerderheid van de bevolking geen recht van spreken heeft. Dat Frans Masereel zich al zo jong van dat fundamentele onrecht bewust wordt, heeft niet alleen te maken met de invloed van Anseele en Kropotkin maar ook met wat hij daarover van zijn stiefvader en van zijn oom en tante te horen krijgt. Die invloed zal trouwens zijn hele leven lang door blijven werken. Als hem op zijn tachtigste naar zijn idee van de ideale maatschappij wordt gevraagd, luidt het antwoord: ‘een anarchistisch communisme, een communisme zonder dwang.’23 Individuele vrijheid is en blijft hem even dierbaar als sociale rechtvaardigheid, die in zijn ogen een kwestie is van elementaire menselijkheid en vrijwillige, spontane solidariteit. Aan ideologieën, doctrines en partijprogramma's heeft hij geen boodschap, en over mens en maatschappij leert De Costers Ulenspiegel hem meer dan Marx.



illustratie

1Maurice Maeterlinck, Bulles bleues ou souvenirs heureux; Monaco 1948, p. 11 e.v. Maeterlinck (1862-1949) werd in Gent geboren en was eveneens de zoon van een rentenier.
2J.-B. Emonds, Lessen over Vaderlandsche Geschiedenis voor de leerlingen der lagere scholen en der scholen voor volwassenen; Gent 1893, p. 5-6.
3Catechismus der beginnenden of gemakkelijke vragen en antwoorden van den kleinen Mechelsen Catechismus; Gent 1886.
4Zie 1, p. 83.
5FM aan Thea Sternheim, 20.5.1922 (DLA).
6Friderike Zweig, Spiegelungen des Lebens, p. 69.

7Roger Avermaete, Frans Masereel, p. 17.
8In de rubriek ‘distinctions obtenues’ op het inschrijvingsbewijs van het conservatorium is geen vermelding ingevuld, hoewel Masereel zelf later beweert dat hij een eerste of een tweede prijs heeft behaald. Aan Vorms vertelt hij dat hij als kind zelf melodietjes componeerde waarvoor zijn moeder een eenvoudig arrangement maakte.
9Felix Lava is de enige van de vijf kinderen die musicus is geworden. Hij studeerde viool in Parijs, waar hij af en toe bij Frans logeerde, en was later gedurende een aantal jaren violist in het orkest van de Gentse Opera.
10RJG, p. 1718-1719 (1-5.2.1919).
11Leo Remouchamps, Hulde aan Cyriel Buysse; Gent 1960, p. 14. Remouchamps (1899-1975) was arts en hoogleraar aan de Gentse Universiteit.
12BRT.
13Achilles Mussche, Aan de voet van het Belfort; Antwerpen 1975, p. 182. De eerste druk (1950) werd geïllustreerd door Jozef Cantré.
14Id., p. 216.
15Julius Mac Leod (1857-1919) was een van de bekendste Europese biologen van zijn tijd en tevens voorman van de liberale vleugel van de Vlaamse Beweging. Volgens Masereel was oom Jules de enige in de familie die altijd Nederlands sprak.
16BRT.
17In de nadagen van de Eerste Internationale, waarin Belgische delegaties een grote rol speelden, kwam het herhaaldelijk tot confrontaties tussen socialisten en anarchisten. De anarchisten werden in 1872 uitgesloten en richtten een eigen Internationale op, waarvan het laatste congres in 1879 in Gent plaatsvond.
18Peter Kropotkin, Memoires van een revolutionair; Baarn 1978, p. 316-317 (nieuwe vertaling).
19Id.
20Peter Kropotkin, Wederkeerig dienstbetoon. Een factor der evolutie; Amsterdam 1904, p. 356.
21Mutual Aid: a factor in evolution, Londen 1902. De Nederlandse editie van 1904 was waarschijnlijk de eerste vertaling. De Franse vertaling van 1910 (l'Entr'aide) komt ter sprake in de briefwisseling tussen Romain Rolland en Stefan Zweig (oktober 1918).
22August Vermeylen, Verzameld werk, deel 3, p. 642; Brussel 1951 vlg.
23EF.
prepostterug  begin  verder