terug  begin  verderprepost
[p. 175]

De Kempische toponomie, eenheid in verscheidenheid
door Dr. J. Molemans

0.

Ik kan in deze uiteenzetting niet volledig en daarom wellicht ook niet heel duidelijk zijn. Dit heeft niet alleen te maken met de mij toegemeten tijd, maar ook met het feit dat voor de Kempen - met uitzondering van enkele deelgebieden - nog onvoldoende goed gestructureerd toponomische materiaal voorhanden is, en waar het aanwezig is, blijkt het na proefnemingen niet altijd betrouwbaar, resp. exhaustief te zijn.

Hoewel het vaststaat dat de Kempen naamkundig geen homogeen gebied is, lijkt het thans niet verantwoord op grond van het naamkundige materiaal grenzen of grensbundels te willen situeren. Wel is het mogelijk op een aantal konstante naamgevingsfaktoren en naamtypes te wijzen, die de Kempen, samen met andere zandstreken, van niet-zandstreken onderscheiden.

Vermits de naamgeving in bijzonder sterke mate bepaald werd door de bodemgesteldheid en de daarmee samenhangende socio-ekonomische toestanden, dringt zich een vergelijking op tussen de Kempen en een leemgebied. Ik heb dan ook in enkele gevallen een vergelijking gemaakt tussen de (Limburgse) Kempen en Haspengouw; voor Haspengouw kan evenwel ook een ander leemgebied functioneren.

1.

Wat de Kempische nederzettingsnamen betreft, zou ik op een vijftal konstanten willen ingaan.

1.1.

99% van wat we (Kempische) nederzettingsnamen (gemeente- en gehuchtnamen) noemen, zijn vanuit etymologisch standpunt geen nederzettingsnamen, bijv. namen met als tweede lid -heem, -hoven, -ingen enz. Zulke namen wijzen duidelijk op vestiging of nederzetting. In

[p. 176]

Haspengouw treffen we ze bij de vleet aan, maar in de Kempen komen zulke namen slechts sporadisch voor, bijv. Ellikom, Erpekom, Kuringen, Veldhoven en enkele andere in de Limburgse Kempen. Daarenboven treffen we ze uitsluitend in de overgangsgebieden - richting Haspengouw en Maasland - aan.

Uit deze vaststelling werd en wordt dikwijls een m.i. verkeerde conclusie getrokken, nl. dat de Kempen een jonger ontgonnen en bewoond gebied zou zijn dan Haspengouw, vooral omdat er in de Kempen zo weinig relikten uit de Romeinse en Merovingisch-Karolingische periode aangetroffen worden. Men vergeet dan echter dat de Kempen in de vòòr-Romeinse tijd een belangrijke bewoning heeft gekend. Daarvan getuigen niet enkel talrijke (tot dusver ontdekte) prehistorische grafvelden, maar eveneens kan gewezen worden op talrijke nederzettingsnamen die op formele grond tot de jong-prehistorische periode kunnen gerekend worden. Ik wijs hier enkel op de vele waternamen die nederzettingsnamen zijn geworden (Beek, Glabbeek, Itter e.a.), evenals op de lange reeks namen die in verband staan met begroeiing en bodemgesteldheid (Borkel, Waard/Weerd, Pelt, Sonuwe enz.).

De Kempen ‘in zijn geheel’ is niet jonger ontgonnen en bewoond dan bijv. Haspengouw en het Maasland, wel natuurlijk grote delen van het Kempisch gebied. Typisch voor de Kempen zijn dan ook de ontginningsgolven, zowel op grote als kleine schaal, en dat - voor zover uit de bronnen kan blijken - vanaf de late middeleeuwen tot in deze tijd toe. Maar ook vòòr de late middeleeuwen was de Kempen voor een belangrijk deel ontgonnen en bewoond over een reeks verspreide nederzettíngen.

1.2.

Een tweede Kempisch fenomeen is, dat één nederzetting er vrijwel nooit is samengevallen met één gemeente en parochie, zoals in Haspengouw o.m. wel het geval is. In de Kempen, vooral dan in het centrale deel van de Kempen, tellen één gemeente en parochie meestal een (groot) aantal nederzettingen.

De verhouding gemeente/parochie en het aantal hieronder ressorterende nederzettingen was immers inherent verweven met de produktiviteit van de bodem, gezien in het vroegere landbouwperspektief zonder kunstmatige opdrijving van de rentabiliteit van de bodem. Op rendabele leemgronden blijkt één nederzetting meestal samengevallen te zijn met één parochie en één gemeente. Op vruchtbare gronden had een pastoor voldoende inkomsten (via de tienden) van een nederzetting van ca. 200 ha. Dit was in de Kempen met zijn weinig vruchtbare (heide)gronden

[p. 177]

onmogelijk. Bij de parochiënwording in de Kempen dienden daarom diverse nederzettingen - soms meer dan tien - gefusioneerd te worden om de pastoor a.h.w. een bestaansminimum te garanderen. Gemeenten met slechts één of twee nederzettingen zijn dan ook zeldzaam in de Kempen (bijv. Ellikom, Niel, Reppel, Wijchmaal), en ook weer meestal in overgangszones op de ietwat betere, t.t.z. vochtiger gronden. Een huidige administratieve kaart, zoals die van de provincie Belgisch-Limburg, is misleidend m.b.t. het aantal nederzettingen. Deze kaart toont ons een dicht net voor Haspengouw en een met enkele stippen voorzien Kempisch gebied. Indien we echter een andere kaart zouden tekenen, niet op basis van het aantal gemeenten, maar van het werkelijk aantal nederzettingen, dan zou het Kempisch net vrijwel zo dicht zijn als in Haspengouw.

1.3.

In de Kempische nederzettingsnamenvoorraad dienen we rekening te houden met verscheidene chronologische lagen, gaande van primair (de oudste laag) tot kwartair en zelfs nog verder, indien we de jongste laag - de moderne woonwijken of cités - niet over het hoofd zien.

Dat we met de chronologische lagen moeten rekening houden, heeft te maken met de genoemde ontginningsbewegingen en een geleidelijke toeneming van het aantal nederzettingen in de Kempen, waar we op dit vlak van een dynamische beweging kunnen spreken, in Haspengouw daarentegen van een statische toestand. Nemen we als vertrekbasis de 4de eeuw, dan kunnen we stellen dat het aantal nederzettingen in Haspengouw nagenoeg vast lag en dat de gronden er vrijwel volledig voor landbouwdoeleinden in gebruik waren genomen. In de Kempen daarentegen, in de vorige eeuw nog voor twee derde met gemeentelijke heidegronden bedekt, was potentiële uitbreiding én van het kultuurland én van het aantal nederzettingen steeds mogelijk, tot in deze tijd toe.

Om deze chronologische lagen in de nederzettingsnamenvoorraad te kunnen onderscheiden, kunnen we diverse criteria hanteren: historische (reconstructie van de vroegere bestuurlijke indeling en een onderzoek naar de economische organisatie in heerd- of weidegangen), evenals linguïstische (gebruik van de lokaliserende voorzetsels en van het lidwoord).

1.4.

Een vierde aspect in de nederzettingsnamenvoorraad betreft de afgezonderde of geïsoleerde nederzettingen, waarvan men aanneemt dat de meeste niet ouder zijn dan de 11de of 12de eeuw, alleszins wat de Kempen betreft.

[p. 178]

Afgezonderd gelegen nederzettingen zijn niet exclusief Kempisch. Wel typische Kempisch zijn het vrij grote aantal, evenals een tweetal types die we er koerant aantreffen.

1.Een eerste type vormen de nederzettingsnamen met het bestanddeel hoeve, mnl. hova (Lat. mansus). Hoeve was eigenlijk de naam voor een landmaat van ca. 10 à 20 bunders.
In talrijke gevallen is hoeve de naam geworden van abdijhoeven(Averbode, Floreffe, St.-Truiden e.a.) uit de 11de-12de eeuw. In feite laatmiddeleeuwse ontginningen uit de tijd van de parochiënstichting, met daarop meestal één of twee boerderijen. Talrijke hoeven zijn nu nog bekend, zowel als simplex (bijv. de Hoef te Lommel) als in samenstellingen (Kelchlerhoef te Houthalen).
In vele gevallen heeft zich bij deze primitieve ontginningen in recentere tijd een nederzetting ontwikkeld, zodat deze hoeve-namen ook als gehuchtnamen gingen functioneren, zoals de Hoeven te Overpelt.
Opvallend is tevens, dat de de Hoef of de Hoeve ook als nederzettings-namen kunnen aantreffen, zonder dat enig verband kan aangewezen worden met de ontginningsaktiviteit van een abdij of klooster. Ik denk hier aan de Hoef te Wijchmaal en Opglabbeek. Vermoedelijk is Hoeve in de late middeleeuwen een gangbare naam geweest voor ontginning, zowel door een abdij of klooster als op gemeentelijk en privaat initiatief. Dit laatste verklaart wellicht ook het bijzonder groot aantal perceels-namen de Hoeve of de Hoef in de Kempen.
2.Een tweede reeks namen van afgezonderde nederzettingen zijn afgeleid van persoonsnamen, ofwel - en zulks komt frequenter voor -, samenstellingen van persoonsnamen en elementen zoals hoek (bijv. Dielishoek te Hamont), heide (bijv. Daamsheide te Neerpelt) en einde (bijv. Vliegeneinde te Meeuwen).
De bestanddelen hoek, heide en einde wijzen op een afgezonderde ligging. Het betreft individuele hoven of boerderijen, waarrond zich geleidelijk een nederzetting - vaak maar enkele boerderijen tellend - heeft ontwikkeld.

1.5.

Het is bekend dat vòòr de 11de-12de eeuw vrijwel geen kerkelijke of wereldlijke heren enige belangstelling voor de Kempen hebben opgebracht. Eerst in de 11de-12de eeuw, voornamelijk gestimuleerd door de parochiënstichting, begonnen kloosters en abdijen zich voor dit zandgebied te interesseren, maar dan nog op beperkte schaal. Het lijkt

[p. 179]

niet onwaarschijnlijk, dat de abdijen in de Kempen niet aan ontginningswerk zouden hebben gedaan, indien in die tijd de parochies niet waren gesticht. Beide activiteiten vulden elkaar goed aan.

Vreemde grondeigenaars, zowel wereldlijke als geestelijk, zo gewoon op de betere gronden, waren in de Kempen eerder uitzonderlijk, althans in het grootste deel van de Kempen. De gronden waren en bleven er voor 99% in handen van eigengeërfden. Dit verschijnsel had ook zijn weerslag op de naamgeving: overwegend is het patroon plaatsnaam gevormd door psn. + toponiem (type Hendriksakker), en heel dikwijls ook met eliminatie van het tweede lid gevormd door de persoonsnaam zonder meer (de Hendriks). Aan dit eenvoudige type plaatsnaam heeft men nooit zoveel aandacht geschonken. Gewoonlijk spreekt men van vrij recente en eenvoudige toponiemen. Dergelijke formaties kunnen in de Kempen zowel tot de jongere als tot de oudere en oudste lagen behoren, vaak ook in vrij ondoorzichtige vormen, te wijten aan allerhande taalkundige processen. Heel wat plaatsnamen worden in naamkundige monografieën als duister, d.w.z. etymologisch ontoegankelijk, vermeld. Toch hadden in vele gevallen vrij afdoende verklaringen gegeven kunnen worden mits enig inzicht in de oudste laag persoonsnamen.

Bezitsaffimatie is een dominante naamgevingsfaktor, zowel vroeger als nu. In streken waar de gronden vrijwel permanent in de handen van eigengeërfden bleven, zoals in de Kempen, kon deze wijze van naamgeving zich bijzonder sterk laten gelden.

1.6.

Wat de nederzettingsnamen betreft, leidt zulks tot een ander typisch aspect van de Kempische nederzettingsnamen, meer bepaald dan voor de namen van de individuele erven.

Het individuele erf - eenvoudigweg de boerderij - is de primaire vorm van nederzetting, wat wij wel eens uit het oog verliezen. Indien wij het over nederzettingen hebben, opereren we al te gemakkelijk uitsluitend met de namen van gehuchten en gemeenten, en vergeten de elementaire vorm van nederzetting, ook als die zich in de naamgeving duidelijk kan manifesteren. Daarenboven zijn de gemeentenamen een specifiek type nederzettingsnamen in de Kempen: fusienamen die meestal één geografisch aspect van een gebied benoemen.

Wat de individuele erfnamen betreft, is het merkwaardig dat in het oostelijk deel van de Kempen deze namen vrijwel alle persoonsnamen - meestal familienamen - zijn afgeleid (type op de Jansen), terwijl dit type naam in het westelijk deel van de Kempen vrijwel onbekend is.

Het noemen van een erf of goed naarde bewoners of de eigenaarsfamilie

[p. 180]

gebeurde in de 4de-5de eeuw massaal in Haspengouw (cfr. de ingen- en andere formaties afgeleid van persoonsnamen). In de Kempen heeft zich zulks recenter en in een eenvoudiger systeem, o.m. zonder suffigering of achtervoeging, gemanifesteerd. Beide ver uit de tijd liggende patronen verraden dezelfde mens en dezelfde naamgevingstendens, nl. het bezit in de naam concretiseren.

In de Kempen heeft het genoemde systeem zich grotendeels beperkt tot het oostelijk deel. Waarom dat zo is, lijkt een open vraag. M.i. heeft het te maken met de vroegere socio-economische toestanden. Samengevat komt het hierop neer: Waar de gronden iets beter, d.i. meestal vochtiger, waren, was de bevolking honkvaster en kon het naamgevingssysteem ‘het noemen naar de eigenaars-bewoners’ zich gemakkelijker doen gelden.

2.

De gemene gronden - dat is ruimer dan heidegronden - werden in de Kempen aangeduid met verscheidene concurrerende namen zoals Vroente, Aard, Gemeente, Heide, Kamp, Veld, Woestijn e.a. Van al deze namen heeft Heide zich uiteindelijk het best kunnen handhaven ter aanduiding van onbebouwd land. Zulks lag voor de hand, omdat de onbebouwde gronden grotendeels met heide begroeide terreinen waren. Dat neemt niet weg dat ook de andere namen als toponiemen voortleven, maar dan meestal in de betekenis van ontgonnen land.

2.1.

Vroente, dat eigenlijk herenland betekent, kennen wij in de Kempen naar mijn weten niet meer in de betekenis gemene of gemeentelijke grond, maar leeft wel verder in duizenden toponiemen, zulks in alle mogelijke dialectische varianten, ter aanduiding van bouw- of grasland. Meestal betreft het ontginningen van vòòr 1500. Vroente was toen nog een gangbare naam voor onbebouwd land; na de ontginning werd de naam meestal op het land overgedragen, met in vele gevallen een persoonsnaam - de naam van de eigenaar-koper - als bepalend bestanddeel. Opnieuw dus een uiting van bezit. Ook bij gemeente, aard en andere synonieme benamingen was dit het geval.

Veld was in de middeleeuwen één van de meest neutrale namen voor onbebouwde terreinen. In de late middeleeuwen komt veld massaal op in de betekenis van bouwland: dikwijls uitgestrekte complexen - tot 30 à 40 ha -, waarbij in vele gevallen een nederzettingsnaam als bepalend bestanddeel fungeert. Algemeen wordt aangenomen dat het gemeenschappelijk ontgonnen gronden zijn. Dat is een hypothese. Veld fungeert echter niet alleen voor terreinen van grote omvang, maar ook als perceelsneem voor verspreide akkerlanden.

[p. 181]

Onwaarschijnlijk is m.i. de visie dat veld ter aanduiding van bouwland überhaupt jonger zou zijn dan akker. Indien dit zo is, dient ook een verklaring gezocht te worden voor het feit dat akker massaal optreedt in het centrale deel van de Kempen naast veld, dat akker vrijwel niet voorkomt op de rand van Kempen (bijv. te Houthalen-Zonhoven), en dat in Haspengouw niet akker maar veld de gangbare benaming is voor akkerland. Over de chronologie en de spreiding van akker - veld is nog onvoldoende bekend.

Te vergelijken met veld is kamp, Lat. campus ‘vlakte’. Nagenoeg geen toponiemen in de Kempen herinneren nog aan deze primaire betekenis. Wel is kamp in het oostelijk deel van de Kempen gewoon voor een perceel, resp. een complex bouwland, ontgonnen uit de heide en rondom geheind of door houtkanten besloten. Een kampcomplex, waarbij de percelen ook individueel geheind zijn, bereikt omzeggens nooit de grootte van een veldterrein. De gangbare visie is, dat veld op een collectieve ontginning betrekking heeft, kamp anderzijds op een individuele, evenals look, blook, gelookt en andere afleidingen van luken ‘besluiten, omheinen’.

Aard, een ander synoniem van vroente en veld, treft men vooral aan in de Antwerpse Kempen, gemeente in Noord-Brabant.

Men kan stellen dat de benamingen voor onbebouwd land in de Kempen complementair verdeeld zijn: vòòr 1500 was in de Limburgse Kempen vooral (maar niet uitsluitend) vroente gangbaar, in de Antwerpse aard en in de Noordbrabantse gemeente. Veld is in de hele Kempen bekend.

2.2.

Voor depressies was broek algemeen verspreid in de Kempen. Broek is niet typisch Kempisch, wel het grote aantal nederzettingsnamen Broekkant), genoemd naar de ligging bij een broek ‘moerasgebied’.

Buiten broek zijn er heel wat synonieme benamingen, maar deze zijn nooit dominant geworden, zoals bijv. beer, bruud, goor, mortel, solt e.a. Deze namen zijn evenmin complementair verdeeld.

3.

Voor landbouwland is akker zeer gangbaar in het centrale deel van de Kempen, zoals hierboven reeds werd aangehaald. Daarnaast ook veld, zowel voor percelen als voor uitgestrekte landbouwterreinen.

Buiten het centrale deel van de Kempen is veld gebruikelijker dan akker. Verder onderzoek kan over de spreiding akker - veld meer opheldering brengen.

3.1.

Talrijk zijn de benamingen voor akkerlanden die uit de heidegronden ontgonnen werden. In Noord-Brabant fungeren hiervoor vooral bocht, kamp en gelookt; in de Limburgse Kempen kamp en look,

[p. 182]

waarbij kamp oostelijk en look westelijk is; in de Antwerpse Kempen blook en blok.

3.2.

Massaal zijn in de Kempen de toponiemen die op ontginning wijzen, wat voor de hand ligt. De hierboven geciteerde reeks kamp c.s. illustreerde dat reeds, maar er zijn in dit verband nog heel wat meer toponiemen:

1.Op bosrooiingen hebben lo, hout, bos en root (rode, rooi) betrekking. Vooral het grote aantal is typisch Kempisch.
2.Voor graslandterreinen komen eeuwsel, eeuwt, etting en etsel voor, afleidingen van eeuwen en etten ‘laten grazen, voeren’. Deze namen zijn in de Kempen ook complementair verdeeld.
3.Ook voor zogenaamde straatkanten e.d., door de gemeentebesturen aan particulieren verkocht, waren er specifieke benamingen zoals bijv. voorhooft (dial. vurrit), opgenomen, opheldering enz.

prepostterug  begin  verder