Over den Madoc van Willem ‘die den Reinaert maecte’In de voorlaatste zitting der Koninklijke Vlaamsche Academie hoorde ik ten slotte van een' brief, waarin een onzer medeleden naar enkele mnl. rijrnwerken verwees, den wanhopigen, sedert vijftig jaren aangeheven kreet aflezen: ‘Kon ik U den Madoc wedergeven!’ Trouwens, sinds eene halve eeuw, sedert dat J.F. WILLEMS, de vader der Vlaamsche Beweging, de rechtstreeksche, intellectuëele afstammeling van den genialen Wazenaar,
ons zijn tweede rijmwerk, het meesterstuk Reinaert de Vos, liet kennen, is er maar een kreet in de republiek der Nederlandsche letteren opgestegen: ‘Mochten wij den Madoc wedervinden!’ En inderdaad, hij, die ons dien eersteling van onzen eersten dichter, door vreemdeling en landgenoot zoo hoog gesteld als den Bijbel en Homeros, sedert zes eeuwen in alle landen en talen van Europa bewonderd en vertaald, zoû wedergeven, verdiende zeker te midden der gezegde republiek het niet veel kostende Monumentum aere perenniùs, en zoû het waarschijnlijk eerder verkrijgen dan de
man van genie het standbeeld, dat men hem sedert lang hadde moeten oprichten te midden
welk hij zoo zeer beminde en waar hij en Zijne helden te huis waren, ofwel
waar zij hielden parlement, bij die vermaarde stad, ‘waarvan het laken niet genoegzaam ware geweest om Reinaerts poetsen op te schrijven, indien het geweest ware perkament.’ Misschien is die nalatigheid te wijten aan het weinige, dat men over 's mans leven en streven kent. Men weet immers niet eens of hij een leek of een klerk was; de eenen maken van hem eenen priester of monhik, de anderen eenen doctor, gelijk onzen Wazenaar; enkelen eenen schepenenschrijver, eenigen eenen minnestreel. Hoe kostbaar zoû dus het hervinden van zijn jongelingswerk wezen, waaruit waarschijnlijk een en ander over zijne persoonlijkheid zoû kunnen oprijzen! Vurig verlangend het mijne bij te brengen voor liet verwezentlijken van dien algemeenen wensch, hervatte ik gretig de noten en afschriften, die ik sedert dertig jaren nopens onze mnl. letterkunde, uit het stof der handvesten onzer oude en grauwe steenen heb opgedolven, waarvan ik over tien jaar een' eersten voorraad heb laten drukken in het Nederlandsch Museum, 1879, blz. 129-176 en
waarvan het vervolg mij sindsdien door ambtsbezigheden is verhinderd geworden. Niet weinig verwonderd stond ik als mij uit den mond van twee der eerste navorschers onzer Vlaamsche oorkonden, den geleerden Mone (1) bijgetreden door den ouderen Bormans, (2) het verbazend antwoord, sinds vijftig jaren reeds gegeven, tegenklonk: ‘Maar! de Madoc is hervonden! de Madoc bestaat, ten minste bij stukken en brokken; want de Madoc is niets anders als de Malagijs, waarvan reeds in 1838 vier tamelijk groote fragmenten waren hervonden en gedeeltelijk gedrukt’. Glimlachend bejegent waarschijnlijk de Kon. Vl. Academie deze verklaring, en vraagt mij hoe de twee zoover uit elkander loopende namen, Madoc en Malagijs, tot hetzelfde worden gebracht. Of het misschien niet is op de wijze van Voltaire, die, om den zot te houden met de Schrieckiussen en Becanussen van zijnen tijd, beweerde dat ‘Paris vient de Babylone’ en, als men vraagde naar den gang dier zonderlinge etymologie, antwoordde: ‘En changeant Pa en Baby et lone en ris’. Zooverre zoû men wellicht niet moeten gaan om in Madoc Malagijs te hervinden. Mone deed reeds opmerken dat in de fragmenten, niet Malagijs (den Franschen Maugis), maar telkens Madolgijs of Maldogijs stond, - en dat het zeer aannemelijk |
(1) Anzeiger, dl. III (1834), blz. 197.
(2) Notae in Reinardum Vulpem (1838), blz. 16.
|
|
voorkwam, dezen vorm, met den Latijnschen uitgang isius = ijs, als eene verkorting van den eigennaam Maldog te aanzien. Alhoewel deze reden niet aangenomen werd door den geleerden Willems, die droomde van eenen Gallischen zeereiziger Madoc, zoon van Gwynedd, die in 1170 America zoû ontdekt hebben (3) , doch waarvan er nergens in onze mnl. romans wordt gewaagd (4) , komt zij mij niet zoo vreemd voor als bij het eerste aanzien schijnen zoû; en hier breng ik eenige bedenkingen en ontdekkingen in het midden uit oorkonden van de dertiende en de veertiende eeuw, die de zienswijze van Mone en Bormans eenigszins rechtvaardigen. Trouwens, in de renteboeken der Abdij van Sint-Baafs, te Gent, komt twee maal de naam vóor van eenen cijnsbetaler te Wondelghem: Wenemaer Maeldoch, in 1360, terwijl in de Rekening der stad Gent zelve van 1353, de naam voorkomt van |
(4) Evenmin is er ergens spraak in mnl. fragmenten van van [sic] den Droom van Rhonabwy, een der mannen van Madoc, die in Lady guest's Manibogion te voorschijn komt, volgens Professor Moltzer (Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, d. III (1883), blz. 312 volg.).
(5) Staats-archief te Gent (Bisdom, nr 34, fo 34 vo).
|
Rogier Maradoch (6) . Dat dit dezelfde naam is, bewijst de gewoonlijke verwisseling van L met R; maar, wat merkwaardig mag heeten, is dat de twee eerste vormen van den mansnaam Wenemaer = Weemaer (een' onzer oudste voornamen, o.a. der Gentsche Burchtgraven, reeds in de XIVe eeuw als familienaam van een onzer kloekste gemeentehelden in gebruik) een voorbeeld van samensmelting aanbiedt, dat allernatuurlijkst de inkrimping van den tweeden naam, Maeldoch, in Madoc veroorlooft. Wel is waar, reeds tenzelfden tijde, immers in de XIVe eeuw, bestond reeds de naam Malegijs als familiënaam; wij treffen hem aan in dien vorm, te Dordrecht in 1300 (7) , te Eekloo in 1313 (8) , te Lembeke in 1331 (9) , en te Gent zelf in 1333 (10) . Dit bewijst alleenlijk dat, reeds in die gulden eeuw der Vlaamsche gemeenten, de ridderroman, gelijk wij hem kennen, onder dien naam bestond, en dat hij, evenals zijne soortgelijken van alle tijden, eenen blijvenden invloed uitoefende in het benoemen van burgers en boeren. Doch dat bewijst niet dat, éene of twee eeuwen vroeger, uit |
(6) Stads-archief van Gent, Register 4388.
(9) Archief van het Bisdom te Gent (Sint-Janskerk, carton B, nr 20)
(10) Stads-archief van Gent, Register 4383, fo 114, 150.
|
|
den naam Maldoch de verkorting Madolgijs niet kon spruiten, en dat er wellicht dan ook niet een kleiner roman, onder den naam van Madoc, kon bestaan, die later als bron van den Malagijs zoû benuttigd worden. Ten anderen, in de pas verschenen uitgave der Wereldkronijk van Jean des Prés, d'Outre Meuse, uitgegeven in de werken der Koninklijke Commissie van Geschiedenis te Brussel, door den zoon van Bormans, mijnen achtbaren collega aldaar, komen er nog al aardige verschijnselen vóor. Op verschillige plaatsen wordt er gesproken van heidensche koningen, tooveraars of reuzen, die den naam voeren van Madaquins (Madekins) of Malaquins (Malekins) (11) . Zij spelen eene zekere rol in de avonturen van den ridder Ogier van Ardennen, en een dier avonturen gebeurt in de forest de Madaquaine, die niets anders schijnt te zijn als het Ardenner woud. (12) Voegt men erbij dat deze Ogier voorgesteld wordt als ontfangende uit de handen van keizer Karel den Groote het heerschap over Brabant, Vlaanderen enz., en als sprekende de taal dier landen, en dat er Flandrins (Flandrijs) in voorkomt als de stichter van Gent, en de Ardennen als het toevluchtsoord der vier Heymonskinderen (13) , dan is men niet weinig |
(11) Ziet de tafel (1887), op die woorden, en den tekst, voornamelijk, t. II, p. 722; t. III, p. 3, 54, 136, 262, 281, 387.
(12) Ibidem, t. III, p. 258.
(13) Ibidem, t. II, p. 755; t. IV, p. 99, 311, 312, 318, 327
|
|
verwonderd dien vorm Madekins of Malekins zoo nauw verwant te vinden met eenen roman, die eenigszins met den inhoud van onzen gekenden roman van Malegijs, beginsel van dat der Heymonskinderen, in verband staat. (14) Doch keeren wij tot onzen Maeldoch der Gentsche renteboeken weder. Die rekeningen dienen in nadere aanmerking te komen, daar zij als doorspekt zijn van herinneringen of toespelingen aan Willem's tweede rijmwerk, den Reinaert den Vos. Men weet dat de geheele historie van Reinaert speelt in de omstreken van Gent en in het naburige Land van Waas. Dit is overbekend en heb ik reeds uiteengezet in mijne Étude sur le poè'ne et les auteurs du Roman du Renard (15) . Welnu, in diezelfde Rekeningen van 1360 en 90, waar Wenemaer |
(14) De namen der helden en plaatsen van beide romans zijn, sedert eeuwen, in Vlaanderen zeer bekend als familienamen: Heyman, Maleveys, Beyaert, Eggermont enz. Te Gent, in de XIVe eeuw, bestond er een huis de Heymanskinderen, en de zegel der eigenaars droeg hun beeld op het Ros Beyaert (Staats-Archief te Gent, Carton Rijke Claren); en een huis den Beyard toebehoorende aan J. Beyard (Archief der Armen Kamer).
(15) Biographie nationale, tome V (1876), p. 433-446. - Ziet hier de namen der plaatsen, die er, waar de handeling gebeurt, genoemd worden: Ghent, vers 92, 2261; (uitg. Martin). Hijfte, 2260-61; land van Waes, 2255; Basele of Belcele, 2095; Absdale, 802; Elmare, 373, 1481, 1491; Hulsterloo, 257; enz. Scouden, 2666, 3025; enz. (de Schelde?), de Leije, 2642; de Somme, 2442; enz.
|
|
Maeldoch verschijnt, wordt er gesproken van ‘land op Reinoutsbergh’ (16) , en die Reinaertsberg, gelegen op Oostakker, is niets anders als de welgekende heuvel, die juist in datzelfde jaar 1360 door den Bruggeling Gillis de Wevel [(17)] , in zijn Leven van Sint Amand, ter herinnering van 's Heiligen mirakelen en van zijn wekelijksch bezoek aldaar, de SintAmandsberg werd genoemd (18) . Men ziet dat reeds over vijf-zes eeuwen, terwijl een deel van het volk zich in de benaming der plaatsen door zijne godsdienstige gevoelens liet geleiden; een ander aan meer wereldlijke of letterkundige herinneringen of toespelingen gehoor gaf! - Doch er is meer; in diezelfde renteboeken komen de naam van Willem's held en meesterstuk Reinaert én als vóornaarn én als toenaam dikwijls vóor. Zoo vinden wij onder de leenmannen der Sint-Baafs-Abdij, in de XIIIe en XIVe eeuw, eenen Reynardus de Waze (19) , eenent Johannes Reynaerd (20) enz., terwijl in andere stukken de naam van Reinaerts vermaard kasteel, Maperteeus, voorkomt als gegeven aan een ‘goed, groot zeventien bunderen, gelegen te Destelbergen (21) , dat, gelijk |
(16) Archief van het Bisdom van Gent, Register van 1390, fo 10.
[(17)] Ibidem, (Chartreuzen, carton 4, no 158; jaar 1390?)
(18) Uitg. door De Vlaamsche Bibliophilen 1e reeks, nr 4, 2 deelen.
(19) Staats-Archief (Bisdom, nr 31, fo 12 vo).
(20) Ibidem fo 9.
(21) Stads-archief, Cartularium van Groenenbriel, no XVII: 19 Maart 1348 (o.s.). Vermeld in Van der Haeghen's Charterboek, ter pers voor de Vlaamsche Blibliophilen, blz. 79, nr 38.
|
|
men weet, een dorp is nabij Gent, en nevens de tegenwoordige gemeente Sint-Amandsberg of, gelijk sommige middeleeuwsche klerken zeggen, Reinaertsberg! (22) Mocht men beweren dat deze meldingen niets anders bewijzen als de vermaardheid van den Rejnaert in de plaatsen zelven, waar hij werd gedicht en gelezen, zoo vraag ik mij af of niet hetzelfde is te zeggen yan den Madoc, die onder den naam Maeldoch in dezelfde renteboeken voorkomt? Het is dus hooge tijd dat, na vijftig jaren wachtens, men eindelijk wete wat de Malagijs eigentlijk is, en wat hij bevat. Van de 4 in 1838 hervondene fragmenten, zijn er drie gedrukt geworden, maar op eene zeer onvoldoende wijze: Het eerste, bijvoorbeeld, behelzende 118 verzen, geschreven op 4 kolommen en door Bilderdijk uitgegeven (23) , heeft het |
(22) Die naam wordt reeds gevonden in lijsten van 1220, gedrukt in Serrure's Cartulaire de St Bavon, blz. 122, en vertaald in Frans de Potter en Broeckaert's Geschiedenis der Gemeenten (Oostakker) blz. 4. Daar vindt men ook Hijfte, blz. 114. (in den Reinaert vers 2260, uitg. Martin); alsook de persoonsnamen Avezoete, blz. 132 (Reinaert, vers 832), Lampreide, blz. 128 (Reinaert, v. 602). enz. - Een Wido Malevais verschijnt, blz. 118. - Opmerkenswaardig is het, dat er in die omstreken eene geheele familie Clerici te vinden is, waarvan de voornaamste persoon, Willelmus Clericus, aldaar aanzienlijke landgoederen bezit. Hij diende in aanmerking te komen onder de vermoedelijke schrijvers van den Madoc en den Reinaert.
(23) Nieuwe verscheidenheden, d. IV (1825), blz. 153-176.
|
|
ongeluk gehad averechts gelezen geweest te worden (gelijk de Hebreeuwsche boeken), zoodat de 4e kolom de 1e is geworden, enz., en er dus noch recht noch reden in te vinden is. Van het tweede fragment, bevattende 176 verzen, zijn er slechts 88 door Bormans gedrukt geworden (24) . Mone heeft het derde fragment, van 182 verzen, uitgegeven (25) . Wat het vierde betreft, het belangrijkste, vermits het 784 verzen, dus meer dan de drie anderen te zamen, zoû moeten geteld hebben, het werd in 1838 ontdekt door professor Serrure, in de Bibliotheek van Gent of Antwerpen, en Bormans verkondigde reeds dan dat het haast zoû verschijnen. Vijftig jaren zijn verloopen, en men wacht noch op de uitgave. Aan advocaat Serrure, des professor's zoon, er mare over gevraagd hebbende, is mijn brief zonder antwoord gebleven, en het kostelijk perkarnent scheen zoek geraakt, wanneer de vlijtige opzoekingen door onze collega's Van der Haeghen en Hansen, ingericht in de boekerijen aan hunne zorgen toevertrouwd, tot den gelukkigen uitslag van het wedervinden van een fragment van 164 verzen te Gent uitliepen. Misschien zelfs behelst dit half doorknaagde vel perkarnent de geheele vondst van Serrure, en hebben Bormans en Mone hem misverstaan, wanneer zij spreken van 4 bladzijden, elk |
(24) Notae in Reinardum, (1838) fasciculus I, p 16-18.
(25) Anzeiger, d. VI, (1837), blz. 62-68.
|
|
met 4 kolommen van 49 verzon beschreven, wat het getal verzen op 784 brengt. Het wedergevondene fragment heeft 4 kolommen, en behelst den ganschen inhoud, door Mone opgegeven. Hoe het zij, en alhoewel wij dus van den geheelen Malagijs slechts 552 verzen bezitten, is het misschien genoegzaam om zich een denkbeeld van den vorm en den inhoud van dat gedicht te maken. Ik ben dus van zin deze kostbare overblijfselen te verzamelen en te bestudeeren, om te zien of de taal en de grond des gewrochts niet te brengen zijn naast den Reinaert den Vos. Uit de gekende fragmenten laat zich reeds een en ander opmerken. Wat de taal betreft, opmerkenswaardig is het, verscheidene gelijke vormen en zegswijzen in beide gedichten weder te vinden, bij voorbeeld hetzelfde spreekwoord: In den Reinaert:
In den Malagijs:
Wat den grond betreft, Jonckbloet (28) bemerkte |
(26) Uitg. Martin, blz. 6, Vers 181.
(27) Bormans, t.a. pl.
(28) Geschiedenis der Mnl. dichtkunst, d. I (1851), bladz. 190.
|
|
reeds over vijf-en-dertig jaren dat ‘het burgerlijk karakter of de geest van satyre tegen het ridderwezen’ doorstraalt in dit ‘werk, dat bij het verval van het ridderwezen in het vaderland van den Reinaert het licht zag’. En uit de ontleding van den inhoud, door denzelfden geleerde gegeven volgens een volksboek en een handschrift, waarvan wij nader zullen spreken, blijkt dat het in den geest van ‘Reinaerts poetsen en boerden deels is geschreven. Zonder in de bijzonderheden van de wonderlijke en ridderlijke aventuren te treden, zij het ons genoeg te wijzen op de schepping van den loozen dwerg Spyët, die de overoudgrootvader van Uylenspiegel schijnt te wezen; op de wonderwerken van den tooveraar Malagijs, en voornamelijk op zijnen langen droom en reize in Sint Patricius' Vaghevier. Welnu, men weet dat de Madoc aan de schrijvers der XIIIe eeuw vooral bekend was voor den zonderlingen droom, dien hij behelsde.
zegt Maerlant, de twee voornaamste werken van onzen grooten Willem in éenen adem noemende (29) . En de dichter van den roman de Borchgrave van Couchy zegt, in een verloren fragment, dat eene edele vrouw haren minnaar, die haar zeer ingewikkeld | |
|
zijne liefde bekent, aldus toespreekt:
Van een' anderen kant is het op te merken, dat benevens de geringe plaatsnamen van den Reinaert, die wij reeds noemden als de huisvesting van den dichter, en de groote steden welke als wereldbekend vermeld worden (Parijs, Londen, Aken, Keulen, Rome, Babylonië enz.), er twee zijn die noch in deze soort, noch in den Franschen Renart, bron van den onzen, voorkomen; het zijn: het Ardenner woud, en de stad Montpellier. Welnu, die plaatsen zijn juist het tooneel, waar het grootste gedeelte van den Malagijs gespeeld wordt. Men moet dus in nadere kennis met den geheelen roman geraken; men dient de wedergevondene fragmenten te vergelijken met het geheele werk; bestaat het ongelukkiglijk in 't Mnl. niet meer, en zal het wellicht nooit hervonden worden, ten minsten staan ons andere bronnen ter hulpe: Ten eersten, het volksboek: De schoone historie van den Ridder Malagijs, die het vervaarlijk paard Ros Beyaert overwon, dat nog alle dagen voor de Vlaamsche boeren herdrukt wordt, en dat in eenen druk van 1606 met imprimatur op onze Bibliotheek der Hoogeschool bestaat (31) . |
(30) Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, 3e uitg., d. 1(1884), blz. 361. - De Vries, fragmenten uitgegeven in 1887, Leiden, blz. 153.
|
|
Doch daaruit is nauwelijks genoeg te putten om de fragmenten op hunne rechte plaats en volgorde te brengen. Maar, bij geluk, bestaat het middeleeuwsch gedicht in het Hoogduitsch en in het Fransch. Het Hoogduitsche gedicht der XVe eeuw berust in de Pfalrer-Bibliotheek te Heidelberg (32) , en een fragment heeft Professor Von der Hagen zelfs in eene Duitsche Revue medegedeeld (33) . De Fransche roman Maugis, door Huon de Villeneuve, bestaat in handschrift te Parijs, in de Bibliothèque Nationale (34) , en de proloog is er van gedrukt geworden in den uitgegevene Roman van Fierabras (35) . Doch die uittreksels van beide handschriften zullen niet genoegzaam zijn om tot emstige besluitselen te komen. Eene doorlezing, eene vergelijking van het geheele gedicht met de fragmenten zullen daartoe onontbeerlijk wezen. Men weet tot welke merkwaardige uitkomsten men is geraakt door de nauwkeurige vergelijking van den Reinaert van onzen Willem met den Franschen roman Renart van Perrin de Saint-Cloud en den Hoogduitschen Reinhart van Heinrich der Glighesaere. Hetzelfde zal voor den Malagijs moeten gedaan worden. |
(33) Neues jahrbùch der Berlinische Gesellschaft, VIII, 280-3.
(35) Bekker, (1829) Ibidem.
|
|
Ik heb mij dus tot onzen collega den heer Ferdinand vander Haeghen gewend, die gekend is door zijne uitgebreide betrekkingen met alle Europeesche geleerden en gestichten, om mededeeling alhier te kunnen bekomen van die twee voor ons onwaardeerbare handschriften. Hij heeft reeds stappen aangewend, en, mocht hij niet lukken, dan zoû ik in eene naaste zitting aan de Academie vragen, haren hoogen invloed te willen gebruiken om mij in het tijdelijk bezit te doen komen van twee oorkonden, waarin wellicht de oplossing ligt van het letterkundig en historisch punt, welk ik de eer heb gehad aan hare aandacht door de voorgaande overwegingen aan te bevelen. Nawoord.In zitting van 7 September 1887 heeft de Koninklijke Vlaamsche Academie het besluit van de Commissie tot uitgave van mnl. stukken goedgekeurd, den heer N. de Pauw, te gelasten de fragmenten van den Malagijs uit te geven, met vergelijking van het Hoogduitsch gedicht, dat reeds door de Heidelberger bibliotheek ter leen is afgekomen, en van den Franschen roman, waarvan de mededeeling ook is beloofd en door het Bestuur gevraagd. |