terug  begin  verderprepost
[p. 103]

VIII. Tijdindeeling, Ster-seizoenen, Begrip der Natuur.

De indeeling van den dag geschiedde vroeger met de zon wejoe (a. adali, w. yah). B.v. twaalf uur bij dag heette kawo-wejoe (hooge zon) a. adali tere, verder gold de morgen kokolo (nacht voorbij) en een half uitspansel voor de hooge zon als negen uur des morgens, terwijl drie uur des namiddags aangeduid werd als een half uitspansel na de hooge zon. Toch zegt men ook wel voor zonsondergang wejoe knepakana a. adali woetigidate.

Tegenwoordig kennen vele Caraïben de indeeling van den dag in uren, hoewel zij van minuten en seconden zelden of nooit gebruik maken; en een klok noemen ze kampana (n.h. sp.). De namiddag heet bij hen konje (nacht ziet) gisteren daarentegen konjalo (namiddag voorbij) a. miaka en morgen kolopo (nacht voorbij is).

Een week was vroeger onbekend, doch wordt thans aangeduid als owi sonde (een zondag). De maan noeno (ar. kaitsi w. wannehu) (of maand) heet noeno tawejoema (wereld of aarde in zonneschijn) en wordt verdeeld in nieuwe of donkere maan konomo owala naeno knotan, eerste kwartier of komende half donkere maan, potome noeno (groote maan) of volle maan en laatste of dalende half donkere maan enz.

Als een jaar geldt eene omwenteling der sterren en het verschijnen van de siritjo (a. jokrowiwa, w. sirah) of zeven ster of liever glinsterster. Daarna volgen de Indiaansche dier- en vruchtseizoenen, al naar gelang de sterrebeelden aan den hemel verschijnen of een zeker standpunt bereiken of zelf verdwijnen.

Voor zoover wij hebben kunnen nagaan is de volgorde als het onderstaande:

Siritjo = Zevenster. Zij verschijnt tegen den vooravond in December, na het invallen der regens.
Awarajumu a. Awarakoeja = Sterrebeeld van de awara; het ziet eruit als een awarapalm met uitgespreide bladeren en verschijnt als aankondiging van het kleine droge seizoen (half Febr. - half Mei) als de awara's rijp worden. Onder het sterrebeeld bevinden zich:
Akoelijumu en Akoesiwejumu, a. Toekoeleroe- en Adoerikoeja of Agoeti-sterren. Want met het rijp worden der awara's
[p. 104]
vereenigen alle Agoeti's en Adoeri's (Dasyproctaep, zich in de awarabosschen. Zij worden gevolgd door:
Kaikoetjijumu, a. Kabadaroekoeja of Jaguar-ster.
Koelewakoejumu a. Koeleroekoeja of Papegaaister verschijnt omstreeks Februari en Maart als de jonge Papegaaien groot genoeg zijn om uit het nest genomen te worden.
Oponojumu, ar. Ievakoeja of Muskuseendster.
Koemoekoemoejumu = Koemboe-ster verschijnt met het rijp worden der vruchten van den koemboepalm.
Wokojumu, ar. Hietjikoeja = Powies-ster.
Pakamoejumu, of Lompster kenmerkt het groote regenseizoen (half Mei - half Aug.) Dan verschijnen een overvloed van Lompen (een vischsoort) die onder steenen een schuilplaats zoeken.
Silelekoeja, Ar. = Marmoset of Sagowijntjester.
Pitjajumu = Pikan- of Roodbruine koekoekster. Zij brengt de gelukkige jacht mede.
Kosajumu, a. Kwatakoeja of Krabbenster.
Wajamoejumu, a. Hikoelikoeja of Landschildpadster verschijnt als het water overal in de zwampen rijst waardoor de Landschildpad naar de droge gedeelten gedreven wordt.
Krapeejumu, a. Kwaikoeja of Zeeschildpadster verschijnt in Mei, Juni enz. als de Krapees hunne eieren in holen op het strand komen begraven.
Awojojumu of Hertster verschijnt als door overvloed van zwampwater de Awojo's naar de droge ritsen in de zwampen gedreven worden.
Ikilijumu a. Kamoedoehoeja of Boa-ster is altijd op de hielen van.
Kapoewajumu, a. Kiebeolakoeja of Watervarken-ster.
Kamawarijumu a. Honolikoeja = Reigersterrebeeld; een cirkel van sterren.
Walajumu, Savakoujumu, Arapapajumu zijn sterren die verschijnen als de Scharlaken Ibissen, kleine Reigers, Bootsnavels enz. in de mangrovebosschen langs de kust broeden.
Koepirihijumu, a. Walimedoekoeja en Hawkoeja of Sterrebeeld van den Luiaard verschijnt tegen het groote droge seizoen en wordt gekenmerkt door windvlagen en onweders. Alle Luiaards zetten zich dan in beweging.
[p. 105]
Kamatala (Ar.) of Sterrebeeld van de Buffelkaak; de vorm is die eener V.
Wajamakajumu, a. Wojanakoeja of Iguanaster verschijnt als de Iguana's hunne eieren in het zand beginnen te begraven.
Sjoelaliejumu of Sterrebeeld van den barbakot verschijnt tegen het groote droge seizoen. Het ziet eruit als een barbakot (een rij sterren) waaromheen andere sterren, die elk een vischsoort voorstellen. De tijd is dan gekomen, dat de barbakotten spoedig in gebruik zullen raken wijl de wateren aan het dalen zijn.
Knolo Jumu of Roode Arasterren schitteren als de Roode Ara's uit de Morisibosschen van het binnenland naar de kuststreken toetrekken, tezamen met Papegaaien enz. ten einde zich te goed te doen aan de vruchten van den Poisontree.
Onbatapo of Zuiderkruis kenmerkt het seizoen van Patakers Warapers, Komaroe's of Watervalvisschen enz. d.w.z. het groote droge seizoen (half Aug. tot half Nov.) Het daalt dan op aarde.
Asinjajumu verschijnt als de duizende vogels langs de kust hunne vederen ruien.
Epetemu a. Mabekele = (Orion), die een man voorstelt met een afgehakt been.
Aloekoejumu, a. Aloekoema = Veranderde of Rupsster of Morgenster en Avondster.
Noenopoeite, a. Iarowia = Ster (Venus)? naast de maan, doch beteekent eigenlijk vrouw van de maan. Zij is de ster der maagden.
Alinokanomonbehemali = Melkweg of weg met klei bevuild. Er in bevinden zich een Jaguar, die een Tapir vervolgt.

Behalve de hierboven aangehaalde sterren en sterrebeelden bestaan er nog andere, die verschijnen als het dier, de vrucht enz. die ze vertegenwoordigen het talrijkst voorkomt. Inderdaad, wel beschouwd stelt elke ster een voorwerp voor op aarde. Voor den kenner dus staat de levensgeschiedenis van dieren, vogels enz. met vurige letters aan den hemel geschreven. Toch beteekent het woord jumu achter de namen geen ster maar lichaamsgeest, want volgens deze Roodhuiden zijn sterren slechts geesten van menschen en dieren. Bij de Arowakken heeten alle sterren wiwa (schittering) of koeja, koja of hoeja (geestlichamen). Hun systeem verschilt niet veel van dat der Caraïben, hoewel zij er andere namen op na houden.

Vallende sterren zijn geesten, die op aarde dalen.

[p. 106]

Merkwaardig in verband hiermede is nog het feit dat de godsdienst der oude Egyptenaren in oorsprong een natuurdienst was en best mogelijk dus dat hij veel overeenkwam met dien onzer Rood-huiden van thans. Later werden er vele afzonderlijke goden vereerd. De godheden zelf stelde men zich voor als menschen met menschelijke hartstochten; vele waren gehuwd.

Het bovenstaande komt vrijwel overeen met het geloof onzer Indianen die zich evenzoo de verschillende godheden als zoovele dierengeesten enz. voorstellen, die alle de verschillende vormen zijn waarin zich de Geest van Twee Lichamen voordoet. Misschien dus dat wij hier te doen hebben met eenzelfde Godsbegrip.

De Indianen van dezen tijd kennen echter slechts de meest opmerkelijke sterren en sterrebeelden. Aan vele dezer zijn tevens eigenaardige legenden verbonden, waarover later.

De tijdrekening onzer Roodhuiden komt geheel overeen met het systeem der oude Egyptenaren, die hun jaar van 365-356 dagen regelden naar het verschijnen van Sirius of Sothis. Deze naam schijnt een synoniem van de Siritjo onzer Caraïben, te meer wijl wij niet met zekerheid hebben kunnen uitmaken of hiermede de Zevenster dan wel eene andere bedoeld wordt. De meeste Indianen zoowel Caraïben als Arowakken geven evenwel de zevenster aan als leider der overige.

De indeeling van het jaar in kleine en groote regen en droge seizoenen stamt niet af van de Indianen. Zij hebben er dus geen oorspronkelijke woorden voor. Zoo heet b.v. de groote droge tijd wejoe-asiembe (warme zon).

Eertijds of het verleden wordt door de Caraïben aangeduid als penalo hoewel zij wat jaren betreft er geen begrip van hebben. Geen Indiaan kent dan ook zijn eigen leeftijd, tenzij hij onder beschaafden werd grootgebracht. Evenmin bestaan er oorspronkelijke woorden voor tijd, toekomst, enz. Volgens de Indianen toch is de tijd niets anders dan een afwisseling van dag en nacht. De eeuwigheid heet papolo-tin, a. maiboenowabia; papolo beteekent wij, alles, alle, terwijl tin afstamt van het negerengelsche tin of tem, dat een verbastering is van het engelsche time (tijd).

De Wereld staat bij de Caraïben bekend als Nono potelu (Groote Aarde) en te oordeelen naar den naam ‘wereld of aarde in zonneschijn’ zou men geneigd zijn te veronderstellen dat ook de maan voor eene Wereld wordt of werd aangezien.

[p. 107]

Het Heelal is volgens den Indiaan oneindig, maar bestaat uit een reeks verdiepingen, zoowel van boven als van onder. Zoo men dus een gat diep genoeg graaft, loopt men gevaar op de onderwereld te vallen, die ook bewoond wordt door Roodhuiden.

De Hemel of het uitspansel heet Kaboe, a. adaliholoro (zongrond) of adaialikwa (Godshut) en wordt beschouwd als de naaste zolder, waarlangs trekken de wolken kaboeloetoe (hemelverduistering) en regenwolken kaboeloetoe kaladjena (zwarte wolken) die veroorzaken den regen konopo (a. wanei, w. haahae), slagregen konopole (veel regen) en den motregen konosikisi (kittelregen) alsmede den donder kono-meroe(29) (regengebrul) a: koelakali en den bliksem kabe-kabe (dubbele gloed) a. belbeleru w. abele-abele, die onweersteenen of bijlen naar omlaag slingert. De wind heet pipitjo grootmoeder der wouden) a. awadoeli w. ahaaka, storm daarentegen pipitjo pole (veel wind) Mist konomeretje is regenbeschildering, de regenboog paramoe a-jawale), het kleurenlichaam of de Zeegeest, terwijl dauwdroppels sitako, a. velaroe speechsel moet verbeelden, dab de sterren op onbewolkte nachten naar omlaag laten vallen.

Als een zeer goede barometer om het weder te beoordeelen, geldt onder de Indianen vooral de Koejakee a. Boeradi (Rhamphastos erythrorhynchus) wiens geluid ‘Koejakee’, zelfs bij helderen zonneschijn regen voorspelt. Het Noorden wordt door de Caraïben aangeduid als prana-we-ine (zeekant)

het Oosten als wejoe wepakatopo (kant van zonsopgang).
het Zuiden als itjoelaloe we-ine (boschkant.)
[p. 108]
en het Westen wejoe wonoetoko (slaapplaats der zon).

De eb heet apali, de vloed nitjoemoei, hoog water nitjoe noepoei, springvloed potome itjoemalu en dood getij kowalo itjoemalu.

Alle Indianen kennen den invloed der maan op het gerij. Zij weten dat zoodra de maan opkomt de eb begint en zoodra zij voorbij haar hoogste standpunt is, de vloed invalt.

Het zonderlinge natuurverschijnsel, genaamd prororoca of apoepoeri of het plotseling stijgen van den vloed wordt in Demerara en naar onze visschers beweren, ook in Suriname gedurende de droge seizoenen waargenomen aan de mondingen der rivieren. Haar kracht is echter nauwelijks merkbaar en bij lange na niet zoo geweldig als in de Amazone, waar de vloed gedurende drie dagen bij nieuwe en volle maan, in slechts enkele stooten van een of twee minuten, zijn hoogste standpunt bereikt. De Indianen beweren dat de proroca veroorzaakt wordt door slechte geesten, die alle tegelijk uit de zee de riviermondingen trachten binnen te dringen. Behalve in de Amazone komt de vloedgolf ook voor in de Ganges, Tsien-tan, Seine, Gironde enz.

(29)De voorstelling van het Heelal als een reeks verdiepingen boven elkander, wordt bij de oostersche volken teruggevonden. Zoo bestaat naar de bramaansche en boeddhistische wereldbeschouwing het middelpunt der Wereld uit een berg genaamd Meru, aan een der vier zijden uit goud bestaande, terwijl de andere bestaan uit kristal zilver en saphier. Boven op den berg troont Indra met de 33 goden der Vedra's; boven den hemel van Indra verheffen zich nog andere hemelverdiepingen.
In de noordsche mythologie wordt het huis van Thor, den dondergod voorgesteld als bestaande uit 540 verdiepingen. Thor zelf is een man, die donderend rijdt in een wagen, uit welks wielen vuur (bliksem) spat.
Bij de oude Egyptenaren had de zou twaalf zinncheeldige gezichten (de uren) te leveren van af 's morgens tot des namiddags.
Bij onze Caraïben zou de donder het gevolg zijn van een leger indiaansche strijders, die met bliksemende knotsen de hoofden hunner vijanden verpletteren.
Sommige Z.Am. Indianen stammen beschouwen vulkauen als heilige bergen. Ook in Macoesiland wordt de statige Roraïma als heiiig beschouwd. Geen Indiaan waagt zich dan ook op den top van dezen berg. De naam merae (donder) bij onze Caraïben schijnt overeen met den berg Meru der Indiërs.
prepostterug  begin  verder