Behalve de Zonneslang, die boven alles staat en alles in zich bevat, komen er, volgens den Indiaan nog verschillende voorname geesten op aarde voor.
Ten eerste, de Woudgeest of moeder der wouden of liever het Geschapene Itjoemu of Itjoetamalono a. Konokokoeja, neg.eng. Boesimama. Zij bewoont de oerwouden, waar haar komst voorafgegaan wordt door den wind Pipitjo, (Grootmoeder der wouden) of Luchtgeest, die fluitend en draaiend nadert, de bladeren doet ruischen, de takken doet kraken en breken en boomen ontwortelt. De geest zelve doet zich aan het menschenoog voor in verschillende vormen. O.a. ziet men hem als een oude vrouw of als een hertepoot, die alleen zichtbaar is in de schaduw, doch op zonnige plekken verdwijnt. Of wel hij nadert als een troep onzichtbare Boschvarkens, die met luid getrappel en tandengeknars door het bosch rennen. Of hij neemt den vorm aan van een man met een piengokop en zwaren baard, doch wiens voeten naar achter toe gekeerd staan, zoodat hij steeds heen loopt naar den kant waar zijne hielen naar toe wijzen. Hij bezit tevens eene vrouw, die hem in alle opzichten gelijkt, alleen is zij veel kwaadaardiger.
Beiden naderen den mensch op zeer eigenaardige wijze. Zij plaatsen nl. eerst de linkerwang op den grond, doen dan vergezeld van gefluit en allerlei grimassen, hiel voorwaarts, eenige sprongetjes, waarna zij de rechterwang op den grond neerzetten. Dit is de wijze waarop Indianen zich bokkesprongen voorstellen. Verder doet de Woudgeest zich voor als een met zwart haar begroeiden neger die een langen staart bezit, twee hoorns en hoeven in plaats van voeten, terwijl een afhangende baard zijn kin versiert. En ten laatste de verschillende diervormen, waaronder vooral de paardengeest Kavalijumu, Ar. Kavali-koeja eene eerste plaats inneemt.
Uit het bovenstaande blijkt, dat de Woudgeest der Indianen van onzen tijd eene combinatie is van een oorspronkelijk bijgeloof en het geloof omtrent een vleeschelijken duivel.
De oorsprong van het bijgeloof is niet ver te zoeken. De grootschheid van het donkere oerwoud, de vrees van een verdwaalde, die in alles verschijningen denkt te zien en in het geringste geluid een vreeselijk, geheimzinnig wezen meent te hooren naderen alles draagt mede teneinde in de verhitte verbeelding, de voorstelling van een wonderbaar wezen op te wekken.
Toch beschouwen de Roodhuiden den Woudgeest volstrekt niet als kwaadaardig, mits men hem niet tergt door het dooden van slapende dieren of dezulken met volle dracht, dan wreekt hij zich door den onverlaat in het woud te laten verdwalen of hem zelfs op staanden voet te dooden door het omvallen van een boom enz.
Onder den Woudgeest staan al de geesten der levensvormen die het woud bewonen.
Tegoke of het Haarmensch, hoewel door de Indianen als een afzonderlijk wezen beschouwd, schijnt eveneens een vorm van den Woudgeest te zijn. Hij wordt beschreven als geheel met haar begroeid. Aan elken poot heeft hij een geweldig lange, gekromde klauw. Hij houdt veel van vrouwen omhelzen (gelijk de Mierenbeer) en is tevens een uitstekend danser. Van Tegoke zouden de Indianen het fluitspelen geleerd hebben. Voor eene verdere beschrijving van het Haarmensch, zie achterstaande legenden.
Zoowel de verschillende vormen van den Woudgeest als het Haarmensch doelen klaarblijkelijk op den boschgod Pan der oostersche mythologie. Deze god kwam met hoornen, baard, krommen neus, staart en bokspooten ter wereld, zoodat zijne moeder van schrik op de vlucht ging. Hij woont in grotten, zwerft overal rond, nu eens jagend, dan weder met nymfen dansend. Hij is de beschermer van kudden, van jagers en van visschers. Van hem stamt af de syrinx-herdersfluit of Pansfluit. In de eenzaamheid der wouden jaagt hij menigeen een panischen schrik aan. Men offerde hem bokken, lammeren, melk, honig enz. Zijn beeld heeft trekken geleverd voor de voorstelling van den duivel. Bij de Hindoe's staat een met haar begroeid boschmensch een soort boschduivel bekend als Bokir.
Bijna al de vorenstaande voorstellingen van Pan worden bij onze Indianen teruggevonden. Slechts het offeren schijnt beperkt tot de negers. Bij de afgodendienaars komt het offeren van bokken enz. onder den afgodsboom of Kankantrie voor. Hartsinck maakt evenwel melding van een offergebruik in zwang bij een der Indianenstammen aan de Orinoco.
Over Toenoepere met zijne tallooze armen hebben wij reeds geschreven. Eene eigenaardige voorstelling is evenwel de Okoupere of Okowopere, Ar. Asolotaloko of de Vampiergeest. Deze doet zich voor als eene Vleermuis, die des nachts het bloed van Indianen komt drinken. Zij is zeer groot en heeft enorme vlerken, doch kan zich ook in eene kleine soort veranderen. Vele Vampiergeesten zijn afgestorven Indianen, die als wrekers optreden van het onrecht dat op Aarde geschiedt.
In het negerengelsch heet de Okowpere Azema of Asimma. Zij doet zich meestal voor als eene oude vrouw, die des nachts met een lantaarn door de lucht vliegt, hoewel zij eveneens voorkomt als een jeugdig persoon.
De neiging tot bloeddrinken is heriditair, en kan men jaren lang met een vriend tezamen wonen zonder te merken dat men met een Vampier te doen heeft. Ook kan de neiging op iemand overgebracht worden, bv. met behulp van een rijpe banaan met bloed erin. De A. kan door sleutelgaten en andare kleine openingen kruipen. Alvorens haar slachtoffer uit te zuigen, ontdoet zij zich van haar huid om vervolgens stil te naderen en het bloed van slaper of slaapster uit te zuigen hoewel zij ook iemand van uit de verte met de oogen kan leegdrinken.
Om een Azema te vangen, moet men ongemerkt haar afgelegde huid met peper en zout insmeren, of wel men plaatst een kom met rijst op den grond. De Vampier gooit de kom om, waarna zij een voor een de korrels begint op te rapen. Valt er een op den grond dan gooit zij al het opgeraapte weer weg, en begint overnieuw. Ook een hoefijzer of zg. joodsche kimia met God's naam erin enz. zouden goed zijn tot afwering van Azema's.
Menigmaal leest men in de Surinaamsche bladen van aanklachten van vampierisme bij de politie ingediend. Maar de overtuigende bewijzen ontbreken steeds!
De oorsprong van Okoupere zou misschien doelen op de bloeddrinkende Vleermuizen Desmonus sp. hoewel de Indianen algemeen beweren dat ook de groote Vamperus spectrum menschenbloed drinkt. Waterton en bijna alle oudere schrijvers bevestigen dit, doch de wetenschap ontkent het feit op grond dat nog nooit in de magen der groote Vleermuizen bloed is aangetroffen. Wie te gelooven?
De aftrekking der huid van de A. der negers is denkelijk zinnebeeldig. In allen gevalle, het begrip der Indianen is symbolisch.
Wij zouden dus kunnen veronderstellen dat het bijgeloof van de Vampier mogelijk van Amerika naar het Oostelijk Halfrond werd overgebracht en zich daar gevormd heeft tot het combinatie bijgeloof zooals onze negers het thans kennen. Maar dit is slechts gissing; evengoed kan het omgekeerde geschied zijn.
De Vampier der Oude Wereld komt voor in twee vormen nl. Succubi en Incubi of de voortteling. Dat ook de Indiaansche naam daarop doelt, is zeker. Okowo toch beteekent Twee menschen en
pe - wellust vader of vrucht-gloed. U in plaats van wo beduidt geesten.
Het bijgeloof aan de Vampier schijnt het sterkst te zijn geweest in Z.O. Europa en ook daar te zijn ontstaan? Overal in oude werken leest men vreeselijke verhalen over Vampiers, waarvan sommige verondersteld werden te zijn de geesten van levend begraven menschen, wier lijken niet tot ontbinding konden overgaan. Ze werden door de eerste Christenen als lichamen van martelaren beschouwd die, naar men wil, vooral door eene te spoedige begravenis tijdens het heerschen eener besmettelijke ziekte, levend zouden begraven zijn. Er zouden zelfs attesten bestaan van doktoren, rechters enz. die doelen op menschen waarvan sommige twee maanden onder den grond gelegen hadden. Toen hun graf geopend werd, vond men de veronderstelde lijken terug in denzelfden staat als waarin ze begraven waren.
Maar naar de wetten van dien tijd werden de levend begraven onherroepelijk in stukken gehakt (Harp. Mont. Mag.)
De Grondgeest Nonojumu, Ar. Holokoeja, neg. eng. Gronmama doet zich voor als bevingen in den grond. In Suriname gaat hij volgens onze Indianen, zeer zachtaardig te werk, maar op andere plaatsen o.a. de Orinoco scheurt de grond soms open en brult de geest gelijk een Jaguar.
Van den Vuurgeest die gekenmerkt wordt door hitte stamt af het vuur, waarmede de Indianen de savanne in brand steken of hun eten bereiden. Door zijne werking als gloed drogen de zwampen en kreken op en barst de grond door hitte open. Uit de maan straalt de geest van vloed, bloed of schaduw, terwijl de Kleur- of Zeegeest Palanajumu of Pranamu (a. Jawale) de geest is van den regenboog, die den regen bezielt en medebrengt uit de zee, waar hij het water drinkt, om daarmede de uitgedroogde zwampen en kreken weder te vullen. Ook hij geldt in Suriname als uiterst goedaardig, hoewel hij op andere plaatsen soms zoo geweldig woedt dat de Indianen verplicht zijn hunne hutten in boomen te bouwen.
Behalve de bovenstaande die als kapiteins opperhoofden der Geesten gelden, kennen onze Roodhuiden nog vele andere, welke wederom aan elkander ondergeschikt zijn al naar gelang zij zich in stoffelijke gedaanten op aarde voordoen als beul of als prooi. Inderdaad bestaat elk voorwerp, van af een steen tot een mensch uit een stoffelijk lichaam en een ziel of liever lichaamsmoedergeest jumu die zich naar willekeur van het omhulsel kan afscheiden. Dit
geloof komt bij vele natuurvolken voor en staat bekend als animisme. Doch hierover later.
Een menschenziel of levensgeest kasoeloe werkt evenals een diergeest door de pop of figuur, die weerkaatst wordt in de pupil van het oog. Maar zeer merkwaardig zijn alle zielen Ine-oeloe-kalienjali (Indiaan in het oog) Roodhuiden; en wel om de zeer begrijpelijke reden, dat al kijkt de Indiaan in het oog van een blanke hij toch zijn eigen evenbeeld weerkaatst ziet. De bedoeling is evenwel dat alles wat wij zien, geschiedt door ons miniatuur-geestelijk Ik of evenbeeld dat door het water onzer oogen straalt.
In den slaap verlaat de ziel door eene bijna onmerkbare, als een speldeprik kleine opening den schedel en dwaalt overal rond, ja, kan zich zelfs naar andere, geheel vreemde oorden begeven.
Alle Indianen beschouwen dan ook droomen als zoovele gebeurtenissen uit het dagelijksch leven. Immers het leven is slechts eene afwisseling van nacht en dag, donker en licht, dood en opstanding in geestvorm. Droomen zijn dus meestal vage herinneringen uit vroegere levens, vormende de levenscirkel, waarover later.
Droomt een Roodhuid bv. dat een vriend hem op jenever trakteert dan beschouwt hij dit als eene attentie; maar o, wee, als hij zich des nachts in den droom overwerkt waant. Want dan mort en moppert hij den volgenden morgen, ja, weigert dikwijls zijn hangmat te verlaten onder voorwendsel, dat hij den vorigen nacht reeds genoeg gewerkt heeft.
Menigmalen hebben wij gelegenheid gehad deze karaktertrek der Roodhuiden op te merken. Eens zelfs voegde een Indiaan ons verwijtend toe, dat wij hem water voor jenever hadden aangeboden. Een andere keer was het een vriend die ons goeden morgen wenschte met de opmerking: zulk een sterke jenever als waarop gij mij in den droom getrakteerd hebt, heb ik in lang niet gedronken!
Dat het gelooof aan droomen meermalen aanleiding kan geven tot vreemde gevallen, getuige o.m. het volgende staaltje, dat plaats vond in Demerara.
Een Indiaan stond nl. terecht wegens mishandeling van een zwarten man. Als reden gaf hij op, dat de opzichter hem bevolen had zoo te handelen. Wat! riep deze uit, heb ik u zoo iets opgedragen! Ja, antwoordde de Indiaan gebelgd, ontken het niet, duilijk hebt gij gezegd: ‘ransel dien kerel half dood.’ En ik heb uw bevel trouw opgevolgd.
En wanneer, vroeg de rechter. werd u die last opgedragen.
Verleden nacht in den droom, antwoordde de Roodhuid zonder aarzelen.
Ook aan de droomen van anderen hechten de Indianen veel geloof. Als voorbeeld kan o.a. het volgende gelden:
Eens vroegen wij aan eene vrouw of zij niet getrouwd was. Ja, luidde het antwoord, maar mijn echtgenoot vertrok ongeveer een jaar geleden naar de Marowijne, en sedert dien tijd heb ik niets meer van hem vernomen. Misschien komt hij nog terug, zeiden wij toen. Neen, klonk het antwoord, want een mijner familieleden heeft gedroomd dat hij thans met eene andere vrouw leeft. Dus ben ook ik vrij een anderen man te kiezen.
Niet alleen aan droomen van plaats gehad hebbende feiten, maar ook aan gedroomde voorspellingen hecht de Indiaan onvoor waardelijk geloof. Zijn echter de droomen te verward en onsamenhangend voor uitlegging, dan verklaart hij dit door te zeggen: mijn ziel was dronken of liever vroolijk. Hij beschouwt het tevens als zeer gevaarlijk om uit den slaap gewekt te worden, want het kan immers gebeuren, dat zijn rondzwervende ziel niet in staat is gauw genoeg in het lichaam terug te keeren.
Ook op andere wijzen raakt een ziel (kra of Akra der negers) soms den weg kwijt, hoewel dat slechts zelden bij slimme roode zielen plaats vindt. Zwarte en witte daarentegen raken meermalen verloren. En dit is de reden, waarom er zoovele idioten en krankzinnigen onder blanken en negers voorkomen.
Het maken van portretten zou tevens vele Roodhuiden naar hun graf leiden. Immers eene photographie is een gedeelte van den persoon, wien het voorstelt, want zonder dien persoon kon het onmogelijk gemaakt worden. Als zoo'n portret dus in het water valt of verloren raakt, dan heeft dit invloed op den persoon, wien het voorstelt. Deze wordt ziek en sterft meermalen. En wijl ieder blanke, die zoo'n levende oogkist (camera) bezit er naar hunkert, het portret van een Roodhuid te maken, kan het geen verwondering wekken dat er jaarlijks zoovele Indianen sterven!
Eens zelfs ontstak een Roodhuid bij het zien van zijn eigen evenbeeld, door ons gephotograveerd, zoo in toorn, dat hij uitriep: gij zijt een dief, want gij hebt mijn Iakale (schaduw) gestolen!
In vroeger jaren maakten de Arowakken teekeningen of poppetjes voorstellende hun grootsten Caraïbischen vijand. Vervolgens namen zij een tijgerklauw en krabten op het beeld of wel beschoten het met giftige pijlen, hetgeen vreeselijke pijnen veroorzaakte aan het lichaam van den getroffene, die zonder de hulp van den Piaai-
man nooit te weten kwam, wie hem zoo op zijn marconisch martelde.
Het bovenstaande werd ons verhaald door een Indiaan aan wien wij gevraagd hadden, zijn portret te mogen maken. Na het gezegde keek hij ons eenigen tijd nadenkend aan en sprak toen: ‘Er bestaat een wijze, waarop de kwade gevolgen kunnen voorkomen worden’. Hoezoo vroegen wij. ‘Wel, luidde het antwoord, ‘geef mij jenever, mijne vrouw limonade en mijn kind koekjes, en de zaak is in orde, want dan hebt gij mij betaald voor wat gij mij ontneemt’.
Hoe belachelijk klinkt het bovenstaande. En toch zijn er onder beschaafde Europeanen zg. professors in spiritualisme, die gelooven(?) dat als men een wassen beeld doortrekt met de geur van een slapend medium en men dat beeld prikt met een speld, de slapende eveneens op dezelfde plek aan het lichaam pijn gevoelt. Het spreekt van zelf dat deze professor(?) geloof moet slaan aan onze Indiaansche toelala!
De ziel, als beheerscher en gids van het lichaam werkt volgens den Indiaan door de zintuigen. Een zieke persoon dus, van zijn levensgeest beroofd, handelt in den blinde en praat dikwijls wartaal Hij wordt lusteloos, al zijne energie verdwijnt en alleen de Slangepriester is in staat de verdwaalde ziel weder op te sporen.
Zoodra een mensch sterft, verdwijnt de zielewerking of Indiaan uit zijne brekende oogen om er niet weder terug te keeren. Overal zweeft de vrijgeworden levensgeest dan rond en bezoekt dikwijls in den droom de zielen van familieleden en vrienden, ja het kan zelfs gebeuren, dat de zielen van levenden en dooden samen gaan jagen, feestvieren enz. Maar na eenige geslachten als de herinnering aan den afgestorvene verdwenen is, blijft de ziel voor goed weg en voegt zich voor altijd bij zijne stamgenooten in het Paradijs of de Mazwano.
In Demerara en de Orinoco gelooven sommige Caraïben, dat zij in het Paradijs de Arowakken als slaven zullen terugvinden.
Verdwaalde zielen blijven soms op Aarde, waar zij hun woonplaats kiezen in allerlei voorwerpen, bij voorkeur echter dichtgebladerde boomen, rotsen, den grond enz; velen dringen zelfs in dierenlichamen. Over het algemeen laten ze den menschen met rust mits men hen ook niet stoort door het noemen van verboden namen op ongelegen plaatsen en tijden. Want dan dalen ze af als joleka's en veroorzaken allerlei ziekten en dikwijls zelfs den dood.
De Indianen maken geen onderscheid tusschen de levensgeesten van menschen en dieren Daarom beginnen vele hunner legenden
met de woorden: ‘toen de menschen nog dieren waren’. Dieren kunnen tevens met elkander praten, terwijl de alarmkreet of lokroep van elken vogel, elk reptiel, zoogdier, insect enz, de naam is der soort, hoewel sommige zeer onduidelijk spreken. Andere weer hebben tevens namen die doelen op de kleur, de levenswijze of eene zekere overeenkomst of gelijkenis met andere voorwerpen. Vele dezer namen zijn hoogst eigenaardige symbolische voorstellingen.
De naam van elken levensvorm geeft tevens meermalen terug een hartstocht enz. die de soort kenmerkt. Zoo heet de Trogon Ulukwa (oorsprong van twist), Steenduif Tukuluwe enz.
Van elke specie zouden er drie zijn, die elkander gelijken Oppervlakkig schijnt dit zoo, o.a. bestaan er drie soorten Ara's. Stinkvogels of Gieren enz. maar de regel telt te vele uitzonderingen,
Wij vroegen eens aan een Arowak waarom er geen drie soorten Tapirs bestaan. Het antwoord luidde: Er is maar een specie, maar zij draagt drie namen. Ook andere dieren zooals de Jaguar, Piengos, Pakira's en Herten worden elk met twee of drie namen aangeduid.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.