‘Het Abo Apo begrip der Caraiben geeft in grondslag zooveel terug als de balanspunt p of b van de A en de O als vervat in het te voren genoemde symb. Alphabet Abo of Wapo, de voorste, de toorts, de staf enz. De A als zwaarder doet de balans kantelen, doch steeds achterste voren, zoodat vooruitgaande in den tijd de beweging toch achterwaarts naar het verleden geschiedt. In den Bijbel spreekt Jezus van abbah..., de eersten zullen de laatsten worden, hetgeen vrijwel met hetzelfde grondbegrip, teruggevonden wordt in de Ar. aanduiding aba, abba, abaro enz. de eerste, een, klaarblijkelijk in verband met ba of balo als wortelsyllabe van kruispunt en de gedane actie k-ba. Aba of Abaro duidt dan aan: het Kruispunt, de rijzing van de A, misschien ook vervat in A-da de Boom.
Aba of apa in het Car. beteekent de deeling, het rust of nietpunt (Maya pax) iets dat overnieuw gaat geschieden zooals wij ze vinden in kaba (gedaan) en laba weer, overnieuw in verband met den boog ulaba, erabali (Ar. aba abo), de veerkrachtige, de herrijzende precies als in den bijbel, de eersten zullen de laatsten worden, de Wil, de Wet van Oma en Amo, de voorste en de laatste Wapo, de po het wezen) de balanspunt p plus een? van Wa Ik, het materieele van Wo de menschheid, het Woord.
Deze breuk-verbinding heet ook wel A-mbo het wezen, de balans in de ruimte mbo van de A, A-mboko beteekent het plukken, afbreken. Apo of abo staat direct in verband met ab einde en a-bo, iets dat weer over vervult, herhaalt. Ze vormen tevens het grondbegrip van papolo lichaam of alles en papo, de aanraking, gevoel, proeven, d.w.z. beproeving. -B- duidt aan: de intrede zooals in bat- dat tevens de kruising beteekent.
Eenzelfde begrip als, Ah, de Heer, de herrijzende, vinden wij denkelijk in den Maya naam van den God der dooden Ah-puch, het woord puch doelende op ‘undoing’ (Brinton) alzoo een ontbinding, tevens herhaling, oordeel precies als in Hun Ahau, de Een-Heer, Hij, de Ah, die den mensch na den dood oordeelt, herschept, of wel in Kukul-kan, de God van Licht en kunde, de Vogelslang.
Het herrijzingsbegrip, de lossnijding, in connectie met brood als het lichaam kwam algemeen onder de Aztecs en Maya's voor, hetgeen de eerste missionarissen zeer trof, wijl zij daarin een christe-
lijken grondslag zagen. Te verwonderen is het dan ook niet, dat wij bij de Car. eenzelfde begrip aantreffen in verband met voedsel of kassavebrood aleba, arepa of erapali een naam die duidelijk op de herrijzing doelt. De kassave zelf heet ook kiere (herrijzende Ik). Bij de Trio's heet de kassave of brood daarvan (Manihot utilissima) wui, ui (Car. steenen bijl), evenals bij de Tupi's, duidelijk in verband met uilili ik. Bij de Apar. heet de kassave ouei terwijl de Maya's voedsel uil noemen. Kassave-meel bij de Trio's geldt als wako, mogelijk in verband met lichaam yi-waku-lu (de G.)
Bij de Upurui's draagt kassavebrood den naam uru, dat in het Car. beteekent overgang of oorsprong, herrijzing, als vervat in t-ulu-po, het hart en mogelijk eenzelfde begrip teruggevende als de Maya xul, het einde, dat weer begint. Bij de Arowakken vinden wij kassavebrood als kale (Kalli v. Quandt) mogelijk in connectie met ka de realisatie en kake leven, bestaan; of kasa, de eeuwige oorzaak.
Ook de Indiaansche wijn of kasili geldt als een hoog symbool van de ziel. De pujai-formule luidt zelfs dat kasili is de wewe-jumu. Maar de eigenlijke pujai-kasili is het roode sap van de Takini of Boom van Kennis. Door dit te drinken wordt een tijdelijke begeestering te weeg gebracht en zou de begeesterde al wat hij gedurende die periode leert, nooit weder vergeten. Maar of dit letterlijk, dan wel als symbolisch geldt, kunnen schrijvers niet oordeelen.
Kasili vormt het voornaamste offer aan Kalaipiu, de Ind. Messias Epetembo.
De Takini of Boom van kennis staat tevens in direct verband met takini gefluit, de harmonie als vervat in ta-kene de metaalachtige kleuren aan de rugvederen van de Trogon, de kleuren en talenvogel. Deze kleuren vormen den overgang tusschen licht en stof gelijk de kleuren van den regenboog. In verband met de slang geldt de Trogon als het symbool van vervulling, herrijzing van het vleeschelijke (gelijk een vogel in de lucht stijgt) tonolo, dat letterlijk op de vervulling van het verleden doelt evenals tonomu de reine vervulling aangeeft. Ook de Vleermuis duidt de opstanding aan.
Is het vorenstaande weer toevallig? Is het even toevallig dat Venus in de Maya taal den naam droeg van Ah-Zahcab met de beteekenis de Heer Ah, witte zac, water ab in verband met abil kind of wel de Heer met de witte (reine) hand of Naam, met Kabul de Scheppende Hand? En verder, dat dezelfde begrippen vervat zijn in de Car. O-kabu de oneindigheid, de Eenheid van Avond- en Morgenster of de Ar. en Eil. Car. okabo, de hand in verband met scheppen, maken en de Maya kab de aarde, Ar. Kasa-kaba, de dag?
Zou Lord Kingsborough mogelijk geen gelijk kunnen gehad hebben met te veronderstellen, dat Mexi of Mesi den naam van den leider der Aztecs uit Anahuac, op een gelijk begrip doelt als de Messias der Joden? En dat het Heilige boek der Mexicanen Teo-amoxtli kan vertaald worden als ‘Heilige boek van Mozes?’ Of is het toevallig, dat Pentateuch, volgens Webster, etymologisch beteekent: penta = vijf en teuch in verband met werktuig, boek bereiden, gereedmaken? Doelt dit niet op de Scheppende Hand (of Naam) merkwaardig genoeg in het Hebreeuwsch Kaph ( = Maya kab) geheeten, zooals men deze overal in Amerika aantreft? En zooals bij alle oude volken de hand als 5 gold, en zooals dit begrip voorkomt in Amoxtli of Amatl in verband met -m-, -n- als wortelsyllabe voor hand, maken, meten bij talrijke volken zoowel in het oostelijk als westelijk halfrond, en zooals wij het aantreffen in den naam Tamusi?
In allen gevalle Teo in de Mex. taal beteekent heilig (Grieksch theos in verband met Zeus en Sanskr. Dyaus) zooals het voorkomt in den naam van Godshuis of Tempel Teo-kalli (Car. tokai). waarvan het wortelbegrip ka in dit geval terugvalt op k-, o.a. in de holl. woorden kamer, koepel of eng. cave, cover enz. m.a.w. de Arysche grondslag.
De vorenstaande aanhaling lijkt wel waarheid als wij verder weten, dat het Heilige boek zijn grondslag of oorsprong vond in Tula of Tollan (Torah, de Wet), waarover te voren.
Wij willen niet verder hierop ingaan, maar o.i. berust het geheele leven, de levensgeschiedenis van Jezus Christus op een mathematische berekening in verband met de sterren, de Wil van het Oneindige. Evenals Zijn geboorte als het ware op de seconde af moet geschied zijn, toen de Cirkel van tijd, de 360ste straal zich sloot zoo was ook dat tijdstip de balanspunt de B. waarin de tijden zich vervulden waarop de geheele zwaarte van het Geheel rustte, en dat zich scheidende, ook het geconcentreerde van het Verleden medenam ten einde zich op nieuw te vervullen; gelijk een bol rustende op één balanspunt op een anderen bol. O.i. is de grondslag van alle berekeningen, namen, profetiën enz. in den Bijbel eenzelfde als die der Indianen, en dat evenals een komeet, de komst van eenen Nieuwen Messias kan berekend worden. Maar: ‘Het Licht heeft in de Duisternis geschenen, maar de duisternis heeft het niet begrepen.’
Nu zal het velen wel vreemd voorkomen, als wel wat overdreven om zelfs Egyptische en Sanskriet begrippen met Jezus in verband te brengen of te gaan beweren, dat Josua wel een verbinding van Jehova kon zijn met de S de Wil aan de medeklinkers of het licha-
melijke, doch men onthoude, dat o.i. het Leven, het Woord van den Schepper als Vervulling gold voor de Menschheid, niet uitsluitend voor een handjevol Joden. De Christus, de Waarheid berust niet slechts op overleveringen of brokstukken der historie van het Verleden, doch straalt ons toe uit elk stofje in de Levende Natuur. Zoo dit onwaar is, wat beteekent dan ons Geloof?
Maar, zal men zeker uitroepen: dat is geen godsdienst, doch zuiver occultisme of kabalistische voorstellingen, hetgeen wij natuurlijk niet ontkennen, evenmin als dat bij de Maya's de zondvloeden, gedachtenvloeden den naam droegen van bul-kabal hay-kabal, doelende op de Scheppende Hand en naam kab tot één vereenigd of beeindigd tot een lichaam of kind al, precies eenzelfde begrip als de joodsche kabala.
In allen gevalle, de oostersche magie berust op het begrip van de eenheid van het geestelijk beginsel in den Mensch met dat in de Natuur, krachtens welke eenheid de hoogere menschelijke wil heerschappij kan verwerven over alle lagere krachten. Het woord magie, Sanskriet mahant doelt letterlijk op de Grootleer doch staat ook duidelijk in verband met het wortelwoord ma de mathematica, maken enz.
Sanskriet(14) |
| Phala, Vrucht, gevolg; Pala Rex. |
| Bala, Zoon, kracht; bal leven. |
| Pad, Gaan, treden; para doorgaan; pasa verbinding. |
| Pati, Heer, Gebieder, gemaal. |
| Ap, Water; vak spraak, rede. |
| Apa, Af, van; vada, bada, kruisigen, pijn. |
| Bhar, Dragen. |
| Bag, Verdeelen; bangi deel. |
| Kar, Maken, vormen. |
| Ap, Komen tot. |
| Vat (bat) Verdeelen, distribueeren. |
| Kat, kata, Zeggen vertellen, geschiedenis. |
| Kad, Vrees, droefheid, ellende. |
Hebreeuwsch. |
| Ab, Vader, eerste pers., stamvader, oorsprong. |
| B-, Zoon. Chald. aba vader. |
| Bah, Intrede. |
| B-d, Een deel; b-d-d-verdeelen. |
| B-d, Maken, vormen; bat, slecht, onrein. |
| Caph, Hand. |
| Kab, Droefheid of wortelsyllabe voor bezwaring ellende als in het Car. ka, het bezwaarde ellende-kind, en de Maya kab en Sanskriet kad. |
Maya. |
| Paal, Zoon. |
| Al, abil, pal Kind; chibal dood. |
| Bak lichaam evenals bakel. |
| Bak, bakel Vleesch; balche dier. |
| Bak Penis. |
| Pax, paxan, Einde (= begin). |
| Ab, ha Water. |
| Pixan, de ziel in verband met paxan of wel met pix de kuie (de symb. voet van Epetembo). Cuxabal, de ziel in verband met cux leven, ab water en al kind (de herrijzing) een begrip, dat duidelijk op zoo iets als een herdooping doelt, precies als Pater van Coll opgeeft van de Arowakken en ook onder de Car. bekend. |
| Kab Hand, droefheid, tranen. |
| Ol, de ziel klaarblijkelijk een grondbegrip voorstellende als de Car. ol, el, il. ul en al, zoo iets als een her of overdracht werking, en ook duidelijk vervat in de Maya namen van kind, lichaam, de regenboog chel, of anhel recht staan, kab-il of kab-ul de scheppende hand enz.; lol de bloem (maagdelijkheid); uol willen, rondmaken volgens Brasseur tevens ‘vervulling’. |
Dat ab of ha als water in de Maya symboliek ontwijfelbaar gedachten aanduidt blijkt uit het woord drinken uku en stroom of vloed ukum, welke in het Car. denzelfden naam dragen in verband met uku weten, herinneren, ook duidelijk vervat in de Maya tukul (gedacht). Ook pu-ha het blazen van water ter opwekking van ‘spiritual power’ doelt daarop evenals Hun-ab Ku. de Een God die boven alle anderen stond.
Verder vinden wij in de Maya taal de steenen aks bat als de symb. aanduiding van de lossnijding van tijdperken (letterlijk alphabetten). Het woord doelt duidelijk op verdeelen en staat in verband
met batan, de voorste en mogelijk ook met de Tzental godheid Patol, die dan zou beduiden bat ziel ol. (Zie blz 69).
In het Hebr. stelt de A voor de Aleph. welke de hoorns van een stier aanduidt, doelende op den Leider, den Belastte.
De aks als symbool bij de Car. is de geest van houwen w-i, de w-i-w-i-jumu, eveneens doelende op vragen. Hiermede werd het symb. been van Epetembo afgehakt en lag hij daar gelijk een omgevallen boom wewe uwoi in het woud itiu, Hij de Wewe-jumu de Boom van Kennis, Vragen en Adem, vereenigend u, het geweten de menschheid woi, in de namen-vereeniging itiu. Een anderen naam voor steenen bijl is epipa, d.w.z. de verdeeler, splijter, tevens symb. het gezochte epi, niet of deelpunt pa.
Ook het steenen mes kwam als symbool veel voor bij de Maya's De hieroglyphen ervan stellen duidelijk het spiegel-kruis begrip voor. De naam was o.a. ta dat in het Car. aanduidt het voorzetsel ‘in’ d.w.z. de materieele terminatie. T- geldt tevens als een lossnijding. Bij de Car. volken heet het steenen mes Mali, Malia of Maria en heeft de beteekenis behalve van snijder, tevens m evenbeeld alia overdracht des lichaams, en staat in verhand met Malo of Maro het voegwoordje ‘en’, waarin besloten ma het materieele evenbeeld en lo het verleden of de levensvervulling, of wel m-alo. het overdragende; soms noemt men het mes ook Maja, het moederlichaam enz. Zooals te voren aangehaald, duidt de naam Mali onder de Arowakken aan: de Avondster, de Moeder, die baarde de Morgenster (Ik ben Ik). In het Sanskriet beteekent Marya einde.
Bij de Maya's werd het teeken der vereeniging ook voorgesteld als een spiraal of twee rug aan rug zittende personen, wier hoofden gevormd werd door een cirkel van puntjes, de spraak, het alphabet.
Zeer merkwaardig in verband met het vorenstaande is het feit dat de eerste letters van het Car. alphabet nl. oe = we de wortelsyllabe vormen van wewe boom, terwijl de laatste letter pe de vrucht teruggeeft. Toch heet deze pere, eperi en doelt letterlijk op de herrezen vader-vrucht tevens positieve gift of leer, Licht. Wij zouden dus kunnen veronderstellen, dat in de Car. symboliek de duistere?, de boom bestond voor de vrucht, de leer, het Licht, doch het geheel geeft meer terug hel begrip ‘eeuwige herrijzing’. Deze overgang van P naar W (gelijk de 13 manen van een jaar) geschiedt, zooals te voren aangehaald, door de letters p-b = ph = f, v, w ( = o), de vijf eersten zijnde een naam van vader in tallooze talen, evenals de m en n voor moeder. En, beweert de roode denker, de herrijzing zal geschieden zoolang de geest met de materie verbonden is
door het basis verbond in de kleuren imere = letters of ala van den regenboog palamu. Wordt dat letterverbond verbroken heeft de mensch den Boom van Kennis omgehakt, het Woord in materie gerealiseerd. (de proef op de som) dan zullen de talen en gedachten dooreenwarrelen gelijk stof in den wind tot een nieuw grondverbond zich vormt. Dan herrijst(15) de leidende Lijder, de Apose, de Staf de Wilskracht, en het Gekruisigde Woord, het Alphabet wordt gedreven door de talen en gedachten der volkeren om weder in de slangetijd-wateren te verdwijnen, eeuwig zonder einde, want de Okojumu, de Slangegeest, blijft maagdelijk door alle ruimte en vervulling amonumbo heen. Dan straalt, herrijst de staf, de toorts weder uit den nacht van het verleden in de gedachten der menschheid. Want het Woord, de vervulling Wo is mensch Wo, Ao = Oa, de A en de O, zoo leert ons de wijsgeer in een lendenschort.
Eenzelfden grondslag als het vorenstaande is vervat in de volgende Maya begrippen:
Che Boom; cheel, de regenboog, de el of rijzing, werking van che: chen de bron waarvan de hieroglyph samengesteld is uit de teekens moan (de vervulling, de Pleiaden) u de vereeniging en een figuur die overeenkomt met ben. Che = tevens boog.
Ich Oog, vrucht, tweelingen; symb. de wil in verband met ci zeggen enz.
Eb Een ladder; be doorgang, stap, stip.
Be che Een overbrugging.
Ben of been, in de Tzental legenden de naam van een voorvader, die de staande steenblokken met hieroglyphen (alphabet) oprichtte, en zijn naam daarop schreef.
Ben-ik. De gespiegelde doorgang ben van den geest ik (het eigen ik van den mensch, het kruis-kiem-centrum) in verband met Kin ich, het Zonneoog enz. De hieroglyph ik heeftschier eenzelfden vorm als kan nl. een boogvorm (als de hoorns van een stier) met drie lijnen eronder. Bovenaan staan 2 vierkantjes d.w.z. een recht hoek in twee deelen verdeeld. Beide vormen begrippen welke bij de Car. als een ‘Drie Eenheid’ gelden. Kan in de Maya taal duidt aan slang, kiem, spraak enz. en is het eerste teeken van het calender-systeem, van de z.g. vier windstreken (het Kruis) de Chac, d.w.z. kracht, water (gedachten) enz. Het duidt tevens aan het getal 4,
het eerste rustpunt onder het tellen. Het teeken komt ook voor in de Ghanan hieroglyph, de god van vruchtbaarheid en overvloed, welke zooals te voren aangehaald zoo nauw in verband staat met hemel caan (het hemelsch Kanan). In allen gevalle Ahau kan beteede Koningsslang, zoowel als Meester van woorden.
Nu wij eenmaal in dit werk eenige Sanskriet enz begrippen hebben aangehaald is het niet meer dan billijk ook een korte aanhaling te maken over de Boschnegers, vooral omdat deze reeds zoo lang vrij in het woud wonen en in contact gekomen zijn met de Indianen. Ten eerste, de hoogste Godheid der negers nl. de Aboma of Abuma een woord, dat evenals ase-ma, de ma van ase, beduidt: de ma van Abo, dat wij duidelijk en klaar terugvinden in de taal der Tsivolken aan de westkust van Afrika, door Ellis beschreven:
Papa, Vader, persoon.
Abbah, Kind, zoon; nimpa man.
Ah, ba. Het toekomende; bah intreden.
Ahboa, Dier, vleesch; boah helpen, verlossen.
Abonsum Magie, kunde.
Ah-huhm Adem.
Fah, Kiezen, deelen; effah een deel, een half.
Fi Uitkomen.
Num Drinken, unsu water.
Bobowissi, de Hoofdgod, volgens Ellis etymologisch van bobor blazen en wissu wolk verduistering, hetgeen o.i. correct is, wijl in Suriname wisi ontwijfelbaar doelt op bekoring (verduisteren van oogen). Toch staat het woord duidelijk in verband met boh maken, vormen, wi wikken, iets met voordacht doen en si, in aanzijn brengen, bouwen enz.
Bohsum. Naam van mindere goden, volgens Ellis afgeleid van boh vormen en essun ellende, hetgeen niet onmogelijk is wijl in Suriname de twee verschrikkelijkste ziekten nl. tering bohen en melaatschheid bohasi nauw in verband zouden staan met de Aboma, voorgesteld als de watra-mama (watermoeder), de syrene, de tijd, en met den symb. Boom van Kennis (de Kankantree).
Bohsum geldt tevens als de naam van de maan en staat ontwijfelbaar in verband met assum woorden, spraak enz.
Abu-meh-su de vrouw van God Bobowissi en doelende op abbah kind enz., meh ik, mij en su water vloeiing, weenen.
Buh consideratie, overwegen.
Een andere naam voor God bij de Tsi-volken was Nana Nyan kupon volgens Ellis aanduidende: Nana grootvader (stamvader) welke
den in Suriname zoo bekenden naam draagt van Anansi, de wijze, de listige, de spin, die met voordacht haar web vlecht. Nyan staat verder in duidelijke verbinding met nyan ontwaken, herrijzen; nyankum regen (vervulling) nyan konton regenboog; anyum kundige in verband met ahnu cijfers; naynsa wijsheid; onyan het heelal, de hemel. Volgens de missionarissen is N. een oorspronkelijke godheid; volgens Ellis zou het begrip van christelijken oorsprong zijn.
Suhman een individu, precies als in het negerengelsch suma(16).
Ieder inwoner van Suriname kent voorzeker of heeft weleens gehoord van het Aboma begrip des negers, ook aangeduid als Papa-uma de Vader-vrouw, evenals de Car. Tamusi, de maagdelijke Vader. In Abo vinden wij tevens eenzelfden grondslag als Obia = sophia (wijsheid).
Het spreekt van zelf. dat als al het vorenstaande letterlijk wordt opgevat, er sprake is van een afschuwelijken slange of phallusdienst o.a. indien wij de Sanskriet pala, bala aannemen als phallus of de Maya bak en bakel naar de letterlijke begrippen daarin besloten. Maar dit is geenszins het geval in de Car. symbolen, waar datgene wat doorgaans voor phallus of slang wordt aangezien in grondslag het begrip Woord, de staf van het Alphabet teruggeeft. Evenzoo bij de Maya's; en zou men zelfs geneigd zijn het woord bak tevens te ontleden als b-ak, de b van ak de taal.
Zelfs onder de Boschnegers, die als het type van slangenvereerders gelden, komt het symbolisme overal voor, o.a. in den vorm van een slang, een kruis, een ei, dat plastisch vertaald, doelt op den phallus, de kruising, het kind, doch in werkelijkheid teruggeeft: de tijd, de Gekruisigde, de Zoon of de herrijzing. Dit is absoluut het begrip vervat in de Car. symbolen.
Maar omdat de zg. primitieve volken nu voor zekere lichaamsdeelen enz. nog geen gezelschaps namen bezitten, wijst dit volstrekt niet op verdierlijking, doch meer op een aartsvaderlijke levenswijze Dat zij, zooals men uit vele boekwerken zou geneigd zijn op te maken, steeds in het dierlijke wentelen, dat is laster. De zucht tot voortplanting toch blijkt geenszins beperkt tot den barbaar. Lichaams-vereering komt meermalen voor onder zg. christelijke sekten, die de gezondheid des lichaams als hoogste goed beschouwen, geheel
vergetende, dat de leider geleden heeft en dat de meest humane ook het meest moet lijden, want zonder lijden geen barmhartigheid die het kenmerk vormt van mensch!! Een maatschappij van blakend gezonde menschen als hoogste ideaal, wijst op phallusdienst, want de reine liefde ontbreekt daar waar geen lijden bestaat om haar te voeden. Moet men den Messias opvatten als de Lijder Jezus, de Leider in lijden en liefde, of wel als het type van de volmaakte Gezondheid? Want is het de geest, die levend maakt, of is het de materie, die leeft?
Ziekte, schande en berouw zegt de afgodendienaar, zijn beproeving, in tegenstelling met z.g. Christenen, die beweren, dat ziekte = zonde, omdat de zieke een innerlijke kracht bezit, zichzelf te genezen zonder medicijn. M.a.w. volgens den barbaarschen denker, kan ware naastenliefde alleen bestaan, daar waar de ellende voorkomt, want uit de ellende is de barmhartigheid geboren.
Verder komt voor zoowel bij de Maya's Aztecs enz. het begrip van den vogel als vleesch in verband met de slang. Dit duidt in de Car. symboliek aan: het vleeschelijke dat omhoog stijgt, gelijk een vogel. Een vogel vechtende met een slang is het symbool van het vleesch rijzende boven den tijd. Dit komt algemeen onder de Car. voor en is ook duidelijk besloten in de vogelslang der Maya's en de vogel boven het kruistablet te Palenque enz. Maar dat er van een werkelijk gevecht tusschen een slang en een vogel geen sprake is blijkt uit pujai teekeningen in ons bezit, waarbij de strijd wordt voorgesteld in den vorm van een versierd Kruis. Van een vogel of slang valt niets in de teekening te bespeuren. Het gebeel vormt echter een meesterwerk van symbolisme.
Maar natuurlijk, indien de geleerden van dezen tijd niet in staat schijnen de gedachten vervat in de symbolen van Negers en Indianen naar waarde te schatten, hoe zullen zij dan ooit dat wonderlijk kunstwerk, den Bijbel, bevattende het geheim van het verleden leeren kennen?
Hoe zullen zij die geheimzinnige cycles of cirkels in woorden, talen en toestanden begrijpen? Dat deze cycles werkelijk bestaan, bewijst ons de negertaal in Suriname klaar en duidelijk. Bv. het eng. horse is verbasterd in asi, een woord dat vrijwel overeenkomt met het Sanskriet asva of asvin, bekend duizenden jaren voor Chr. evenals einde pasa in verband met het eng. passed.
Een andere wijze van voorstelling is bv. wanneer het eng. carry verbasterd wordt in tiari, maar wanneer wij vinden, dat de wrong op het hoofd een tjitiari heet, evenals een kuif van een vogel, de
kronkeling eener slang, dan blijkt duidelijk daaruit, dat er gelijkenissen gevolgd zijn, even duidelijk als wanneer de kra (geest) van iemand in een krabasi kalebas, basi, of baas van de kra wordt opgeborgen. Koni-koni komt mogelijk van het holl. konijn, doch koni (eng. cunning) duidt ook kennis aan, en het Sur. konijn, de Aguti (Dasyprocta aguti) geldt zoowel bij Negers als Indianen als een kennis-symbool. Sutu komt van het eng. ‘shoot’ doch duidt ook aan: steken, prikken, als in de Car. taal.
Zoo zijn er honderden uitdrukkingen, die alle een neiging vertoonen terug te vallen op één oorspronkelijke begintaal, gebonden aan éen physisch alphabet. Onze voorvaderen kenden ontwijfelbaar deze grondtaal van gelijkenissen, volmaakt geschapen in de eerste ‘Ik’ die geleefd heeft. Deze spiegelwet lost als het ware de talen op tot hun oorsprong, de oertaal. Dit kan evenwel moeilijk geschieden bij geschreven (gestremde) talen, doch vormt zich snel en zonder schokken in de monden der natuur-menschen, die niet gebonden zijn aan een gramatica met een vrouwelijke dij en een mannelijken voet aan een onzijdig lichaam.
De donkere natuur-mensch volgt de gelijkenis zoowel in klank als uiterlijk en komt tot dezelfde conclusie als de witste onder de blanke professoren.
Het is zoo studeerkamerachtig gemakkelijk dit natuurproces uit te maken als een chaos van dierengeluiden. Maar dan komt ook onwillekeurig de vraag bij ons op: Welke soort, welke vorm van geluid moest de Schepper toch gebruikt hebben, om niet door de hedendaagsche wetenschap als dierengeluiden te worden bestempeld? Dit is een vraag, die een antwoord vordert, geen ant-woord. Onbeantwoord is nog ook de vraag waarin eigenlijk het verschil bestaat tusschen materialisme en phallusdienst. Inderdaad, naar de Car. begrippen te oordeelen, schijnt deze laatste geenszins den grondslag der primitieve volken geweest te zijn, doch een verbastering, een opvatting van de materie als hoofdzaak, een aanbidding van het Ideaal der gezondheid en der vermenigvuldiging, in alle opzichten gelijkend op het Ideaal der moderne beschaving.
Het vorenstaande toont o.i. duidelijk aan, dat het begrip van een grooten Zondvloed, een groot Vuur niet op zulk een kinderlijken grondslag berust als de zich onfeilbaar wanende Modernen ons zouden willen wijsmaken. Integendeel, de Genesis van Mozes, de toestanden in den Bijbel beschreven, hebben een veel hechteren grondslag dan vele der z.g. onwrikbare kaartenhuis dogma's van Prof. X of Prof Y in 1900, die maar aldoor herstelling vorderen ten
einde de bewonderende menigte te beletten tot de ontdekking te komen, hoe hol soms de gewaande steenkern van hun kleurigen afgod is. En toch, een ieder bemint de coquette Sophy!
Gelijk elk jaar een mathematisch zuivere periode van schaarschte en overvloed, droogte en regen, koude en warmte bezit, zoo geschiedt zulks ook in ruimeren zin, en elk tijdperk, elke cycle kenmerkt zich door een op en onder, een gaan en komen, een balans van goed en kwaad. Elk stofdeeltje, elke seconde gehoorzaamt deze Wet van Tijd, die in en om ons zich vervult, oppervlakkig schijnbaar gelijkmatig, doch in grondslag sprong of schoksgewijze gelijk een bliksemstraal. De legende van Epetembo, het spiegelkind, dat gemarteld werd in de vervulling konopo, het dwalende doodde, en Kennis voedde met de leer, de overlevering harer eigen denkbeelden geeft dit op meesterlijke wijze terug.
In zijn werk: Hist. of Eur. thought merkt Dr. J.T. Merz o.m. aan, dat vele der moderne wetenschappelijke denkwijzen van zeer oude bronnen afstammen, zooals b.v. de wet van aantrekkingskracht, de theorie der atomen enz. Maar, voegt hij craan toe, het was de wetenschappelijke methode, die ontbrak ten einde deze vage gissingen van philosophen en dichters tot waarheid en mathematische zekerheid te vormen.’
Wat hiervan aan zij, of Dr. M. uit de nagelaten brokstukken van Grieksche philosophie wel (volgens Sir Ramsay) het recht bezit over hun wijsheid zoo te oordeelen, kan achterwege gelaten worden.
In allen gevalle, het begrip van den ongeleerden Car. Pujai omtrent de atoom enz. berust niet op een droombeeld of gissing, maar op een logischen, wetenschappelijken grondslag, al is deze slechts geschreven in het boek der natuur en niet in groote folio's En dat hij deze atoom amo, amu(17), aanduidt met denzelfden naam als ‘maagdelijkheid’ enz. kan alleen beantwoord worden met de vraag: ‘welke professor, geleerde, philosoof, theoloog zou een betere aanduiding voor dit begrip kunnen vinden?
Het is bv. ‘hooge wetenschap wanneer de Fransche professor M. Camille Saint-Saens den mensch bij een boom vergelijkt en zijn ontwikkeling naar een wet van ‘ramification’ of vertakking, doch slechts een droombeeld wanneer de Car. denker (en klaarblijkelijk ook de Maya's, Aztecs enz) hetzelfde beweert. En dat hij tevens deze
wet in verband brengt met het Kruisgetal 4, de Werkende Hand terwijl hij de aderen, enz. van het lichaam met denzelfden naam imite aanduidt als de wortels van een boom. De mensch toch is volgens dezen zg. barbaar, het spiegel-Evenbeeld van het Geheel, de Boom van Kennis in materie.
De begrippen in de vorenstaande letters van het Kruis-Alphabet vervat, herhalen zich in de geheele Car. taal. zoodat deze een aaneengeschakeld systeem van symbolen voorstelt, waarvan wij ons slechts met moeite een begrip kunnen vormen, en welke als wartaal, klinken zonder den sleutel. Op OEI of OWI, een, als de ‘Ik’ werkende Drie-Eenheid WEI (scheppende zucht enz.) valt alles terugde U zijnde een vereeniging tot Weiu, de Zon (het Vragend Antwoord) die als Centrum der Licht-sfeer door Ma met de aarde of het lichamelijke verbonden is. Het woord Weiuma beteekent zooveel als Zonnemaagdelijkheid, Zonnemoeder enz. De U vormt als het ware een overgang van de emissie E tot de materie-vormende A. Samen stellen zij o.m. voor de vervullende vragende O-W en het antwoord Eiu, Aiu, Ja enz. o.m. vervat in de aantrekking en afstooting zoowel der symbolische als der physische Zon.
Alzoo werkt de OEI door de cel verbinding, grondslag of maagdelijkheid Amu, Uma tot voortbrenging der Vervulling als geest en lichaam Jamu, in de Car. symbolen aangeduid als Wajamu. Amu heeft tevens het begrip van ‘maken’. T-amu is het volmaakte precies als in onze taal vol-maakt en vol-maagd en welke aanduiding wij weder vinden in den naam van God Tamusi; alzoo de maagdelijke Wil of volmaakte Wil, zelf enz. Het Geheel vormt een soort miniatuur Scheppingsgeschiedenis: ‘De Drie-Eenheid door de maagdelijkheid, de grondcel enz. vervullende, verwekt door de S (wil) in de L (leven, bekoring) de K (kennis, kiem) welke ontkiemende, gaande G, termineerende T, weerspiegelend N, voortbrengt de Vader-vrucht P.-B., waarna door de M het proces zich herhaalt, het geheel voorstellende een eindeloozen Cirkel.
De OEI zich vereenigende U-MA de atoom, vervult door de stimulatie S in de lijn L, de vibratie R, welke veroorzaakt de kromming K en golving G, die termineerende T, draaiende D, negatief weerspiegelend N (d.w.z. los en toch gebonden als een beeld in een spiegel) voortbrengt de positieve force-punt P die de perceptiepijlen bevat, waarna door de B-M werking het Cirkelproces zich herhaalt.
Gelijk de letters, zoo ook de woorden, zoo ook de talen. Elk is door een gelijkenis (een reflectie van het brein) afgeleid van een ander. Alle zijn dus aan elkander gespiegeld door de Wet der ge-
lijkenissen en harmoniën, doch alle vallen terug op één bron, een grondslag, een Alphabet, een OEIUA (Jehova, Hebr. Iehouah).
Naar Car. opvatting is het Heelal, het Licht, de Ether alzoo vervult met kleuren = geluiden, als trillingen, krommingen, spiralen, punten, lijnen enz, alle evenwel gebonden aan de Wet der Cirkel-Eenheid, die als punt of cel in spiralen voortbeweegt, zoowel in het oneindige als in het nietige, de werkingen van duister en licht.
De P-B. is alzoo een punt-, een concentratie force-werking omvattende de draaiende, spiraalvormige pijl-trillingen, de geperste punten, waarin omsloten alle begrippen van af de O. Deze vibraties worden o.m. aangeduid als leri ipe. Het symbool is een kleine schelpsoort van denzelfden naam, die er uitziet als een dunne peperhuisvormige spiraal in een punt eindigende; men vindt ze overal op koele plaatsen onder steenen in tuinen enz.
Ook bij de Maya's gold de punt, het niet, als een schelp, genaamd puy. Pu bij de Kiches en Cakchikels was de aanduiding van force (evenals bij de Car.), Hunahpu, de een hun, heer ah, force pu (Brinton Cal. p. 22). Eb, be der Maya's stelde evenals bij de Arowakken voor ‘stappen of puntjes’; evenzoo Euob der Tzentals, E of Ee der Kiches en Cakchikels alsmede pija der Zapotecs enz. Zooals Brinton zegt: ‘aan de schelp was in de Maya symb. een eigenaardige heiligheid verbonden. Het kleed van sommige priesters had een rand uit de schalen samengesteld.’
De Car. P-B-werking geeft alzoo terug een positieve persing, een magnetische force, energie, waarin een afstootende en aantrekkende kracht, die door het Heelal perst en voelbaar is, overal waar zich materie bevindt. De verbinding tusschen Aarde en Zon heet o.m. poko(18), de balanspunt, de p van oko twee. Of wel de Licht-balans pioko, hetwelk tevens de beteekenis bezit van glans, spijker, gelijk een evenbeeld in een spiegel gebalanceerd, gespijkerd, gespiegeld wordt. Evenzoo zijn Zon, Maan, Aarde en Sterren aan elkander gespijkerd, gebalanceerd gespiegeld enz. in het Licht. De balansgeest Pokojumu staat tevens in nauw verband of is het gevolg van de Wokojumu of werkende tijdgeest; verder Tamusi enz. Poko geldt
tevens als de aanduiding van het voorzetsel ‘op’, wijl naar Ind. logica er geen balans, noch ‘op of onder’ kan bestaan, zoolang er geen twee oko zijn.
De punt van aanraking tusschen Aarde en Zon wordt o.m. ook wel de symb. navel po-ete of bo-ete genoemd, d.w.z. het zijn of wezen, de balans van den naam (in verband met Epetembo) zooals vervat in het grondbegrip der navellooze d.w.z. naamlooze maagd de Okojumu, de ongeboren tijd en in de Moeder, de Schoonmoeder het begin van alle dingen Imenote, d.w.z. reine moeder der Waarheid, doch onreine moeder der Dwaling.
De puntwerking is het centrum van de Spiraal-cirkel-kruis-verbinding. Zij vervult Mbo, het + × teeken Mbo-to. Mbo wordt aangehaald als een bol, een cirkel met een +, een breuk A-mbo in den omtrek. Dit woord geeft tevens terug het einde, terwijl O-mbo begin beteekent, de mbo van de A en de O, gelijk o.a. twee kruiken door een holle pijp verbonden. Evenals de ase geeft zij terug de werking der Owaliana of Owalirana, welke wij niet anders kunnen vertalen dan bij benadering als de Vervullende Zingende Handde spiraal-draaiende lichtharmonie der atomen en moleculen (stof en licht) of wel de Centrum-vervulling of Kleurenreflectie, de melodie der materieele gedachten. In boerentaal beteekenen deze woorden zooveel als ‘Teellichamen’. Het plastische symbool is de Awari (Apossum) die tot 12-13 jongen in één dracht voortbrengt, of de Awala (palm) waarvan de vruchttros een ovarium voorstelt, in verband met de Awala-jumu het Palm-sterrebeeld, de moedergeest van bekoring der voortteling, der wala (soorten enz.)
De volgorde en herhaling der letters of klanken hebben wij uit de taal afgeleid, bv. de w in de s die in het Car. systeem schier eenzelfde grondbegrip voorstellen. Volgen wij evenwel de cijfer-spiegelwet, dan zou de orde der letters veranderen, nl. de U, 4 zou gespiegeld zijn aan de A, 5; de I, 3 aan de S, 6; de E, 2 aan de L, 7 en de O, 1 aan de K, 8, waardoor gevormd wordt Au Ik, Si de wil, Le het leven, Ko het gebod of samen Sileko, het symbolische Heelal-centrum, het Ziele- of Leergebod, de Ster, de Eenheid der Zevenster. Toch gelden in het Pujai-systeem de allerhoogste werkingen als de mannelijke Aloko (opstanding) en de vrouwelijke Alisili (zicloverdracht), welke beide niettemin ondergeschikt aan de DrieEenheid OEI. Symbolisch staat de Pujai-volgorde der letters in verband met de namen der cijfers, waarvan die boven de 5 welke de werkende Hand voorstelt, zich elk een bijvoeging of evenbeeld toime of toine vormt. Alzoo de 0, 1 in de 6, s; de 2, e in de 7, l; de
3, i in de 8, k; de 4, u of de Uma in de t, 9 of vervulling. Daarna herhaalt de 1, O zich weer in het negatief of de 10, N enz. terwijl de U zich weer in de 13 repeteert. Een andere symb. naam voor de 9 is ojabatiu d.w.z. o vervulling, ja lichaam, ba herrijzing, tiu groei, zaad of wel owi aposi tuwepoje, een stafomwenteling; de 10 heet dan imiala, de la of materieele gelijkenis van imia het einde, doelende op het centrum van een kruis, dat den naam imiakeli (einde gelijkenis) draagt. De gewone naam van 10 is ana batolo (handkruis) of gedachte-kruis enz.
De eerste klinkers en eerste medeklinkers vormen woorden zooals ‘Hij’ Mose, de wil, de stimulatie der ruimte; ose de liefde, enz. alsmede de verschillende verbindingen van de -s-, -m- enz. waarover nader. In de 9 T, of terminatie zon een nieuwe vervulling zich vormen, die in de 10 N een nieuwe reflectie voorstelt enz. In deze opsomming is de M als 6de of 13de letter weggelaten. Het geheel duidt evenwel cen Cirkel aan zonder begin of einde. Maar dat er bij de vorming der woorden in de taal, een plan, een wet gevolgd is, kan o.i. niet betwijfeld worden.
In het Latijn vinden wij dat het Alphabet wordt aangeduid als Elementa. De etymologie van dit woord, zegt Max Muller, is niet recht duidelijk. De grieksche aanduiding stoicheion staat in verband met stoichos, een staande paal, vooral een gnomon of Zonnewijzer. Het woord duidt schier hetzelfde aan als stichos lijn, en stochos punten, mikken (gelijk een pijl). Verder zegt Muller, dat het achtervoegsel eios = latijn eius aangeeft de qualiteit, het wezen van iets... en dat in de radü, welke de Zon beschrijft in haar dagelijkschen omloop op den zonnewijzer, de uitlegging van het woord stoichea te vinden is, n.l. uren, letters woorden en cijters, elementen in systematische en begrijpelijke orde.(19). Dit is de eenigste zin, waarin Aristoteles en zijne voorgangers het woord konden bedoeld hebben. Toch gebruikten de oudere geleerden bij voorkeur de aanduiding rizomata of wortels (Car. imite) voor elementen. Epicurus zou gezegd hebben: ‘de atomen komen bij elkander gelijk letters en vormen ontelbare woorden.
Uit het vorenstaande blijkt o.i. duidelijk, dat het grieksche en Car. begrip omtrent de elementen en het grond-alphabet op een gelijken grondslag berusten.
Doch keeren wij tot ons onderwerp terug. Naar de Car. theorie, kan er een verband bestaan tusschen de geschreven figuur, de tijd en het brein van den schrijver. Bv. onze o als een kring, een vulling, de e als een korte l, de cijfer 0 als een negen maal vervullende of voor een getal een 9 maal verkleinende werking enz. Maar juist door deze teekens op papier te zetten, elk op zijn wijze maken wij een omweg om terug te vallen bij het begin, nl. de kennis van Datgene wat kennis voortbrengt. M.a.w. “Gij zult geen gelijkenis maken van uw God” doelt naar Ind. philosophie op de letters, op schrift, want het Woord is God en door Het neder te schrijven verminkt gij Hem, realiseert gij de Gedachte Onu als stof ana (lichaam). Er is een tijd geweest toen de geheele menschheid één spraak sprak gelijk elke vogel, elke diersoort enz. thans een eigen aula bezit. Maar toen zij, Alitialowa-puite, de tongen doorsneed, toen greep de Tunupere (beschaving) om zich heen, en er ontstonden talen.
Ook de oude Grieken enz. hadden eigenaardige begrippen over den oorsprong van letters en schrift waarin zij eveneens een soort van melodie of phonographische werking zagen. Democritus (430-410) beweerde o.a. dat woorden statuten (beelden, figuren) waren in geluid. Aristoteles in zijn Metaphysica’ sprekende over Leucippus en Democritus zeide met betrekking tot de letters: de A verschilt van de N door haar vorm, AN van NA door de volgorde der letters, Z van N door positie. O.i. doelt het vorenstaande op een gelijk begrip als de Car. aula, wale, wala, het woord, de harmonie, de soort of materieele zang. En toevallig als het moge klinken werden de klinkers in het Sanskriet aangeduid als svara.
Brinton schrijvende over het Maya alphabet van bisschop Landa, meldt, dat hoewel het tot nu toe geen oplossing ten gevolge heeft gehad van de meening der hieroglyphen, het toch bewezen heeft, dat de Maya's in staat waren, phonetische klanken, zooals de letters van het Spaansche Alphabet in figuren op papier te brengen.
Hetzelfde kan gezegd worden met betrekking tot het symbolisch schrift der Car. Pujai's van dezen tijd. Ook zij kunnen klanken en woorden in beeldschrift op papier brengen. Inderdaad hun wijze van voorstelling van de vervulling O enz. als een cirkel van puntjes, komt vrijwel overeen met eenzelfde begrippen in het Landa Maya alphabet waar de O als een kruik en een cirkel van puntjes (spraak) wordt opgegeven, precies als bij de Caraiben het begrip van de holle vervullende waterkruik enz. Het geluid van de O zelve heet in het Car: olemi, het licht-evenbeeld mi van het hart ole en alle begrippen daaraan verbonden. Maar nogmaals herhalen wij,
het zijn zoover ons oordeel gaat niet letters zooals de beschaving ze opvat, die de Pujai zich voorstelt maar beginpunten met een vage meaning een concentratieharmonie in elk.
Eenzelfde begrip vinden wij denkelijk terug bij de oude Egyptenaren die hoewel zij een phonetisch alphabet bezaten, toch van het beeldenschrift gebruik maakten, waarover nader. Maar hoe het ook zij, trotsch als wij mogen zijn op onze moderne ontwikkeling, het niet ontkend kan worden, dat het schrift niet zooals sommigen beweren, de photografie vormt der gedachten, doch een zeer gebrekkige teekening, een caricatuur, waarin in vele gevallen het origineel slechts in vage omtrekken te herkennen valt. De taal is heilig zegt Max Muller. Het Woord was bij God en God was het Woord, zegt Johannes.
Wij herhalen nogmaals nadrukkelijk dat de Indiaansche begrippen niet met zekerheid kunnen vertaald worden omdat de aanduidingen in onze taal daartoe ontbreken. Wanneer wij spreken van de zilverkleurige Ether E, waarin de elementen opgelost zijn, dan bedoelt dit de kleurharmonien die zouden ontstaan door Duister en Licht, als het ware dus een oplossing van beide; datgene wat kleur voortbrengt in de aardsche voorwerpen, een soort van olieachtige kleuren licht glans, gelijk aan de oppervlakte van een zeepbel, m.a.w. naar Ind. opvatting als ons oog zoo groot was als dat der zon zouden wij om ons heen niets anders zien dan kleuren waaruit alle materie in grondslag bestaat. In de pupil van het oog lost het beeld van een landschap zich op in kleuren, het spiegelbeeld, en het verstand, de ziel drinkt die kleuren in, gelijk het zonneoog den regenboog vormt. Die kleuren imere zijn evenzoo vele letter - begrip - oplossingen, waardoor elk ik, elk schepsel met de schepping verbonden is, m.a.w. gelijk de Zon het brandpunt vormt van het Licht zoo vormt ook het oog een brandpunt waardoor het Licht in het verstand dringt. Maar de ziel zelve, datgene wat het Licht indrinkt is eeuwig zelfverlichtend, gelijk de Zon, gelijk de vuurvlieg puju, Zulke begrippen als eke ete ele ere enz. kunnen alleen gedacht, maar niet vertaald worden. Bv. ele of ere stelt voor de re-werking, de lijntrillingen, de etherharmoniën, zang, leeren, leven enz. Met een M vooraan alzoo mere, vormen zij de begrensde kleurenteekeningen, letters enz. Met een P geven zij terug de symbolische vruchten, de trillende lichtpunten peli, pere enz. In de L of R is tevens besloten de bekoring, de aantrekking doch de aardsche kleurharmoniën, lijnstralen, de aardsche bekoring, melodie, onderwijs enz. worden aangeduid als la al ala ra, enz. de L-trillingen in materie.
Toch doelt dit niet op de kleuren, die dezen naam dragen doch op de harmonieering van één kleur tot een lijn, gelijk bv. Palamu of Paramu (regenboog), een woord dat o.a. beteekent ‘de Cirkelvereeniging (druppeling) mu der tot punten p, pe- concentreerende lijn trillingen of kleurharmoniën ala uit de materie, die alzoo wordt opgelost, waaruit door het licht wordt getrokken, de daarin zich bevindende kleuren tot één lijntrilling vormende een cirkel, de zang der kleuren enz. de Ik, de beweging wa in de lijn le, de harmonie wale. Men kent een mannelijken en een vrouwelijken regenboog.
Maar de grondslag van alles is het evenbeeldvormende, de m, de spiegeling, reflectie n, de gelijkheid of harmonie-lijn l-r- der kleuren i-mere i-mene. Deze melodie, deze oplossing, harmonie (gelijk de regenboog) vormt het verband (verbond) de aantrekking en afstooting in den spiegel one van het Heelal, van Licht en Duister zoowel in materieelen als symbolischen vorm. Daarom wordt de Regenboog ook wel aangeduid als de Zonneboog of wel als de vederkroon Umalidi van het duistere Joleka, de Ewalu-mu.
Bij de Indianen zijn kleurharmoniën, bekoring, zang, onderwijs, leven, dood, werkingen uit eenzelfden oorsprong, nl. de Lichtslang Ikili, de Okojumu of Moedergeest der Slang enz. de spiraal-draaiing der bollen, cellen lijnen enz. in het Licht en den Tijdvullende ruimte Mo-mere en O-kabu. Zooals te voren aangehaald geldt de Regenboog als een cirkelverbond van God, deGedachte in de Zon, het Licht met de materie, van Woord, van kleur en stof, van den Bloedwreker met de Aarde. Bij de Maya's heette het land van kleuren enz. Tlapallan, welk woord een synoniem is van Tula (onderwijs) waarover te voren. Tlapallan wordt beschreven als gelegen naast het Paradijs. De regenbooog heet echter chel of ix-cheel de vrouwelijke regenboog in verband met Itzamna die een der voorstellingen vormt van Kabul, de werkende Hand van God enz. Bij de Eil. Caraiben heette de regenboog Alamulu of Juluka (Ar. Jawale) comme qui diroit plume ou pannache de Dien (Rochefort). Merkwaardig is tevens de naam Itzamna in verband met de Baikiri aanduiding van hand kz-ama, hetgeen in het Car. beteekent ‘De Werkende’.
De letters, woorden en begrippen in het Car. taalsysteem vormen symb. opvattingen van de voorwerpen die ze voorstellen. Bv. wanneer wij in een boek lezen ‘visch’ dan geeft dat woord dadelijk terug wat ermede bedoeld wordt, hoewel niemand in het papier en de letters visch zal gaan zoeken. Zoo ook de Indiaansche taal. De levende visch stelt bij hen voor wat het schrift voor ons is. Hij
duidt aan een woord, een letter uit de Ind. alphabetisch gerangschikte en gelijk de dieren geclassificeerde mathematisch geordende Scheppingsdictionaire, waarvan de grondslag het Alphabet der natuur vormt. Zijn werking is het symbolische levensbegin; daarom heet hij w-o-to d.w.z. wo de wording, de bewegende, de wil w- van de o, de vragen, vervullingen, de Naamlooze, de mensch. In materie wordt hij wa d.w.z. ik, mij, aardsche wil, beweging. Wo stelt tevens voor het allereerste, het woord, waarmede de schepping wotopo in aanzijn gebracht werd en wijl wo tevens symbolisch ‘mensch’ beteekent zooals blijkt uit de woorden wokili man, woli vrouw enz., kan het geen verwondering wekken, dat de Indiaansche legenden steeds luiden: ‘toen de dieren nog menschen waren of omgekeerd hetgeen doelt op het begrip ‘de mensch is de schepping enz. of zooals de Car. Pujai het uitdrukte: de jumu van alles is wo mensch. woord geluid enz.
Hoe het ook zij, er bestaat o.i. hoegenaamd geen verschil tusschen een philosophie, op vorenstaande wijze tot ons overgebracht, als een, die in den loop der tijden met al hare feilen in een groot aantal folio's werd neergeschreven. Weinig had Max Muller, toen hij de handschoen opvatte voor Bisschop Wilkins en zijn philosophische taal, kunnen denken, dat er werkelijk zulk een taal bestond niet berustende op boekwerken doch op feiten en gelijkenissen in de natuur, een soort levend beeldschrift, voor den rooden philosoof even leesbaar en logisch als voor een modernen geleerde een standaard werk van zijn voorganger. Laat morgen de Caraiben van Suriname zeggen: ‘wij willen in steden wonen’ en er zullen zich plotseling paleizen verheffen met vreemde symbolen, hieroglyphen en beeldhouwwerk, even kunstig als in Egypte, Palenque enz. Want alles bestaat reeds in het Boek der natuur; er ontbreekt maar de ‘Wil’ om de details over te brengen op papier, steenblokken enz. En niemand zal toch willen ontkennen, dat een persoon, die in staat is zulk fijn kunstig werk te leveren als bv. een Indiaansch sigarenkokertje, ook wel een paleis zal kunnen bouwen. Doch terecht merkt Prescott op: ‘de pyramiden van Egypte, de tempels van Anahuac enz. zijn het werk van slaven en niet van vrije menschen. M.a.w. eerst wanneer het Monotheïsme, de Geheeleenheid, de Geestelijke God niet meer bevredigt, wanneer de geest zich tot pantheisme neigt, zich in stof tracht te realiseeren, wanneer de mensch zich het denkbeeld vormt van een Uitverkorene, een God, een volk in materie, dan eerst ontstaat het Imperialisme en de leeraar die den tijd aan banden legt (neerschrijft) het Realisatie-proces met de eeuwige ver-
vulling of uitkomst: Ik ben Ik, het Eeuwige Cirkel-Kruis. Dan eerst herinnert de mensch zich weer, dat alleen het Lijden de Leider kan zijn, want Hij alleen is de Rechtvaardige, de Barmhartige, de rechte Lijn, de Eli.
In de beschaafde maatschappij van thans vindt hetzelfde plaats. Laat morgen alle werklieden technici worden en het is voor goed gedaan met den bouw van hemelhooge paleizen, oorlogsschepen enz. De Caraiben van Suriname beweren, dat hunne voorvaderen dat standpunt eens bereikt hadden toen alle philosophie zich geconcentreerd had in één geheel, een geestelijke wetenschap, die alleen gedacht, maar niet kon neergeschreven worden. Toen door Epetembo de grondslag van het leven verklaard was, hetgeen een gelijkheid voortbracht waarvan nog afstamt het gebruik om: gezamenlijk manioc te kauwen ter vervaardiging van reine paiwari m.a.w. een wijze van opvatting van ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap en Naastenliefde’ welke ongelooflijk en walgelijk klinkt in onzen tijd van Dokter-orakels, bacterien-vrees en academie-geleerdheid. M.a.w. wat wij meesterstukken van het genie noemen geldt bij den rooden wijsgeer als het materialiseeren van nuttelooze denkbeelden ‘streven’ geldt bij hem als heerschzucht, individualisme als egoïsme enz. En wij noemen den man in zijn lendenschort een barbaar, omdat wij hem niet kunnen overtuigen, dat het blanke ras volmaakt moet zijn of zooals Brinton schrijft: ‘That the world's Evil must be the world's Law.’ Als een geleerde bv. op een monument een Lam zou geteekend zien, waarnaast drie hieroglyphen vormende het woord ‘wol’ dan zou hij ontwijfelbaar uitroepen ‘Eureka, dat woord doelt op de vacht van het Lam; wij hebben dus mogelijk te doen met zoo iets als een voormaligen wolhandel of anderszins. Dat is logisch. Toch zou het evengoed mogelijk kunnen zijn, dat er in het woord “wol” tevens de beteekenis van “mensch-leven, levenswoord-vervulling” enz. opgesloten lag, precies als in Car. systeem, m.a.w. een gelijkenis doelende op de karaktertrekken van een lam, nl. onschuld enz. evenals in de beschaafde maatschappij een photographie doorgaans meer zegt dan kolommen schrift, terwijl het origineel zelf weer beter is dan de photo; alzoo een cirkel. En de Egyptische priesters moeten dat zeer goed geweten hebben, want zij maakten van het beeldenschrift (d.w.z. natuurlijke stenographie) evenveel gebruik als van het phonetisch alphabet. En wij zijn overtuigd, dat de Genesis van Mozes op eenzelfden grondslag berust en dat de Grondgedachte van alle volken dezelfde is en was, als die zich thans gevormd heeft tot een Cambridge, een Leiden enz.
Het vorenstaande toont duidelijk aan, dat het Car. Godsbegrip op een vereering van Naam doelt als zoodanig, omvattende alle vormen waarin zich de vervulling of het stoffelijke nono voordoet. De voorstelling dus van sprekende dieren, wezens die hun naam uitspreken, berust alzoo op een logischen en o.i. even verheven grondslag als in het Oude Test., waar ook van sprekende dieren wordt melding gemaakt. Vele Car. legenden doelen hierop, doch zijn tevens symbolen in verband met het door een dier voortgebracht geluid, dat de naam zou voorstellen. Elke levensvorm toch spreekt zijn eigen aula woord en heeft zijn eigen wale harmonie, leven enz. Er zou een tijd geweest zijn toen de mensch deze taal verstond, begreep.
Door geleerden wordt deze denkwijze in den regel aangeduid als totemisme of animisme d.w.z. dieren-vereering of wel, zooals Brinton zich uitdrukt..... it was not the beast that he worshipped, but that share of the omnipotent deity which he thought he perceived under its form..... As von den Steinen accurately says: wir müssen uns die grenzen zwischen Mensch und Thier vollstandig wegdenken.’ Verder zegt de heer B.: The totemic animal is, to the native mind, by no means identical in traits with a member of the existing species... In some cases, doubtless, the natives themselves came, in time, to confound the symbol with the idea, by that familiar process of personification and consequent debasement exemplified in the history of every religion; but I do not believe that a single exemple could be found where an Indian tribe had a tradition, whose real purport was that man came by natural process of descent from an ancestor, a brute, regarded as so..... For the totemic eponyon, or original forefather of the gens was not considered to be a brute merely but one of mighty primal spirits to whom(20) was given or who had assumed the brute form.
Uit deze verschillende opvattingen over totemisme en animisme blijkt, dat zelfs volgens schrijvers, die al wat godsdienst aangaat, willen terugbrengen op natuur-mythen, totemisme geenszins als een absolute dierenvereering moet beschouwd worden. Wanneer ethnologen echter, zooals von den Steinen als hun meening te kennen geven, dat de grenzen tusschen mensch en dier steeds moeten weggedacht worden, dan vervallen zij logisch in de verkeerde gevolgtrekking van den ‘mensch’ als dier te beoordeelen, natuurlijk zichzelven altijd uit het eerste oogpunt beschouwende en hun donker
uitzienden broeder (e.g. geestelijk slachtoffer) als het ‘brute?’ Deze denkwijze is thans het leidend (lijdend) beginsel, d.w.z. een mode-dogma geworden der hedendaagsche ethnologie of philosophie. In alle moderne werken treft men haar aan. Elke nieuwe schrijver draagt zijn steentje des vooroordeels bij om te stapelen op den reeds opgehoopten berg, onder den wijdschen naam ‘anthropologie’.
Te recht protesteert dan ook Sir William Ramsay tegen deze valsche theoriën. Hij zelf verklaart de studie der vroegere beschaving en godsdienst te hebben beschouwd uit het oogpunt der evolutieleer. Hij zegt: Nowadays we are all devotees of the theory of development; it is no longer a theory, it has become the guiding principle of thought and mind; we must see development everywhere. But in my own case I found so many facts that did not fit in with this theory, that I was compelled to abandon it, at least in its narrower interpretions... The primitive savage who develops naturally out of the state of Totemism into the wisdom of Sophocles and Socrates, or he who transforms his fetish in the course of many generations through the Elohistic stage into the Jehovah of the Hebrews, is unknown to me. I find nothing even remotely resembling him in the savages of modern times. Nothing is easier than to arrange religions in a series from the lowest to the highest and to assume that this series represents a historical development, but nothing could be more misleading... Accepting the Totemistheory as the key of truth, I was forced by the evidence to the view that degeneration is the outstanding fact in religious history, and that the modern theory often takes the last products of degeneracy as the facts of primitive religion... The theory of a ‘fall’ of- man is actually necessary to explain this decay. Ancient civilisation perished almost utterly! few specimens of its literature survived; far the larger parts of its institutions etc. disappeared from practical life and can barely be guessed at now, as some saner ideas of the ancient world are being recovered.
Verder wijst Sir R. op de verwoesting der barbaren uit de middeleeuwen enz. en oppert dan de vraag: is there reason in this or mere blind chance and foolish caprice?
Max Muller schrijft: ‘hoe meer wij teruggaan in het verleden, hoe hulpeloozer wij de menschelijke taal vinden om uit te drukken datgene wat van alles het moeilijkst weergegeven kan worden, nl. ‘het godsbegrip’ Deze opvatting echter berust grootendeels op een dogma, want het is duidelijk de geleerde die hulpeloos wordt niet de taal. De afwezende heeft altijd ongelijk. ‘Ik’ ben altijd vol-
maakt en smaal op de missionarissen, die overal duivels met realistische hoorns zien, doch volg zelf ‘the fashion’, die al wat geen diploma op zak heeft of een overvloed latijnsche phrases kent, als een idioot, een barbaar brandmerkt. ‘Ik’ kan dit veilig doen, want de idioot kan zich toch niet verdedigen. Buitendien bestempel ik mijn opinie altijd met den schoonen naam ‘anthropology of phy(sic)a. En anderen die dit lezen zullen dan doordrongen worden van mijn knapheid, al begrijpen zij mij ook niet altijd; de groote latijnsche woorden geven den doorslag.
Wij legden het vorenstaande over totemisme en animisme uit aan de Caraïbische Pujai's, onze vrienden. Hun antwoord, dat wij als curiosum laten volgen luidt als volgt: ‘Wat gij daar zegt, blanke, is... laster. Want zoo gij slechts een klein gedeelte der taal kendet van het volk, dat gij oordeelt zou uw conclusie anders luiden. Zoo als zij nu staat is zij het oordeel van een Papegaai die den Mensch wil beoordeelen naar de enkele woorden, die hij zonder de meening ervan te kennen, zoo maar napraat. Wij weten zeer goed waarom wij de beschaving vreezen, wanneer zij met hare valsche begrippen onze opvatting van Naam als dierenvereering wil brandmerken. Wij hebben u nooit als slaven gediend, noch geestelijk, noch lichamelijk want wij kennen u, gij.... uzelf rein wanende lasteraars met uwe groote boeken en groote woorden, gij Toekans met een tong, gelijk een veder, met uwe holle, ratelende kleurige snavels, grooter dan uw kleinen kop. Gij moet ons wel als geestelijke dieren beschouwen om uw heerschzucht en tirannie te vergoelijken. Uw meening deert ons weinig. maar zij verlaagt u tot het peil waarop gij ons wilt nederwerpen. Gij vernedert de Gedachte, die u en ons geschapen heeft, gij vereerders van vleesch, den Tapir, voor wien slechts stof bestaat, gij Woka (nachtzwaluw) lasteraars van een evenmensch. Gij, die van alle vogels het meest gevlekte vederkleed, den kleinsten snavel maar den grootsten muil bezit. Gij, wier stem uit het duister klinkt, maar uzelve ziet men niet. En zoo men u bij dag stoort, neemt gij uw broed met den bek op, en draagt het naar een veilige plaats.’
Hoe overdreven en barbaars klinkt het vorenstaande niet in de ooren van velen. En toch, het zijn schier dezelfde woorden door den philosoof Novalis gebruikt nl. ‘Het ideaal der moraliteit heeft geen gevaarlijker vijand dan het Ideaal van den Sterkste, van den Gezondste, den Krachtigste das ‘Thier-Ideal’(21) waaraan wij toe-
voegen dat mogelijk binnen afzienbaren tijd gesteund door het officieel materialisme onder het motto ‘physica en anthropology’ alle naastenliefde uit den mensch zal verdrongen zijn. Hoedt u voor de Slang en den modernen Uil van Minerva die in het duister kan zien doch wegkrimpt voor het Licht. Want hare klauwen zijn dikwijls die van het Imperialisme het Vooroordeel, het recht van den sterkste.
Zooals Brinton dan ook terecht opmerkt: ‘If we inquire the secret of the happier influence of this element in natural worship, it is all contained in one word - its humanity.’
Hieraan voegen wij nog toe met betrekking tot de Caraïben van Suriname: ‘dat zij geen dieren vereerders zijn, en dat het woord animismus op hen toegepast door andere schrijvers, onjuist, onwaar, “Laster” is, een zg. volgen van een ethnologische philosophische laboratorium mode, die op zich zelf verliefd absoluut in zichzelf de volmaaktheid, de uitverkorene wil zien. Arme barbaren, waarvan sommigen verondersteld worden geen woorden te bezitten om boven de 5 te tellen, zoodat wanneer zij b.v. 7 kinderen bezitten er 2 kunnen verloren raken zonder dat zij zich daarvan bewust zijn. O! die idioten, die wanneer zij tellen in stede van te zeggen 7 gebruik maken van 5 + 2. O! die wijze blanken, die zeggen een en twintig twenty one!! O! die snuggeren die een oordeel vellen over die wilden met hun: Kaine (oordeelt) uw broeder niet. In allen gevalle voor hen, die den primitieven mensch niet als idioot beschouwen, staat onze meening klaar en duidelijk, en is gebaseerd op natuur en psychologie(22). Wij weigeren dan ook volstandig de volgende dogma's van Brinton te accepteeren, nl.: The primitive man was a brute in everything but the susceptibility to culture; the chief market of his time was to sleep, fight and feed.... but the maxim to be remembered is that there was never any moral, never any historical purport in them (myths) in the infancy of religious life’ Maar wel geven wij toe ‘that carelessness, preposessions and ignorance have disfigured the aboriginal religions with false colors.
Zooals een ieder, die eenigszins mythologie bestudeerd heeft wel zal weten is de vorenstaande gevolgtrekking gebaseerd op het feit, dat er vier windstreken bestaan, water, een zon, een maan, dieren enz. altemaal onloochenbare waarheden, doch hoe daaruit de conclusie te trekken van de idiootachtigheid onzer voorvaderen, is
duister. Maar natuurlijk het geldt als een denkbaarheid en daarom is het waarheid (sic). Vraag aan een dame waarom zij de mode volgt, en haar reden klinkt even logisch. Met betrekking tot de Indianen wordt een soort van ziftingsproces gevolgd en al wat in hun denkwijze logisch klinkt als van Europeeschen oorsprong aangemerkt. Het spreekt van zelf, dat zulk een proces tot vreemde resultaten moet leiden. In allen gevalle, de Car. philosophie bevat begrippen, die de blanken niet kennen en daarom ook onmogelijk aan de Indianen kunnen geleerd hebben.
Onze conclusie luidt dan ook, dat wijl elke opklimming of ontwikkeling het gevolg moet zijn van een eenzelfde vroegere ontwikkeling, alleen de philosophie van den apostel Paulus daaraan een voldoende verklaring geeft; nl. ‘onderscheiden zijn de gaven, maar het is dezelfde Geest.’
Men onthoude steeds, dat de Caraïben waarover wij schrijven, geen mythisch uitgestorven of verdrongen volk zijn, dank zij het hollandsche en engelsche bestuur van geloofsvrijheid. En dat de Pujai's de symbolen grootendeels nog kennen en begrijpen, zoodat de werken van alle geleerden, die beweerd hebben, dat er slechts kinderlijke meeningen in de symbolen der Indianen vervat zijn, thans in de paperassenmand thuis behooren??
Doch keeren wij tot ons onderwerp terug. De werkingen, het physische verband, zooals zij in de letters vervat zijn, vormen slechts vergrootte begrippen of harmonie-concentraties, die alle terugvloeien op de OEI werkende door de Amu. Dikwijls echter wordt achter de i een n geplaatst alzoo Owin, Oein of Oin doelende op de Gespiegelde Een, die den grondslag vormt van de volmaakt geschapen gedachte Onu enz. De O of W, de? tevens de vervulling, samen met E voorstellende We, de vragende emissie, de zucht, begeerte, het werkende woord, de wil Ik, herhaalt zich in de eerste medeklinker S; de E in de L, terwijl de K of kennis, kiem, het licht I terug geeft. Daarna herhaalt zich het proces. De O en S in de T; de E en L in de N, terwijl de P het gevolg is van I en K.
Alzoo naar Car. opvatting wordt het menschelijke lichaam (d.w.z. alle stof) opgebouwd uit licht en duister en leeft hij door den grondslag E. De materie, de stof is dus niets dan een tijdelijk omhulsel, door den geest om zich heen opgedacht in verband met de Gedachte van het Geheel, een tijdelijk verblijf dat verlaten wordt zoodra de berekening volbracht is(23).
Het alphabet, de letters en hare werkingen vervullen de tijden. Zij vormen de symbolische Zonneslang, de Okojunu, de Ikili. Op een plaats po, mbo draaiende ijlt zij voort gelijk een schroef wase-nakeli of otumejan erema-me. Het bekorende oog Onu der Zonneslang is mat, mattend; zij brengt het lieve leven voort, dat in grondslag echter niet gradueel geschiedt doch plotseling, gelijk een kiemafzetting, gelijk een beeld in het water gereflecteerd, gelijk de tijden zich plotseling vervuld hebben en weder zullen vervullen. Gelijk het laatste individu van een soort even plotseling sterft als de kiem die voortbracht het eerste individu. Tusschen deze liggen de vervullingen, de evenbeelden. Want de tijd, de ruimte is oneindig, doch het stoffelijke vormt een cirkel. En voegen wij eraan toe, gelijk plotselinge verbindindingen der elementen. Ons geheele lichaam is één groot chemisch laboratorium, dat schoksgewijze werkt.
De geheele grondslagwerking geschiedt naar Car. philosophie gelijk het tikken (de 6 punten in een cirkel) van het hart ole, tulupo (de?) de levensvervulling, harmonie ole-mi. Elk monu, bloedcelletje, tikt, doch alle vercenigen zich in het hartegetik. Zoo ook de Zon, het hart der schepping, der ruimte mo of mon. De een tikt snel, de ander langzamer of zooals de Pujai het zeide: gelijk een wiel, waarvan de omtrek snel en het as langzaam ronddraait in denzelfden tijd, gelijk een horloge en een groote klok die eenzelfde uur aangeven. Het tikken is symbolisch vervat als honig (symb. cellen en zoet genot; snijden wano bengapo, hetgeen beteekent wa (de o en de a) beweging, de behoefte, hartstocht enz. no gespiegelde vervulling en aanduidt ‘dat wat uit iets in een ander gespiegeld is’, een gapo gaping, opening, het wezen, positief van gaan, ontkiemen, de afsnijding, een holle cylinder enz. Het proces wordt aangeduid als regelmatig op elkander volgende kruisen en ruiten als cellen in een honigraat en als vervat in de Sarkombo-mere, de kleurige Lichtslang, wijl naar Ind. opvatting alle materie in grondslag uit kleur cellen bestaat, en dat de harmonieering van elke kleur plotseling geschiedt, gelijk in den regenboog. Elke kleur- trekt haar spiegelevenbeeld me aan, d.w.z. rood trekt rood, groen trekt groen, doch stoot een andere kleur af bv. rood stoot groen en blauw enz. af het proces vervat in -l- of -r-, als in de lichtkleuren i-mere gelijk als aan de rugvederen van de Tapujana (Innerlijke force lichamen) de Jacamars (Galbula sp,) Dit aantrekkend en afstootend plotseling proces der kleuren valt in grondslag terug op de E werking als vervat in OEI, de wewe.
Het centrum van het honigkruis is de kiem, het brandpunt (focus) vuurpunt Ik, ik, pi, be enz. Het brandt als vuur wato, wapo, als vervat in de toorts wapano, de wilskracht wapose, het symb. alphabet enz. Wa zooals te voren aangehaald is tevens synoniem met sa as, asi, snelheid, zelf zuiging, stimulatie, zucht enz., en doelt eveneens op het centrum van het kruis. Sa komt ook voor in sapa lokaas, sanomu liefde enz.
Eenzelfde begrippen vinden wij klaarblijkelijk terug in de Maya hieroglyph ben-ik volgens Brinton: ‘beweging (verbinding) en leven, macht (ik = kiem). Het teeken geeft terug op meesterlijke wijze een spiegelbeeld o.a. als een ovaal door midden gedeeld in twee evenwijdige lijnen. In elk deel is een krul met 4 punten er naast, en beide staan tegenover elkander omgekeerd als in een spiegel En merkwaardig genoeg geeft M. Brasseur het teeken ben-ik tevens op als een variatie van men (mehen = kind, evenbeeld; nen = spiegel) en legt het tevens uit als een rups (chenille) het Car. symbool van de plotselinge werking. O.i. echter lijkt de figuur meer op een pop waaruit de vlinder ontwaakt.
De Bijgod kwam overal in de Maya manuscripten voor in verband met Venus, de force of roode ster enz. De bij zelve heette xanab xux (xux = wesp) en komt voor in connectie met vuur enz.
Ook bij de Eil. Car. vinden wij eenzelfde begrippen terug met betrekking tot het tikken van het hart. O.a. geloofden de Caraiben van Martinique dat waar zij maar een pulsatie ontdekten, er een geest bestond, ondergeschikt echter aan één, die in het hart zetelt.(24)
Zooals te voren aangehaald doelt dit begrip van de kern-pulsatie of de werking van het alphabet. Het hart toch heet ole levens-vervulling of vervullende harmonie of wel tulupo in verband met o-tulupo, de Vraag enz.
Samen vormen de dertien letters den naam Ete van den Naam-looze Oto, gespiegeld als Epetembo. Zij stellen voor den Wil, de Gedachte-Eenheid, de vereenigende Vervulling:
ONU of UNO.
Dit laatste woord beteekent omkeerende of gereflecteerde gedachte onu, de U toch zijnde de vereeniging van OEI, die zich weerspiegelend N, vervult O, Als brandpunt dezer gedachte, van den Wil, de reflectie geldt de Zon Weiu, terwijl het denken of de gedachten, het hart van God zelve o.m. den naam draagt:
WEIU KN-ONU-SA-N NUNO TA WEIUMA
hetgeen letterlijk luidt: de Zon denkt, vervult de Maan vol schijn, vol materieele tijd, doch tevens meerdere begrippen bevat, waarover nader. Een andere aanduiding luidt: Nonumbo of W-onuto d.w.z. Mijn Gedachte- of de Wil vervulling. Een der hoogste pujai-formules klinkt als IEOUA (de klinkers) of Weiu i-mere-n, de zonneletters of kleuren, het schrijven der Licht-vereeniging, die haar antwoord in stof realiseert. Bij de Upurui's heet de Zon Sisi, klaarblijkelijk in verband met het werkwoord is- willen. Verder nog dat een uurwerk, een compas, een glazen lens eveneens door hen wordt aangeduid als sisi (de Goeje).
De omkeerende of spiegelgedachte wordt hoogst merkwaardig ook bij menschen teruggevonden. Iemand, die veel breinwerk doet geraakt soms overwerkt en dan gebeurt het, dat zijn verstand omkeert. Zonder het zelf te weten schrijft hij dan een schrift, dat alleen leesbaar is, wanneer het in een spiegel weerkaatst wordt. Soms onder het schrijven, treedt reactie in, en kan de schrijver zijn eigen schrift slechts in een spiegel lezen. Tot zelfs hij kinderen komt dit voor, getuige o.a. een zeer eigenaardig geval door Dr. Vaughan Pendred beschreven.
De spiegelgedachte was ontwijfelbaar aan de oude philosophen bekend getuige o.a. Heraclitus (503), die o.m. schreef: ‘woorden zijn gelijk de schaduwen der dingen, gelijk de beelden van boomen en bergen in de rivier weerspiegeld, gelijk ons eigen evenbeeld als wij in een spiegel kijken.’
Het vorenstaande komt in alle opzichten overeen met het Caraibische begrip. En wij zien niet in waarom indien wij in de oude schrijvers lezen over onomatopoea (het maken van woorden) of als Aristoteles woorden mimemata (imitaties) of gelijkenissen noemt, dit moet opgevat worden als zou de taal uit dierengeluiden enz. ontstaan zijn. In de Indiaansche philosophie is de Taal wel verbonden met de dierengeluiden, doch deze worden als onderdeelen beschouwd die samen vormen de Eenheid-harmonie vervat in het Alphabet, dat alzoo een concentratie van verstand, van denkbeelden, van geluiden voorstelt, gelijk een plotselinge verbinding, gelijk species genera, familiën enz. vereenigd zijn in orden, klassen het Geheel. Zonder dit Alphabet kon de mensch nooit het hooge standpunt in het Geschapene innemen dat hij thans doet. En dat niet alleen geleerden, maar ook de meest zg. barbaarsche volken.
De oude philosophen waren twee (tegenstrijdige?) meeningen toegedaan nl. of de taaloorsprong natuurlijk (physei) was of kunstmatig (thései). Een ander woord was nomo (besprekingen?)
De oude Grieken geloofden tevens dat er een diepe, mystieke wetenschappelijke uitlegging ten grondslag lag aan hun mythologie, Anaxagoras en zijne volgelingen zouden de geheele mythologie van Homerus uitgelegd hebben. Zeus (wiens 7 dochters in de Zevenster huisden) was de Gedachte enz. Het zou ons te ver voeren verder hierop in te gaan. Wat echter de uitsluitend historische uitlegging van sages betreft, moeten wij aanmerken, dat deze ons als de meest onaannemelijke theorie voorkomt. Zelfs legenden zooals die van Poncet de Bretigny in het eerste deel van dit werk aangehaald blijken bij nadere inspectie te berusten op een geheel symbolischen grondslag, meer overeenkomend met een sage van het type van den trek der Joden uit Egypte, het goede dat het kwade overwon. De legende van de Steen-Indianen, hoewel verbonden met de komst der blanken in Suriname, blijkt in grondslag heel iets anders te zijn als men weet, dat er in het Indiaansche Paradijs slechts de Se of Wil- taal gesproken wordt. Men moet in aanmerking nemen dat naar de opvatting van den rooden philosoof gebeurtenissen, feiten zich herhalen, vervullen (vervellen) evenals de seizoenen, omwentelingen der sterren enz. Leg den tijd de Okojumu, de Ikili, de Onu, aan banden, trek uit haar, schrijf haar neder in wetenschap en het is slechts Uzelve, dat gij ziet, voelt, hoort, slechts één Ik, door U in Zijne onderdeelen ontleed. Want wij zijn allen slechts de Nu (gedachten) van een Monu (zwangerschap) een cel enz.
Het spreekt van zelf, dat overleveringen berustende op zulk een grondslag, even oud kunnen zijn als het menschdom zelve, hoewel ze handelen over feiten, welke betrekkelijk kort geleden geschied zijn. Inderdaad, zulke legenden hebben in zich kiemen van historische feiten, welke zoo lang geleden plaats vonden, dat al wat wij ‘geschiedenis’ in onze boekwerken noemen, slechts als van gisteren moet zijn.
Zoowel de cirkel van Zang, Wale, de Zon, als de Cirkel-eenheid der dertien letters, stellen een immer gespannen cirkelboog voor, die voortdurend nieuwe pijlen afschiet alle op zichzelf snellend asi weder vereenigd asu in een op zich zelf vloeiende pijl-vereeniging asiupe, klaarblijkelijk eenzelfde grondbegrip teruggevende als de Sans kriet Asvin de Zonnepaarden in verband met asu snelheid, ashu pijl enz. Verder komende zonnepijlen voor in connectie met ala kleuren, leer enz. als o.a. in den regenboog palamu. Van daar den naam van boog elapali, kulapa of ulaba d.w.z. de veerkrachtige, de herinnering of herdeeling. De door den boog afgeschoten pijlen heeten symbolisch ipe, ibe, -p-, -b- of wel epeli (vruchten). In materieelen
vorm gelden zij als pulewa, mijn levensforce, oudervinding en staan in nauw verband met het levensgetal 3 oluwa, elewa of olewa de Levens-Ik of overdraging.
Hunne werkingen zijn gelijk de slag apotu van den sidderaal (Gymnotus electricus) de er of ele van den donderslag en den bliksem kabe-kabe (spraakpijlen). Het oog, de gedachte richt in het licht de pijlpunt, de force apo in den arm apoli spant den boog ulaba, en de trillende lijn de leri ipe, eperi wordt voortgedreven naar het doel. De hand heeft den knots aputu, apatu op en de force putu (ondervinding-) van het beest brengt den genadeslag toe. Maar in dezen is tevens besloten de weerslag, apa, abu en gelijk gij schiet zoo zult gij ook beschoten worden.
Bij de Mexicanen vinden wij klaarblijkelijk eenzelfde begrippen terug. Stralen, zonnestralen miotli zijn pijlen mitl.
Het symbool van den pijl uit den cirkel geschoten, kwam voor overal in het Oosten in verband met de 12 beelden van den Dierenriem.
Alle oude volken regelden volgens Flammarion, hun calender naar de Pleiaden en begonnen het jaar met den stier (symbool force).
De pijlen van Apollo waren force-pijlen, evenals de stier Apis der Egyptenaren en andere volken.
Op de oudste Assyrische standaards treft men den boogschutter in den cirkel aan, alsook de stieren.
Een oude Arabische figuur van den Dierenriem, voorkomende in Flammarion's werk, heeft als centrum de vorm van een Uil (symbool wijsheid) in een cirkel, omringd door de 12 beelden.
En thans volgt als vanzelf de vraag: Zijn deze begrippen slechts toevalligheden? Hoe dan ook, de immer gespannen zonneboog stelt bij de Caraiben van Suriname het symbool voor van force als vervat in aantrekking en afstooting; en dit is o.i. ook de meening in de oude dierenriemen. Maar natuurlijk als de moderne redeneerkunde in alles uit het verleden den idioot af anthropomorphischen aap meent te zien, dan vallen de begrippen onzer voorvaderen en ook de Bijbel in de termen: parelen voor de zwijnen.
De Eenheid van Dertien of de Gedachte, de Geest in stof vormt naar Indiaansche opvatting dafgene wat èn de stof of materie èn de beweging daarin voortbrengt, d.w.z. vervult, gelijk de slang Okoju, de symb. tij Okojumu. In de cijfers hebben wij de optelling gemaakt in de vertikale rijen tot 9. De juiste berekening moet echter loopen tot 13, zoodat het geheel een zuiver vierkant of liever een kubiek blok van cijfers vormt. Wat ons tot de ontdekking van deze Wet leidde was het feit dat bij hunne berekeningen
met betrekking tot de sterren, de Roodhuiden op andere wijze te werk gaan dan de blanken. De symbolische maanmaanden van een jaar worden berekend in verband met de Zevenster. Hun aantal bedraagt 13, de nuno of manen van een jaar; 1 + 3 = 4, het Kruis getal enz. welke het Pleiadenjaar van 364 dagen vormt of 4 dagen meer dan het Cirkeljaar van 360 dagen.
Voor ons die noch sterrekundigen noch wiskundigen zijn is het onmogelijk de vreemde wetten in het vorenstaande vervat ten volle te begrijpen. Dat deze wetten niet bestaan, kan iemand alleen beweren door te zeggen, dat zij toevallig zijn hetgeen ons onmogelijk voorkomt omdat wij niet kunnen toegeven, dat er toevalligheden in mathematische berekeningen kunnen bestaan. Doch hierop komen wij nader terug onder de beschrijving der hoogst merkwaardige Indiaansche sterrekunde, welke in grondslag klaarblijkelijk dezelfde is als het calender-systeem der Aztecs van Mexico, Egyptenaren enz. hoewel natuurlijk alle berekeningen gebaseerd op een en denzelfden sterrenhemel elkander moeten gelijken.
Zoo geheimzinnig zijn de Indianen met betrekking tot het Pujai-systeem dat wij niet met zekerheid kunnen zeggen of deze Force-wet hen nog ten volle wat cijfers betreft bekend is. Dat zij haar bestaan en hare werking kennen, zijn wij overtuigd en blijkt ook uit de Taal zelve. Wij hebben eens een Pujai onder het opzeggen van een formule een berekening zien maken in lijnen, krommingen en punten. Toen hij gereed was, sprak hij. Dit is de mere grondslag hoe de sterren draaien in de Alawali. Het geheel leek een ingewikkelde, meeninglooze teekening. Maar welke moeite wij ook aanwendden hij was ongeneigd de vereischte verklaring te geven. Een andere Pujai, zijn duim op den grond rustende vormde met de overige vingers een cirkel, zeggende ‘de cirkel van elken vinger is grooter dan de andere, maar alle hebben eenzelfden tijd genomen om gevormd te worden, om reden dat zij allen het werk zijn van één Hand. Zoo ook de wet der Tijden en der schepselen.
De Force Wet van Dertien draagt bij de Indianen verschillende namen, al naar gelang de werking, die zij eronder willen te verstaan geven. Vooreerst Nuno mbo, Nuno-mere of Nuno-po, letterlijk de Weerspiegelende N omgekeerde gedachte Uno(25) zijn of wezen po; po is tevens datgene wat ten grondslag ligt aan popo, den bodem
de grondstof, het stoffelijke, de werkende force. Alzoo beteekent Nuno-po het zijn of wezen der Gedachte, de Gedachten in stof-, of de Gedachte-forcegrondslag enz. No is tevens datgene wat de Nono of Aarde-stof vormt. Mere zijn letters, berekeningen, teekeningen enz. Mbo geeft aan een verbinding, tevens een breuk of kruising, gelijk twee kruiken door een pijp verbonden. Een andere naam is Nuno Wala. Wala beteekent zooveel als ‘een ding, een aardsche soort, een figuur. Alles op aarde heeft en is een Wala, een materie geworden zang, vorm, de W vervullende Ala of kleuren ontstaan uit Eli, de ether-licht-lijnen, de Ala of datgene, onderwijs enz., het materieele in Alawali, de levenslicht-zang enz., de harmoniën welke het Oneindige vervullen. Een derde naam is Nuno anali, hetgeen doelt op de Kruising, de straling van een cirkel. Ana de symb. hand is datgene, de materieele gedachte in Jana of soortlichamen van alle Wala, van het Gezamenlijke, de stof Nana.
Hoe wij het ook opvatten, in al de drie namen ligt de beteekenis opgesloten: ‘Gedachte in materie of stof weerspiegeld enz. Elke volle maan brengt een letter voort d.w.z. symbolisch en heet Nuno nono owala kono sa, letterlijk de Weerspiegelde Gedachte, gaat in de Aarde, de grondstof de dingen of soorten met kono vruchtbaarheid, kennis, slaap enz. vervullen. Tamusi (Godmensch) of de Cirkelbeweging werkt door Ta mo mere ke, de Bol Cirkel met letters of berekeningen door Nuno, de Maan. (zie ald.)
Naar de oudste schrijvers meldden, werd het begin der Wereld bij de Mexicanen voorgesteld door een figuur als de Maan.
Op een merkwaardig monument in een der Centr. Am. ruïnes vinden wij teekeningen, die klaarblijkelijk de evolutie van een mensch uit een cirkel voorstellen.
De calender der Mexicanen (Vatican Codex) werd voorgesteld door een cirkel-gezicht met 13 cirkels omheen. De middelste Cirkel had een Kruis aan het voorhoofd enz. Overal in Mexicaansche manuscripten komt de calender voor in verband met het Kruis(26) de Gekruisigde Aarde.
In de Mayatalen vinden wij eenzelfde-begrippen terug. De Maan toch heet U, de vereeniging, of bij de Aztecs Metzli. Een geleerde heet miatz; men beteekent wijsheid.
Al deze woorden toonen eenzelfden grondslag als de Car. aanduiding voor letters, berekeningen enz., nl. mere of m-r- en de Ar.
naam van een Pujai of semetsi, semeretsi, hetgeen dan zooveel wil zeggen als een schriftgeleerde in verband met malakan, de pujai-ratel, die als het symbool geldt van alle berekeningen en onderwijs. De letters staan tevens in direct verband met de maan. Verder heet volgens v. Quandt ‘vader’ Itihu en God's vader Adajali Iti. Menschen worden aangeduid als kakitsi (bestaande of vrije willen); de maan heet katsi of kati. Ti of Tsi Vader heeft ook schier eenzelfde beteekenis als de Car. aanduiding voor ‘zelf-wil’ of een vloeiing zoo als wij het ook vinden in het Ar. en in de Maya itz in verband met een ‘wijze’ itz-al of met de heilige stad der Maya's Chichen Itza, d.w.z. Chi = mond, chen = bron, itza = wijsheid; en met Itzamna. Ja, wij zijn zelfs geneigd in den God der Toltecs Quetzalcoatl het begrip terug te vinden, te meer wijl de stichter van de heilige stad, Kukulkau eveneens Wijze- of vogelslang beteekent, waarover meermalen in dit werk is melding gemaakt.
In allen gevalle, het vorenstaande toont duidelijk aan, dat bij deze volken de Vader als de ‘Wil’, gold, precies als in het Car. waar de geest jumu, hoewel op maagdelijkheid doelende, eenzelfden naam draagt als vader (Maya yum), terwijl het lichamelijke jana afstamt van de moeder sano of sana (Maya naa) welk woord letterlijk op ‘materieele liefde’ doelt.
In het Ar. wordt ‘ik wil niet’ aangeduid als ma ti da en ‘ik wil’ da ka ti of da ti ka. In de Maya taal vinden wij: ‘ik wil niet’ ma in ka ti. Bij deze volken dus geldt ma als de omkeering dat wij soms terugvinden in het Car. mna. Zooals te voren aangehaald beteekent ma in het Car. het einde, de materie, aardestof enz. zooals wij het vinden in Sanskriet marya, mahi, Maya ma, Ar. ama enz.
Het bovenstaande kan onmogelijk toevallig genoemd worden evenmin als een aanhaling in Cordova's werk, waarin staat ‘dat de Maya boeteling zijne biecht kwam doen aan de voeten van de Pijana. Maar, hoe moeten wij dan opnemen den Egyptischen priesterzang die pean of pian heette en het Sanskriet puja dat vereering aanduidt in verband met pu, punya reinheid, precies dezelfde begrippen als vervat in de Car. pujei. pujai of piaai en ons eigen puur, het engelsche pure enz? Of de naam Paean, een godsdienstig gezang, tevens een naam van Apollo als god der heelkunde? En verder nog, dat de slechte geest der Arowakken Jawahu (= Car. het slechte) vrijwel overeenkomt met de Hindoe Yadhu? Schijnen al deze woorden niet op één grondslag te berusten en dat het godsbegrip van al deze volken van één oorsprong afstamt? Of zou het ook gewaagd zijn in den Car. Heer of rijzing, van alle waterslangen en kleuren Kuwa-
sakala, de Mex. of Toltec Quelzalcoatl terug te vinden? In allen gevalle, indien wij ons vergissen, dan nog staat het feit dat onze Indianen meesters zijn in het maken van toevalligheden!
Eenzelfde begrippen vladen wij in de oostersche wijsbegeerte terug. De Maan in het Sanskriet heet Mas, hetgeen aanduidt Ma, de mathematica, hij die meet (Max Muller); Ma heeft ook de beteekenis van ‘image’ of evenbeeld, verder mahant, de magie, welke ook bekend was onder de Wodu vereerders. (Zie Kumaka) In het Hollandsch vinden wij Maan, Maat, Maagd en Ma. Man in het Sanskriet beteekent denken, Manu, de denker. Manu wordt in de Rig-Veda's voorgesteld als de Stamvader, de oorsprong van alle menschen En als wij nu verder weten dat jna in het Sanskriet ‘weten’ (to know) beteekent en dat naam naman staat voor gna-man dan volgt vanzelf, dat de gedachte, het weten besloten kan zijn in na of nu van Manu (precies als in het Car.) Dit woord zou dan beteekenen De wetende (denkende) Mathematicus.
Een andere gelijkenis is de omkeering van Maan in Naam, het geen ook precies overeenkomt met het Car. begrip, waarbij de Naam van de Gedachte Onu in Nuno de maan wordt omgekeerd.
Deze begrippen kunnen onmogelijk toevallig zijn, evenmin als het gezegde van Pythagoras dat ‘God werkt door de mathematica’.
Cicero schrijvende over het systeem van Hipparchus door Ptolemaeus ongeveer 130 na Chr. te boek gesteld meldde o.m.; De 9 bewegelijke cirkels of bollen van het heelal brengen 7 toonen voort, en dit is de sleutel van alle dingen.
Thoth d.w.z. het Woord, de Gedachten, de Maan werd bij de oude Egyptenaren voorgesteld als de heerscheres der Woorden, de Mathematica. De dochter van den Zongod Rė heette Waarheid Mat en elke Egyptische priester droeg haar symbool om den hals. Zij was de goddelijke gezellin van Thoth. Maut was de eerste godin van den nacht. Bij de Peruanen heetten de hooge priesters bewaarders der waarheid amauta. Men houde tevens in het oog, dat bij beide volken het preserveeren van lijken voorkwam.
Tamuz (Tamusi der Car.) de Menschgeworden God der Babyloniërs stond in nauw verband met de Maan en den Cirkel der 13 maanden.
Zelfs in Afrika, onder de Ashanti's en andere stammen vinden wij sls hoogere Goden Bohsum, tevens de naam van de Maan, een woord dat beteekent: ‘de Voortbrenger van woorden, ellende enz.
In het Oude Testament staat dat Elohim de Zon, Maan en Sterren aan den hemel schiep om berekeningen te maken. Een oud
philosophisch gezegde der Joden luidt dat ‘het licht der Zon is gelijk dat der Maan, en het licht der Zon is zevenvoudig’. Als curiosum zij nog aangemerkt, dat het woord Elohim in de Car. pujaitaal beteekent: het begin of meervoud im van het verleden e lo of el-o, de hervervulling, in verband met erome het tegenwoordige hier.
Flammarion, een der bekendste sterrekundigen van den modernen tijd schrijft o.m.: ‘De mathematica is harmonie en elke toon brengt een bepaalde figuur voort. De leer der muziek geldt als de leer der cijfers. Mathematica is versteende of gestolde harmonie.
Max Muller in zijn zg. dingdong theorie beweert dat alles wat aangeraakt wordt een eigen geluid geeft. Talen zijn harmoniën van geluiden.
De Caraib zegt: Elke wale (melodie) heeft haar eigen mere kleur of teekening en vormt haar eigen w-l- tot wala figuur, soort. Elke wala heeft haar aula taal, woord. En de ruimte momere is vervuld van de bekorende, onderwijzende Lichtharmonie, de Alawali gelijk de toonen voortgebracht door de bekorende fluit, vervullende den Boom van Kennis. En elke wala is een schepsel uit dezen levens stroom van kleur en licht. Wala-jumu geldt als de naam der Vrouw bij de Pujai's, wijl zij het is, die aan de levensvormen hun figuur en kleur geeft. Zij vormt de Okojumu in een meer materieel begrip.
Uit het vorenstaande blijkt, dat naar Car. philosophie alle levensvormen slechts verlichte, vervulde terminaties, uitkomsten, tijdstippen, namen voorstellen, van het Woord der tijden door den Wil van JEOUA in beweging gebracht, waarvan de op bepaalde tijden vervellende, vervullende slang Okoju het symbool teruggeeft. De slang toch is het vervullende O gebiedende ko antwoord ju in den tijd-cirkel Okojumu.
Beschouwen wij de Indiaansche Force-wet nader, dan vormt het geheel, hoewel opgebouwd uit evenbeelden 2 + 2 + 2 of 3 + 3 + 3 enz. in werkelijkheid een Eenheid. Bij de berekeningen wordt steeds, waar een getal twee of meer cijfers vormt, deze met elkander opgeteld tot een eenheid, alzoo 12 = 1 + 2 = 3, 360 = 3 + 6 + 0 = 9 enz.
Telt men alle getallen horizontaal op van 1 tot 13 in een rij, dan geeft de som 55 voor de gereduceerde getallen en 91 voor de ongereduceerde (kleine cijfers links). Beide cijfers (55, 91) tot een gereduceerd vormen 10; de nul vervalt en laat over als uitkomst 1.
Alle getallen van 2 tot 26 geven horizontaal opgeteld, de uitkomsten 182 en 65, alzoo 1 + 8 + 2 = 11 = 2 en 6 + 5 = 11 = 2.
De volgorde der uitkomsten is regelmatig zoodat de getallen van 1 tot 13, in horizontale rijen opgeteld als eindcijfers vormen de vertikale volgorde (rechts en links van het blad) 1, 2, 3 enz. tot 9.
Toevallig kan het vorenstaande onmogelijk genoemd worden, evenmin als het feit, dat de getallen in vertikale rijen opgeteld, steeds 9 vormen, zoodat er van 1 tot 9 (10 tot 13 weggelaten) een blok van cijfers gevormd wordt, welke in de Pujaitaal als owi aposi tuwepoje of ‘een omwenteling der staf (= alphabet) wordt aangeduid en in de negende letter een T of terminatie vormt en in 10 of N een nieuw Ik of negatief. Dit blok van 9 omsluit de wet der getallen van 1 tot 4 (de U, het Kruis) welke omgekeerd d.w.z. als in een spiegel dezelfde zijn als die van 5 tot 8, zoodat het vervullingsgetal 9 het dubbele kruisgetal omvat, in de Ind. symboliek in verband met den slangegeest Okojumu, de twee vaders, de reine moeder de tijd, de heilige geest van liefde. De U is eigenlijk de vereeniging, de geest welke samen met de M het verbond vormt. U in de Maya taal duidt aan ‘krans’ halo (couronne) als het licht om de Zon. Ah is de pref. masc. en posses.
De wet van 1 herhaalt zich gespiegeld in de 8, de 2 in de 7, de 3 in de 6 en de 4 in de 5, te beginnen waar het sterretje staat. Het spiegelkruis of de omkeering van de 4 in de 5 heet UA, de geest en de materie, de vereeniging en het bevestigde lichamelijke en beteekent tevens ‘neen’ evenals de laatste letters pa, ba. In Maya vinden wij uah etablir, contra-, hau cessation. Ua is een etablissement een affirmation, Het vierde teeken van het calender-systeem der Aztecs was een huis.
De getallen van 10 tot 13 zijn precies dezelfde als 1 tot 4 en 5 tot 8, zoodat het geheel een cijfer-drie-eenheid vormt waardoor het vervullingsgetal 9 loopt. Het Kruisgetal 1-4 keert zich alzoo om in 5 tot 8 wordt in 9 (de 9de maan) vervuld en baart het Evenbeeld weer in 10 tot 13 (= 1 tot 4). Vier dus vormt het Kernbegrip. Wat daarboven gaat duidt de Car. Pujai aan als herhalingen, evenbeelden, hoeveelheden puime, de ime of evenbeelden van pu force-ondervinding enz.
Deze teruggaande of herhalingswerking komt in de Ind. begrippen voor als het concentratie- of inkrimpingsbegrip -l- of -r- harmonieering als vervat in den symb. waterval s-r- of s-l-, waarin de draaikolken (of cirkels) olomen vooruitstroomen en toch een inkrommende, teruggaande beweging bezitten. Verder in de beweging van een kreeft of de garnaalgeest Siulu-jumu, die zich inkrimpt en vooruitspringende in werkelijkheid achteruitgaat. Siulu,
kuja der Arowakken geldt als de geweldigste der slangen (- tijden).
De wet van het Kruisgetal 4, de wetten der getallen van 1 tot 4 vormen den grondslag van al de overigen en stellen voor het Ind. quadratuur in den cirkel, een cirkel met een kruis erin, doelende ook op de aarde, het verleden enz. En indien wij Brinton mogen gelooven, dan gold + en × inderdaad bij de Maya's als het teeken der verandering van tijdperken op tijdperken in het calender-systeem. De 2 of E is het Even of basisbalansgetal, wijl naar Ind. logica alleen 2 × 2 = 2 + 2. Daarom heet 2 oko en balans p-oko. De wil of We of? - enz. kantelt de geestelijke balans, de twijfel en de geheele vervulling, het geheele woord, de tijd wordt in de materie gerealiseerd tot bewijs dat Ik ben Ik, de A en de O. Oha in de Maya taal beteekent de uitstorting of vervulling van water precies als de herdooping der Car. Het wordt ook geschreven als oci ha in verband met oc been, intrede enz.
Het geheel vormt alzoo een Drie-Eenheid (4) van 13, die zichzelve altijd gelijk blijft of zooals de Pujai zich uitdrukte, de Sipioko de Wil-spijker-spiegel-balans, de bewegende spijker. doelende op de zon weiu, welker kern uit symb. hars sipio wil-glans bestaat. De Zon Weiu stelt voor de vereeniging u van o, e, i of oei - een.
De wetten herhalen zich zoowel horizontaal als vertikaal. Bv. de vertikale volgorde van 7 t.w. 7, 5, 3, 1 is dezelfde als in de 7de horizontale rij te heginnen links.
De wet van 4 of het Kruis herhaalt zich in 13 (1 + 3 = 4), de B of balans.
De getallen 1 tot 4, 1 tot 7, 1 tot 10 en 1 tot 13, dus telkens 3 overspringende, in horizontale rijen opgeteld geven als eindcijfers de vertikale volgorde 1, 2, 3, 4, enz. tot 9, zoodat deze volgorde, met inbegrip van de wet van 1, vijfmaal zich in het geheel herhaalt.
Met 13 of 1 + 3 = 4 eindigt de reeks en begint een nieuwe maancirkel, in verband met het Pleiaden-jaar.
In 20 of symb. een mensch kalinia, de waarheid, de spraak in klei of de spiegeling of aantrekking enz. herhaalt zich de wet van 2; alzoo oko wordt aka, het vervullend gebod brengt voort de realisatie, de spraak. Horizontaal opgeteld vormen de getallen van 1 tot 20 de vertikale volgorde 3, 6, 9 enz., een herhaling van de 3
Maar in 18 vervult zich de werking (9) om in 19 opnieuw te beginnen. Dit getal is het z.g. gulden-getal, waarbij de maanstonden weder op schier dezelfde tijdstippen invallen. Het was bekend aan de Grieksche en Chineesche astronomen en zeer zeker ook aan de voorvaderen der Caraiben en Maya's.
In 40 (1/9 cirkel), eveneens een heilig getal, of symb. twee menschen heeft het Kruis zich 9 + 1 maal herhaald en de staf 4 omwentelingen gemaakt, waarna het Kruis zich weder repeteert (4 × 9, + 4). Horizontaal opgeteld, vormen zij weder de vertikale volgorde 1, 2, 3, 4 tot 9.
Uit het vorenstaande kan men zich wel een denkbeeld vormen waarom sommige getallen zoo algemeen onder zg. primitieve volken als heilig worden beschouwd, niet uit bijgeloovigheid of onkunde, maar in verband met onwrikbare wetten, onbegrijpelijk voor het verstand, maar toch eenvoudig en duidelijk. En door deze wetten te ontkennen, verwerpt men in werkelijkheid de geheele wetenschap van mathematica, waarin het woord toeval niet voorkomt.
In de Maya taal heet de 20ste dag van het calender-systeem akbal, waarin wij geneigd zijn te lezen: ak = taal, bal = verbond, vooral omdat de hieroglyph voorstelt volgens Brasseur en Seler een ‘mond’ soms door een rij puntjes (spraaksymbool) omringd. Brinton echter brengt het woord in verband met akab of duisternis (ak = taal ab = water of gedachten), hetgeen eveneens in het Car. het geval is, waar ka geldt als zwart (Maya ical). Twintig in de Mayataal heet kal of hunkal een mensch. waarin het wortelwoord ka klank enz voorkomt. Kan, de slang is de eerste daghieroglyph en akbal, de laatste. Doelt dit niet op den tijd, die den Zoon baart, de slang, die een ei uitbraakt, zooals men ze op de ruïnes aantreft? Evenals de Akbal, doelt ook de Hoornuil (Bubo) Coz op nacht (Car. koko) en wijsheid. Zijne hoorns of ooren komen voor als hoofdversiersel van Kukulkan de wijze, heilige Vogelslang of God van licht. Zijn naam beteekent ook ‘draaiende slang’ of woorden, kiemen. Hij was de stichter van Chichen Itza, de stad der wijsheid.
Precies eenzelfde begrippen vinden wij terug bij de Car., bij welke deze verandering symb. geldt als de slang, die jaarlijks van huid verwisselt vervult. Het geruide slangevel heet waponombo mimitiapo, d.w.z. wapo de staf, het alphabet, de voorste enz.; nombo, de tijd of vervulling. Mimi beteekent evenbeelden, tiapo de realisatie tevens de terminatie ti en apo de voorste enz. Tevens duidt het woord mimitiapo aan ‘het kneedbare, zachte, vormende mimi dat verstijft tiapo, gelijk een slang over den grond schuifelt en zich op haar staart kan oprichten, de slangestaf. Het geheele begrip geeft alzoo aan de voorste die in de laatste verandert. Het staat in nauw verband met het rups- of worm-symbool, de opstanding -l-k, waarover te voren.
Bij de Arowakken wordt de opstanding of verandering aangeduid als ebesuha waarin het woord ebe doelt op Heer Ebe of Ebebė (v. Coll) of wel op ebe een punt. Suha beteekent verwisselen of op zichzelf su en ha (Car. suwa) herrijzen, ademen, misschien ook vervat in den naam Thi-daja-han (v. Coll) hoofd der duivelen? Het woord ebesowah wordt tevens door Dance (zie blz. 65) opgegeven als de transformatie van den Boom van kennis Lukudaja. In de legenden der Sur. Arowakken komt voor de Huliu of Slangengeest (tijd) o.m. voorgesteld als vurig rijzende uit de zee, voorafgegaan door den zang surujan suha doelende op de Vampier en de herrijzing ook vervat in den Car. naam van den Vampiergeest Alukalu. De rups in het Ar. heet o.m. Kumaka-ti de wil of vader ti van den boom van bestaan en kennis Kumaka. De herrijzing echter van God of de Zon wordt aangeduid als Adajali kene-ke Nuha, hetgeen doelt op ‘den boom enz., die zichzelf weer geworden is. Vel, bast of huid heet in het Ar. duha of da (mijn vel da da) hetgeen eveneens op het begrip ik rijs of ‘mij’ doelt. Van huid verwisselen noemt men suduha, maar wijl de Ar. taal evenals het Car. zeer rijk is aan synoniemen, vindt men ook o.a. jalekotuha voor verruilen. Het oud geruid slangevel heet huli of oli suduha-du. De staf draagt den naam loko-de, hetgeen mogelijk doelt op mensch loko en de zien of misschien ook de wil. De eigenlijk is de determinator; da deka ik zie, ik determineer, realiseer. Verder is nog merkwaardig, dat zooals blijkt uit het Ar. begrip ‘ik’ da en het Car. wa of ‘een’ aba en Car. owi, de Arowakken de A als begin aangeven, en de Car. de O. Verder vinden wij in het Ar. de vrucht aangeduid als we of wi dat in het Car. de boom beteekent. Da heeft tevens precies dezelfde beteekenis als het Car. wa nl. de wil het determineeren en de a of materie-vormende maar w- in het Car. geeft het begin aan en d- evenals ab, het eindbegin. Tevens beteekent wa beweging, ademen als in Ar. ha; Ada is boom evenals het Car. wa, Ar. awa vader. Doch wijl het geheele begrip op een achterste voren werking doelt, zal ieder dadelijk begrijpen, dat de grondopvatting van beide volken één en dezelfde zijn, dat de Ar. Ebe Heer = Car. Ebe vrucht.
Eenzelfde tevens als vervat in het Oud. Test. waar Adam o.a. door authoriteiten vertaald wordt als A-dam, de roode man (de Indiaan?!), de A zijnde de determinatie, de realisatie (Car. a), tevens de eerste pers. (Car. au) mannelijk (Maya ah), en verder in verband met adamah, de roode aarde; ha in het hebr. is een!?, adem.
Doch keeren wij tot ons onderwerp terug.
Bij de Maya's heette de Boom ook chonlek, mogelijk in verband met chun de eerste, het begin, de oorzaak terwijl lek misschien doelt op hek tak of chek voet. Waar chun het begin aangeeft of de oorzaak, daar geldt xul als het einde. Geen wonder dan ook, dat wij onder de synoniemen van Zoon aantreffen: kexul of mechen, waarin het woord chen de bron voorkomt mogelijk in verband met en ik Verder mehentzil waarvan het achtervoegsel tzil wel wat klinkt als tzele de dij, of tzic vereering.
De vrucht heet in de Maya taal ich, een synoniem van oog aangezicht en een tweeling. De teekens waarmede ich aangeduid werd zijn zeer eigenaardig. O.a. ziet Brasseur in een daarvan een aks (une hache). Een andere stelt voor het versierde slangenoog. Ich komt vooral voor in verband met Kin ich het zonneoog of Kin ich ahau, de heer met het zonneoog. Merkwaardig is het tevens, dat het woord ich vrucht als het ware het omgekeerde is van che boom.
Al de vorenstaande begrippen vallen terug op Epetembo, den Car. Messias, den Boom, het Kruis rustende op Een Been, de Oseire of Osaire, de levende, herrezen liefde.
Ook het gift van de slang of Ratelslang (Crotalus horridus) waarvan Allen en Maudslay gewag maken als een der meest voorkomende Maya symbolen, komt algemeen bij onze Indianen voor, In het Car. draagt het slangengift-ka denzelfden naam als ‘spraak, oordeel, bezit, winst, kennis, hetgeen buitengewoon merkwaardig is, wijl uit dit gift de eerste der tweelingen Ka en Bu geboren werd. Men vergelijke s.v.p. het wortelwoord Ka met het Hebr. begrip en den naam Kain of Kanan etc. Doch hierover nader.
Bij de Maya's was de Trogon de heilige vogel terwijl de Ar. legenden luiden dat de Trogons of Bukulaurum bankenmakers waren mogelijk in verband met buku dij, het zoo veel besproken symb. been van den Ind. Messias de Orion of OArion die in de Oostersche mythologie een groot jager voorstelt,