terug  begin  verderprepost
[p. IX]

Ter zijner nagedachte.

I
 
Geen neiging tusschen man en vrouw,
 
die in elkaar 't ideaal beminnen
 
totdat... de tijd hun komt bezinnen...
 
het zware van: ‘voor immer trouw!’
 
 
 
Geen moedermin van ‘trouw en houw’,
 
die allen hinder kan verwinnen,
 
en bij 't versterven zelfs der zinnen,
 
heur bloed aan 't hart nog prangen zou!
 
 
 
Maar liefde, op zelfzuchtige aard
 
door éen ten duizend nauw gesmaakt,
 
- maar liefde die geen tweede wraakt
 
 
 
wanneer de huwlijkskoets genaakt,
 
wijl tweede aan ander ik zich paart
 
die tweede en derde als éen omwaart: -
 
 
 
Zóo is de min, die hemelingen
 
tot zaligen der zaal'gen maakt
 
en aardsche dichters steeds bezingen!
[p. X]
II
 
Een zulke liefde, was mijn weelde!
 
Zij Meld mij met haar trouw omvat
 
en glansde als maanlicht op mijn pad,
 
als Hij mij zelfs geen zucht verheelde,
 
 
 
maar wat Hem boeide mededeelde,
 
zoodat Zijn heilge harten-schat
 
voor mij was 't vlekkelooze blad,
 
waarop hij zijn Sonnetten teelde.
 
 
 
Toen vpor Zijne oogen zonk de nacht
 
kon inen die liefde nog beluisteren
 
in 't leste stervens-moede fluisteren:
 
 
 
‘Zeg haar vaarwel! mijn ziele-zuster!...
 
Och, maak het leven haar geruster,...
 
ik-zelf heb daarnaar steeds getracht!’...
 
 
 
Het rouwfloers overgolft mijn lot,
 
Wie gaf... Die nam... dies prijs ik God!
 
Ik heb gesmaakt... het hoogst genot!
 
B.P.
10 Juni 1859-1 Nov. 1881.
Dec. '81 Juni '02.
prepostterug  begin  verder