Het zal ongeveer twee maanden zijn geleden, dat te Brussel een nieuwe Schouwburg werd geopend en wel in een nieuwe wijk, dicht bij de Rue de la Loi, en ter hoogte van het circus Renz. Van buiten dient er de laatste hand nog aan te worden gelegd, doch van binnen is hij geheel voltooid en zoo zwierig en luisterrijk ingericht, dat men twijfelt of er, met de middelen, die der tegenwoordige beschaving ten dienste staan, iets volmaakter van dien aard kan worden tot stand gebracht.
Men verwondert zich lichtelijk over hetgeen men
niet gewoon is; daarom moet het zonderling schijnen aan hen, die nog weten, wat er al te doen was vóor de ‘Groote Komedie’ te Amsterdam het aanzien kreeg, dat het ‘Eden-Theatre’ een partikuliere instelling is; zij toch zijn niet gewend aan dergelijke uitingen van ondernemingsgeest bij bijzondere personen, althans niet, zoo zij niet verder dan Holland kwamen of keken.
Verscheidene Belgen vermeenen, dat deze Schouwburg - o onhollandsche onbekooktheid! - een ‘waagstuk’ is, en dat de vrijwillige dood der tentoonstelling waarschijnlijk den onvrijwilligen dood van het Eden-Theater na zich zal slepen.
Laten wij wenschen, dat de toekomst de ‘daad’ dezer lieden beloone. Dat verdienen zij immers voor het vertrouwen op die toekomst? De opgang, dien dit ‘kleinood van Brussel’ thans maakt, schijnt de vervulling van onzen wensch te waarborgen.
Het trekt; haast iedere Brusselaar is er geweest en wie er nog niet waren, willen er heen.
Men zet den vreemdeling aan tot een bezoek en herhaalt het zijne, meer echter om de pracht der Moorsche zaal te bewonderen, dan om er te genieten van wat het tooneel biedt; want het schijnt te willen verstrooien en schenkt geen kunstgenot, tenzij men dit smaakt, als men sierlijk ziet dansen of behendig jongleeren, zaken, die ook al met den naam kunst worden bestempeld. Nu behoeft men geen verstrooiïng van het tooneel te verwachten, want het verblijf in het Eden-Theater is op zichzelf reeds verstrooiend, genoeg. De bijna afmattende verscheidenheid, waarin akrobaten en athleten, clowns en goochelaars hunne kunsten vertoonen, kan, dunkt me, een verstandig mensch op den duur niet boeien. Heeft hij ze eens gezien, dan verlangt hij dit onnoozel genot niet nogmaals. En wat er van dien aard in dien nieuwen Schouwburg wordt geleverd, is, hoe puik ook in zijn soort, oud nieuws, nieuws uit het paardenspel. In dit opzicht is het Eden-Theater een paardenspel, zonder paarden, een circus, waar de tusschengerechten hoofdschotel zijn geworden. Maar dit doet er
minder toe; men komt er niet zoozeer om er iets te zien, dan om er te zijn.
Het is een eigenaardig genoegen er eenige uren te vertoeven, een genoegen voortspruitend uit zinnestreeling (dit dient gezegd), maar daarom niet minder te waardeeren.
Het is er ruim en luchtig (vooral ruim), nieuw en licht (vooral licht).
Overal elders zou die verlichting verblinden, hier doet zij slechts scherper zien. De zenuwen van het oog schijnen hier, zonder pijnlijk te worden aangedaan, tot zulk een levendiger werk genoodzaakt, door heftiger prikkeling, zoozeer voor zachte indrukken afgestompt te worden, dat men anders dan gewoonlijk over licht en duister moet oordeelen.
Nu noemt men de zaal zwierig. Slechts kleurig onder een minder schel licht zou men geneigd zijn op haar als bonten schreeuwer (zooals men eigenaardig zegt) te schimpen. De kleedij van den Turk, van den Italiaan zou in ons nevelig landje de oogen zeer doen, onder den zuidelijken hemel is zij stemmig.
Zoo ook in Eden-Theater. De verlichting maakt, dat alles harmonisch is, waar alles schreeuwt.
Schel azuur en schril rood worden zachte overgangstinten, goud en zilver verwante kleuren....
Het Oostersch hindert ons niet, omdat het licht ons tot Oosterlingen maakt - altijd met betrekkingtot onze oogen.
Brengt men ons gedurende den slaap in dezen Moorschen tempel, terwijl wij droom en van wat ons bijbleef uit de tooververhalen van het Morgenland, dan zullen wij, als we daar ontwaken, meenen niet goed wakker te zijn.
Bevindt men zich in het gebouw, dan schijnt alles gewoon, bevredigend; is men er vandaan en vergelijkt men het met andere schouwburgen, dan krijgt men een indruk van schittering en flikkering, dien men niet moet trachten in woorden wêer te geven. Men zou gevaar loopen zijne vergelijkingen zoo te kiezen, dat ze veel van bombast, dat is ‘leugen’ wegkrijgen.
Geeft men weer, wat men ziet, als men er is, of - wat hetzelfde is - als men zich verbeeldt er te zijn, dan zal niemand u van overdrevenheid kunnen beschuldigen, al schudt men ook het hoofd bij de eenvoudige beschrijving van al dat goud en purper.
Vergun mij te beproeven of ik u, al beschrijvend en opsommend, wat ik zag, een denkbeeld kan geven van het Eden-Theater!
Verbeeld u dan een achthoekige hooge zaal met een rood fiuweelen ‘parterre’ (waarin geen onderscheid van rangen), dat ongeveer twee- of driemaal zoo groot is, als dat van den Amsterdamschen Schouwburg. Het tooneel bevindt zich aan een der zijden van den regelmatigen achthoek en is vrij hoog van verdieping, hoewel het toch heel wat hooger moest wezen, indien de zolderdoeken de zoldering van de zaal aanraakten. Rond het parterre bevinden zich de gewone, kersroode beneden-loges, waarboven, begrensd door een borstwering van goud en purper, in plaats van de zoogenaamde boven-loges, een amphitheater volgt, dat, tien stoelenrijen diep, achterwaarts opglooit en onoverdekt is.
Het eindigt tegen een rand van ‘goud en purper’ waar zware zuilen van de gemelde kleuren uit schijnen op te rijzen om het dak te stutten.
Op dezen rand kunnen zij, die er achter wandelen, gaan leunen, als ze een kijkje in de zaal willen nemen, of zien ‘wat ze nu weer doen’ op het tooneel.
Daar zijn er echter velen achter dien rand, die er in 't geheel niet overheen kunnen gluren, omdat ze liever in de wintertuinen blijven, die links en rechts van het tooneel de wanden der zaal vormen. Daar kletteren fonteinen en overschaduwen waaierpalmen de kiezels. ‘Overschaduwen’ is het woord, omdat in die tuinen zonnen schijnen van electrisch licht, dat tot in oneindigheid door de spiegels in de wanden weerkaatst wordt.
Die spiegels weerkaatsen nog meer, behalve al dat goud en purper en behalve die honderden pauwenstaarten, welke men tusschen het verguldsel vlocht en die, o zoo zacht getint zijn! De Hebe's derbuf-
fetten, vermenigvuldigen er zich in en dat geeft een weinig levendigheid aan de eentonige, gouden omgeving. Haar dos toch zou ik hoogrood, hoogblauw of hoogpaars noemen, als ik niet had afgesproken...
Kortom zij zijn gekleed in rozerood, hemelsblauw en teeder violet, immers altemaal tinten, die niet tegen elkander ‘schreeuwen’!
En nu de oorzaak, dat daar niet ‘geschreeuwd’ wordt, de verlichting?
Vier trossen van negen goed gevulde kronen dalen uit het achthoekig plafond. Het zijn gaskronen, dit dient men te zeggen, anders zou men allicht gissen, dat hier waskaarsen straalden.
Dat men zich, zoo gissende, vergissen zou, ligt aan de electrische pitten der tuinen, welker licht, blondlicht, het vorige gaslicht haast verduistert, het gaslicht, dat over den geheelen schouwburg zulk een zee van stralen uitgiet. Maar het onderscheid dier beide lichtsoorten treedt hier zoo sterk te voorschijn, dat de helder verlichte zaal, naast de helderder verlichte wintertuinen in een vurige schemering gedompeld schijnt en ziehier weder een reden, waarom de kleuren van deze zaal zoo samensmelten. Dat is immers steeds het gevolg van de schemering?
En zie hier dan in weinige trekken het theater tant-soit-peu geschetst, dat met den naam Eden werd versierd, en een voorbeeld te meer levert, dat ‘het Paradijs’ door vele menschen, zelfs door naamgevers van dezen schouwburg, in het ‘Oosten’ geplaatst wordt.
Zeker is het onnoodig te verklaren, dat de smaakvolle Brusselaars in zooveel licht geen zwartgerokte garçons kenden en dus de zaal door juffertjes lieten bedienen, met preutsche, doch heel kleine ‘coeurs’ op de borst.
Evenmin, dat in de kamertuinen de bekers klinken, en dat... maar men mag niet alles vertellen; er moet wat te zien blijven voor hem, die deze regels zijne aandacht heeft waardig gekeurd en plan heeft hetgeen best kan wezen bij gelegenheid der groote feesten - om Brussel te bezoeken.
Het eenige, wat er nog te zeggen blijft, is, dat wij hem aansporen aan de aansporing der Brusselaars gehoor te geven, die hem met geweld in het Eden-Theater willen hebben.
P.
Men zal gereedelijk toestemmen, dat een zeer geoefende pen zelfs in onze dagen zich op deze beschrijving zou kunnen verhoovaardigen.
Ik heb den Eden-Schouwburg later meermalen bezocht, met Hollandsche gasten, maar de voorstellingen werden er steeds gevaarvoller en de wintertuin verderfelijker voor heel de jeugd, die voor een enkelen franc, een avond, een heel langen avond genieten kon, wat geen daglicht kon zien. Eindelijk werd het na menig bankroet van pachters, die het gebouw den naam van Zondenpaleis meer en meer lieten aanleunen, ten doode gedoemd. De afbraak van zooveel schoons maakte een zeer treurigen indruk en onwillekeurig moest ik er Jacques bij herdenken, die ons toen zelf voorlang was ontnomen.
Al dat goud en zilver, al dat purper en kristal, de geheele leiding van tweeërlei verlichting, electrisch en gas, ik zag het aan scherven, ik hoorde het rinkelen en ik gedacht mijn doode, die er zoo meesterlijk over had geschreven en dien de ondergang van wat zulk een eenigen kunsttempel beloofde te worden zeker even diep zou hebben getroffen.
Een Hoogere Burgerschool is gelukkig op de puinhoop verrezen, en straks is de beschrijving van onzen dichter nog een eenige herinnering aan Brussels Eden-Theater.