Ik weet in dezen niet met meer gewetens-nauw-gezetheid te werk te gaan, dan de brieven over te nemen, die ook Mr. Vosmaer, gedeeltelijk althans, heeft opgenomen in zijne Biografie, en die uit het oogpunt dr Mathilde-ervaring, zeker het overtuigend bewijs leveren, dat die periode toen reeds geheel verleden was. Toch geeft zij mij aanleiding er nog even bij stil te saan. Niet, om aan de groote belangstelling in die bijzondere persoonlijkheid te voldoen, dat zij verre, maar ten bewijze, hoe de jonge Dichter in den persoon haars vaders een geestverwant aantrof, in meer dan in een opzicht. Ziehier het bewijs in eenSonnet aan zijn adres:
Gelijkertijd had hij ook een liedeke voor de dochter. En wel 't navolgend:
Wat nu de begeerde inlichtingen betreft, dat men hetzelfde belang stelt in deze jonkvrouw als in Goethe's Frederika, dit is allicht aan te nemen, doch men vergeet, dat de Nederlandsche Dichter in den opgang zijns levens of nog als onmondige werd weggenomen en dat de Duitsche hoogbejaard werd. En dus gesteld, dat Frederika dadelijk beschreven is geworden in eene intimiteit tot den Dichter, zij ook om haren hoogeren leeftijd reeds boven alle besprekingen verheven was. Ziedaar een feit, dat in dezen alle belangstelling noodwendig bedwingen moet. De Mathilde en de latere Joanna zijner hooge vereering, zijn beiden in leven, als vrouwen in volle kracht, die maar niet aan allerlei ‘Qu'en dira-t-on's’ zijn bloot te stellen, niet alleen niet om harentwil, maar meer nog om hare echtgenooten en kinderen. Men vergete ook niet, dat een boek als dit ook in andere handen komt als van uitsluitend belangstellenden en bedoelde dames niet kunnen blootgesteld worden aan allerlei, dat zoo maar niet in een paar woorden te zeggen valt; tenzij met het banale aller oogen, zij 't ook van belangstellenden, op zich gevestigd te zien, als eenmaal 't ideaal van Jacques Perk. Indien er ooit sprake zou
zijn van nadere kennismaking met genoemde idealen, dan zal men minstens een kwart eeuw, zoo niet een halve eeuw, geduld moeten hebben. Wat ik vrij doen kan en doen mag, is te geven zes Sonnetten, die de Mathilde als omschrijven, of liever de geheele verhouding tusschen beide nauw twintig-jarige jongelieden, mijns inziens, leeren kennen.
Ten besluite nog liet afscheids-gedicht in de beide talen, die mij beide door Jacques zelf gebruikt schijnen. Waarom, als er toch bij staat naar Mathilde? Eenvoudig, omdat de Dichter het niet zou hebben kunnen verzwijgen, dat de Mathilde zijner vereering zelve Priesteres der Muze was geweest, en wel door een talent zoo volkomen in zijn eigen richting, tot zelfs in woordvoeging: het eigenaardige, dat al zijne gedichten waarborgt als zijn werk.
't Zou te merkwaardig zijn en blijven, dat hij haar dichterlijk talent, dus reeds geoefend als het zijne, eerst bij 't afscheid had ontdekt. Hij zou zich daarom alleen niet van haar hebben kunnen losmaken, al ware zij duizendmalen verloofd geweest.