Kerstmis stond voor de deur en de teleurstelling werd mij steeds grooter, daar naar gelang de studenten-beurs schraal werd ook een snoepreisje naar Luik moest vervallen.
Wat mij daarentegen innig verheugde, was de sympathie, die hij van Mr. Vosmaer verwierf, al liet deze hem ook lang wachten op de plaatsing nog maar van den ‘Sonnettenkrans’ alleen. Toch schatte Vosmaer zijn talent zeer hoog, want de jonge Dichter zag zich al spoedig vereerd met een verbintenis aan den Spectator zelf, en wel met de eerste op belletristisch gebied, namenlijk die van beoordeelaar aller ver-verschijnende Gedichten. Gelukkiger geen tweede, hoewel hij zijne innige voldoening minder ingewijden volstrekt niet liet blijken.
Deze in elk geval toch hooge onderscheiding van den Spectator schijnt niet bekend te zijn geworden of niet in tel te zijn geweest in zijne dagen. Trouwens 't laatste is moeilijk denkbaar, daar de jongeren destijds toch niet tot een Spectator konden reiken. De onderscheiding bewijst nogmaals de dwaling dergenen, die wanen, dat Jacques Perk bij zijn leven is verguisd. Eigenhandig schrijven moet dus het niet tegen te spreken bewijs leveren van dat praatje.
Vooraf echter de toelichting tot den‘Sonnettenkrans.’ Het tiental, toen uit de geheele Mathilde gelicht, als ook meer op zich zelf staande, droeg tot titel: Sanctissima Virgo, Intrede, Nedervaart, Fakkelglans, de Grotstroom, de Holle
Berg, Het Rijk der Tranen, Dag, Hemelvaart, en Machtige Schoonheid.*)
Hier volgt de toelichting volgens eigen handschrift.
Eertijds heb ik de grotten van Han en Rochefort bezocht.
Toen die ondergrondsche wereld mij zeer aangreep en mijne gewaarwordingen naar uiting streefden, rijpte de gedachte bij mij gindschen nacht te bezigen ter verzinnelijking van een leven,waarin de Schoonheid zich nooit openbaart. Toenmaals ontstond de grootste helft van dezen krans. -
Het eerste Sonnet is eenigermate Prooimion.
De Jonkvrouw, de machtige Schoonheid, verschijnt even: ΔεινǷ ΘεǷς.
Hierdoor weet de lezer, wie beoogd wordt, wanneer in volgende sonnetten de naam Joanna wordt genoemd.
Deze naam is gekozen, omdat er voor den dichter blijde gedachten aan zijn verknocht en omdat hij zoet klinkt. Hij roept zoowel de zuster van Dido in het geheugen, als de Joanna, welke de Beatrix van Dante in zijn ‘Vita Nuova’ ter gezellin strekte. Ook de beteekenis van dien naam had op de keus invloed. Bovenal echter is de klank schoon. Wanneer men zich er niet tegen verzet, moet men, om dien naam te noemen, de lippen eerst spitsen als tot een kus en voorts plooien tot een glimlach, alsof een onverhoopt geluk te beurt viel. Nog zweemt Joanna naar Hosiannah, welk woord een plechtigen klank heeft. Zoo door klank, beteekenis als daaraan verbonden heugenissen, dunkt mij dat deze naam - die daarbij geheel Europa door, hetzij Giovanna of Iwanna gespeld, eender wordt uitgesproken - in het akkoord van een sonnet niet wanklinkt.
Ten gerieve des lezers worden hier twee gezegden verduidelijkt.
Het vers: ‘een lach voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen’ dient in verband te worden gebracht met ‘den kolk van licht’ iets hooger. Daardoor springt de verzwegen vergelijking der schoonheid met een Zon in het oog en wordt het begrijpelijk, dat de dichter den lach voelde en zich kon koesteren in de stralen van dat lachend aanschijn als in zonnestralen. -
In het laatste sonnet wordt gedicht, dat de glimlach der Schoonheid ‘sferen groept en scheidt.’ Hierbij is te denken aan de Orde, die steeds de schoonheid verzelt. Dat Ordenend vermogen wordt hier in betrekking tot de sferen toegeschreven aan den machtigen glimlach. -
Deze ophelderingen zijn voldoende.
J.P.
Van Spectator-artikelen vond ik nog Maart 81, ‘Hooft Gehuldigd’ en een paar brieven.
Het nieuwe geslacht der laatste twintig jaren moet het een genot zijn te lezen, hoe Jacques Perk zulk een feestelijkheid beschreef, maar even zeer hoe de Hollanders toen feestelijk gestemd waren, om der gedachtenis wille van hun ouden Hooft. Mij dunkt, dat die beschrijvingen te dezer plaatse, eigenaardig zijn, omdat hij deze bladzijden mij ook nog in persoon heeft kunnen zenden en hij zich zeer in de werschijning verheugde, zooals jongelui, die zich nog weinig gedrukt zien.
Waarde Spectator.
Ter vlucht het een en ander over het frissche feest ter eere van Hooft, dat heden in de hoofdstad werd aangevangen.
Dr. Doorenbos wijdde het met eene gespierde rede*) in, kruidig en snedig, vol, forsch, gloedrijk, zooals het te verwachten viel van den bedaagde, die zijn
vele levensjaren gebruikte om met bewustzijn jeugdig te blijven. Zijn taal stichtte. De schare beminnaars van de letterkunst, welke zich had opgemaakt naar ‘Felix Meritis,’ toonde door hare toejuichingen met den redenaar den doorluchtigen Drossaart te willen vieren, die zelf meritis felix is geweest, door verdiensten gelukkig, gelukkiger door wat hem noodzaakte verdienstelijk te zijn: door zijne kunst. Hij werd waardiglijk gehuldigd. Men zong zijne zangen, men droeg zijne liederen voor, reien uit zijn tooneel-spelen, plaatsen uit zijne brieven. Dr. Jan Ten Brink pluisde de hoofschheid na, die in deze brieven vóor de hand lag, mevrouw Kleine, Jan C. de Vos en Anna Sablairolles spraken den dichter na, hetgeen hij zelf wellicht niet zoo fraai had kunnen vóorspreken. En daartusschen snarenspel, ‘waarop het oor verlekkerd raakte,’ samenklank van de smijdige harptonen eener clavecimbel en de gevoelige zanger van vedel en vedelcel, alles onder het borstbeeld van Hooft, naar wien de zeventiende eeuwsche melodieën opstegen als edele hulde aan den edelen kunstenaar. Nil non laudabile, tenzij: dat men gedwongen was den zonnigen Drost bij lampenschijnsel te herdenken, terwijl buiten de blauwe hemel hoog welfde over de glanzende stede.
Doch de heraut schettert ze samen, die het hoofd van den gevierde in een gevelsteen*) willen zien ontsluieren en zij worden geladen op eene vloot van drie breede zolderschuiten, bont gesierd met vlaggen en wimpels en oranje leuningen. Een stoomend bootje sleepte ze door de gracht; duizenden bevolkten de kaden. Stadig vlotten de bodems voort, een bedevaart. En in saamgeperst gedrang staarden die van den wal naar hunne natuurgenooten (welke optogen om aan een anderen, langgestorven natuurgenoot eer te doen), alsof zij een lading keizermoordende Russen door het Amstelwater zagen trekken.
O verrukkelijke ijdelheid van het aardsche, zonder welke het leven van kleur en geur zou zijn verstoken. koesterende heilige ijdelheid, die het leven zelve zijt!
De bodems werden vastgemeerd voor het huis met den marmeren steen. Professor Mathijs De Vries was woordvoerder en op zijn bevel onthulde men, wat omhuld was.
Het fijne, bezielde gelaat, geschapen om in steen vereeuwigd te worden, verscheen en zag uit de hoogte neder op de juichende vereerders. Nogmaals en nogmaals werd den Drost billijke wijrook toegezwaaid door den hooggeleerde, die daar midden op straat luid uiting gaf aan de bewondering van het geslacht, lang na het verscheiden van den vereeuwigde geworden en gegroeid; en daarop scheepte men zich andermaal in, de vloot ging over stag en het volk, door de rustbewaarders links en rechts op eerbiedigen afstand gehouden, hortte samen voor het uitverkoren huis, waarin Hooft eenigen tijd langer dan in andere woningen had verkeerd, om het reliëf aan te gapen, dat iemand voorstellen moest, met wien het niet de eer had gehad kennis te maken.
Dit eerste gedeelte der Hooftviering is volmaakt geworden, wat men het wilde doen zijn en is dus geslaagd.
Heden avond kan men in het groote Amsterdam zich weder naar keuze vermaken. De Warenar wordt op het Leidsche plein vertoond en in Felix terzelfder tijd voorgedragen; Multatuli spreekt en het Nederlandsch tooneel vertoont ‘den Bibliothecaris’. Het is natuurlijk dat de ware vereerders van den dichter, van wien men den 300 sten geboortedag zoo feestelijk herdenkt, zich in Felix zullen doen vinden om daar een onvervalschten Warenar te hooren en zich daarna door een aanzienlijk stadgenoot, die het meerendeel noodigde, te laten vergasten. Morgen heeft de tocht naar Muiden plaats, en naar het slot waar het verleden leeft; vervolgens zal men aan het banketteeren gaan op Vaderlandschen trant en den welsprekenden roemer hanteeren, die de vader van veel lofgetuit staat te worden. Over den Muidertocht, wilt gij, welwillende Spectator! een andermaal.
Amsterdam, 16 Maart 1881.
P.
Waarde Spectator!
Gij hebt een gebrek, dat een deugd is. Gij opent maar eens in de week de goedlachsche lippen... om te spreken (geeuwen kunt ge niet); daardoor wint gij tijd om uwe woorden te overdenken en minder onzin te zeggen dan ambtgenooten, die in dagelijksche eruptie moeten zijn: dit is, wat er goeds steekt in uw spaarzaam spreken, maar het gebrekkige er van is, dat er tusschen uw laatste woord van de eene en uw eerste van een volgende week, zoovele uren verloopen, dat een Transvaler zich onderwijl kan vrijvechten en (wat op hetzelfde neêrkomt) de zomer den winter, of erger, in Maart, de winter den zomer kan overwinnen.
Dat is daarom zoo iets ongelukkigs, omdat hij, die voor een enkelen keer uw mond ter leen kreeg, gevaar loopt voor iemand ‘met een grooten mond’ te worden uitgekreten, wanneer hij het waagt te gewagen van een zomertocht, drie dagen her, terwijl de sneeuw om zijn hoofd dwarrelt en zijn voeten van koude trantelen.
Doch Maart roert zijn staart in het weder, gelijk een Oceaanberoerende walvisch zijn idem in de zee. Derhalve is, wat uwe deugd mij gebrekkig deed voorkomen van u onafhankelijk en blijkt gij per slot van rekening zoo vlekkeloos als die sneeuw, die uwe deugd in mijn oog bijkans bevlekte.
Maar ter zake.
Het was al weer zulk een koninklijke dag vol Oranjezon, toen tegen den middag het minderdeel der Hooftvereerders (het meerendeel was om geldige redenen weggebleven, hetgeen hun een prettigen dag heeft gekost) op vier havenstoombootjes werd ingescheept en de vrouwelijke helft zich met zonneschermen begon te overhuiven. Een labberkoeltje blies, rookpluimen nevelden uit de zwarte pijpen, het koper hief een Wilhelmus aan, de schroeven
baggerden in het Damrak en de snelvarende vloot was met zijn driehonderd reizigers weldra aan het gezicht van Amsterdams ingezetenen ontsnapt en in het IJ.
Daar woeien de vlaggen breed-uit van den achtersteven in de richting der heenblauwende stad en de bootjes liepen elkander met vroolijke vaart achterna zonder elkaâr in te halen, totdat de schutsluis van Schellingwoû hen alle vier te gelijk moederlijk omhelsde.
Daar vielen ze elkander langs-zij en de eendrachtige tochtgenooten juichten de een tegen den ander, en de zwakke kunne toonde zich sterk in het brengen van groeten, terwijl de rozenlipjes in het schuim van paarlende champagne, gedoopt en begraven werden.
Maar het wachten in de armen der sluis verdroot en men werd als het kindekijn, dat dwingt en loopen wil en zich poogt te ontwringen aan de omhelzing der moeder.
Toen ontsloot zich tragelijk het beschuttend gevaarte en zoodra zagen de bootjes de kans niet schoon, of ze liepen er alle vier uit, den neus in den wind, de Zuiderzee in, als Roodkapjes, die naar vlinders joegen, vooral die eene met de roode vlag van Amsterdam in top.
Het was een gehuppel, dat het een aard had. De holle, malsche, groengrauwe golfjes kruifden zich links en rechts van het lachen en de schroeven maalden in het zilt, dat het geklotste schuim over de plecht spatte.
Na een uurtje doemde het slot uit de kim, dat heugenis houdt van de dagen, waarin Floris Machteld heeft gerept.
Links de oneindigheid, rechts het stedeke.
De bootjes vielen binnen de hoofden en uit een torentje van het kasteel werden hun lustige deuntjes toegetoeterd.
De Muider-gemeente had er, scheen het, de lucht van gehad, dat er iets in de lucht zat, want het dundoek wapperde overal.
Het volk stond te bazelen van verbazing, toen het door zijne rangen den drom ‘stads-volk’ liet tijgen, die het hooge huis ging vullen.
Hooft werd in de groote zaal gelauwerd door zijne nicht, welke, ‘de schoonheid ten tempel heeft verkoren’, zooals de heer de Marez-Oyens in zijn sonnet hoffelijk zegt, terwijl hij den Drost den kwistigsten lof niet beknibbelt, als hij hem naspreekt:
‘De palmen van 't gansch Oost en bossen van lauwrieren Zijn weinig in getal bij uw verdienden lof.’
Dit zijn toevallig dezelfde woorden, die prof. De Vries bezigde om mevrouw Kleine in Eelix ‘een lief woordje’ te zeggen.
Vervolgens verspreidden zich de negentiende-eeuwers onder vroolijk gebabbel door de huizing, op de tinnen, in de zalen, onder de hanebalken.
De eigenlijke Muidersale staat nog ‘ontluisterd.’ Men int nog steeds het noodige voor de herstelling. Op de terugvaart bedelden eenige jonge dames op verzoek der commissie nog vrij wat gouds bijeen.
Niet lang vertoefde men te Muiden.
Het slot, waar aan ieder stofje eene herinnering kleeft, waar, als de steenen konden spreken, de steenen nooit zouden zijn uitgesproken, de hoeksteen van Holland en van Hollands fraaie letteren, zonk weder in de diepte en... de bootjes lagen voor den Damraksteiger, waar men aan wal stapte met ververschte of met slechts versche herinneringen,
Het feestmaal volgde na korten tijd. Wat daar werd gesproken, scheen rijpelijk gewikt. Naar 't luid der verslagen was de disch niet door een Warenar ontworpen. Uit de spijskaart blijkt volstrekt niet, dat zijn voorbeeld van uitnemende zuinigheid stichtte tot navolging. Verbeeldt u dat hij eens ‘zwammekens’ had zien opdisschen!
Uit het ‘gehaspel over het spelen’ van Hoofts klucht blijkt al weer, dat alle partijen gelijk hebben, die elkaar ongelijk geven. Het publiek heeft gekozen en verdrong zich eenigszins op het Leidsche Plein. Die het met de heeren Doorenbos en De Vries eens waren bevonden zich wel bij de gezamenlijke ‘lezing’ van dit luchtige stuk.
De Warenar, lekkernij voor geletterden, is onge-
nietbaar voor de groote bent. Men merkte zelfs op, dat in den schouwburg geen spier werd vertrokken bij grappige staaltjes van gierigheid, hoezeer men Veltman voor zijn spel ook prees. Licht dat de beschaafden een schreefje vóor hebben en meer mogen genieten, omdat zij meer kunnen genieten. Werpt men parelen voor de knorrige verweekelijkte dieren, die zich liefst in het smeer leggen?
De huldiging van Hooft is tot een einde gekomen en laat een genoegelijke gedachtenis na. Laat ons uitzien, waarde Spectator, naar hetgeen in '87 voor Vondel zal geschieden.
Amsterdam.
P.
Muiden, 17/3 '81.
Jacques Peek.
't Is en blijft mij steeds tot knaging, dat ik niet mijn geheelen brievenschat heb behouden. Een iegelijk, die ooit een reizend en trekkend leven heeft geleid moet begrijpen, dat brieven meestal na beantwoording worden vernietigd, en te eer wanneer men.... tot de eigenlijke dakloozen behoort, die nergens de minste berging hebben, vereischte van een thuis. Toch die enkele, die de vernietiging in vollen zin des woords zijn ontsnapt, schijnen mij karakteristiek genoeg om menig ander te vergoeden, om hem nader te leeren kennen. Had ik zijn vroeg heengaan kunnen voorzien, ik zou zoo kostbare relieken, bij jaargangen geordend, hebben bewaard! Maar wie kon zulk een vroeg einde tegemoet zien van zulk een buitengewoon forsch uiterlijk, bij zooveel levenslust en zoo heel veel ernst als hem kenmerkte van kindsbeen af aan.
Het navolgend schrijven is gedagmerkt 28 April 81.
Wel kan de pen zwaar wegen, zelfs wanneer men haar wil hanteeren om woorden van genegenheid en vriendschap te uiten. De grondtoon van mijn tegenwoordig leven is een verregaande onverschilligheid, waar tegen ik tevergeefs worstel.
Wel werk ik en denk ik een beetje, maar vooral niet te veel; ik laat mij drijven op de omstandigheden, 't Is, of ik iets zoek, dat nergens te vinden is, Dit onbevredigd gevoel kan natuurlijk het jongensachtig verlangen naar 't gaaike niet wezen; die tijd ligt een heel eind achter mij. En nu heb ik haast twee maal elf jaar geleefd en leef met grooter bewustzijn dan ooit voorheen; ik doe, wat ik niet laten kan en laat, wat ik niet doen kan en wensch allerminst naar hetgeen, wat ik nooit kan krijgen.
Waarom zich dan ongelukkig, op zijn minst gods-erbarmelijk-landerig gevoeld?
Alleenlijk als ik verzen schrijf en mijzelf ben, smaak ik genot en daartoe heb ik den tijd niet. In een roezig huisgezin te leven, waarin de rust, zooals ik die begeer, ontbreekt, doet mij op een dronkaard gelijken, die nimmer buiten roes is.
Ik ben veel onder de menschen geweest en heb ervaring genoeg opgedaan om mij een mannelijker man te gevoelen dan voorheen... Hoeveel heb ik u te vertellen, maar stel dit uit tot de komende week. Vandaag over acht dagen en om dezen tijd zal ik met u zitten keuvelen. Ik ben dan een uur of zes te Luik stil en spoed me dadelijk tot u; allerlei zaken heb ik u mee te deelen, die u belang kunnen inboezemen. Hoe ik met X. heb gebroken, hoe oom Willem weldra in 't huwelijk zal treden en honderderlei andere dingen allemeer dan voldoende om mijn zwijgen te verontschuldigen, en tevens te misprijzen. Ik had u veel te zeggen en toch kwam ik er niet toe. Echter waart u nooit uit mijn gedachten, lief tantetje. Een klein blijk daarvan
is, dat ik onder allerlei drukte nog steeds dacht aan den ‘Amsterdammer’, hoewel ik dien niet geregeld verzond. Schrijf me nu maar eens spoedig, al is het maar per briefkaart, wat ik voor u kan meebrengen uit Holland, beloof dan tevens Donderdag tegen twee uur thuis te zijn. Tegen acht uur moet ik naar Trois Vierges, waar ik goed en goedkoop kan overnachten en tegelijkertijd niet zoo ontzaglijk vroeg uit de veeren behoef om naar Diekirch te komen. Ik koop een retourtje van vier dagen. Dus nu alles zoo door vader werd bedisseld, valt daar aan niet te veranderen en moeten wij ons beiden onderwerpen. Langer kan ik ook moeilijk van huis naar dien ik al mijn colleges in den steek dien te laten om op 9 Mei bij het bruiloftsmaal tegenwoordig te zijn.
Wij zullen heel wat hebben af te babbelen in die enkele uren, die buitendien veel te kort zullen vallen. Dan spreken wij ook nog over allerlei literatuur-kwestiën, die schriftelijk te uitvoerige behandeling zouden vorderen. Wees alvast hartelijk omhelsd door
uwen JACQUES.
De vreugde hem zoo onverwachts terug te zullen zien deed mij den aanhef van dit schrijven nagenoeg niet tellen. Ik haastte mij niet alleen hem 't gevraagde antwoord te zenden, maar ook hem over te halen met den eersten trein te komen, zoodat ik hem om twaalf uur van de ‘Guillemin’ kon halen. En zonderling dat Jocchie steeds de oude vreugde bij mij kon hernieuwen, die ik smaakte bij elk bezoek.
Als ging ik een buitengewoon feest tegemoet, zoo snelde ik ter bestemder ure naar het station en tienvoudig zegende ik het huwelijks-feest in de broederlijke woning, dat ons het buitenkansje van een weerzien verschafte, want het doel van de reis was zuster Numero 2 van de Diekircher kostschool te halen, opdat zij niet bij 't huwelijk van haar oudste zuster ontbreken zou.
In de tien maanden, die tusschen ons laatste samenzijn verloopen waren, scheen hij mij een reus geworden. Zooals hij eenmaal dribbelde aan mijn arm, deed ik het thans aan den zijne, al matigde hij nog zoo zijn stap, toen wij als een paar dol-gelukkige kinderen naar den Boulevard de la Sauvenière wandelden, over de Place du Théatre heen, en hij zich haast in tweeën moest buigen om onder het heerlijk ontloken geboomte door, een kijkje te nemen, ware 't slechts van buiten, van een ideale Troisième, die wij er hadden gehuurd om ver over het theater en alle menschengegons heen, een eenig berggezicht te genieten, zoowel uit alle vensters als van een lief balcon.
‘O! de zomer-vacantie! Daar rustig samen te zijn en te werken!’ riep hij bij herhaling. Ik geloof altijd, dat de Luikenaars, het drukke middaguur in aanmerking genomen, niet begrepen wat voor soort van vreemdelingen die beiden waren, die daar zoo'n schik hadden in 't gluren door 't geboomte. Och, wij waren beiden zóo vervuld van zulke toekomende daagjes.
‘Als de kameraad er maar niet tegen is, als ik daar met pak en zak aan kom, Tantetje? Komt er dezen zomer niet van, dan toch wis en zeker de volgende Kerst-vacantie!...’
Neen, de kameraad, zooals hij mijne gezellin noemen bleef, had er waarlijk niet op tegen. Zij verheugde zich evenzeer in het vooruitzicht hem een paar weken te gast te hebben en heel den princelijken omtrek van Luik te leeren kennen. En zij verheugde zich er nog meer op, toen hij zich zoo voldaan betoonde over hare goede zorgen voor mij, want Tantetje zag er best uit. Trouwens zij schreef ook altijd even opgewekt, over Luik.
‘Maar hoor nu eens naar iets heel ernstigs’, begon hij, toen wij even samen waren. ‘Al die dubbeltjesbrieven beginnen mij voor u te bezwaren. U kunt van 't geld meer plezier hebben, maar ik kan uw brieven niet missen. Daarom heb ik een blad Hollandsche stuivers meegebracht en daar u toch nog al een uitgebreide briefwisseling hebt, sluit u in eiken brief
een woordje voor mij in. Van een Hollandschen zegel voorzien, zal iedereen wel een brief voor Jocchie in een bus steken.’
't Baatte mij niet tegen te spartelen. De Holland-sche zegels bleven in Luik. Alleen kon ik hem overhalen een bij zonderen franc in ruil te nemen, die in beperkt aantal geslagen was, toen wijlen Koning Leopold I Leopold II als Hertog van Brabant aan de Luikers was komen voorstellen. De franc droeg beider profiel. (Bij zijn overlijden bevond hij zich nog in zijn beurs.) En zijn postzegels... hoe ze mij verweten, zoomenigen brief verzonden te hebben zonder 't woordje aan hem. En toch, hoe was ik dag en nacht met hem vervuld! Omdat zijn examen zich weer liet wachten, en ik steeds gedichten ontving, die zijne studie noodwendig moesten benadeelen... werd ik ten einde raad en draalde dus met antwoorden.
Het was dan den vijfden van Mei '81, dat het weerzien ons zoo verheugde als wellicht nooit tevoren. Al spoedig bekende hij in een hoogst ernstige levensperiode te verkeeren, want hij had het ideaal leeren kennen, dat hem steeds voor den geest had gezweefd. (Ter wille van de Sonnetten herinner ik nogmaals aan 't jaartal van deze: 1879, thans zijn wij in zijn laatste Meimaand).
Ik was niet weinig gelukkig met die bekentenis en hoopte dan ook van ganscher harte, dat op deze eerste bruiloft in het broederlijk gezin, spoedig de zijne mocht volgen. Het verblijdend bericht gaf mij natuurlijk aanleiding hem weder tot een flink studeeren aan te sporen voor den te behalen graad.
‘O! Natuurlijk Tante, dat is nu Numero één! zal 't ook wel wezen in haar oog. 'k Ben nu maar simpel student. Doch ik heb u nog iets te vertellen, waar u aan den eenen kant van zult ophooren, maar aan den anderen kant tevreden over zult zijn. Ik bedank voor mijn rubriek aan den Spectator.’
Zeer zeker hoorde ik daarvan op! Hij was door de aanbieding van die rubriek, als in den zevenden hemel gevoerd.
‘De taak is mij heusch te machtig. Ik ben te veel
dichter om kritikus te kunnen zijn. Die twee hetero-geenen passen niet bij elkaar! Wat moet ik dien H. hebben gekrenkt, door de veroordeeling zijner verzen. Ik hoor u al zeggen “Fiat”,als ik u verzeker, dat ik zoodra ik thuis ben voor de eervolle onderscheiding bedank.’
Zoo gevoelig, zookiesch was die dichterziel, zooveel leed gevoelde hij over leed, dat hij tegen zijn wil in, anderen moest aandoen. En nog lang sprak hij over het onderwerp, dat voor menigen kritikus onzer dagen leerzaam en beschamend zou zijn, als ik het in zijn geheel meedeelde.
Toen ik onwillekeurig verzekeren moest: ‘Je bent toch een jongen naar mijn hart Jocchie,’ stak hij mij de hand toe met een: ‘Dat is heerlijk!’ en zijn blik zei heel wat meer dan woorden vermochten.
Hij leed aan hoofdpijn, doch telde hij die thans ook minder, toch bleven wij liever thuis als rustiger voor hem, die 's avonds immers moest doorreizen en dan weer onmiddellijk terug, 't Was reeds zeer warm in Luik en de rijke haardos, waaraan hij zelf die pijnen toeschreef, viel niet te verdunnen. Hij kon daarom ook niet beloven op de terugreis weder af te stappen, want zoo'n kostschool-deerntje zou waarschijnlijk niet gereed zijn voor den eersten trein en dan ging de rit Luik - Amsterdam in eens door.
Zoo besloten de kameraad en ik, tegen twaalf uur naar de Guillemin te trammen, want zusje zou wel zorgen klaar te zijn, daar was ik wel zeer zeker van. Spoedig stapte het knappe, slanke paar jongelui dan ook uit den trein om even wat te eten. Dit was dus wederzijds nog een verrassing.
Toen beiden weder wegstoomden, heel langzaam om den tunnel in te rijden onder de stad door, stond ik aan 't hek tusschen dien tunnel en het station.
Dadelijk kreeg hij mij in 't oog, boog zich tot mijn schrik uit het portier en maakte, na al wuivend heel langzaam voorbij te zijn gestoomd, een roeper van zijn handen en galmde mij nog afscheidswoorden toe. In die houding zie ik hem nog gedurig voor mij, want... 't was de laatste, laatste blik, dien wij met elkander wisselden... 't was onze laatste groet!
De echo van den tunnel zou zijn stem honderdvoudig hebben teruggekaatst zonder het gestamp der locomotief en 't geratel der wagens. Een ijskilte overviel mij om zijne roekeloosheid, toen hij nog altijd uit het portier gebogen bleef spreken, onderwijl hij voor mijne oogen verzwolgen werd door den gapenden muil van het gebergte!
O! Die bijgeloovigheid! 'k Werd boos op mijzelf en ergerde mij aan eigen dwaasheid, bij den niet uit te spreken weemoed, die mij overviel, maar hoe gevaarlijk was dat groeten, dat buigen uit het portier, juist bij 't inrijden van den tunnel!
Eerst het bericht van behouden thuiskomst kalmeerde mij en nog meer allerlei voor de aanstaande huwelijks-feestelijkheden, waarvoor hij ook een huwelijks-courant wilde opstellen en mij toezenden. Van alles moest ik mijn aandeel hebben, elke gewaarwording deelde hij mij steeds mede, elke sympathie of antipathie zijner ziel. Steeds biechtte hij mij, wat er leefde en werkte in hoofd en hart, hoop, vrees, beproeving, strijd, dichterleed en dichterweelde, en al die meedeelingen deden mij die jonge ziel steeds hooger schatten en haar meer en meer begroeten als mijn persoonlijken hoogsten steun, naar gelang ik verouderde, mijn staf voor een toen nog lange toekomst, zooals hij dit van kindsbeen af aan reeds voor mij geweest was!
Onduidelijk schrift kon zijn vader, ondanks eigen moeilijk leesbaar handschrift, verdrieten, ongeduldig maken, en zoo nam hij reeds vroeg de vaderlijke correspondentie met mij over. Wilde deze iets weten van zijn zuster, dan wendde hij zich daartoe tot Jacques... Jacques was factotum bij alles en voor alles en trotscher kan geen tweede op soortgelijk baantje ooit zijn geweest.
En voor zijn ouders zorgde hij op dezelfde wijs bij mij, en dan die innige voldoening, als hij in wederzijdsch belang werkzaam was geweest, en de eene partij dit niet van de andere te weten kwam.
Wel zalig wie zich op ruim twintig jaren reeds een wijsbegeerte heeft eigengemaakt, niet in navolging van anderen, maar krachtens eigen denken en overdenken, en daardoor de waarachtige persoonlijkheid kan zijn en blijven van alle edele beginselen, die hij in rijm of onrijm ten papiere wierp, al geschiedde dit ook met nog ongeoefende pen.
Ik denk hier onwillekeurig aan ‘Herman en Martha.’ Men kan zeggen in kreupelrijm, opgedragen aan zijne Nederlandsche vrienden, (hij had er reeds in 't Buitenland), toch is deze tooneel-proef een eenig schriftuur, schriftuur van den gedachtengang van een achttien-jarige, schriftuur, waarbij niet gevraagd mag worden: is het op éen lijn te stellen met een bundel gedichten, die goddelijk worden verklaard? Immers tooneel-letterkunde stelt geheel andere eischen dan een sonnet, die hij bij dozijnen maar voor 't opschrijven had, als de gedachte hem overmeesterde. Al bleek het zelfs een niet ten volle gelukte tooneelproef, die zulk een hoogen geest ademt, als strijd tusschen geloof en twijfel, die ten doel had om even jonge vrienden tot een minder materieel leven op te wekken, wie zal dit niet merkwaardig noemen?! Wie zal in dat omvangrijk stuk niet de verpersoonlijking van den aanstaanden grooten dichter zien, die van de souvereiniteit van zijn gelouterd denkvermogen spreken kon, al is
het niet in eén adem te noemen met den bundel Sonnetten?
Ik verontrust mij daarom niet het minst over ‘Herman en Martha’, indien onpartijdigheid het oordeel slechts velt.
't Was dan dien vijfden van Mei, dat ik hem in den tunnel zag verdwijnen. Later bleek die vlijmende smart van 't oogenblik toch een beeld der naaste toekomst te zijn geweest!
Zes maanden later ontsloot zich werkelijk de aarde voor dien Herkules van kracht, voor dat beeld van den zonnegod in de Mei, voor dien eenigen zoon, voor dien reeds hooggeëerden dichter, voor dien vroolijke met de vroolijken, voor dien ernstige met de ernstigen, door zoovelen geliefd en gewaardeerd, maar toch door niet een in die mate als door haar, voor wie het knaapje van zijn ontwakend bewustzijn af aan tot vreugde en troost was geworden, die zich had gebaad in den vollen schat zijner liefde en vereering, die hij omwikkelde met een eenige innigheid tusschen verwanten van zoo verschillenden leeftijd, zoodat zij elkander tot ‘soeurs d'ame’ waren geworden.
Geen tweede, die het leven zoo vluchtig scheen op te nemen als hij, die zijn: ‘Kukeleku! hier ben ik!’ op Grootma's stoep uit zijn kindertijd nooit scheen te kunnen verloochenen; die zoo kikkeren kon van pret bij aardige Luiker-tooneelen, of poetsen elkander in den huiselijken kring gespeeld, of zooveel schik had met zijn drie blondjes, de zustertjes, op wier lectuur hij nu en dan, volstrekt ongeroepen natuurlijk, een soort van toezicht uitoefende, dat mij wel eens verbaasd deed staan, als zij in hun schrik bescherming bij mij zochten, voor het mooie boek en hij uitriep: ‘Ik wil niet dat haar hart verontreinigd worden zal door zoo'n mooi boek!’
Een oogenblik van strijd en men had er hem te liever om.
Een zeer karakteristiek gezegde van hem luidde: ‘Ik moet beminnen, omdatik dichter ben.’ Dit verklaart zijn waarlijk innige liefde voor velen en de steeds warme uiting van die liefde in brieven. 't Kan dus
wel niet anders of Mathilde, ‘de Mathilde’, zoo als mij dezer dagen zijn zuster uit Indië nog schreef, die hem tot dichter heeft gewijd, leefde in zijn hart, in geheel zijn denken, en was ook voor hem, wat Beatrix voor Dante is geweest, voor Dante, die toch een weduwe niet vijf kinderen heeft nagelaten, wanneer men waarde hecht aan de levensschets van Boccacio. En waarom zou men dezen biograaf waarheid ontzeggen? -
De eerste jonkvrouw, die èn hart èn hoofd zoo geheel overmeesterde en van wie te scheiden hij zoo spoedig plicht noemde, was verloofd, en die bijzonderheid stelde haar vermoedelijk als op onbereikbaar standpunt voor zijn dichterlijk wijsgeerig gemoed, dat niet begeerig kon of mocht uitzien naar het heilige van een ander, naar het geestelijk bezit van een derde. Daar stond zijn karakter te hoog voor en had hij zich te edele grondbeginselen voor verworven. Daardoor hoorde men zoo weinig van die eerste groote liefde en schreef hij die geheele Sonnettenreeks als ter sluik, zooals hij aan Mr. Vosmaer berichtte. Hij was toen juist twintig jaren geworden in den zomer van '79, toen ook zijn portret door zijn vriend van der Voort in de Betou was geschilderd, met het eerste dons om de kin.
Toch, zoolang hij in Diekirch vertoefde, was het wel die eigen liefde en niet de lectuur van Dante's liefde, die hem tot dien Zanger bezielde, die ‘de Mathilde’ als een eenig kunstwerk ons naliet. Toen hij een jaar later dezelfde plek bezocht, de brieven schreef aan ‘de duurzame oudertjes’ en ‘de lieve lui van de Reguliersgracht’, herdacht hij in die brieven wel een paar malen Mathilde, doch in een jaar tijds had hij alweder zooveel doorleefd, gevoeld, bepeinsd en overwogen, dat hij zonder melancolie, op die voor hem toch niet geheel ijdele eerste liefde kon terugzien, met dankbare erkentenis, dat zij en de natuur hem tot dichter hadden gewijd! Zijn geloofsbelijdenis kan in dezen nog groot gewicht in de schaal leggen: te zeggen, die, welke hij in een Sonnet duizenden ten beste gaf op de vraag van een enkele over zijne altijd blijde oogen.
Welzalig reeds op aarde, die dit Sonnet onderschrijft. Past het niet in een bundel Onsterfelijke Kunst, toch zou ik niet gaarne deze heerlijke belijdenis missen, want ik kan hem mij niet anders voor-stellen, (en volgens Mr. Vosmaer, kon deze dit evenmin), als de heerlijke, schitterende persoonlijkheid dier oprecht gemeende verzekering, en wie zal ze vernedering noemen voor den Sonnetten-dichter? Ze stond hem waarlijk in de zachte blauwe oogen te lezen.
Doch ik keer terug tot het tijdvak, waarin de groote reine liefde in zijn hart ontgloeide over welke hij mij dadelijk spreken moest met gezamenlijken blik op haar portret. Haar naam (niet Mathilde) was de schoonste, de meest welluidende en de musikaalste aller namen. ‘Spreek hem zelf maar uit, heel langzaam dan hoort en voelt u 't zelf,’ en ja, ik moest mij gewonnen geven.
Tijdens de Hooft-feesten lachte hem de toekomst nog toe. Ofschoon hij trouw schreef en mij wekelijks nog ‘de Groene’ stuurde, bespeurde ik van lieverlede een anderen toon in zijn brieven, en mij dacht, hij had het zich bij al die feesten te druk gemaakt en had heimwee naar zijn studeercel. Ik liet in mijn schrijven op zijn twee en twintigste verjaring niets merken, uit vrees dat een of ander
examen hem dwars in de maag zon zitten, en dit kardinale punt roerde ik liever niet aan, hoewel hij mij dikwijls den groet overbracht van Rembrandt (het portret.) Hoe ik dus ontstelde toen hij mij 20 Juni '81 schreef:
Lieve Tante.
Ik schrik nu ik den datum boven dezen brief stel. Bijna twee weken verliepen sinds uwe gelukwenschen en wie weet hoeveel sedert mijn laatste schrijven. Hoe kom ik toch aan die slofheid jegens U? Doch laat mij vragen sparen om u van harte te danken voor uwe deelnemiug in mijn verjaarsfeest, dat ik verleden jaar in de Kerkstraat vierde, weet u 't nog?
Binnen 't jaar zal kleine Jacques meerderjarig zijn! Liever zestig dan twintig!
Tot nu toe kan ik op mijn korte loopbaan zonder ontevredenheid terug zien. Ik verkreeg, wat duizenden verlangen, een liefdevolle kring omgeeft mij, er is overvloed van 't noodige, een ongeknakte gezondheid, gepaard aan lichaamskracht, een uiterlijk, dat velen aanstaat, een geest door de Natuur goed voorbereid en door gedwongen studie vrijwel gestoffeerd, erkenning van aangeboren gaven te over, loftuitingen bij de vleet, steeds wassende achting van ouderen en bewondering van jongeren, niet de minste wroeging over eenige daad hoegenaamd... mij dunkt ik ben goed afgekomen bij de bedeeling van het lot. Ik kan gerust slapen en mij gelukkig prijzen.
En toch Tantetje, waar haalt een mensch al rampspoed vandaan? Rechtuit geoordeeld heb ik allerminst recht, om uit mijn tegenwoordig zijn wanhoop en venijn te distilleeren en 't is eigenlijk in hooge mate bespottelijk... doch... 't is nu eenmaal zoo. Sedert ik u opzocht, verzuimde ik alle colleges en ben ik ongeschikt tot
werken. De bruiloft, die in elk opzicht uitstekend is geslaagd, heeft mij het studeeren verleerd, kortom Jacques is zichzelf niet meer. O! die Pinksterdagen en de veelbelovende telg van de Reguliersgracht! Phoe!... Niemand met zulk een onstuimige ziel als de mijne! Laat me u weer een kijkje geven in die ziel en 't zal u duidelijk zijn, hoe ik van hoop tot wanhoop kon vervallen en van verwezenheid tot rampzaligheid. Ik heb ditmaal mij niet aan de betoovering vermogen te ontrukken.’
En nu volgde een biecht, die ik niet woordelijk mag herhalen, maar wel in een paar lijnen, omdat zijn geheele houding in dezen toch wederom van zijn zielen-adel getuigt.
De Joanna aan wie hij zijn Iris toewijdde en wie hij noemde in zijn Sonnettenkrans, en die hij mij in Mei al zoo geestdriftig had besproken, was korten tijd verloofd geweest, en leed nog zoo onder de noodzakelijkheid haar woord te hebben moeten terugnemen, dat het hem een misdrijf scheen haar van liefde te spreken bij het volle vertrouwen, dat hij van haar genoot bij zeer veel samen zijn. Innige deernis met haar smart deed hem dubbel lijden en terugdeinzen voor wat een ander allicht kon gedaan hebben: winst zoeken voor zich zelven in de gegeven omstandigheden. Maar juist het feit, haar volle vertrouwen te genieten, deed hem terugdeinzen voor wat hem gedurig op de lippen zweefde.
Een tweede roman dus in zijn kort leven, welke echter toch tot blijder uitkomst zou hebben geleid indien zijn levensdraad niet zoo onverwachts ware afgesneden. Van die waarheid is hijzelf ook nog overtuigd geweest zooals zijn Moeder mij later verzekerd heeft.
Van de huwelijksfeesten werd ik zoo trouw op de hoogte gehouden, nu met een krant, dan met een briefkaart of op andere wijs, om 't even, zóó, dat ik er alles van wist te vertellen. Toen 't jonge paar gehuwd was en op reis, toen zouden alle zinnen op de examens worden gezet. Van deze niets te vernemen, verontrustte me toch wel wat, doch ik had zelf zulk een leven vol afwisseling, dat de dagen en weken onder allerlei kleine uitstapjes in het zeer mooie princelijke land van Luik maar al te snel omvlogen en September voor de deur stond, eer ik opmerkte, dat wij zulk een buitengewoon langen zomer hadden in den jare '81, want in Luik geniet men van den zomer veel meer dan ten onzent.
Dat de verwachte logé niet in den zomer was opgedaagd, had mij geen oogenblik verbaasd. Na de huwelijksdrukte was er geen sprake van een zomer-uitstapje naar de Ardennen, maar dat hij niettemin geheel buiten zou zijn, al ware 't dan ook maar in Holland zelf, dat waarborgde mij het huwelijk der zuster, want tijdens een lange huwelijksreis kon hij genieten van de fraaie woning, die in Loenen voor de jongelui was ingericht, en die woning moest dubbele bekoring hebben voor een dichtergeest, die bij voorkeur in de Natuur zelve leefde. Juist meende ik hem eens te praaien door de toezending van een en
ander, dat juist van mij verschenen was, en wat hij altijd zoo gaarne ontving als mijne Luikerwaaltjes en Spadoisertjes, toen ik het navolgend schrijven van hem kreeg, uit Amsterdam d.d. 20 September '81.
Hoe weinig kon ik gissen, dat het een laatste brief zou zijn!
Eindelijk dan zit ik met de pen in de hand om u na zoolang wachtens eens in het breede te schrijven. Onze briefwisseling gaapte wel eens meer, doch dat zijn van die aanloopjes, waardoor komende letteren in hartelijkheid kunnen verdubbelen. Ik had mij al herhaaldelijk voorgenomen u op uw belangstellenden brief van, ik weet niet meer van wanneer, te antwoorden. Voor zoo ver ik weet, heb ik de daaruit sprekende hartelijkheid zeer gewaardeerd, maar de indrukken, die ik toenmaals van de buitenwereld opving, ontsnapten aan mijn geheugen. Nu, ik ben ook aan leed gewend en kan verdriet hebben en tevens denken, schrijven en beleefd zijn. U weet, dat ik niet als anderen ben, dat mijne gevoelens ruimer en inniger zijn dan gelijknamige bij den grooten hoop, en dat zij mij nochtans omgolven onder de souvereiniteit van een gelouterd denkvermogen.
Hoe het met mijne studiën gaat? Het gaat er niet mee! Met de beste voornemens vertrok ik naar Loenen en heb daar wel iets gewerkt en wel langen tijd voor mijne boeken gezeten, doch eindelijk moest ik het opgeven, mijne afdwalingen waren mijn wil te sterk. Deed ik mijne gedachten geweld aan, dan bonsde mij het hoofd en ik werd er zonderling licht in. Daarbij kwam, dat ik mijn studiën zóó had opgevat, dat ik in normalen toestand zeer goed en met het beste gevolg het examen zou kunnen doen. Ik ben bekwaam genoeg om met een
beetje inspanning deze breed opgevatte studiewijze te kunnen volgen... maar...
maar... had ik dit... vooruit geweten, ik zou als al die andere jongetjes, mijne collegaas, hebben gedaan, zooals eigenlijk wordt gevorderd. Ik zou letterlijk hebben opgeschreven, wat de wijze mond van een paar hoogleeraren uitte en deze wijsheid papagaaiachtig hebben van buiten geleerd. Ik was er dan toch gekomen. Nu ben ik niet klaar! Een eenige uitweg is, dat ik - wil ik studeeren - de Letteren kies, mijn lievelingsstudie en die Mr. Vosmaer en meer anderen aanraden, ook aan mijn vader. Ik ben dan in een paar jaren Candidaat en verder dan als Advokaat om een eigen onafhankelijk bestaan te veroveren.
Ik leef bij den dag. De volgende week beginnen de colleges.
De toekomst baart mij weinig zorgen, te meer daar mijn dichterroem geweldig stijgt en zich de letterkundigen met mij onledig houden. Daar is een partij vóór mij en ook van tegenstanders.
Mijn laatste werk is geparodieerd, in ‘Uilenspiegel’ nog wel gehekeld, maar Doorenbos, Thijm en Vosmaer hebben in het openbaar partij voor mij getrokken, Vosmaer heeft een apotheose gegeven in den laatsten Spectator, waarbij hij een kolom aan den Sonnettenkrans wijdt, dien u nu ook bezit. Daarin zegt hij o.a. ‘Ik kom rond voor mijne gebreken uit en zeg dus ook, dat ik dien geheelen Sonnettenkrans zeer schoon vind.
Wie had sinds langen, langen tijd, met zoo groote kunst, in zóo weinig woorden, eene donderzwangere lucht,hetlosbarstend onweer, en den met eenen regenboog herboren vrede, zulk een natuurtafreel, geschilderd als in dit meesterlijk Sonnet?...
SANCT1SSIMA VIRGO. Ik voelde des dichters heerlijkheid en voelde mij verheven...
‘Er vaart een aam van Dante door dit Dicht’,
zoo schreef hij. Ik kan het er mee doen, niet waar?
't Afdrukje van mijn laatste Sonnet in ‘Nederland’ kan ik u nog niet zenden, omdat ik het zelf nog niet heb. Hiernevens echter de vuile proef.
Wees hartelijk gekust
door uw liefhebbend
zie 't prentje,
't Prentje was weder een miniatuur portretje.
Uit dit schrijven blijkt toch waarlijk geen verzuchting ter wille van miskenning, maar ingenomenheid met den bijval, die zijn deel werd van eerste beoordeelaars, en evenzeer dat zijn roem niet uitsluitend te danken is aan erkenning veertien jaren later zijner grootsche natuurgave, want hij schreef dit een maand en tien dagen vóor zijn overlijden.
Hij had dus niet eens meer zes weken te leven. Heel spoedig helderde mij een schrijven zijner moeder op, wat de hoofdoorzaak was van zijne lusteloosheid en tegenzin, of liever onmacht, om 't hoofd bij zijne studiën te houden. Deze laatste brief getuigt mede hoe de tusschen ons bestaande band tot den einde toe even krachtig is gebleven en nooit eenige verflauwing heeft ondergaan.
Alvorens het eerste bericht van ziekte mee te deelen moet ik even iets melden dat hem over mijn persoon verontrustte. Eenige weken te voren had ik het hoofd gestooten tegen den scherpen kant van een openstaande deur, toen ik in de duisternis mijne gezellin iets wilde vragen. De hevige pijn was wel spoedig doorstaan, doch van lieverlee ontstond er een gezwelletje aan 't ooglid, dat ook nog iets had gevoeld van den stoot. Na geneeskundig advies geen beterschap bespeurend, maar integendeel toenemende last door de zwelling, kreeg ik den raad eenvoudig het gezwelletje te laten wegnemen. Daar ik iemand gekend had, die iets dito's had doen lichten, doch sedert haast niet was aan te zien door de bloedroode
ingekerfde driehoek aan 't ooglid, kon ik maar niet dadelijk tot zoodanige misvorming besluiten. En zoo had ik in mijn laatste antwoord op den meegedeelden brief Jacques mijn oog-ongemak niet verzwegen en nam zijn goede moeder al heel gauw de pen op om me te bidden mij niet te laten kerven in den vreemde, maar dadelijk ten harent te komen. Een zeer kundig oogarts, die den huize P. nu en dan bezocht, kon mij dadelijk onder handen nemen. Tweede oorzaak van haar schrijven was Jacques' toenemende lusteloosheid, en de innige wensch, dat ik ook voor hem zou overkomen. Niets dan een maag-aandoening scheen hem te kwellen, maar zij was overtuigd, dat mijn overkomst hem gelukkig zou maken, dit toch had hij haar meermalen verzekerd, 't Is mij nog een raadsel, dat ik niet per keerende antwoordde: ‘ik kom’ en ik zoo egoist was het oogkwaaltje evenmin in Amsterdam aan behandeling te willen onderwerpen als in Luik. Daar toch kon ik de operatie, hoe gering ook, ontloopen, in Amsterdam nooit! Dan 't was al zoo volle herfst en in Amsterdam zoo koud, dat ‘de Kameraad’ ook uit alle macht protesteerde tegen mijn reis naar Holland, die haar wellicht een eenzamen winter zou bereiden in een vreemd land, waar zij om mijnentwil tijdelijk woonde. Doch laat ik niet meer verontschuldigingen ophalen, die mij nooit persoonlijk hebben kunnen en nimmer zullen bevredigen. Mijn smart bij zijn heengaan, zonder hem nog eenmaal te hebben weergezien dreigde tot waanzin te stijgen, men bedenke: bij hem geroepen te zijn en niet ijlings op reis te zijn gegaan. Evenwel zoo jong, zoo buitengewoon krachtig als hij was, kon hij allicht kou hebben gevat. In elk geval was hij niet voor ongesteldheden gewaarborgd, maar was elke ongesteldheid toch geen bepaalde ziekte. Hij had zich in 't voorjaar wat veel vermoeid; wat rust zou hem wel spoedig weder de oude doen worden. Soortgelijke berichten kreeg ik van geheel de familie, en zij hadden de kracht mij in slaap te wiegen en te doen overleggen hem naar Luik te
praaien, zoodra hij weer genoegzaam hersteld zon zijn, omdat de Luiker lucht toch zooveel heerlijker was dan de Amsterdamsche. Toch dwaalden mijne gedachten steeds tot hem en gaf ik de post menig woordje voor hem mee. In 't geheel geen antwoord te krijgen begon mij toch te verontrusten, doch de Kameraad, die zich dien reus allerminst als zieke kon voorstellen en bij eenig inzicht van zijn toestand de eerste zou geweest zijn, om mij naar Amsterdam te drijven, wist van allerlei te bedenken om mij met andere gedachten te vervullen, terwijl mijn oogongemak mij bovendien verontrustte, zonder dat ik er evenwel over nadacht, hoe het ook in Amsterdam, inzonderheid aan Jacques, zorg moest berokkenen.'t Bericht, dat Sara Bernard de ‘Hernani’ kwam geven in Luik, 22 Oct., gaf aan mijne gezellin een heerlijke nieuwe afleiding voor mij. Hoewel ik er niet toe besluiten kon haar te vergezellen, besprak zij toch twee plaatsen en rustte niet, voordat ik al zuchtend haar naar den schouwburg volgde. En juist aan de deur ontving ik een schrijven, dat mij letterlijk ontzette. De dokter had wel geen gevaar genoemd, maar scheen toch niet gerust. Ik zal dien schouwburgavond nooit vergeten. Jacques niet lusteloos, maar ziek, niet zonder gevaar, en ik in Luik zoover weg! Thuisgekomen, eindelijk! eindelijk uit dien schouwburg, schreef ik dadelijk te zullen overkomen, doch die brief werd gekruist door een van de pasgehuwde dochter om niet te komen om der wille der wanhoop, die zich van heel 't gezin had meester gemaakt niet alleen, maar ook omdat elke aandoening bij den zieke moest voorkomen worden.
Na dien onbeschrijflijken dag en avond verkwikte mij een kort bericht van gunstiger inhoud. Er was hoop! hoop dat zulk een krachtig gestel het van de zich meer en meer openbarende kwaal, een abces in de longen, zou winnen.
Hoe vurig wenschte ik nu bij hem te zijn! Hoe wreed scheen mij mijn angst voor een niet noemenswaardige operatie, die mij thans aan huis doemde, nu ik eenmaal had afgeslagen over te komen. Een
wanhoop dreigde mij te overmeesteren over, ja! over wat niet al! 't Leek wel, of ik dat oog had moeten stooten om bij zijn heengaan tegenwoordig te zijn, en nog menige vertrouwelijke meedeeling van hem aan te hooren over zijn werk, waarover hij nu tegen niemand een woord sprak. En thans zou mijn komst ongelegenheid veroorzaken.
Hoe kwelde mij zijn blad stuiverszegels, die mij als met verwijten achtervolgden om het aantal ongebruikten. Hoe had ik hem door eigen studiën verwaarloosd! Ik had zijne heerlijke Sonnetten naast mij neergelegd zonder er veel op te durven antwoorden, uit vrees zijn academische studiën afbreuk te doen. Zijn laatste brief scheen mij een schril verwijt, dat ik nooit of nimmer tot zwijgen zou kunnen brengen! Als hij maar eenmaal een graad behaald zou hebben, dan, hoe ik er mij reeds op verheugde, dan zou onze tijd gekomen zijn, de vervulling van onzen droom tijdens wij zooveel samen waren en zoovele plannen hoopten uit te voeren, en nu ziek.... stervend misschien?
Ik dwarrelde in een wereld van zelfverwijt uit welke ik niet was te verlossen zonder briefwisseling of bespreking. Al schreef ik hem nu ook gedurig, met eigen oogen kon hij al heel spoedig niet meer lezen, wat ik hem schreef. Ik moest hem opwekken, moed, levensmoed inprenten, terwijl zijn stervensmoed reeds... was ontwaakt en zich openbaarde in kalme besprekingen met de zich tot kalmte dwingende ouders.
Zoo verbeidden wij in toenemende spanning elke post, op het ergste voorbereid en toch niet geloovende, dat hij zoo jong een prooi des doods zou kùnnen worden, en zoo naderde Zondag de Dertigste October.
Ik had mij laten overhalen om wat te gaan rusten na het doorgaans vroege middagmaal. Wij begaven ons ieder naar onze eigen kamer om ons tegen theetijd weder in de voorkamer te vereenigen. Klokslag vijf werden wij beiden zeer ontsteld door herhaalde hevige slagen in de voorkamer, zoodat wij er beiden verschrikt heensnelden. Er was niets te
zien. En we meenden beiden toevallig 't zelfde gehoord te hebben. Doch den volgenden dag 's Maandags, weder om klokslag vijf, verschrikten ons nog heviger slagen. Wij begrepen thans toch onmogelijk weder offers van een droom te zijn. En de verdieping boven de onze werd overdag nooit betreden, als slaapplaats van 't gezin, dat het des daags veel te volhandig had om ooit voor 's nachts twaalf uur naar de vierde te stevenen.
De inmiddels ontvangen berichten waren nù vol hoop op betere verschijnselen, en dan weder hopeloos, doch die van Maandagavond ademden weder hoop.
Zoo naderde de eerste van November en het dan altijd plaats hebbend klokgelui aller kerken verhoogde niet weinig onze angstige stemming. Daar sloeg het weder vijf uur... En... als werden folianten van een hoogte geworpen met een oorverdoovend gedruisch, verschrikten ons ten derdemale slagen, terwijl de kleine fotografie, op den schoorsteenmantel op een standaardje... er onder werd geworpen! want ze lag daar met gespleten omlijsting...!
Toen voelden wij wat er in Amsterdam gebeurd was, mijn lieveling was niet meer! Op dat zelfde oogenblik gaf hij den geest...